CConstaterende datHoogeveen
Koppel je AI →
Document · PDF

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a

Raadsavond 7 maart 2024, gemeente HoogeveenBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied Zuid, deelplan Brandligtswijk 1a, Elim20.983 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 29

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal milieubelastende functies aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. Het betreft hoofdzakelijk veehouderijen (Brandligtswijk 6 en Jan Slotswijk 2). Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan. Met uitzondering van het aspect 'geur' geldt voor intensieve veehouderijen veelal een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect 'geluid'. De afstand tot de dichtstbijzijnde veehouderij (Jan Slotswijk 2) betreft in dit geval minimaal 300 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Dit betekent dat de beoogde nieuwbouwwoning geen hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd heeft deze ontwikkeling ook geen beperking in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelmogelijkheden van deze bedrijven tot gevolg. In dit kader zijn dichter op deze functies gelegen woningen in alle gevallen maatgevend.

Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat

5.6.2

Onderzoek en conclusie

Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

5.7

Milieueffectrapportage (MER)

5.7.1

Normstelling

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 30

eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd.

5.7.2

Onderzoek en conclusie

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In dit geval is sprake van een ruimte-voor-ruimte ontwikkeling waarbij voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is/wordt gesloopt en agrarische bedrijfsactiviteiten zijn/worden beëindigd. Er wordt op één locatie een geheel nieuw woonperceel gerealiseerd ter compensatie van een veelvoud aan sloopmeters. Per saldo is er sprake van een afname van het bebouwd oppervlak in het buitengebied van de gemeente Hoogeveen.

Daarnaast wordt het project gerealiseerd in een omgeving die zich kenmerkt door (verspreid liggende) woonbebouwing. De inrichting van een voormalig agrarisch perceel wijzigt naar een inrichting ten behoeve van het wonen/ het woonerf. Dit is voor deze locatie een herinrichting van ondergeschikte aard. Het betreft een reeds verwachte (afwijkingsbevoegdheid) ontwikkeling op de nieuwbouwlocatie. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van nieuwe functies die niet leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Gelet op de aard en omvang van de dit plan wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Dit wijzigingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

5.8

Luchtkwaliteit

5.8.1

Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven. Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 31

Stof stikstofdioxide (NO2 ) fijn stof (PM1 0) fijn stof (PM2,5)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die i s vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m 2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m 2 bij twee ontsluitingswegen.

5.8.2

Onderzoek en conclusie

Het project is gericht op de sloop van landschapontsierende bebouwing en de realisatie van één compensatiewoning. In de regeling Niet in betekenende mate is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën op de lijst, kan worden aangenomen dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.9

Externe veiligheid

5.9.1

Normstelling

Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie externe veiligheid van de gemeente Hoogeveen is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 32

5.9.2

Onderzoek en conclusie

Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie externe veiligheid van de gemeente Hoogeveen is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied. 5.9.2

Onderzoek en conclusie

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 8 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot de nieuwbouwlocatie weergegeven.

Afbeelding 8

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich wel bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet i s gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; wel i s gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

In de directe omgeving van de nieuwbouwlocatie bevinden zich meerdere risicobronnen. Daar BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 33

waar het gaat om bovengrondse risicobronnen/-locaties is in alle gevallen sprake van voldoende afstand tot de nieuwbouwlocatie. Wel liggen er relatief veel ondergrondse aardgasleidingen in de omgeving. De locatie bevindt zich wel binnen de 100% letaliteitszone behorend bij de direct ten zuiden gelegen aardgasleiding. De RUD heeft onderzocht of er hierdoor sprake is van een noemenswaardige toename van het groepsrisico. Dit is niet het geval. Nader onderzoek wordt niet nodig geacht. Externe veiligheid vormt geen knelpunt voor dit ruimtelijke plan.

5.10

Verkeer en parkeren

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De gemeente Hoogeveen hanteert haar eigen parkeernota 'Parkeernota gemeente Hoogeveen 2011' waar door middel van parkeernormen de parkeerbehoefte berekend kan worden. Op basis van de gemeentelijke parkeernota wordt er voor een vrijstaande woning in het buitengebied een parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen per woning gerekend. Gelet op de omvang van het nieuwe woonperceel is er voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen op het erf te realiseren. Dit is ook zichtbaar gemaakt in het inrichtingsplan (afbeelding 3.1 en bijlage 1). In relatie tot de verkeersgeneratie kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren', publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied van Hoogeveen (matig stedelijk) geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van afgerond 9 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Het nieuwe woonperceel wordt met een eigen nieuwe ontsluiting ontsloten op de Brandligtswijk. E is hiermee sprake van een passende en verkeersveilige ontsluiting. Geconcludeerd wordt dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit plan besloten ontwikkeling.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 34

Hoofdstuk 6 6.1

Planbeschrijving

Juridisch systeem

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4. Overgangs- en slotregels.

6.2

Regels

Inleidenderegels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogten, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan bebouwingspercentage, etc.);

de

bebouwing

moet

voldoen

(bebouwingshoogte,

Nadere eisen: burgemeester en wethouders kunnen nader eisen stellen aan plaats en afmetingen van de bebouwing en ten aanzien van aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit; Specifieke gebruiksregels: regels ten aanzien van strijdig gebruik en de voorwaardelijke BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 35

verplichtingen; Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.

Algemeneregels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 8) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene gebruiksregels (Artikel 9) In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Algemene aanduidingsregels (Artikel 10) In dit artikel staat beschreven welke regels er binnen het plangebied gelden in relatie tot de gebiedsaanduiding 'Overige zone - windmolens'. Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Overige regels (Artikel 12) In dit artikel staat beschreven welke regels er gelden voor het parkeren, laden en lossen. Overgangs- en slotregels In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.

