CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

OUD Bijlage 1. Nota van Uitgangspunten Oosterterp Wieringerwerf

Raad 20 november 2025, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Nota van Uitgangspunten gebiedsontwikkeling Oosterterp Wieringerwerf25.981 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5m lang 1,0** min.497,6 5m lang 50 Parkeerbehoefte (A) 30650 558,8 Enkele oprit Parkeeroplossing zonder garage 1,0** 50 61,2 Parkeeroplossing openbaar gebiedopenbaar (C) gebied (C) 228 Parkeeroplossing Aantal Kencijfer Gerealiseerd deelmobiliteit ParkeeroplossingParkeeroplossing deelmobiliteit Parkeren deelauto 0 5 0 Parkeren mandelig (woonveld) 127 1,0 127 Parkeren 0 5 Opgavedeelauto in openbaar gebied (A - B) 166,6 0 61,2 227,8 Parkeerbalans Parkeerbalans ((C + B) (B) - 77 A) ((C + B) - A) Parkeeroplossing 331,0 0 Dubbele oprit met garage 2,0** min 4,5m breed 154 Parkeeroplossing prive / toebedeeltprive (B) / toebedeelt 331,0 Enkele oprit zonder garage 50 1,0** min. 5m lang 50 Parkeeroplossing Aantal Kencijfer Gerealiseerd Parkeeroplossing deelmobiliteit openbaar Parkeeroplossing Aantal Kencijfer 127 Parkeeroplossing openbaar Parkerendeelauto mandelig (woonveld) 127Aantal 1,0 Kencijfer Parkeren 0 5 0 Dubbele oprit met garage/ toebedeelt 77 2,0** 228 154 Parkeren Parkeeroplossing prive (B) 331,0 Parkeren openbaar gebied openbaar gebied 228 1 min 4,5m breed 1 Enkele oprit zonder garage 50 1,0** min. 5m lang 50 Parkeeroplossing gebied (C) Parkeeroplossing openbaar gebied openbaar (C) Parkeeroplossing deelmobiliteit Huur, appartement, Huur, vrijeappartement, sector, >100m2 vrijebvo sector, >100m2 12 bvo

Totaal Totaal Oplaadpunten

331,0

Gerealiseerd

Gerealiseerd

331,0 228

228

228

228

Gerealiseerd

0228 228 0

0

6.3.2 Verkeer

De onderstaande afbeelding laat zien hoe de twee type wegprofielen uit hoofdstuk 5.1 in het plan zijn uitgewerkt. Langs het haaksparkeren wordt een weg van 6m breedte aangehouden. De hoofdontsluitingsroute zal aan beide kanten een groenstrook krijgen waarmee deze weg zal worden begeleid door bomen, wat zorgt voor een versterking van de identiteit en herkenbaarheid. De hoofdontsluitingsroute heeft natuurlijke remmers om te voorkomen dat motorverkeer hoge snelheden zullen rijden. Deze natuurlijke remmers zijn terug te zien in de vorm van bochten, bruggen en een natuurlijke kruising met het Slenkenpark. Conform het uitgangspunt zoals benoemd in paragraaf 4.11, zullen binnen fase 1 twee ontsluitingen op de Oosterterpweg worden gerealiseerd. Door beide ontsluitingen reeds in deze eerste fase aan te leggen, wordt het mogelijk om het gebied vanaf de start volledig rond te kunnen rijden. Dit draagt bij aan de verkeersveiligheid, bereikbaarheid en flexibiliteit binnen de wijk. De oostelijke ontsluiting sluit in een later stadium aan op fase 3, en vormt daarmee ook de verbinding naar fase 2.

Afbeelding 33: Themakaart infrastructuur

62

6.4 Openbare ruimte Het ontwerp levert een sterke bijdrage aan de kwaliteit van de openbare ruimte door een zorgvuldige verweving van groenstructuren, verblijfsruimtes en langzaamverkeersroutes. Centraal hierin staat het Slenkenpark, dat fungeert als ruggengraat van het plangebied en ruimte biedt aan zowel ecologie als recreatie Door het netwerk van fiets- en wandelroutes fungeert het park als een verbindend element tussen verschillende wijken. In het Slenkenpark bevinden zich ook voetpaden die voor alle doelgroepen toegankelijk zijn. Deze paden dragen bij aan een toegankelijke en inclusieve buitenruimte. Het park biedt een fijne en groene omgeving die de beweging stimuleert. De voetpaden vormen mooie wandelroutes en nodigen uit tot bewegen en ontmoeten. Dit ontmoeten kan extra gestimuleerd worden met behulp van ontmoetingsplekken of rustplekken langs deze voetpaden in het park. Dit sluit ook aan bij het principe van de binnenbochten waar verblijven centraal staat. Bij de uitwerking van het Slenkenpark zal ook ruimte worden gegeven aan spelen in een natuurlijke omgeving. Natuurlijke speelplekken en speellinten langs de wandelroutes nodigen kinderen uit tot interactie en ontdekken. Daarnaast kunnen open ruimtes in het park benut worden voor kleinschalige evenementen zoals huttenbouw of kleinschalige buurtactiviteiten.

