CConstaterende datHoogeveen
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Aanmeldingsnotitie hoogspanningsstation Wijster - D2

Raadsavond 13 juni 2024, gemeente HoogeveenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘BG Noord, Deelplan Omgeving Hoogspanningsstation Wijster’5.829 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

09-10-2023

Aanmeldnotitie hoogspanningsstation Wijster Scheidingsweg

Versie: D2 Auteur: Sam van Leeuwen Gecontroleerd door: Mariska Everts Vrijgegeven door: Lourens Hogenbirk

1

Documentnummer: NL23-648800269-55334

Inleiding

TenneT versterkt in heel Nederland het elektriciteitsnetwerk. Dit is nodig omdat we steeds meer duurzame energie opwekken uit duurzame bronnen zoals windmolens en zonneparken en omdat het energiegebruik van huishoudens en bedrijven stijgt. Steeds meer mensen hebben een elektrische auto, gaan elektrisch koken of verwarmen hun huis elektrisch. Onder de naam ‘Drents Overijsselse Netversterking’ (DON) versterkt TenneT, samen met de regionale netbeheerders Enexis Netbeheer en Rendo, het elektriciteitsnetwerk in Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel (zie figuur 1.1). Om het elektriciteitsnetwerk hier te versterken, vinden tussen 2023 en 2028 onderstaande werkzaamheden plaats (exacte planningen nog niet bekend):

 Aanleg van 5 nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbindingen.  Zwolle Hessenweg-Sekdoorn (circa 8 km kabel)  Meppel en Zwolle Hessenweg (circa 29 km kabel)  Wijster en Hoogeveen-Riegmeer (circa 16 km kabel)  Riegmeer naar de lijn Hoogeveen (circa 4.9 km kabel)  Dedemsvaart naar combilijn Zwolle – Meeden (circa 2 km kabel)  Nieuwbouw van 4 hoog- en middenspanningsstations inclusief inlussingen (Zwolle 110 kV, Wijster, Meppel, Hoogeveen).  Uitbreiden van 2 hoogspanningssstations inclusief inlussingen (Zwolle 220 kV, Zwolle 380 kV).  Verzwaring van bestaande hoogspanningsverbinding (Meppel - Steenwijk)  Amoveren van overbodig geworden hoogspanningsmasten en -verbindingen (Dedemsvaart).

Sweco

Postbus 203

Sweco Nederland B.V.

Sam van Leeuwen

NL 3730 AE De Bilt

Handelsregister 30129769

Milieuadviseur

Netherlands

Statutair gevestigd te De Bilt

sam.vanleeuwen@sweco.nl

T +31 (0) 88 811 6600

M +31630618345

www.sweco.nl

Document referentie NL23-648800269-55334 1/16

09-10-2023 Versie C12

Figuur 1.2 | Overzicht werkzaamheden uitbreiding elektriciteitsnet Noordwest Overijssel en Zuidwest Drenthe

De nieuwe hoog- en middenspanningsstations die TenneT, Enexis Netbeheer en Rendo gaan bouwen, worden met ondergrondse hoog- en middenspanningskabels of bovengrondse hoog- en middenspanningsverbindingen verbonden met het bestaande elektriciteitsnetwerk van TenneT. Dit gebeurt met nieuwe of bestaande ondergrondse kabels en bovengrondse verbindingen. Zo worden de nieuwe stations onderdeel van het elektriciteitsnetwerk en zorgen zowel de nieuwe kabels als de nieuwe stations voor versterking van het elektriciteitsnetwerk. In figuur 1.2 is de geografische ligging van het te realiseren hoogspanningsstation Wijster weergeven.

Figuur 1.1 | geografische ligging van het voorgenomen hoogspanningsstation Wijster

De bouw van het hoogspanningsstation bij Wijster past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Daarom wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming van dit bestemmingsplan, moet worden getoetst of in het kader van deze

Document referentie NL23-648800269-55334

2/16

ontwikkeling een milieueffectrapportage1 nodig is. Uit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) volgt dat voor deze ontwikkeling een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. In deze aanmeldingsnotitie is de benodigde informatie voor de vormvrije m.e.r.beoordeling van de voorgenomen activiteit opgenomen. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de voorgenomen activiteit (hoofdstuk 2), de m.e.r.-procedure (hoofdstuk 3) en de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit (hoofdstuk 4).