In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3

Verklaring van de bestemmingen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. 'Agrarisch-2' (Artikel 3) Deze bestemming is toegekend aan gronden die onderdeel uitmaken van het agrarische perceel Brandligtswijk 1a. Ter plaatse is een woonbestemming toegekend. De agrarische bestemming is opgenomen op de gronden die voorzien worden van een agrarische gebiedsbestemming.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 36

"Tuin" (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de gronden gelegen tussen de woonpercelen aan de Brandligtswijk 1a en de compensatiekavel, en de Brandligtswijk. Het betreft de gronden voor de voorgevels van deze woonpercelen/woningen. "Wonen" (Artikel 6) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de woonpercelen Brandligtswijk 1a en de compensatiekavel. Voor de regels is aangesloten bij de regels voor wonen uit de beheersverordening "Buitengebied Zuid Hoogeveen 2022". Voor de compensatiekavel is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de erfinrichtingsmaatregelen conform het bijbehorende erfinrichtingsplan. "Waarde - Archeologie 4" (Artikel 7) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de gronden op het achtererf van het perceel Brandligtswijk 1a en komt overeen met de bestaande dubbelbestemming uit de beheersverordening.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 37

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 38

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De initiatiefnemer heeft de directe buren persoonlijk geïnformeerd over de plannen. De buren zijn blij met het feit dat er oude schuren worden gesloopt en dat er een woning voor terugkomt. Het plan is voor vooroverleg verstuurd naar de provincie Drenthe, de Veiligheidsregio Drenthe (VRD) en het Waterschap Veltstromen met als opmerking dat wanneer er geen reactie kwam het plan door de partijen als goedgekeurd beschouwd kon worden. Vanuit de VRD is een reactie gegeven met betrekking tot externe veiligheid dat ze , ten aanzien van de bestrijdbaarheid en zelfdredzaamheid, geen maatregelen kunnen bedenken die één van beide zal kunnen verbeteren. Gezien het feit dat het groepsrisico niet toeneemt en de kleine kans op calamiteiten bij een gasleiding is externe veiligheid geen belemmering voor het plan. Vanuit de provincie Drenthe zijn adviezen ten aanzien van de onderwerpen landschap en cultuurhistorie gegeven (Bijlage 6). Hierop is het plan aangepast of is gemotiveerd aangegeven waarom het plan niet is aangepast op dat betreffende onderdeel. Zie hiervoor Bijlage 7. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 23 november 2023 tot 3 januari 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de inzage zijn er geen zienswijzen binnengekomen.

7.2

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten worden verhaald middels de legesverordening, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 39

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 40

Bijlagen toelichting

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 41

Bijlage 1

Inrichtingsplan

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 42

ruimtelijk kwaliteitsplan Brandligtswijk 1a Elim

colofon Door:

dé Erfontwikkelaar b.v. Radewijkerweg 9 7791 RJ Radewijk

2

Telefoonnummer

06 24 88 38 28

E-mail

herbert@erfontwikkelaar.nl

Internet

www.erfontwikkelaar.nl

Project

2367

Auteur

H. Oldehinkel

Datum laatst gewijzigd

9 september 2022, 7:07

Bestandsnaam

2367-RKP-V1

Aantal pagina’s

18

3

Inhoudsopgave introductie

4

sloopoverzicht

6

vigerend beleid

8

ontstaan van het erf en het landschap

10

concept

12

inpassing erf

14

sfeerbeelden erfinrichting

16

landschapsmaatregelen

17

introductie

dé Erfontwikkelaar b.v. heeft het voorliggende ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld in het kader van een ruimte voor ruimte aanvraag te Elim. Op het erf aan de Brandligtswijk 1a te Elim is reeds 422 m2 aan landschapsontsierdende bebouwing geseloopt. Om ter compensatie één bouwkavel te krijgen moet in totaal min. 750 m2 aan schuren worden gesloopt. Daarom wordt er aan de Middenraai 55 te Nieuweroord 386 m2 extra gesloopt. In totaal wordt er dus ruim voldaan aan de sloopvoorwaarde. Het gemeentelijk beleid in deze beoogt dat de bestaande (cultuurhistorische) kwaliteit een belangrijke rol speelt bij de uitstraling en uitdraging van de karakteristiek van het gebied. De gemeente heeft hiervoor het landschapsontwikkelingsplan als beleidskader.

4

5

Brandligtswijk 1a

locatie plangebied

sloopoverzicht

reeds gesloopt

schuur behouden

Aan de Brandligtswijk is reeds een kippenstal gesloopt van 422 m2. Aangezien er minimaal 750 m2 aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt moet worden is aan de Middenraai 55 te Nieuweroord de resterende 386 m2 aan landschapsontsierende stallen gesloopt. Op dit erf blijven nog enkele opstallen staan die nog gebruikwaarde hebben. Tevens sluiten deze te behouden schuren aan op de bebouwingstructuur van het erf.

6

sloopoverzicht Middenraai 55 te Nieuweroord

7

buren

woning behouden

reeds gesloopt buren

in totaal is er 422 m2 landschapsontsierende bebouwing gesloopt, een bestaande schuur en de woning blijft behouden

vigerend beleid

grote boerderijen en woningen met erfbeplantingen. Dominerend is de laanbeplanting in een open vlak landschap. Provinciaal belang OMGEVINGSVISIE DRENTHE De Provincie Drenthe hanteert als belangrijkste ruimtelijke instrument de Omgevingsvisie. Het vormt het provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Drenthe. Deze Omgevingsvisie is hét strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein. Het meest voorkomende landschapstype in de provincie is het hoogveenont-ginningslandschap. Dit landschapstype beslaat in totaal ongeveer een kwart van het gehele grondgebied van de provicie. Tot dit landschapstype behoort ook het gebied Hoogeveen-Hollandscheveld. Kenmerkend voor deze hoogveengebieden is de strakke verkaveling, de bebouwingslinten langs kanalen en monden en de grote, weidse ruimtes met wijken. Elke ontginning heeft bovendien zijn eigen specifieke kenmerken, waaraan de tijd en de manier van ontginning is af te lezen. Zo heeft het gebied rond Hollandscheveld een kleinschalig, besloten karakter met veel verspreid voorkomende bebouwing en bosstroken.