Het Slenkenpark wordt zo ingericht als een multifunctionele en inclusieve plek waar ontmoeten, bewegen, spelen, sporten en recreëren centraal staan. Door de situering van woningen langs de buitenbochten van het park met actieve voorkanten, ontstaat een levendige en sociaal veilige rand, terwijl de binnenbochten ruimte bieden aan een informele en groene overgangszone. Ook in de rest van het gebied krijgt de openbare ruimte een duidelijke identiteit, met boomrijke woonstraten, pleintjes en groene kamers die aansluiten op de landschappelijke ontginningsstructuur. De inrichting is klimaatadaptief, natuurinclusief en toekomstbestendig, met aandacht voor waterberging, biodiversiteit en hittestress. Aansluitend op de ambities van hoofdstuk 4.13 wordt binnen fase 1 het water zo veel mogelijk vertraagd afgevoerd. De kenmerkende polderlijnen worden benadrukt door natuurvriendelijke oevers. Hierdoor vormen de lijnen bredere elementen in het landschap en draagt dit bij aan de ecologie. Deze agrarische sloten worden intact gehouden door bruggen toe te voegen op de plekken waar wegen de sloten kruisen. Deze bruggen dragen ook bij aan het concept van de eilanden zoals beschreven in hoofdstuk 4.2.

6.5 Inpassing Oosterterpweg 1 6.5.1 Bestaande situatie

De boerderij aan de Oosterterpweg 1 is een historisch en beeldbepalend element binnen het plangebied (zie 2.3). Voor de toekomstige ontwikkeling wordt dit erf integraal betrokken en zorgvuldig ingepast. In samenspraak met de bewoners zijn afspraken vastgesteld die aansluiten bij de ruimtelijke uitgangspunten van het stedenbouwkundig raamwerk (zie 4.4). Afbeelding 34: Luchtfoto Oosterterpweg 1 (SlagboomenPeeters, 2025)

63

6.5.2 Toekomstige situatie

De erven langs de Oosterterpweg worden gekarakteriseerd door hun positionering binnen boskamers (zie 4.3). Deze ruimtelijke kwaliteit vormt het uitgangspunt voor de inrichting van het perceel. Vanaf de erfgrens van Oosterterpweg 1 komt aan de noord-, oost- en westzijde een groene zone van 30 meter waarin geen bebouwing wordt toegestaan. Deze zone van 30 meter zal bestaan uit een verbreding van de bestaande sloot aan de westzijde, het doortrekken van die sloot aan de noord- en de oostzijde, natuurvriendelijke oevers, een onderhoudspad van minimaal 2 meter en vervolgens dichte begroeiing. Deze maatregel borgt zowel de privacy van het erf als de herkenbaarheid van de boskamer en versterkt de identiteit van het erf als zelfstandig agrarisch element. De groene zone (zie 2.2) wordt opgenomen in de groenstructuur. Hiermee wordt de boerderij niet alleen behouden, maar ook verankerd in een robuuste landschappelijke structuur die de kwaliteit en samenhang van het gebied ondersteunt. In overleg met de bewoners van de Oosterterpweg 1 zal een aansluiting worden gerealiseerd vanuit het erf op de fiets- en wandelroute binnen het plangebied. Daarnaast zal de Oosterterpweg 1 ook aangesloten worden op het nieuwe rioolstelsel.