2

09-10-2023 Versie C12

Voornemen

Het planvoornemen betreft de bouw van een hoog- en middenspanningsstation ter hoogte van de Scheidingsweg in Wijster. Deze wordt gerealiseerd in samenwerking met Enexis en voorziet een aansluiting op het landelijk 220kVnet. Daarnaast maakt ook de 110 kV inlussing op de verbinding naar Hoogeveen Toldijk deel uit van de opdracht, deze ligt deels op het grondgebied van de gemeente Hoogeveen. Het hoogspanningsstation wordt aangesloten op een bovengrondse 220 kV hoogspanningsleiding. Ook zal er een nieuwe 20 kV verbinding van Enexis gerealiseerd worden. Het planvoornemen ligt grotendeels in de gemeente Midden-Drenthe, de 110 kV kabelinlussing vindt voor een deel plaats op het grondgebied van de gemeente Hoogeveen. In beide gemeenten wordt daarom een planologische procedure doorlopen. In figuur 2.2 is een uitwerking van het planvoornemen weergegeven.

Hoogeveen Figuur 2.2 | Plangebied (blauw) en ontwerptekening planvoornemen hoogspanningsstation en inlussing op het bestaande netwerk. Groen = 220 kV, zwart = 110 kV, paars = 20 kV (Enexis)

1

Milieueffectrapportage wordt afgekort als m.e.r. als het om de procedure gaat en als MER als het om het rapport gaat.

Document referentie NL23-648800269-55334

3/16

09-10-2023

3

Toets aan het Besluit m.e.r.

3.1

Welke m.e.r.-procedure is van toepassing

Versie C12

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) geeft aan of voor een project een m.e.r.plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing is. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in de C-lijst van het Besluit m.e.r., geldt de zogenoemde m.e.r.plicht voor besluiten genoemd in kolom 4. Activiteiten in bijlage C worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage D van het Besluit m.e.r., geldt voor een ‘besluit’ genoemd in kolom 4, de zogenoemde m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor activiteiten in bijlage D geldt dat zij, afhankelijk van de omstandigheden, nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Het planvoornemen betreft een activiteit die valt onder de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding (C 24 en D 24.1) en de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (D11.3). Het Besluit m.e.r. geeft onder ‘gevallen’ per activiteit aan wat de relevante (indicatieve) drempel is voor een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Met het planvoornemen worden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.

niet overschreden, aangezien het niet gaat om een leidingtracé van meer dan 15 km (C 24) of 5 km (D 24.1) en het plangebied kleiner is dan 75 ha (D 11.3). Op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling dient te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.beoordeling'. Pas als is vastgesteld dat belangrijk nadelige gevolgen zijn uitgesloten, geldt voor de activiteit geen m.e.r.- plicht. Tabel 3.1: Activiteiten C24, D24.1 en D11.3 uit het Besluit milieueffectrapportage (d.d. 20-03-2023)

C 24

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met:

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet.

De besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste

Het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan,

1.een spanning van 220 kilo volt of meer, en 2.een lengte van 15 km of meer.

D 24.1

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding.

Document referentie NL23-648800269-55334

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met:

4/16

1°. een spanning van 150 kilovolt of meer, en

lid, onderdelen a en b, van die wet.

bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

09-10-2023 Versie C12

2°. een lengte van 5 kilometer of meer in een gevoelig gebied. D 11.3

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein

3.2

Te volgen procedure

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 ha of meer

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Met deze aanmeldingsnotitie verzoekt de initiatiefnemer TenneT de gemeenten Midden-Drenthe en Hoogeveen om te beoordelen of een m.e.r. nodig is (conform artikel 7.16 Wet milieubeheer). In deze aanmeldingsnotitie is de benodigde informatie opgenomen die voor deze beoordeling nodig is. De vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt opgenomen in het ontwerp van het moederbesluit of -plan (in dit geval het bestemmingsplan). Het bevoegd gezag neemt uiterlijk zes weken na ontvangst van de mededeling en deze aanmeldingsnotitie een m.e.r.-beoordelingsbeslissing2. Het besluit wordt niet apart gepubliceerd in de Staatscourant3. Op het ontwerp van het bestemmingsplan is inspraak mogelijk. De vormvrije m.e.r.-beoordeling staat daarmee in die procedure open voor reacties: in de zienswijzen kan ook worden ingegaan op de vormvrije m.e.r.-beoordeling en de beslissing dat het bevoegd gezag daarover heeft genomen.

3.3

Doel van de aanmeldingsnotitie

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In deze aanmeldingsnotitie wordt op objectieve wijze de informatie verzameld en gepresenteerd die voor deze afweging noodzakelijk is. Op basis van de informatie in de aanmeldingsnotitie besluit het bevoegd gezag of een uitgebreidere m.e.r-procedure nodig is. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient het bevoegd gezag expliciet te beoordelen of zij het noodzakelijk acht om de m.e.r.-procedure te doorlopen. Er kunnen twee uitkomsten zijn:  

Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen niet uitgesloten worden  er dient een m.e.r.-procedure doorlopen worden. Belangrijke nadelige milieugevolgen treden niet op  er wordt gemotiveerd aangegeven dat geen m.e.r.-procedure wordt doorlopen.