Kenmerken van de nederzetting Afhankelijk van het type dorp (enkellint of dubbellint) en de dichtheid van de bebouwing dringt het landelijk gebied diep of minder diep door in het dorp. Vanaf de hoofdontsluiting is het landelijk gebied in veel gevallen waarneembaar. Kenmerkend is de regelmaat. Het dorpssilhouet is een langgerekte strook waarvan de massa wordt gevormd door een aaneenschakeling van

8

Van provinciaal belang is de samenhang tussen het systematische ontginningspatroon van grootschalige openheid met kenmerkende wijkenstructuur en de bebouwingslinten met daaruit opgaande percelen. Beleid Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van de samenhang en de openheid met de wijken. STRUCTUURVISIE HOOGEVEEN De structuurvisie Hoogeveen beschrijft de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid en geeft antwoord op vragen als: welke ontwikkelingen zijn gewenst, wat is realistisch en uitvoerbaar en waar moeten ontwikkelingen plaatsvinden? De structuurvisie geeft aan hoe Hoogeveen in de toekomst omgaat met thema’s als wonen, voorzieningen, bedrijvigheid, bereikbaarheid, landschap en duurzaamheid. Landschap Met landschap bedoelen we hier de diverse landschappen van Hoogeveen: stad, dorpen en buitengebied. Het landschap is de drager van de ruimtelijke kwaliteit. Hoogeveen wil de verborgen kwaliteiten en waarden van landschap, dorpen en stad aan de oppervlakte brengen en versterken. Het gebied is hier benoemd als ‘semi besloten veenlandschap (oude verkaveling in smalle stroken)’.

9

wegbeplanting

structuur oost-west bosjes

bosjes

landschapstructuurkaart

ontstaan van het erf en het landschap

Het toekomstige erf is gelegen in het van oorsprong zeer open veenlandschap met agrarische functies. Randen van het plangebied bestaan uit de lintbebouwing van Nieuw Moscou, de bebouwing van Elim, bosperceeltjes, laanbeplantingen en houtwallen. Landschap rond 1910: De Brandligtswijk vormt nog een afwaterings- en veenafvoerwijk en de boerderijen ten westen/oosten van het kavel zijn reeds gebouwd.. In de directe omgeving worden reeds kavels gecultiveerd. opvallend is het relatief grote oppervlak aan bosjes en de smalle, opstrekkende, haast geometrische verkaveling. Rond 1950 is er weinig veranderd, wel zijn bijna alle kavels dan landbouwkundig in gebruik. Enkele kleine blokvormige bosjes maken het landschap aan de noordzijde van het plangebied kleinschalig. Langs de doorgaande wegen is laanbeplanting van zomereiken aangeplant. Sloten en wijken in het overwegend open weidegebied bepalen de structuur en richting van het landschap. Her en der komt enige perceelgrensbeplanting in de vorm van bomen voor. De erven zijn over het algemeen vrij open en voorzien van bomen/hagen en enig struweel. De Brandligtswijk is reeds gedemt en dit is nu de inrit naar de verschillende erven. Nabij de plek waar een stal stond wordt nu een compensatiekavel ontwikkeld. Daarbij moet het aansluiten op de omschreven karakteristiek van het gebied.

10

situatie 2021

11

situatie 1950

situatie 1900

concept

De Brandligtswijk vormt het hart van de erven. De compensatiewoning moet zich voegen in dit ritme van bebouwing langs deze voormalige wijk.

de beoogde locatie van de kavel

De nokrichting van de woning en een bomenrij versterken de kenmerkende verkaveling van west naar oost. Binnen het plan is rekening gehouden met de zichtlijnen van de buren. Hiermee wordt voorkomen dat er later middels onwenselijke schuttingen privacy moet worden gemaakt.

12

beoogde compensatiewoning in ritme bebouwing

13

laan woning voegen in ritme van bestaande bebouwing Brandligtswijk

achtererf

voorerf

oriëntatie op de weg

structuur versterken

weide

opbouw van het erf in het landschap

inpassing erf

Volgens het vigerend beleid valt het erf in het ‘semi besloten veenlandschap (oude verkaveling in smalle stroken)’. De landschapsstructuurkaart geeft voor dit gebied de structuur en kenmerkenweer. Initaitiefnemer hebben enkele landschapsontsierende bebouwing gesloopt en willen aan de Brandligtswijk een compensatiewoning bouwen. Gekozen is om de woning ten zuiden van de bestaande woning te realiseren. Er is gezocht naar een goede plek waarmee rekening is gehouden met de zichtlijnen van de omliggende buren. De bestaande woningen langs de wijk kennen een bepaalde ritme en opbouw. Met het toevoegen van een extra woning is hier op aangesloten. Aangezien er ook een subtantieel oppervlakte aan gebouwen is gesloopt zal het landschap niet verstenen. Met de sloop van de bebouwing op beide erven is de ruimtelijke kwaliteit zelfs verbeteren. De belangrijkste kenmerken zijn het half open landschap met clusters gebouwen die verbonden aan de ontginningsstrucuur in het landschap staan. De erven zijn niet gesloten maar worden landschappelijk

14

ingepast door grote bomen en hagen. Een bomenrij aan de noordzijde van het erf is de groene drager die de oorspronkelijke wijk accentueerd. Tussen de compensatiewoning en de bestaande woonboerderij aan de oostzijde wordt een wilde haag geplant om zo privacy te krijgen. Aan de westzijde wordt een afscherming gemaakt in de vorm van een esdoornhaag. Deze accentueerd het voorerf richting het westen. Op het erf is ruimte voor een vrijstaande boom in de vorm van een linde. De zuidzijde van het erf blijft open. Hier zal het erf op een zachte wijze overgaan op het omliggende weiland. De compensatiewoning wordt ontsloten op de bestaande weg.. Op het erf is ruimte om te keren en te parkeren. Schuttingen of andere bouwkundige elementen zijn niet passend op het erf. Wel kan er in de tuin opgaand groen worden aangeplant die niet als landschapsmaatregel zijn opgenomen. Denk daarbij aan boerensering/hortensia/boerenjasmijn/ krentenboompje. Deze passen op het erf en zijn een meerwaarde voor vogels/insecten/vlinders.