64

7 | Vervolg 7.1 Proces Met de initiatiefnemer (het Rijksvastgoedbedrijf) is afgesproken om een Nota van Uitgangspunten voor het totale plangebied op te stellen. Na het vaststellen van de Nota van Uitgangspunten wordt een Stedenbouwkundig plan en een Beeldkwaliteitsplan ontwikkeld. Met een Nota van Uitgangspunten worden de uitgangspunten voor de planontwikkeling benoemd. Deze Nota van Uitgangspunten is tot stand gekomen in samenwerking met het Rijkvastgoedbedrijf. Stedenbouwkundig bureau IMOSS heeft in opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf de Nota van Uitgangspunten opgesteld en vormgegeven. De Nota van Uitgangspunten maakt onderdeel uit van een participatieproces dat wordt verzorgd door de initiatiefnemer. In het kader van het participatieproces zijn 3 bijeenkomsten georganiseerd. Tijdens de bijeenkomsten is input opgehaald, zijn de plannen gedeeld en zijn vragen beantwoord. Van de bijeenkomsten zijn verslagen gemaakt. Daarnaast hebben er nog gesprekken met omwonenden en de klankbordgroep plaatsgevonden. Verder is input opgehaald via de webapp Swipocratie, waarbij geïnteresseerden laagdrempelig konden reageren op vragen en stellingen. De raad wordt voorgesteld om de Nota van Uitgangspunten als ruimtelijk kader vast te stellen. Zowel het Stedenbouwkundig plan als het Beeldkwaliteitsplan zullen ook aan de raad ter vaststelling voorgelegd worden.

Na de vaststelling van de Nota van Uitgangspunten start de tweede fase. Op basis van de Nota van Uitgangspunten, de onderzoeken en de participatie wordt het Stedenbouwkundig plan en het Beeldkwaliteitsplan door initiatiefnemer uitgewerkt. Het gemeentelijke projectteam begeleidt de initiatiefnemer hierin. Wanneer het Stedenbouwkundig plan en het Beeldkwaliteitsplan zijn uitgewerkt tot een voorlopig ontwerpbouwplan, dat ruimtelijk passend en economisch uitvoerbaar wordt gevonden kunnen het Stedenbouwkundig plan en het Beeldkwaliteitsplan door de gemeenteraad worden vastgesteld. De initiatiefnemer is voornemens om vervolgens het plangebied in fases te verkopen; elk door middel van een openbare verkoopprocedure. Bij de verkoopprocedure worden onder meer de Nota van Uitgangspunten, het Stedenbouwkundig plan en het Beeldkwaliteitsplan meegegeven. De uiteindelijke koper werkt het plan vervolgens na afronding van de verkoopprocedure per fase binnen de vastgestelde kaders uit en zal de omgevingsvergunningsprocedure doorlopen. Er is een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de gemeente Hollands Kroon en het Rijksvastgoedbedrijf en een afsprakenbrief getekend voor de vergoeding van de gemeentelijke plankosten voor het opstellen van de Nota van Uitgangspunten, het Stedenbouwkundig Plan en het Beeldkwaliteitsplan.

Daarnaast wordt per fase voorafgaand aan de vergunningverleningen (BOPA’s) een anterieure overeenkomst gesloten, waarin afspraken over het verhalen van de gemeentelijke plan- en ontwikkelingskosten in relatie tot deze ontwikkeling worden vastgelegd. Door het sluiten van een anterieure overeenkomst wordt in het publiekrechtelijk kostenverhaal voorzien. 65

7.2 Procedure omgevingsrecht Er moet een planologische procedure gevolgd worden, omdat de ontwikkeling niet past binnen de huidige bestemming. Een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is nodig om de ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken. Per 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Vanaf 1 januari 2024 is er sprake van een tijdelijk omgevingsplan van rechtswege, dat bestaat uit alle ruimtelijke plannen (zoals bestemmingsplannen) en de bruidsschat. De gemeente werkt aan het omzetten van het tijdelijk omgevingsplan van rechtswege naar één omgevingsplan dat voldoet aan alle vereisten van de Omgevingswet. Hiervoor geldt een overgangsperiode tot 2032. Initiatieven kunnen vanaf 1 januari 2024 mogelijk worden gemaakt met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) of een wijziging van het omgevingsplan. Het is onder meer afhankelijk van het functioneren van het digitaal stelsel (DSO) of een wijziging van het omgevingsplan al mogelijk is kort na de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Ook geldt dat de structuur van het omgevingsplan nog in opbouw is. Om deze redenen verdient het de voorkeur om initiatieven vlak na inwerkingtreding zoveel mogelijk via een BOPA mogelijk te maken.

