OUD Financiële verordening 2023 wijz bijhouden
Tekst van het document
Tweede lid Tot de directe kosten worden ook gerekend de personele kosten van de medewerkers die werkzaam zijn in het primaire proces. Voor de toerekening van kosten van medewerkers die aan meerdere taakvelden werken wordt een werkwijze gebezigd die de administratieve last niet laat oplopen.
Derde lid Hier wordt beschreven wat tot de overhead behoort, in aansluiting op de terminologie die het BBV hanteert. Vierde lid In het vierde lid wordt bepaald dat gemeenten de kosten voor compensabele BTW, gederfde inkomsten vanwege het kwijtscheldingsbeleid en de kosten voor straatreiniging in de kostenbasis kunnen meenemen. Zie VNG Handreiking kostenonderbouwing lokale heffingen, 2016.] Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid bieden de mogelijkheid dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan de verschillende specifieke uitkeringen of activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen, apart onder het taakveld overhead in de administratie worden afgezonderd en in de belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend. Dit afzonderen kan door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de kosten voortaan op deze (hulp-) kostenplaatsen te boeken.
Zevende lid De notitie Overhead van de commissie BBV schrijft voor dat er sprake moet zijn van een uniforme toerekening van overheadskosten. De nieuwe definitie zegt dat de overhead wordt genomen als een opslag op de directe personele kosten. Dit kan worden toegepast overal waar directe kosten worden toegerekend. Dus bij heffingen en tarieven, maar ook bij investeringen of grondexploitaties. De systematiek wordt nader uitgewerkt in een Nota overhead en kostentoerekening, en het percentage van de opslag wordt jaarlijks bij de begroting berekend. Er vindt geen nacalculatie plaats bij de jaarrekening. De begrote bedragen en percentages worden om efficiëncyredenen beschouwd als werkelijkheid. Jaarlijks wordt beoordeeld of de voorcalculatie van voldoende kwaliteit is. Zevende lid De toerekening van overhead vindt plaats naar rato van de totale directe kosten op de taakvelden. De notitie Overhead van de commissie BBV schrijft voor dat er sprake moet zijn van een uniforme toerekening.
Artikel 18. Prijzen economische activiteiten Eerste tot en met derde lid In de Wet Markt en Overheid (waarmee de Mededingingswet is gewijzigd) is opgenomen dat als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden zij deze activiteiten niet mag bevoordelen als het economische activiteiten betreft. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten en werken en het verstrekken van borgstellingen en kapitaal in rekening moet worden gebracht. Vierde lid Van dit verbod kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadsbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadsbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een officieel elektronisch publicatieblad en moet open staan voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)).
De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter. Vijfde lid Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van borgstellingen en kapitaal geldt een aantal uitzonderingen (artikel 25h van de Mededingingswet).
Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 van de Gemeentewet). We hanteren een systematiek van bruto indexatie. Dat wil zeggen dat we behalve een generieke stijging voor inflatie (de netto indexatie) ook het bedrag compenseren dat het rijk hanteert als negatieve maatstaf binnen de algemene uitkering. Waar sprake is van areaaluitbreiding (die kan bijv. bestaan uit verbouwing, nieuwbouw e.d.) wordt deze tegen het geïndexeerde tarief als extra opbrengst genomen. De uiteindelijke stijging van de opbrengst is daarmee groter dan die van alleen een indexering. Dat is ook nodig omdat een uitbreiding van het areaal meer kosten voor de gemeente met zich meebrengt. Denk aan onderhoud aan of extra wegen en andere voorzieningen. Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 van de Gemeentewet). Artikel 20. Financieringsfunctie Artikel 212, tweede lid, onder c, van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat.