Het uitgangspunt bij deze beoordeling is: Nee, tenzij …. (zie hiervoor verder kader 3.1). 2

Indien het bevoegd gezag tevens initiatiefnemer is, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium de m.e.r.-beoordelingsbeslissing. 3 Dit is bepaald in het Besluit m.e.r. in artikel 2.5 onder b.

Document referentie NL23-648800269-55334

5/16

Dit uitgangspunt betekent dat er geen nadere m.e.r.-(beoordeling) nodig is, tenzij er sprake is van mogelijke ‘belangrijke nadelige gevolgen’ voor het milieu op basis waarvan een dergelijke procedure wel noodzakelijk moet worden geacht. Deze ‘belangrijke nadelige gevolgen’ moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten.

09-10-2023 Versie C12

Het project dient te worden getoetst aan: 1. Kenmerken van de activiteit: a. Omvang van het project. b. Cumulatie met andere projecten. c. Gebruik natuurlijke hulpbronnen. d. Productie afvalstoffen. e. Verontreiniging en hinder. f. Risico op zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. g. Risico’s voor de menselijke gezondheid. 2. Plaats van de activiteit: a. Bestaand grondgebruik. b. Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied. c. Opnamevermogen milieu met aandacht voor specifieke gevoelige gebieden. 3. Kenmerken van het potentiële effect: a. De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van het effect. b. De aard van het effect. c. Grensoverschrijdend karakter. d. Intensiteit en complexiteit effect. e. Waarschijnlijkheid effect. f. Verwachte aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid effect. g. De cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten. h. De mogelijkheid om effecten doeltreffend te verminderen. In hoofdstuk 4 wordt de toetsing behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit en de plaats van de activiteit en de potentiële effecten die daaruit naar voren komen. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van deze effecten.

Hierbij wordt gekeken of er sprake is van mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen en of er verzachtende mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen.

Document referentie NL23-648800269-55334

6/16

KADER 3.1: UITLEG AANMELDINGSNOTITIE

09-10-2023

Zoals aangegeven is het uitgangspunt bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling het ‘nee, tenzij’ principe. Dit heeft gevolgen voor inhoud en diepgang van deze aanmeldingsnotitie. In dit kader wordt kort toegelicht hoe deze aanmeldingsnotitie is opgebouwd en op welke wijze naar de inhoud moet worden gekeken.

Versie C12

Waarom Nee, tenzij? Dat het ‘nee, tenzij’ principe geldt, vloeit voort uit het feit dat het een activiteit betreft uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., waarvoor tevens geldt dat de activiteit onder de drempelwaarde ligt zoals in deze D-lijst genoemd. In het Besluit m.e.r. zijn alle activiteiten die mogelijk gevolgen hebben op het milieu verdeeld over twee lijsten: de C en de D lijst. Activiteiten uit de C-lijst worden gekenmerkt door het feit dat zij over het algemeen belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Voor deze activiteiten geldt dan ook een directe m.e.r.-plicht. Voor activiteiten uit de D-lijst geldt dat deze afhankelijk van de omstandigheden nadelige milieugevolgen kunnen hebben. Wanneer de activiteit op de D-lijst staat én onder de drempelwaarde blijft zoals in die lijst opgenomen, is de verwachting dat deze activiteit waarschijnlijk geen belangrijk nadelige milieugevolgen oplevert. Op voorhand geldt voor deze activiteiten daarom ook geen m.e.r.plicht. Dit moet echter wel worden getoetst middels de vormvrije m.e.r.beoordeling. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland.

Inhoud aanmeldingsnotitie Voor een aanmeldingsnotitie die wordt opgesteld in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. In de meeste gevallen kan de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gebaseerd op ‘expert judgement’, zonder (model)berekening of (veld)onderzoek. Het uitgangspunt is dat de aanmeldingsnotitie kort en bondig is en alleen inzoomt op die kenmerken en gevolgen die mogelijk kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu. In veel gevallen zal snel helder zijn dat een activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft (vanwege grote afstand tot gevoelige gebieden, de locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten, de activiteit leidt niet tot grote emissies, heeft een klein ruimtebeslag e.d.). Dan is ook geen uitgebreide motivering nodig: er wordt dan beknopt beschreven dat naar alle Europese criteria is gekeken.