6

4 2

8 5 3 7 1

laat je erf groeien! erfinrichtingsplan

herbert 1 : 500 1.0

bestand

2367

schaal

Erfinrichtingsplan Brandligtswijk 1a Elim

8. Aanplant esdoornhaag (max. 1 m)

versie

7. Aanplant Hollandse linde

a3

6. Aanplant zwarte els

formaat

5. Wilde gemengde haag

1 (3)

4. Keren/parkeren

tekeningno

datum

3. Bijgebouw

www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28

2. Compensatiewoning

door

1. Reeds gesloopte pluimveestal (422 m2)

23 augustus 2022

project

Legenda

2367-eip-1.vwx

15

sfeerbeelden erfinrichting

16

bomenrij van zwarte els

esdoornhaag

zachte overgang naar het weiland

hollandse linde

wilde haag

herbert 1 : 500

bestand schaal versie

1.0

2367 a3

door

formaat

2. Aanplant zwarte els - Alnus glutinosa Aanplantmaat 12-14 Totaal 6 stuks Eindbeeld is een bomenrij

1 (3)

Aanplantmaat 80-100 met 5 st/m1 De haag is min. 3 (m) breed. Het eindbeeld is een haag van maximaal 3 (m) hoog

tekeningno

datum

1. Aanplant gemengde haag bestaande uit: Meidoorn - Crateagus monogyna 30% Wilde liguster - Ligustrum vulgaris 25% Sleedoorn - Prunus spinosa 30% Wilde roos - Rosa rubiginosa 15%

23 augustus 2022

project

Legenda

2367-eip-1.vwx

17

3. Aanplant Winterlinde - Tilia cordata 'Rancho' Aanplantmaat 16-18 totaal 1 stuks

4 1

3

laat je erf groeien!

concrete investering in het landschap

landschapsmaatregelen

2

www.erfontwikkelaar.nl telnr: 06 24 88 38 28

Erfinrichtingsplan Brandligtswijk 1a Elim

4. Aanplant veldesdoorn - Acer campester Aanplantmaat 80-100 met 5 st/m1 planten in driehoeksverband Eindbeeld is een geschoren haag van maximaal 1 (m)

laat je erf groeien

Bijlage 2

Bodemonderzoek

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Brandligtswijk 1a ontwerp

NL.IMRO.0118.2023BP9000012-ON01 61

Verkennend- en Nader Bodemonderzoek

Project:

2021-238

Locatie:

Perceel tov Brandligtswijk 1a te Elim

Opdrachtgever:

Paul Bruggeman Raamsweg 53 8106 RJ Mariënheem

Datum:

24 december 2021

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

Verkennend- en Nader Bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a te Elim

Opdrachtgever:

Paul Bruggeman Raamsweg 53 8106 RJ Mariënheem

Adviesbureau:

Dumea Milieu Bornsestraat 24 7597 NE Saasveld

Status: Versie: Datum versie: Projectnummer:

Definitief 2 24 december 2021 2021-238

Auteur:

Joost Stevelink*

Paraaf:

Kwaliteitscontrole:

Niek Hesselink*

Paraaf:

Veldwerkers:

Joost Stevelink, Mark Morsink (in opleiding)*

*De vermelde personen zijn akkoord met de openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.

2021-238

24-12-21

Pagina 2 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

Inhoudsopgave Pagina 1

Inleiding

4

2

Vooronderzoek

5

3

4

5

6

2.1 Locatie gegevens

5

2.2 Algemene informatie locatie

5

2.3 Directe omgeving locatie

6

2.4 Eerder uitgevoerd bodemonderzoek

6

2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie

6

2.6 Vooronderzoek PFAS

7

2.7 Vooronderzoek 5707 Asbest

7

2.8 Visuele inspectie bodemoppervlak op asbest

7

Onderzoeksprogramma verkennend bodemonderzoek

8

3.1 Hypothesestelling

8

3.2 Onderzoeksopzet

8

3.3 Analysestrategie

9

Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek 4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen

10

4.2 Analyseresultaten

11

4.3 Toetsing van de hypothese

12

4.4 Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek

13

Nader asbestonderzoek

14

5.1 Onderzoeksstrategie

14

5.2 Asbestanalyses

14

5.3 Onderzoeksresultaten

14

5.4 Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek

15

Samenvatting en conclusie

BIJLAGE I: BIJLAGE II: BIJLAGE III: BIJLAGE IV: BIJLAGE V: BIJLAGE VI:

2021-238

10

16

Situering van de locatie Situering van de locatie (schaal 1: 2000) Overzichtstekening boorpunten Boorstaten Analysecertificaten en Overschrijdingstabellen Foto's

24-12-21

Pagina 3 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

1 Inleiding In opdracht van de heer Paul Bruggeman heeft Dumea Milieu een verkennend- en nader bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Perceel tov Brandligtswijk 1a te Elim. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage I. In onderhavig onderzoek is het verkennend bodemonderzoek uitgebreid met een asbest in grondonderzoek. Aanleiding van het onderzoek is ten behoeve van de voorgenomen bestemmingswijziging en nieuwbouwactiviteiten. Doel van het onderzoek is het door middel van een steekproef conform het soort bodemonderzoek, nagaan van de huidige kwaliteit van de grond op de locatie. Het doel van het nader onderzoek is om een zo goed mogelijk beeld te verkrijgen van de aangetroffen verontreinigingen uit het verkennend onderzoek. De hoofdstukken 1, 2, 3, en 4 betreffen het verkennend onderzoek uit oktober 2021 (versie 1) en hoofdstuk 5 het nader bodemonderzoek uit december 2021 (versie 2) van het rapprot. Versie 2 van het rapport vervangt versie 1. Tijdens de veldwerkzaamheden van het nader onderzoek is het projectnummer 2021-292 gebruikt. De analyses bevatten dit projectnummer, maar zijn in dit project (2021-238) verwerkt.