Voor een BOPA geldt standaard een reguliere vergunningprocedure waarbij de gemeente binnen acht weken (met een optie om de beslistermijn met zes weken op te schorten) een omgevingsvergunning moet verlenen (bij een complete aanvraag). In bepaalde gevallen is wel een uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 26 weken). De aanvrager kan verzoeken de uitgebreide procedure te toe passen. De gemeente kan ook onder bepaalde voorwaarden de uitgebreide procedure van toepassing verklaren. Om te kunnen voldoen aan deze termijnen, dienen alle onderzoeken en onderbouwingen zoveel mogelijk te zijn afgerond voordat de aanvraag wordt ingediend. Op grond van artikel 16.15 lid 1 van de Omgevingswet kan de raad gevallen aanwijzen waarin zij advies uitbrengt over de aanvraag. Het adviesrecht is een zogenaamd verzwaard adviesrecht. Dat wil zeggen dat het advies bindend is voor het college. Op 1 februari 2022 heeft de raad een besluit genomen over de gevallen waarin de raad gebruik wenst te maken van het bindend adviesrecht. Dat is het geval als het college van burgemeester en wethouders voornemens is mee te werken aan een aanvraag voor een omgevingsvergunning die in strijd is met het Omgevingsplan en de realisatie van meer dan 1 woningen toelaat.

Omdat een advies van de gemeenteraad van invloed is op de planning en beslistermijnen vanwege aanlevertermijnen en de bestuurlijke vergaderkalender, is ervoor gekozen om bij de vaststelling van het Stedenbouwkundig plan en het Beeldkwaliteitsplan aan de raad voor te stellen om de behandeling van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) over te laten aan het college, zodat bij een aanvraag voor een BOPA geen bindend advies meer nodig is van de gemeenteraad mits het plan past in deze Nota van Uitgangspunten en het thans nog op te stellen Stedenbouwkundig plan en Beeldkwaliteitsplan. Dit komt de versnelling van de woningbouw ten goede. Voor de planologische procedure en de benodigde omgevingsvergunning gelden de wettelijke bezwaar- en beroepsprocedures.

66

7.3 Communicatie en participatie 7.3.1 Risico’s en kansen

Aan dit project zijn risico’s verbonden, die van directe invloed kunnen zijn op de voortgang en resultaten van het project. Deze liggen met name bij de initiatiefnemer, maar de gemeente is medeverantwoordelijk om dit project tot stand te brengen en daarmee problemen op te lossen. De volgende risico’s kunnen worden benoemd: •

de economische uitvoerbaarheid van het project;

•

mogelijke bezwaren van omwonenden;

•

bindend advies/besluit van de gemeenteraad;

•

aantonen regionale behoefte aantal en type woningen;

•

onderzoeksresultaten van een aantal omgevingsonderzoeken (b.v. luchtkwaliteit, akoestisch onderzoek en externe veiligheid);

•

onzekerheden ten aanzien van duurzaam en klimaat adaptief bouwen en de extra kosten daarvan.

7.3.2 Communicatie en participatie

Bij een dorpse ontwikkeling is participatie van groot belang. Enerzijds zorgt dit voor draagvlak binnen de dorpsgemeenschap, anderzijds kan het plan er beter van worden omdat gebruik gemaakt wordt van lokale kennis en ervaringen op de locatie. Omwonenden en andere belanghebbenden zijn betrokken bij de totstandkoming van de Nota van Uitgangspunten en zullen ook worden betrokken bij het opstellen van het Stedenbouwkundig Plan en het Beeldkwaliteitsplan. Conform de Participatieverordening gemeente Hollands Kroon van november 2022 is er een eindverslag opgesteld van de participatie rondom de Nota van Uitgangspunten. Dit verslag is als bijlage aan deze Nota van Uitgangspunten gehecht.

8 | Bijlagen 1. Rapport Weging Waterbelang TAUW (18 juli 2025) 2. Rapport Ecologie Van der Goes en Groot (23 april 2025) 3. Woonbehoefteonderzoek SWECO (april 2025) 4. Geluidsonderzoek Cauberg Huygen (20 februari 2025) 5. Mobiliteitsonderzoek (17 september 2025) 6. Archeologische Quick Scan Gemeente Hollands Kroon (5 februari 2025) 7. Voorzieningen Quick Scan BRO (4 april 2025) 8. Advies omgevingsdienst NHN (29 januari 2025) 9. Eindverslag participatie (28 oktober 2025) 10. Woonbibliotheek fase 1 (5 september 2025)

67

Bijlage 1 | Rapport Weging Waterbelang TAUW (18 juli 2025)

Weging waterbelang Oosterterpweg te Wieringerwerf 18 juli 2025

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Verantwoording Titel

Weging waterbelang Oosterterpweg te Wieringerwerf

Opdrachtgever

Rijksvastgoedbedrijf

Projectleider

Paul Lammers

Auteur(s)