Document referentie NL23-648800269-55334

7/16

4

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

09-10-2023 Versie C12

1. Kenmerken van het project

Hoogspanningsstation Scheidingsweg Wijster

Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)

Het planvoornemen betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding (C24 en D24.1) en de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (D11.3). De grenswaarden die voor deze activiteiten worden gehanteerd zijn: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een leiding met: 1. een spanning van 220 kilovolt of meer (C24) / een spanning van 150 kilovolt (D24.1), en 2. een lengte van 15 km of meer (C24) / 5 km of meer in gevoelig gebied (D24.1). En: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 ha of meer (D11.3). Het voornemen blijft ruim onder de grenswaarden, er is dus sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Cumulatie met andere projecten

Er zijn zover bekend geen projecten in de omgeving bekend die cumulatieve effecten kunnen hebben met voorliggend voornemen.

Gebruik natuurlijke hulpbronnen4

Bij de bouw van het hoogspanningsstation wordt geen gebruik gemaakt van vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen zoals hout, glas, (bak)steen en grond. Eventueel vrijgekomen grond wordt afgevoerd en elders gebruikt, bijvoorbeeld voor ophoging. Het huidige grondgebruik van het plangebied is agrarisch. Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit.

Productie afvalstoffen5

Bij de bouw van het hoogspanningsstation komt afval vrij. (Bouw)afval wordt conform geldende wet- en regelgeving afgevoerd.

Verontreiniging en hinder

Verontreiniging Aanlegfase Tijdens de bouw kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden tijdelijk een beperkte en lokale verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Bodem(water)verontreiniging ATKB heeft in 2022 onderzoek uitgevoerd naar de bodem(water)verontreiniging in het plangebied. Uit dit onderzoek blijkt dat er enkele verontreinigingen aanwezig zijn. Sweco heeft in 2023 vervolgonderzoek uitgevoerd. De effecten hiervan

4

Toelichting: Van gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan sprake zijn als een ontwikkeling gevolgen heeft voor op, of in de nabijheid van, de locatie aanwezige natuurlijke hulpbronnen. Denk bijvoorbeeld aan de onttrekking van grondwater of het delven van grondstoffen zoals zand of klei. Ook het kappen van bos als leefomgeving voor dieren of recreatiegebied voor mensen valt hieronder. Dit criterium is vooral van belang bij industriële activiteiten. 5 Afvalstoffen zijn stoffen (preparaten of voorwerpen) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (artikel 1.1, lid 1 Wet milieubeheer). Nadelige milieugevolgen kunnen ontstaan bij het vrijkomen van gevaarlijke afvalstoffen.

Document referentie NL23-648800269-55334

8/16

worden beschreven in paragraaf ‘3. Kenmerken van de potentiële effecten’. Overige effecten, zoals een verontreiniging van de luchtkwaliteit, worden door de beperkte verkeersaantrekkende werking niet verwacht.

09-10-2023 Versie C12

Hinder Aanlegfase Tijdens de aanleg kan als gevolg van het bouwverkeer en de werkzaamheden lokaal een beperkte verkeershinder en geluidhinder optreden. Geluidhinder Hinder kan ontstaan als gevolg van een toename van de geluidemissie op woningen. De dichtstbijzijnde woningen liggen ten zuiden van het plangebied op 840 meter afstand. Geluidbronnen van het transformatorstation zijn de spoelen, transformatoren, filterbanken, noodstroomaggregaat en vermogensschakelaars. PEUTZ heeft in 2023 onderzoek gedaan naar de effecten van de geluidshinder. Deze worden beschreven in paragraaf ‘3. Kenmerken van de potentiële effecten’. Hinder door wateroverlast In de huidige situatie is er volgens klimaateffectatlas na een hevige regenbui (140mm/2 uur) weinig wateroverlast. Dit komt doordat het plangebied in de huidige situatie onverhard is en er voldoende afwatering mogelijk is in de omgeving. Als gevolg van verharding kan de hinder door water toenemen. De effecten van het planvoornemen worden beschreven in paragraaf ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’. Overige effecten, zoals verkeershinder, worden door de beperkte verkeersaantrekkende werking niet verwacht. Risico op zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering

Transformatorstations zijn geen risicovolle inrichtingen volgens het BEVI. Er wordt daarom geen risico op zware ongevallen verwacht. De kans op rampen als gevolg van klimaatverandering zoals overstromingen of het stedelijk hitte eiland effect zullen niet toenemen als gevolg van het planvoornemen.

Risico op de menselijke gezondheid

Risico’s op de menselijke gezondheid kunnen optreden als gevolg van een verslechtering van de luchtkwaliteit, een toename van de geluidemissie of door risico’s met het werken met gevaarlijke stoffen. Deze aspecten worden meegenomen in de betreffende thema’s.

2. Plaats van het project Bestaande grondgebruik

Het huidig grondgebruik op het plangebied is agrarisch. Het plangebied heeft de enkelbestemming ‘afvalgelieerde bedrijvigheid’. Op het plangebied zijn bedrijven tot milieucategorie 6 toegestaan.

Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied

De locatie heeft geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied.

Opnamevermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge

Beschermde gebieden

Document referentie NL23-648800269-55334

Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied, ‘Dwingelderveld’, ligt op circa 6 km afstand van het plangebied. Het plangebied ligt daarnaast op circa 8,5 km afstand van Natura-2000 gebied ‘Mantingerzand’ en op circa 12,5 km afstand van Natura-2000 gebied ‘Mantingerbos’. Het dichtstbijzijnde stiltegebied ligt op

9/16

bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang.

circa 6 km afstand van het plangebied. Op ongeveer 300 meter ten noordwesten van het plangebied ligt een NNN-gebied. Volgens onderzoek van Sweco (2023) ligt het plangebied buiten de verstoringsafstand (van maximaal enkele honderden meters) van verstoringsgevoelige dieren voor beweging, geluid, trilling en licht. Directe effecten op beschermde gebieden als gevolg van het planvoornemen zijn daarom op voorhand uitgesloten.

09-10-2023 Versie C12

Wel kunnen er indirecte gevolgen optreden als gevolg van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden. Uit een AERIUS berekening van Sweco (2023) blijkt dat de stikstofdepositie in de aanlegfase 0,01 mol/ha/jaar betreft. Om de effecten hiervan te onderzoeken is een ecologische beoordeling uitgevoerd. De resultaten hiervan worden besproken in paragraaf ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’. Soortenbescherming Binnen of in de omgeving van het plangebied kunnen mogelijk beschermde soorten voorkomen zoals diverse vleermuissoorten en broedvogels. Voor deze soortgroepen geldt dat er geen negatieve effecten plaatsvinden als geen bomen gekapt worden en gewerkt wordt buiten het broedseizoen. Voorafgaand aan bomenkap dient een inspectie naar nesten en holtes uitgevoerd te worden. Er zijn waarnemingen bekend van de beschermde das, heikikker en levendbarende hagedis op enige afstand tot het plangebied. Binnen het plangebied is in eerste instantie geen essentieel leefgebied aanwezig. Beschermde plantsoorten zijn niet in het gebied aangetroffen. Gezien het huidig grondgebruik agrarisch grasland is, wordt dit ook niet verwacht. In de aanwezige bosjes zijn enkel algemeen voorkomende plantsoorten tegengekomen. Potentiële effecten op soortenbescherming wordt beschreven in paragraaf ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’.

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden Binnen het plangebied zelf komen geen cultuurhistorische structuren of objecten of landschappelijk waardevolle gebieden voor waar rekening mee gehouden dient te worden. Archeologie Het archeologiebeleid van de gemeente Midden-Drenthe is vastgelegd in de gemeentelijke verwachtings- en beleidskaart uit 2012. Volgens deze kaart ligt het voorlopige vlekkenplan merendeels in een zone van middelhoge archeologische verwachting. De zuidoostelijke 20 kV kabelinlussing ligt daarnaast grotendeels binnen een zone van hoge archeologische verwachting. Sweco (2023) heeft onderzoek gedaan naar de archeologische verwachting. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de stationslocatie eerder is onderzocht door middel van booronderzoek. Hieruit is gebleken dat er geen archeologische waarden worden verwacht. De kabelinlussingen zijn echter niet eerder onderzocht. De potentiële effecten hierop worden besproken in paragraaf ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’. Woongebieden De dichtstbijzijnde woonkern (het dorp Drijber) ligt op ongeveer 3,5 km afstand van het plangebied. 3,6 km ten noorden van het plangebied ligt de dorpskern van Wijster. In de directe omgeving liggen een aantal (woon)boerderijen met veelal een agrarische bestemming en campings.

Document referentie NL23-648800269-55334

10/16

Op basis van (1.) de kenmerken en (2.) de plaats van het project zijn de volgende mogelijk belangrijk nadelige gevolgen naar voren gekomen:     

09-10-2023 Versie C12

effecten met betrekking tot bodem(water)verontreiniging); effecten met betrekking tot geluid- en waterhinder; effecten als gevolg van stikstofdepositie; effecten op archeologische waarden; effecten op soortenbescherming.

Op deze gevolgen wordt bij ‘3. Kenmerken van het potentiële effect’ ingegaan. Overige belangrijk nadelige gevolgen zijn niet te verwachten. 3. Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)

Met uitzondering van stikstof zullen potentiële effecten slechts lokaal optreden, in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Door het beperkt aantal woningen in de omgeving zullen eventuele effecten slechts op enkele woningen optreden.