Het verkennend onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen: - NEN 5725 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek (NEN5725:2017); - NEN 5740 Bodem - Landbodem - strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond (NEN5740:2009+A1:2016); - NEN 5707 Bodem – Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem. (NEN 5707+C2:2017) - VKB Protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen” - VKB Protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters” - VKB Protocol 2018 “Locatie inspectie en monsterneming van asbest in bodem"

Dumea Milieu is een handelsnaam van Terra Agribusiness. Het procescertificaat van Terra Agribusiness en het hierbij behorende keurmerk (BRL SIKB 2000) zijn van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundig veldwerk, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, en de overdracht van de monsters aan een erkend laboratorium. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen, verklaart Terra Agribusiness op geen enkele wijze gelieerd te zijn aan de te onderzoeken projectlocatie, zowel in juridische, financiële of personele sfeer. De opbouw van dit rapport wordt als volgt weergegeven: - vooronderzoek naar historie en bodemgesteldheid; - opstellen van een hypothese; - opstellen van een onderzoeksstrategie; - resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek; - conclusies, aanbevelingen en samenvatting. In geval van klachten kan de opdrachtgever zich wenden tot Terra-Agribusiness BV en zo nodig tot de certificerende-instelling (Normec). 2021-238

24-12-21

Pagina 4 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

2 Vooronderzoek Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de onderzoeksstrategie op de locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De onderstaande informatie is afkomstig uit:

Tabel 1 Bronnen vooronderzoek Bron

Omschrijving

www.ahn.nl

AHN (Algemeen Hoogtebestand Nederland)

www.bodemloket.nl

Bodemloket van Nederland

www.topotijdreis.nl

Historische kaarten

www.dinoloket.nl

Ondergrond gegevens van Nederland

BAG viewer

Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG)

Gemeente Hoogeveen

Historische informatie van de locatie

Bodematlas Provincie Drenthe

Bodem gerelateerde informatie van de Provincie Drenthe

Informatie Opdrachtgever

Dhr. P. Bruggeman

Inspectie onderzoekslocatie

Visueel inspectie van de locatie

2.1 Locatie gegevens Gegevens over de locatie zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel 2 Locatiegegevens Kadastrale gemeente

Perceel tov Brandligtswijk 1a te Elim Hoogeveen

Sectie

M

Percelen

3846

Oppervlakte van de onderzoekslocatie

<7000 m2

Eigenaar / gebruiker

-

Korte beschrijving van de onderzoekslocatie

De onderzoekslocatie bestaat uit een weide

Bebouwing

Op de onderzoekslocatie staat geen bebouwing

Verharding

De onderzoekslocatie is geheel onverhard

Adres onderzoekslocatie

2.2 Algemene informatie locatie De locatie bevindt zich tegenover de Brandligtswijk 1a in Elim. De onderzoekslocatie bestaat uit een weide. Voorheen heeft er een kippenschuur gestaan welke reeds is gesloopt. De opdrachtgever is voornemens de bestemming te wijzigen en in het kader van de rood-voor-rood regeling een nieuwe woning te realiseren. Op historische kaarten is vanaf 1975 bebouwing op de locatie te zien. Volgens het BAG-register is de reeds gesloopte schuur gebouwd in 1962. Voor de bebouwing heeft de locatie, voor zover bekend, uit landbouwgrond bestaan. Tot 1963 is de Brandligtswijk een watergang. Vanaf 1964 is de wijk gedempt en is er sprake van een weg c.q. pad. De huidige te ontwikkelen locatie ligt tussen de wegen Jeulenwijk en de Brandligtswijk. Het dak van de reeds gesloopte schuur bevatte asbesthoudende dakbedekking. In het kader van het vooronderzoek is op 10 september 2021 een verzoek gericht aan de gemeente Hoogeveen. Tot heden is niets vernomen.

2021-238

24-12-21

Pagina 5 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

2.3 Directe omgeving locatie De onderzoekslocatie is gelegen in het buitengebied van Elim. De omgeving bestaat voornamelijk uit woonhuizen, agrarische bedrijven en percelen. Noordoostelijk van de locatie ligt de dorpskern van Elim. Op de historische kaarten wordt de omgeving aangeduid als “Brandligts”. Aan de Brandligtswijk 2 te Elim is in 2017 door Ecoreest een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Aanleiding van dit onderzoek vormde de voorgenomen nieuwbouw. In dit onderzoek zijn enkel lichte verhogingen aangetoond in de bovengrond. In het grondwater zijn lichte verhogingen aangetoond alsmede een sterke verhoging koper. Nader onderzoek naar de sterke verhoging koper wordt niet noodzakelijk geacht. Tevens is een nader bodemonderzoek bekend, uitgevoerd door Fugro (C.-3915.140/MMw/GWy). Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van een verkennend onderzoek door Geofox. Uit het onderzoek blijkt dat de Brandligtswijk met name is gedempt met huishoudelijk afval. De wijk is ernstig vervuild, maar niet urgent. Minerale olie is de kritische parameter. Er is verder geen bodemrelevante informatie van de directe omgeving van de onderzoekslocatie bekend welke mogelijk invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit ter plaatse van onderzoekslocatie.

2.4 Eerder uitgevoerd bodemonderzoek Er zijn voor zover bekend geen eerdere onderzoeken uitgevoerd op de onderzoekslocatie 2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie De regionale geohydrologische bodemopbouw is weergegeven in onderstaande figuur.

Figuur 1 Geologisch opbouw landelijk model DGM v2.2

De boorlocatie bevindt zich circa 12 meter boven NAP. De regionale grondwaterstroming is noordwestelijk.

