Beantwoording Technische Vraag VVD Afval(inzamel)beleid
Tekst van het document
Vraag: Waarom wordt er gekozen voor naheffing in plaats van een terugbetaling? U geeft in de avond aan, als ik het goed begrijp, dat u dan achteraf kunt bepalen hoeveel een inwoner per niet-aangeboden lediging terugkrijgt. Klopt dit? Als dit klopt, dan kan dat toch ook voor de variant van achteraf een korting verlenen? We zouden toch als gemeente een richtprijs kunnen afgeven over hoeveel een inwoner per niet-aangeboden lediging terugkrijgt in het voorgaande jaar? Stel, dat kan niet, dan kunnen we eventuele winsten of verliezen egaliseren met het egalisatiefonds, toch? Antwoord: Ongeacht of er sprake gaat zijn van betaling of teruggave achteraf o.b.v. het aantal aanbiedingen van restafval dient bij de voorgestelde nieuwe calculatiemethodiek vooraf het tarief hiervoor te worden vastgesteld. Het verschil tussen beide opties wordt onderstaand d.m.v. een cijfermatig voorbeeld toegelicht, waarbij onderstaande uitgangspunten worden gehanteerd: NB Dit voorbeeld gaat uit van een fictieve situatie en hieraan kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. Maximaal 13 ledigingen minicontainer restafval per jaar mogelijk; 8 ledigingen benodigd bij huidig scheidingsgedrag; 5 ledigingen benodigd bij beter scheidingsgedrag; 11 ledigingen benodigd bij slechter scheidingsgedrag; € 250,-/jaar huidige calculatiemethodiek afvalstoffenheffing; € 170,-/jaar vast deel afvalstoffenheffing i.c.m.
€ 10,-/lediging variabel deel afvalstoffenheffing (nieuwe calculatiemethodiek). Voorbeeld: Met de huidige calculatiemethodiek betaalt een huishouden € 250,-/jaar afvalstoffenheffing voor maximaal 13 containerledigingen per jaar. Volgens de nieuwe calculatiemethodiek (vanaf 2026) betaalt een huishouden € 170,-/jaar afvalstoffenheffing + € 10,-/lediging. Bij gelijkblijvend scheidingsgedrag betaalt een huishouden dan nog steeds € 250,-/jaar afvalstoffenheffing (= € 170,- + (8 x € 10,-)). Bij beter scheidingsgedrag betaalt een huishouden € 220,-/jaar afvalstoffenheffing (= € 170,- + (5 x € 10,-)). Bij slechter scheidingsgedrag betaalt een huishouden € 280,-/jaar afvalstoffenheffing (= € 170,- + (11 x € 10,-)). Als achteraf teruggave van het aantal niet benutte ledigingsmogelijkheden moet plaatsvinden moet vooraf het maximale aantal ledigingsmogelijkheden in rekening worden gebracht. Dat houdt in dat vanaf 2026 jaarlijks € 300,-/jaar in rekening wordt gebracht, hetgeen vanaf 2027 wordt verrekend met het aantal niet benutte ledigingsmogelijkheden i.c. 5 bij gelijkblijvend scheidingsgedrag. Vanaf 2027 bedraagt de afvalstoffenheffing dan opnieuw € 250,-/jaar (= € 300,- -/- (5 x € 10,-)). Bij verrekening achteraf van het werkelijke aantal ledigingen wordt vooraf uitsluitend het vaste deel van de afvalstoffenheffing in rekening gebracht.
Dat houdt in dat vanaf 2026 jaarlijks € 170,-/jaar in rekening wordt gebracht, hetgeen vanaf 2027 wordt verrekend met het aantal ledigingen i.c. 8 bij gelijkblijvend scheidingsgedrag. Vanaf 2027 bedraagt de afvalstoffenheffing dan (eveneens) opnieuw € 250,-/jaar (= € 170,- + (8 x € 10,-)). M.a.w. het enige verschil tussen beide calculatiemethodes doet zich voor in 2026 (€ 300,- vs. € 170,-).
Uiteraard kan eenzelfde vergelijking worden opgesteld voor beter of slechter scheidingsgedrag. Bij teruggave achteraf betaalt een huishouden in 2026 derhalve vooraf € 50,- teveel bij gelijkblijvend scheidingsgedrag, € 80,- teveel bij beter scheidingsgedrag resp. € 20,teveel bij slechter scheidingsgedrag. M.a.w. hoe beter men afval scheidt, hoe meer men in 2026 vooraf te veel betaalt, hetgeen de beoogde stimulerende/motiverende werking van deze afrekenmethodiek kan beïnvloeden. Bij verrekening achteraf betaalt men uitsluitend voor het werkelijke aantal ledigingen en is geen sprake van te veel (of te weinig) betalen. De egalisatievoorziening is bedoeld om onvoorziene (d.w.z. niet begrote) financiële meeen of tegenvallers m.b.t. de afvalinzameling en -verwerking mee te verrekenen. Bij meevallers vindt hiertoe een dotatie aan de voorziening en bij tegenvallers een onttrekking uit de voorziening plaats. Met deze werkwijze wordt voorkomen dat de hoogte van de afvalstoffenheffing (door onvoorziene omstandigheden) jaarlijks sterk kan wisselen. Deze voorziening is uitdrukkelijk niet bedoeld om voorzienbare meer- of minderopbrengst van de afvalstoffenheffing mee te verrekenen en zodoende onderdeel uit te maken van de begroting.