De aard van het effect

De effecten kunnen geclassificeerd worden in tijdelijke effecten (aanlegfase) en permanente effecten. Tijdens de aanlegfase zal er voornamelijk sprake zijn van overlast door sloop- en bouwwerkzaamheden. De permanente effecten hebben voornamelijk betrekking tot een toename van het de geluidemissie en verharding als gevolg van het planvoornemen.

Grensoverschrijdend karakter

Er zijn geen landsgrensoverschrijdende effecten.

Orde van grootte en complexiteit effect

Effecten met betrekking tot bodem(water)verontreiniging De bodem op de locatie bestaat tot 1,0 m-mv uit zand, gevolgd door een heterogeen pakket van zand- en leemlagen. Vanaf circa 2,5 m-mv bestaat de bodem voornamelijk uit leem. De grondwaterstand ligt op circa 2,5 m-mv. In de bodem zijn, uitgezonderd zeer lokale resten plastic (toplaag 1 boring), geen bijmengingen aangetroffen. Op basis van twee uitgevoerde verkennende bodemonderzoeken (ATBK en Sweco) blijkt dat de grond alleen belasting is geraakt met de parameter PFAS (som PFOS). De bovengrond voldoet plaatselijk niet aan de toepassingswaarde voor Wonen/Industrie, waardoor de bovengrond plaatselijk als Niet Toepasbaar wordt geclassificeerd (o.b.v. het Handelingskader, dec. 2021) De grond is verder niet verontreinigd met 1 of meerdere van de overige onderzochte parameters. Het grondwater is plaatselijk matig tot sterk verontreinigd met enkele zware metalen (zink en koper). Gezien het ontbreken van een antropogene bron (menselijk handelen) en een grootschalige diffuse belasting, is vastgesteld dat de verhoogde concentraties veroorzaakt worden door natuurlijk bodemprocessen en daarmee een natuurlijke oorsprong. Een dergelijke grondwaterbelasting geeft geen aanleiding een nader grondwateronderzoek uit te voeren (geen gevolgen voor de bodemgeschiktheidsverklaring).

Voor de PFAS belasting van met name het noordelijke terrein is een aanvullend PFAS onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek is gebleken dat (hoofdzakelijk) de toplaag tot 0,3 mmv belast is met PFOS, maar dat de INEV waarden van 59 ug/kg niet worden overschreden. Gezien het feit dat geen sprake is van INEV overschrijden, is er vanuit de Wet bodembescherming, geen noodzaak te veronderstellen dat sprake is van een geval van ernstige bodembescherming (en daarmee is geen sprake van een saneringsnoodzaak). Wel dient

Document referentie NL23-648800269-55334

11/16

bij het bouwrijp maken en vrijkomen grond rekening gehouden te worden met de verhoogde PFOS waarden. Mits hier rekening mee gehouden wordt, worden er geen belangrijk nadelige effecten verwacht m.b.t. bodem(water)verontreiniging.

09-10-2023 Versie C12

Effecten met betrekking tot geluidhinder Het geluid van de geluidsbronnen zoals in de vorige paragraaf genoemd worden mogelijk als ‘tonaal’ beoordeeld. Van dergelijke geluidsbronnen wordt de hinder groter ervaren dan de berekende emissie. Als het geluid van dit planvoornemen als ‘tonaal’ wordt beoordeeld, is er sprake van een toeslag van 5 dB(A) op de berekende emissies. Daarnaast wordt in het onderzoek van PEUTZ (2023) ook rekening gehouden met laagfrequent geluid. Hiervoor is nog geen geldende wet- en regelgeving, maar uit jurisprudentie blijkt dat een toelaatbaar niveau 39 dB(A) betreft. Uit het onderzoek blijkt dat laagfrequent geluid op toonaangevende woningen 23 dB(A) zal bedragen. Deze waarde zit ruimschoots onder het toelaatbaar niveau van 39 dB(A). Verder blijkt dat het langtijdgemiddelde op maatgevende woningen zowel in de dag – als nachtperiode maximaal 26 dB(A) betreft. Deze waarde zit ruimschoots onder de wettelijke grenswaarde van 45 dB(A). Er worden daarom geen belangrijk nadelige effecten verwacht met betrekking tot het thema geluidhinder. Effecten met betrekking tot waterhinder Met het planvoornemen neemt de verharding toe, waardoor wateroverlast toe kan nemen omdat hemelwater minder goed in de grond kan worden opgenomen. Om de effecten hiervan te beperken zijn er enkele maatregelen genomen.

Op gebieden waar niet gebouwd hoeft te worden, wordt gebruik gemaakt van gras als ondergrond. Op de plekken waar geen gebouwen komen of asfaltverharding wordt toegepast, wordt gebruik gemaakt van grasbetontegels. Deze zijn waterdoorlatend. Het water dat op de verharde oppervlakten (asfalt en gebouwen) valt, wordt afgevoerd naar een nabij gelegen oppervlaktelichaam. Zie onderstaande afbeelding voor een tekening van de verhoudingen.