2021-238

24-12-21

Pagina 6 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

2.6 Vooronderzoek PFAS PFAS komt op verschillende manieren in het grond- en grondwatersysteem in Nederland terecht. Bij lokaal gebruik en calamiteiten leidt dit tot het 'klassieke' bron-grondwaterpluim beeld. Het meest verdacht voor PFAS in het milieu zijn die locaties waar PFAS worden geproduceerd. Ook brandweer-oefen-plaatsen waar met grote regelmaat brandblusschuim is toegepast, zijn verdacht. Er zijn echter ook vele andere toepassingen van PFAS die kunnen leiden tot een grondof grondwaterverontreiniging. In het handelingskader van het Expertisecentrum PFAS zijn alle bedrijfsactiviteiten en toepassingen beschreven waar PFAS wordt gebruikt en de kans dat daarbij PFAS in het milieu vrijkomt. Uit historisch onderzoek van onderhavig onderzoekslocatie blijkt dat geen van de beschreven toepassingen uit het handelingskader plaats heeft gevonden op of nabij de onderzoekslocatie. Op basis van de verkregen informatie kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht gedefinieerd kan worden met betrekking tot PFAS in de bodem. 2.7 Vooronderzoek 5707 Asbest Uit de verkregen historische informatie blijkt dat vanaf circa 1962 bebouwing op de locatie aanwezig is. Het is aannemelijk dat tijdens (ver)bouwwerkzaamheden asbest in de gebouwen verwerkt is. Het dak van de reeds gesloopte kippenschuur bevatte asbesthoudende dakbedekking.

Door het (jarenlange) agrarische gebruik wordt het voormalig bebouwde gedeelte van de locatie als verdacht beschouwd met betrekking tot de aanwezigheid van asbest in de bodem. Het onbebouwde deel (grasland) is niet verdacht met betrekking tot de aanwezigheid van asbest in de bodem. 2.8 Visuele inspectie bodemoppervlak op asbest Op 22-09-2021 is de locatie visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De maaiveldinspectie is uitgevoerd conform de NEN 5707. Het maaiveld van de onderzoekslocatie is verdeeld in stroken van ongeveer 1m breed en is strook voor strook in 2 richtingen haaks op elkaar geïnspecteerd. In onderstaande tabel zijn de resultaten van de maaiveldinspectie beknopt weergegeven.

Tabel 3 Maaiveldinspectie NEN 5707 Aandachtsgebied

Opmerking

Oppervlakte geïnspecteerde locatie

<7000

Conditie toplaag

Droog

Beperkingen van de inspectie

Neerslag: geen, >25% vegetatie, >25% verharding

Weersomstandigheden

Zicht: > 50m

Asbestverdacht materiaal op maaiveld aangetroffen?

Ja

Opmerking

De maaiveldinspectie werd beperkt door de ruige vegetatie en de verharding. <50%, de waarde van de inspectie ter plaatse van de weide is onvoldoende om het verdachte gebied in te perken en een kwantitatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de toplaag.

Inspectie-efficiëntie:

Resultaat maaiveld inspectie Ter plaatse van de onderzoekslocatie is asbestverdacht materiaal op het maaiveld aangetroffen.

2021-238

24-12-21

Pagina 7 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

3

Onderzoeksprogramma verkennend bodemonderzoek

3.1

Hypothesestelling

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn voor de locatie één of meer hypotheses geformuleerd ten aanzien van grond en grondwaterverontreiniging. De bovengrond van de voormalige bebouwde onderzoekslocatie kan als verdacht worden beschouwd met betrekking tot de chemische parameters alsmede asbest. In het kader van de NEN5740 en NEN5707 dient de bovengrond onderzocht te worden conform onderzoeksstrategie VED-HE. Het onbebouwde deel (grasland) en de ondergrond kan als onverdacht beschouwd worden. Omdat de in het verleden gedempte Brandligtswijk aan onderhavige onderzoekslocatie grenst, wordt hier separaat een deellocatie van aangehouden. De volgende deellocaties en hypotheses worden aangehouden:

Tabel 4 Deellocaties en hypothese NEN5740 Locatie Gehele locatie Demping

Hypothese

Verdachte stoffen

Opmerking

Verdacht (VED-HE & ONV) Verdacht (VED-HE)

Zware metalen, PAK Zware metalen, PAK, Minerale olie

-

Verkennend bodemonderzoek NEN 5707 Het asbest in grondonderzoek heeft tot doel het globaal vaststellen van het gemiddelde asbestgehalte van de deellocatie (ruimtelijke eenheid) en het vaststellen van de globale omvang van een eventueel aanwezige asbestverontreiniging.

Tabel 5 Deellocaties en hypothese NEN5707 Locatie Vml bebouwing

Hypothese Verdacht (VED-HE)

Verdachte stoffen Asbest in grond

Opmerking -

3.2 Onderzoeksopzet De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 22 september 2021 (plaatsing peilbuizen en monstername grond), en 30 september 2021 (monstername grondwater). De positie van de boorlocaties zijn weergegeven in bijlage III.

Tabel 6 Onderzoeksopzet NEN 5740

1 2

Locatie

Ondiepe boringen1

Gehele locatie Demping

15 -

Diepe boringen2

Peilbuizen

3 3

1 -

Analyses grond

Analyses water

3x st. grond AS3000 1x st. grond AS3000

1x st. grondwater AS3000 -

Ondiepe boringen standaard tot 0,5 m-mv. Diepe boringen tot de grondwaterstand met een minimum van1,0 m-mv en een maximum van 2,0 m-mv.

Op voorhand wordt er van de demping geen invloed verwacht op de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem van onderhavige onderzoekslocatie. Desondanks zullen er aan de zijde van de wijk drie diepe boringen worden geplaatst en separaat worden geanalyseerd.

Tabel 7 Onderzoeksopzet NEN 5707 Locatie Gehele locatie

Proefgaten ondiep1 7

Proefgaten met diepe boring2

Analyses asbest in grond3

1

2

1

Ondiep proefgat standaard 0,3m x 0,3m x 0,5m (lxbxh). 2 Standaard proefgat van 0,3m x 0,3m x 0,5m (lxbxh) diep doorgeboord met edelmanboor Ø 12cm. 3 Analyse conform NEN5898; aantal analyses asbest in materiaal op basis van zintuiglijke waarnemingen in het veld. * Druppelzones standaard 2,0m x 0,30m x 0,10 (lxbxh).

2021-238

24-12-21

Pagina 8 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

3.3 Analysestrategie Ten behoeve van het analytisch onderzoek zijn op het laboratorium mengmonsters samengesteld. In de onderstaande tabel is de samenstelling van de monsters verwerkt.