Pety Viguurs

Tweede lezer

Rob Ligtenberg

Uitvoering meet- en inspectiewerk

-

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Aantal pagina’s

3535 (exclusief bijlagen)

Datum

18 juli 2025

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht T +31 30 28 24 82 4 E info.utrecht@tauw.com

2/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Inhoud 1

2

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding .......................................................................................................................... 5

1.2

Doel .................................................................................................................................... 5

1.3

Leeswijzer .......................................................................................................................... 5

Gebiedsanalyse – Bestaande situatie ....................................................................................... 6 2.1

Plangebied ......................................................................................................................... 6

2.2

Maaiveldhoogte .................................................................................................................. 6

2.3

Bodemopbouw ................................................................................................................... 7

2.4

Oppervlaktewatersysteem .................................................................................................. 9

2.5

Waterkeringen .................................................................................................................. 11

2.6

Grondwatersysteem ......................................................................................................... 12

2.7

Riolering ........................................................................................................................... 16

2.8

Waterkwaliteit en ecologische waarde ............................................................................. 16

2.9

Klimaat ............................................................................................................................. 18

3

Uitgangspunten en beleid ........................................................................................................ 21

4

Kernpunten plangebied ........................................................................................................... 22

5

6

7

4.1

Ontwerpprincipes ............................................................................................................. 22

4.2

Aandachstpunten plangebied ........................................................................................... 23

4.3

Eisen drooglegging en ontwateringsdiepte ...................................................................... 23

4.4

Beoogde wijziging oppervlaktewater streefpeil ................................................................ 23

Bepalen indicatief planpeil ....................................................................................................... 24 5.1

Toetsing drooglegging ...................................................................................................... 24

5.2

Toetsing ontwateringsdiepte ............................................................................................ 24

5.3

Toetsing aansluiten woonwijk .......................................................................................... 25

5.4

Conclusies ........................................................................................................................ 25

Toekomstige situatie – Waterkwantiteit ................................................................................... 26 6.1

Stedenbouwkunidgplan .................................................................................................... 26

6.2

Waterbalans en bergingsopgave ..................................................................................... 27

Toekomstige situatie – functioneren watersysteem................................................................. 29 7.1

Hemelwaterstructuur en bergingsvoorzieningen .............................................................. 29

3/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

7.2

Hemelwaterstructuur ........................................................................................................ 30

7.3

Afvalwaterstructuur .......................................................................................................... 32

7.3.1

Voorkeursvariant – vrij verval naar rioolgemaal De Ploeg ........................................ 32

7.3.2

Alternatief – inprikken op de persleiding ................................................................... 33

7.3.3

Afvalwaterproductie................................................................................................... 33

8

Toekomstige situatie – Waterkwaliteit ..................................................................................... 34

9

Toekomstige situatie – Waterveiligheid ................................................................................... 34

10 Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 35

Bijlage 1

Boorprofielen onderzoek TAUW

4/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Langs de Oosterterpweg in Wieringerwerf worden een aantal voormalige akkerbouwpercelen getransformeerd tot een groene, toekomstbestendige woonwijk met circa 800 – 1.000 woningen. Het betreffende de percelen zoals weergegeven in figuur 1.1, welke een zuidelijke uitbreiding vormen van de kern Wieringewerf. In het ontwerp is volop aandacht voor klimaatadaptatie, waarbij voldoende ruimte voor waterberging en duurzaam waterbeheer een centrale plaats krijgt.

Figuur 1.1 Afbakening plangebied percelen Rijksvastgoedbedrijf

1.2

Doel

Voor een soepel ruimtelijk proces is het cruciaal om de waterbelangen vroegtijdig te verkennen en de bijbehorende randvoorwaarden vast te leggen. Deze Weging waterbelang (voormalige watertoets) benoemt die randvoorwaarden en zet de watergerelateerde aandachtspunten voor het plangebied uiteen. Daarmee vormt dit document de basis om water integraal mee te nemen in de verdere uitwerking van de nieuwe woningontwikkeling. De belangrijkste aspecten uit deze rapportage worden genoemd in de waterparagraaf van de ruimte onderbouwing.

1.3

Leeswijzer

Deze rapportage opent met een gebiedsanalyse van de huidige situatie (hoofdstuk 2). In hoofdstuk 3 volgt een overzicht van het relevante beleid en de bijbehorende eisen voor de locatie. Hoofdstuk 4 beschrijft de toekomstige situatie en behandelt de belangrijkste wateraspecten: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid in relatie tot neerslag, grondwater, oppervlaktewater en afvalwater.