Document referentie NL23-648800269-55334

12/16

09-10-2023 Versie C12

` Daarnaast zal door middel van een watertoets aangetoond moeten worden dat het project voldoet aan de geldende eisen voor het voorkomen van wateroverlast en droogte. Mits deze mitigerende maatregelen worden getroffen, worden er geen belangrijk nadelige effecten verwacht met betrekking tot het thema waterhinder. Effecten als gevolg van stikstofdepositie Op basis van de stikstofberekening (Sweco, 2023) blijkt dat er ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een relevante toename van stikstofdepositie (>0,00 mol N/ha/jaar) binnen de Natura 2000-gebieden Dwingelderveld, Mantingerbos en Mantingerzand. De toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een overschrijding van de Kritische Depositiewaarde (KDW) is tijdelijk en bedraagt maximaal 0,01 mol N/ha/jaar. Er is onderzocht of er specifieke omstandigheden zijn in een bepaald gebied waarbij zelfs een kleine toename van stikstofdepositie kan leiden tot een ecologisch merkbare verandering van de kwaliteit van het habitat of leefgebied van een beschermde soort. Als dit het geval is, kan dit significante negatieve gevolgen hebben voor het behalen van de instandhoudingsdoelen.

Uit de ecologische beoordeling blijkt dat voor de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten waarvoor geldt dat de KDW wordt overschreden, de berekende toename aan stikstofdepositie niet zal leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakteverlies van de aanwezige Habitattypen of leefgebieden. Effecten op archeologische waarden

Document referentie NL23-648800269-55334

13/16

De westelijke kabelinlussing valt, zoals deze momenteel gepland is, deels ook binnen reeds onderzochte en vrijgegeven gebieden. In het deel van de inlussing wat hierbuiten valt, zijn een watergang en treinspoor aanwezig. Hier zal de kabelinlussing middels gestuurde boring onderdoor aangelegd worden. Een gestuurde boring gaat dieper dan de verwachte diepteligging van een archeologisch niveau, mocht dat hier aanwezig zijn, en vormt dus geen bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Voor de westelijke kabelinlussing wordt daarom geen verder archeologisch onderzoek geadviseerd, uitgaande van aanleg middels gestuurde boring (Sweco, 2023).

09-10-2023 Versie C12

Ter plaatse van het geplande tracé van de oostelijke kabelinlussing kunnen nog archeologische waarden verwacht worden, zeker gezien de hoge verwachting die hier geldt volgens de gemeentelijke beleidskaart en de vondst van een prehistorische spitshak in de nabijheid van de inlussing. Geadviseerd wordt daarom om werkzaamheden binnen deze zone zoveel mogelijk te vermijden. Als in dit gebied werkzaamheden plaatsvinden in een gebied groter dan 1.000 m2, zal vervolgonderzoek uit moeten wijzen of archeologische waarden in het gebied aanwezig zijn. Op voorwaarde dat dit gebeurt, worden er geen belangrijk nadelige effecten verwacht met betrekking tot het thema archeologie. Effecten op soortenbescherming Sweco heeft in 2023 ecologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hieronder besproken. Vleermuizen Nabij het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van vleermuizen. De bomen midden in het plangebied zijn zeer dun (ca. 10-15cm doorsnede) en bevatten geen (potentieel geschikte) holtes. Omdat de bomenrij niet aansluit op overige lijnvormige structuren in het landschap is het gebruik van deze bomen als essentiële vliegroute uit te sluiten. Daarnaast is in de omgeving voldoende geschikt foerageergebied. Mits mitigerende maatregelen worden getroffen zoals verderop in deze tabel beschreven, worden geen belangrijk nadelige effecten verwacht voor vleermuizen.

Overige zoogdieren In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de nationaal beschermde bunzing, das en ree. In het plangebied is echter geen leefgebied aangetroffen van overige (beschermde) zoogdieren. Het is aannemelijker dat deze zich in wildere plekken in de omgeving van het plangebied bevinden. Mits mitigerende maatregelen worden getroffen zoals verderop in deze tabel beschreven, worden geen belangrijk nadelige effecten verwacht op overige zoogdieren. Vogels Er zijn binnen het plangebied geen waarnemingen bekend van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats (NDFF 2017-2022). Wel kunnen op basis van landschappelijke kenmerken en verspreidingsgegevens de volgende soorten tot broeden komen binnen het onderzoeksgebied: boomvalk, buizerd, havik, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, gierzwaluw, huismus, roek, slechtvalk, sperwer en steenuil. Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. Wel is een potentieel jaarrond beschermd nest

Document referentie NL23-648800269-55334

14/16

waargenomen in de bomenrij tussen de grondrug en de Scheidingsweg. Mits mitigerende maatregelen worden getroffen zoals verderop in deze tabel beschreven, worden geen belangrijk nadelige effecten verwacht op vogels.