Artikel 20 bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 28. Eerste tot en met derde lid In aanvulling op de regels uit de Wet financiering decentrale overheden (hierna: Wet fido) en daarop gebaseerde besluiten en regelingen stelt dit artikel een aantal aanvullende kaders. Die kaders worden uitgewerkt in een Financieringsstatuut dat door het college wordt aangeboden en wordt vastgesteld door de raad. Dit Financieringsstatuut komt in de plaats van het Treasurystatuut dat is vastgesteld bij raadsbesluit van 21 juni 2018, gewijzigd bij besluit van 28 mei 2020). Artikel 21 Publieke geldverstrekkingen Gemeenten mogen alleen borgstellingen verstrekken en financiële participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 van de Wet fido (financiering decentrale overheden)). Daarbij bepaalt artikel 160, tweede lid, van de Gemeentewet, dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen. Eerste tot en met derde lid
In aanvulling op de regels uit de Wet financiering decentrale overheden (hierna: Wet fido) en daarop gebaseerde besluiten en regelingen stelt dit artikel een aantal aanvullende kaders. Die kaders worden uitgewerkt in een Nota borgstellingen en geldleningen die door de raad is vastgesteld op 21 september 2023. In aanvulling op de regels uit de Wet financiering decentrale overheden (hierna: Wet fido) en daarop gebaseerde besluiten en regelingen stelt dit artikel een aantal aanvullende kaders. Die kaders worden uitgewerkt in een Nota borgstellingen en geldleningen dat door het college wordt aangeboden en wordt vastgesteld door de raad. Deze Nota borgstellingen en geldleningen vervangt de Nota garantstellingen en geldleningen die is vastgesteld bij raadsbesluit van 28 februari 2019, gewijzigd bij besluit van 28 mei 2020). Artikel 22. Paragraaf Lokale heffingen Er is geen reden aanvullende eisen te stellen aan wat het BBV voorschrijft. De artikelen 22 tot en met 28 geven aan wat er in de paragrafen lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen en grondbeleid van de begroting en de jaarstukken ten minste moet staan, conform het BBV. In de Verordening financieel
beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) kan de raad bepalen, dat hij ook over aanvullende zaken in de paragrafen wil worden geïnformeerd. In artikel 10 van het BBV staat welke informatie de paragraaf lokale heffingen van de begroting en de jaarstukken in elk geval moet bevatten. In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag van de raad gedefinieerd. Een deel van de aanvullende informatie dient voor het met de begroting vaststellen van de gehanteerde omslagrente voor de kostprijsberekening van rechten en leges waarmee kosten in rekening worden gebracht. Ook wordt gevraagd de toerekening van de rente en de toerekening van de overheadkosten aan de verschillende rechten, leges en heffingen in beeld te brengen. Artikel 23 Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing Er is geen reden aanvullende eisen te stellen aan wat het BBV voorschrijft, behoudens het tonen van de meerjarige ontwikkeling van de kengetallen genoemd in art. 11. Voor de begrippen netto schuld per inwoner en onbenutte belastingcapaciteit zijn de definities gevolgd die www.waarstaatjegemeente.nl toepast voor de financiële kengetallen over de gemeentefinanciën. In artikel 11 van het BBV staat welke informatie de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarstukken in elk geval moet bevatten.
In dit artikel wordt de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Er is opgenomen, dat de raad voor het vormen van een oordeel over het weerstandsvermogen in deze paragraaf ook wordt geïnformeerd over de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner, de ontwikkeling van het saldo van baten en lasten als aandeel van de inkomsten en over de onbenutte belastingcapaciteit als aandeel van de inkomsten. Met deze aanvulling op de wettelijk verplichte financiële kengetallen komt de set financiële kengetallen overeen met die van www.waarstaatjegemeente.nl. Artikel 24. Paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen In artikel 12 van het BBV staat welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen van de begroting en de jaarstukken in elk geval moet bevatten. Het eerste tot en met derde lid bevatten bepalingen waaruit volgt dat het college ten minste eens per raadsperiode de raad onderhoudsplannen aanbiedt over respectievelijk het onderhoud openbare ruimte, het onderhoud riolering en het onderhoud gebouwen. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstig onderhoudsniveau vaststellen. Artikel 25. Paragraaf Financiering In deze paragraaf wordt aan het bepaalde in artikel 13 van het BBV nadere invulling gegeven. De informatie die in deze paragraaf wordt neergelegd zegt iets over de robuustheid van de financiële positie van de gemeente. Artikel 26.