Tabel 8 Analyse onderzochte monsters NEN 5740 BM1

Traject (m-mv) 0,00 - 0,50

BM2

0,00 - 0,50

BM3

0,00 - 0,50

OM1

0,50 - 2,00

OM2

0,50 - 1,00

Analyse monster

Analyse monster PB1 WM1

Traject (m-mv) 3,30 – 4,30

Deelmonsters

Analyse

3 (0,00 - 0,50) 4 (0,00 - 0,50) 5 (0,00 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 7 (0,00 - 0,50) 8 (0,00 - 0,50) 9 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50) 18 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) 20 (0,00 - 0,50) 16 (0,50 - 1,00) 16 (1,00 - 1,50) 16 (1,50 - 2,00) 2 (0,50 - 1,00) 2 (1,00 - 1,50) 2 (1,50 - 2,00) 20 (0,50 - 1,00) 20 (1,00 - 1,50) 20 (1,50 - 2,00) 21 (0,50 - 1,00) 22 (0,50 - 1,00) 23 (0,50 - 1,00)

AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb

AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb

AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb

AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb

AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb

Analyse NEN 5740gw standaardpakket (AS3000)

Alle monsters ten behoeve van de NEN 5740 zijn geanalyseerd door AL-West Agrolab BV. Alle analyses zijn AS3000 erkende verrichtingen.

Toetsing homogeniteit Gezien de zintuiglijke waarnemingen kan gesteld worden dat de homogeniteit van de verschillende inspectiegaten die in een mengmonster gemengd zijn voldoende aanwezig is.

Tabel 9 Analyse onderzochte monsters NEN 5707 Analyse monster MM1

Traject (m-mv) 0,00 - 0,50

2A MVM 2A MVM MV

0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

Deelmonster

Analyse

10 (0,00 - 0,50) 3 (0,00 - 0,50) 4 (0,00 - 0,50) 5 (0,00 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50) 7 (0,00 - 0,50) 8 (0,00 - 0,50) 9 (0,00 - 0,50) 2 (0,00 - 0,50) 2 (0,00 - 0,50) Mvm mv

Asbest NEN5898 (10 kg)

Asbest NEN5898 (10 kg) Asbest mat.verzamelm.NEN5896 Asbest mat.verzamelm.NEN5896

Alle monsters ten behoeve van de NEN 5707 zijn geanalyseerd door ACMAA Laboratorium te Deurningen.

Gezien de zintuiglijke waarnemingen kan gesteld worden dat de homogeniteit van de verschillende inspectiegaten voldoende aanwezig is.

2021-238

24-12-21

Pagina 9 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

4

Onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek

4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen In bijlage V zijn de visuele waarnemingen in de vorm van boorprofielen weergegeven. Veldwaarnemingen De bovengrond bestaat uit matig fijn zand, plaatselijk zwak humeus. De ondergrond bestaat uit matig fijn en matig leemhoudend zand. In de onderstaande tabel zijn de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden weergegeven:

Tabel 10 Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring/Gat 1

Diepte boring (m -mv) 4,30

2

2,00

3 4 5 6 7 8 9 10 16

0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 2,00

20

2,00

21

2,00

22

2,00

23

2,00

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 2,00 2,00 - 2,50 2,50 - 3,00 3,00 - 3,50 3,50 - 4,30 0,00 - 0,50

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand

1,00 - 1,50 1,50 - 2,00 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 2,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 2,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,50 - 2,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50

Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand

matig puinhoudend sterk leemhoudend matig leemhoudend matig leemhoudend matig leemhoudend matig leemhoudend matig leemhoudend zwak leemhoudend matig puinhoudend, sterk asbestverdacht materiaal houdend matig leemhoudend matig leemhoudend matig puinhoudend matig puinhoudend matig puinhoudend matig puinhoudend matig puinhoudend matig puinhoudend matig puinhoudend matig puinhoudend zwak leemhoudend matig leemhoudend zwak leemhoudend matig leemhoudend sterk leemhoudend zwak leemhoudend zwak leemhoudend matig leemhoudend zwak leemhoudend zwak leemhoudend zwak leemhoudend zwak leemhoudend zwak leemhoudend

Ter plaatse van het voormalige bebouwde gedeelte is puin en asbestverdacht materiaal aangetroffen op het maaiveld. De maaiveldinspectie werd beperkt door de vegetatie. In inspectiegat 2a is een sterke hoeveelheid asbestverdacht materiaal aangetroffen. Dit materiaal is geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Van het inspectiegat is separaat een monster genomen. Aan de zijde van de gedempte wijk zijn een 3-tal diepe boringen geplaatst. In deze boringen zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. De mengmonsters BM1, BM2 en MM1 zijn samengesteld uit de individuele matig puinhoudende grondmonsters van de bovengrond ter plaatse van de voormalige bebouwing. De monsters 2A en MVM 2A betreffen de monsters van inspectiegat 2A waar het asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Het mengmonster BM3 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond ter plaatse van het grasland. Het mengmonster OM1 is samengesteld uit de diepe boringen van de locatie. Het mengmonster OM2 is samengesteld uit de diepe boringen ter plaatse van de gedempte wijk. Het monster MVM MV betreft de aangetroffen asbestverdachte materialen van het maaiveld.

2021-238

24-12-21

Pagina 10 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

Grondwater De filterbuis wordt minimaal een halve meter beneden de grondwaterspiegel geplaatst, waarna de dichte buis tot iets boven maaiveld wordt gemonteerd en afgedicht met bentoniet om instroom van oppervlaktewater te voorkomen. In onderstaande tabel zijn de gegevens betreffende de grondwaterbemonstering opgenomen:

Tabel 11 Metingen grondwater Peilbuis 1

Filterdiepte (m -mv) 3,30 – 4,30

Grondwater-stand (m -mv) 1,70

pH (-) 5,9

EC (µS/cm) 388

Troebelheid (NTU) 48,6

Geen van de gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden.

4.2 Analyseresultaten De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven in bijlage V. Alle monsters ten behoeve van de NEN 5740 zijn geanalyseerd door AL-West Agrolab. Deze analyses zijn allen AS3000 erkende verrichtingen. Alle monsters ten behoeve van de NEN 5707 zijn geanalyseerd door ACMAA Laboratorium te Deurningen.