09-10-2023 Versie C12

Amfibieën en reptielen Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde reptielen of amfibieën. Wel zijn op enige afstand van het onderzoeksgebied (circa 2 km) de beschermde soorten heikikker en levendbarende hagedis aangetroffen. Door de aard van het plangebied (agrarisch grasland en kale oevers) is het niet aannemelijk dat er heikikkers leefgebied hebben binnen het onderzoeksgebied. De aanwezige wateren zijn namelijk voedselrijk en recent vergraven. De waarneming is dan ook afkomstig van een bosje op enige afstand (Zwarte Water) aan de westzijde van het westelijke treinspoor dat ook aansluit bij de habitateisen van de soort. Levendbarende hagedis is op enige afstand ten oosten van het onderzoeksgebied waargenomen in een gebied met veel ruigte van bomen en bosschages. Gezien de aard van het plangebied is het ook niet te verwachten dat deze soort structureel binnen het plangebied aanwezig is. Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn daarom niet te verwachten. Vissen Het plangebied ligt op de grens van het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper en omdat er wel geschikt habitat aanwezig is binnen het plangebied is aanwezigheid niet uit te sluiten. Als aanwezige watergangen, sloten of vijverpartijen worden vergraven/gedempt dient aanvullend onderzoek plaats te vinden naar het voorkomen van de grote modderkruiper.

Om de aanwezigheid volledig te kunnen uitsluiten kan de aan- of afwezigheid van de soort aangetoond worden door het uitvoeren van een eDNA-onderzoek. Als blijkt dat de soort aanwezig is dient aanvullend een ontheffing te worden aangevraagd voor de Wet Natuurbescherming voor het dempen van de sloot. Ongewervelden In het gebied rondom het plangebied is vooral agrarisch grasland aanwezig, waar ongewervelde soorten geen geschikt leefgebied hebben. Dit betekent dat er geen negatieve effecten zullen ontstaan voor beschermde kevers, libellen en vlinders, zolang de aanwezige watergangen en vijvers onaangetast blijven. Als er echter watergangen of vijvers worden gedempt of vergraven, moet er eerst een inspectie plaatsvinden om te beoordelen of dit gevolgen heeft voor de aanwezige waterkevers, libellen en juffers. Waarschijnlijkheid effect

In de aanlegfase zullen effecten zoals geluid-, verkeer- en trillinghinder vrijwel zeker optreden.

Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect

De aanlegfase leidt tijdelijk tot beperkte effecten (bouwverkeer, geluid, luchtkwaliteit), na de bouwfase verdwijnen deze effecten. Effecten in de gebruiksfase zijn permanent, maar kunnen omgekeerd worden door het project te stoppen.

De cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten

Er zijn zover bekend geen projecten in de omgeving bekend die cumulatieve effecten kunnen hebben met voorliggend voornemen.

De mogelijkheden om de effecten doeltreffend te verminderen

Om de effecten met betrekking tot soortenbescherming te mitigeren, dienen de volgende mitigerende maatregelen getroffen te worden:

Document referentie NL23-648800269-55334

15/16

 

Als watergangen of vijvers worden gedempt of vergraven dient een veldinspectie plaats te vinden naar de mogelijke functie voor waterkevers, libellen en juffers. Door buiten het broedseizoen te werken, wordt verstoring van broedende vogels in de graslanden, bosjes en de oevers voorkomen. De broedperiode loopt globaal van half maart tot begin augustus. Als niet voorkomen kan worden om in het broedseizoen te werken dient kort voor de uitvoering gecontroleerd te worden of sprake is van broedgevallen binnen de verstoringsafstand. Als dit het geval is moet worden gewacht tot de jongen het nest verlaten hebben. Als binnen het plangebied bomen worden gekapt dienen deze vooraf geïnspecteerd te worden op mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten. Bij aanwezige (potentieel) jaarrond beschermde nesten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik er van. De zorgplicht is van kracht voor zowel beschermde als vrijgestelde soorten die het plangebied passeren. Dit houdt voornamelijk in dat de werkwijze zo gekozen wordt dat aanwezige dieren het plangebied altijd kunnen verlaten.

09-10-2023 Versie C12

Conclusie Gelet op de aard en omvang van de effecten in combinatie met de mitigerende maatregelen, worden geen belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu verwacht als gevolg van het planvoornemen.

Document referentie NL23-648800269-55334

16/16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14266359/1