Paragraaf Bedrijfsvoering In artikel 14 van het BBV staat welke informatie de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken in elk geval moet bevatten. In dit artikel is de aanvullende informatievraag van de raad voor deze paragraaf gedefinieerd. Onder g In verband met de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording heeft de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en jaarstukken ook een grotere rol gekregen. De commissie BBV doet hierover een aantal stellige uitspraken: - Het college geeft in de paragraaf bedrijfsvoering een toelichting op alle afwijkingen die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen en eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen. - Indien de normen uit de gids proportionaliteit veelvuldig niet nageleefd worden of slecht gedocumenteerd en/of gemotiveerd zijn, dan moet het college hierover rapporteren via de paragraaf bedrijfsvoering. - Niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet fido en de bijbehorende ministeriële regelingen moeten worden opgenomen en toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering. Overigens adviseert de commissie BBV ook om afspraken te maken tussen raad en het college over de wijze waarop met niet financiële onrechtmatigheden wordt omgegaan. Daarnaast adviseert de
commissie BBV om geconstateerde fraude door eigen medewerkers toe te lichten in de paragraaf bedrijfsvoering. Er is geen reden aanvullende eisen te stellen aan wat het BBV voorschrijft. Artikel 27. Paragraaf Verbonden partijen Artikel 15 van het BBV geeft voorschriften over de informatie die wordt opgenomen in deze paragraaf. Dat betreft een indeling naar soort verbonden partij, en wat het bestuurlijk en financieel belang is. Aanvullend noemen wij het financieel belang per verbonden partij. Artikel 28. Grondbeleid Artikel 16 BBV geeft voldoende gedetailleerd aan welke informatie wordt verstrekt in de desbetreffende paragraaf. Die gaat over de visie omtrent grondbeleid en de wijze waarop dit wordt uitgevoerd. In de volgende bepalingen wordt dat in een breder perspectief geplaatst. Eerste lid Het college biedt eens in de 4 jaar aan de raad een nota grondbeleid aan. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid vaststellen. Tweede lid De commissie BBV adviseert gemeenten een grondprijzenbrief op te stellen met een vastgestelde uitgifteprijs voor zowel maatschappelijke grond als intern door te leveren grond, waar bij interne levering alleen fiscaal gezien winsten of verliezen worden gerealiseerd. Herwaardering van gronden is binnen het BBV niet toegestaan.
Derde lid De commissie BBV beveelt aan om de keuze om de voorziening voor verliesgevende grondexploitaties tegen nominale waarde te waarderen, vast te leggen in de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet). Artikel 29. Administratie IN artikel 29zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Artikel 30. Financiële organisatie Het college is op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie, blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet. Artikel 30 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels stelt. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand dat het college een organisatiebesluit en een financieringsstatuut vaststelt en dat het de volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt. . Recente regelgeving
betreft bijv. de toerekening van overheadkosten en de toedeling van verantwoordelijkheden met een Regeling budgethouders. Onder f Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden. Onder g Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang, de Awb en de Algemene subsidieverordening waarborgen. Onder h In geval van fraude en misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden. De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Onder i
Onder i is de opdracht neergelegd voor het college voor de registratie van de prestaties en de maatschappelijke effecten, die de raad kan betrekken bij de beoordeling van de jaarrekening. Artikel 31. Interne controle Eerste lid De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën. Het eerste lid draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheerhandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen. Tweede lid Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiële bezittingen zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen, debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd. Eens in de 4 jaar moet worden gecontroleerd of de administratie van registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit. Artikel 32 en 33.
Intrekking oude regeling en inwerkingtreding nieuwe regeling Volgens de Gemeentewet is een begrotingsjaar gelijk aan een kalenderjaar. In begrotingsjaar t worden de jaarstukken uit het begrotingsjaar t-1 vastgesteld, wordt uitvoering gegeven aan de begroting voor het jaar t en wordt tot slot de begroting voor het jaar t+1 vastgesteld. De in te trekken verordening is nog wel van toepassing op de jaarstukken van het begrotingsjaar t-1. Hiervoor is in het artikel een overgangsbepaling opgenomen.Om aan te sluiten bij de gewijzigde
voorschriften in BADO en BBV gaat de aangepaste verantwoordingsgrens als genoemd in artikel 10 lid 2 in bij de jaarstukken 2025.