Tabel 12 Toetsingskader Wbb Concentratie ≤ AW-waarde (of < detectielimiet)* > AW-waarde ≤ T-waarde > T-waarde ≤ I-waarde

Betekenis Niet verontreinigd Licht verontreinigd Matig verontreinigd

> I-waarde

Sterk verontreinigd

Opmerking Geen aanvullend onderzoek nodig Geen aanvullend onderzoek nodig Mogelijk nader bodemonderzoek noodzakelijk Nader bodemonderzoek noodzakelijk; mogelijk sprake van ernstige bodemverontreiniging

Code * ** ***

* Voor grondwater geldt de streefwaarde Toelichting: De AW-waarden zijn achtergrondwaarden en zijn referentiewaarden voor een multifunctionele bodem. De halve som van de AW- en I-waarden ((AW+I)/2 = T-waarde) is een toetsingswaarde waarboven er een vermoeden is van ernstige bodemverontreiniging. Door middel van aanvullend onderzoek moet dit vermoeden worden getoetst. De I-waarden zijn de ‘interventiewaarden’. Als de I-waarde voor een stof wordt overschreden in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater (bodemvolume), dan wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

2021-238

24-12-21

Pagina 11 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

Tabel 13 Analyseresultaten NEN 5740 Monster

Traject (m-mv)

BM1

0,00 - 0,50

BM2

0,00 - 0,50

BM3

0,00 - 0,50

OM1

0,50 - 2,00

OM2

0,50 - 1,00

Pb1wm1

3,30 – 4,30

Samenstelling 3 (0,00 - 0,50) 4 (0,00 - 0,50) 5 (0,00 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 7 (0,00 - 0,50) 8 (0,00 - 0,50) 9 (0,00 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,50) 18 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) 20 (0,00 - 0,50) 16 (0,50 - 1,00) 16 (1,00 - 1,50) 16 (1,50 - 2,00) 2 (0,50 - 1,00) 2 (1,00 - 1,50) 2 (1,50 - 2,00) 20 (0,50 - 1,00) 20 (1,00 - 1,50) 20 (1,50 - 2,00) 21 (0,50 - 1,00) 22 (0,50 - 1,00) 23 (0,50 - 1,00) PB1

Verhogingen -

PAK 10 VROM*

-

-

-

Ni*, Ba*

* verhoging groter dan streefwaarde ** verhoging groter dan tussenwaarde *** verhoging groter dan interventiewaarde

Tabel 14 Analyseresultaten NEN 5707 Monster MM1

Traject (m-mv) 0,00 - 0,50

2A MVM 2A MVM MV

0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

Samenstelling 10 (0,00 - 0,50) 3 (0,00 - 0,50) 4 (0,00 - 0,50) 5 (0,00 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50) 7 (0,00 - 0,50) 8 (0,00 - 0,50) 9 (0,00 - 0,50) 2 (0,00 - 0,50) 2 (0,00 - 0,50) Mvm mv

Matrix Asbest in grond

Resultaat 4,2 mg kg/ds

Asbest in grond Asbest in materiaal Asbest in materiaal

43 mg kg/ds Asbestcement en vlakke plaat Asbestcement en vlakke plaat

Het resultaat in bovenstaand tabel is het gewogen asbestgehalte berekend door het gehalte aan serpentijn asbest te vermeerderen met 10 maal het gehalte aan amfibool asbest. * Van de zeeffractie <0,5 mm is maximaal 10 gram kwalitatief beoordeeld en deze bevat asbestverdachte vezels.

Tabel 15 Totaal berekend asbestgehalte per monster (grond + materiaal) Gat/sleuf

Traject (m-mv)

Samenstelling

Gewogen concentratie (grond+puin+materiaal in mg/kg ds)

2A

0,00 - 0,50

2A

856 mg/kg ds

4.3

Toetsing van de hypothese

Onderdeel

Deellocatie

NEN 5740 NEN 5740 NEN 5707

Gehele locatie Demping Vml bebouwing

2021-238

Gestelde hypothese

Hypothese verworpen of aangenomen

Verdacht Verdacht Verdacht

Grotendeels verworpen Verworpen Aangenomen

24-12-21

Pagina 12 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

4.4

Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740

Gehele locatie Er zijn geen concentraties in de grond en het grondwater boven de tussenwaarde aangetroffen, dit houdt in dat er geen aanleiding bestaat voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Verkennend bodemonderzoek NEN5707

Gehele locatie Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn inspectiegaten gegraven en is er een mengmonster samengesteld en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. In het mengmonster is een concentratie asbest aangetoond ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Het gewogen asbestgehalte in gat 2A geeft formeel aanleiding tot het laten uitvoeren van een nader onderzoek.

2021-238

24-12-21

Pagina 13 van 23

Verkennend bodemonderzoek Perceel tov Brandligtswijk 1a in Elim

5

Nader asbestonderzoek

5.1

Onderzoeksstrategie

De onderzoeksopzet gaat uit van de NEN 5707 Bodem – Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem. (NEN 5707+C2:2017). Ten behoeve van het nader asbestonderzoek worden ter plaatse van inspectiegat 2 meerdere inspectiesleuven gegraven om inzicht te krijgen in de omvang van de asbestverontreiniging. De afmetingen van inspectiesleuven bedragen 2.0x0.3x1.0 meter. Ter plaatse van inspectiegat 2 van het verkennend onderzoek zal een inspectiesleuf worden gegraven voor de verticale afperking. Afhankelijk van zintuiglijke waarnemingen wordt de laag vanaf 0,50 m -mv bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Ten behoeve van de horizontale afperking worden vier inspectiesleuven gegraven. Afhankelijk van zintuiglijke waarnemingen wordt de laag tot 0,50 m -mv bemonsterd en geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Op verzoek van de opdrachtgever is voor de gehele locatie een nieuwe maaiveldinspectie uitgevoerd. 5.2 Asbestanalyses Ten behoeve van het nader onderzoek zijn in het veld (meng)monsters samengesteld. In de onderstaande tabel is de samenstelling van de monsters verwerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13820906/1