5/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

2 Gebiedsanalyse – Bestaande situatie Dit hoofdstuk omvat de gebiedsanalyse van het plangebied in de huidige situatie.

2.1

Plangebied

Het plangebied ligt aan de zuidoostrand van Wieringerwerf (gemeente Hollands Kroon) en wordt begrensd door de Oosterterpweg aan de zuidzijde, agrarische percelen en sloten in het noorden en oosten en grenst aan de noord- en westzijde tegen de bestaande woonwijken. Het plangebied is geel omlijnd in 2.1. Het maakt deel uit van de Wieringermeer, het vlakke en open polderlandschap dat in 1930 is drooggelegd. Het terrein bestaat vrijwel geheel uit open akkerland met grote, rechthoekige percelen waarop voornamelijk aardappelen, suikerbieten en granen worden verbouwd. Bebouwing is schaars en beperkt tot boerderijen met opslagschuren langs de Oosterterpweg. Kenmerkend zijn de lange zichtlijnen, het ontbreken van hoogteverschillen en de geringe hoeveelheid windbrekende beplanting.

Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied aan de Oosterterpweg

2.2

Maaiveldhoogte

Het maaiveld in het plangebied loopt geleidelijk af van noord naar zuid. Aan de noordkant ligt het terrein op circa -4,5 à -4,6 m NAP, gelijk aan de westelijk gelegen woonwijk. In zuidelijke richting

6/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

daalt het niveau tot ongeveer -5,1 m NAP (zie figuur 2.2). Daarmee bedraagt het totale hoogteverschil zo’n 0,5–0,6 meter, wat een lichte, maar duidelijke afstroming naar het zuiden creëert en als belangrijk aandachtspunt dient voor de (grond)waterafvoer en inrichting van het toekomstige watersysteem.

Figuur 2.2 Maaiveldniveau (Bron: AHN4)

2.3

Bodemopbouw

Gegevens Dinoloket Het gebied kent een ±1,0 à 1,5 meter dikke toplaag van klei met daaronder tot circa 5 meter diepte klei- en siltlagen; pas op grotere diepte volgt een doorlatend zandpakket (zie figuur 2.3). Door de lage doorlatendheid van de klei is infiltratie verwaarloosbaar.

7/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Figuur 2.3 Doorsnede bodem binnen het plangebied (Bron: DINOloket)

Figuur 2.4 Boorprofiel boring B14F0016 na drooglegging 1933 (Bron: DINOloket)

Bodemonderzoek TAUW TAUW heeft begin 2025 een vooronderzoek en beperkt verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd op de specifieke percelen in Wieringerwerf. Het bodemonderzoek laat zien dat de ondergrond van 1

Bodemonderzoek Wieringermeer I 2659, 3711 en 4477; TAUW, kenmerk R001-1299702DKO-V01-mwh-NL, 8 mei 2025

8/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Wieringerwerf grofweg uit drie lagen bestaat. De eerste 1,5 – 2,5 meter onder maaiveld bestaat uit klei met lokale mengingen van zand en veen. Daaronder volgt een circa 1 meter dikke veenlaag. Vanaf ongeveer 2 à 3 meter diepte bevindt zich een zandlaag. Opvallend is dat in het meest westelijke perceel (nummer 2659) al op geringere diepte zandlagen voorkomen. De boorprofielen van dit onderzoek zijn opgenomen in bijlage 1.

2.4

Oppervlaktewatersysteem

Functioneren van het oppervlaktewatersysteem Binnen het plangebied zijn een aantal leggerwatergangen aanwezig. Deze zijn verbonden met de watergang langs de Oosterterpweg en maken tezamen deel uit van de (drooggelegde) Wieringermeerpolder. Het watersysteem wordt beheerd door Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). De hoofdstructuur bestaat uit een strak verkaveld netwerk van sloten en duikers die hoofdzakelijk in noord-zuidelijke richting lopen en het perceelwater afvoeren naar de secundaire watergang die evenwijdig aan de Oosterterpweg ligt. Er is sprake van een getrapt watersysteem: hoger gelegen, doorgaans droge greppels in de percelen en langs de wegen voeren hemelwater af naar het lager gelegen, permanent watervoerende stelsel. Hoewel deze greppels in de legger zijn opgenomen en daarmee formeel een peilaanduiding hebben, staan zij het grootste deel van het jaar droog; het vastgelegde peil wordt hier in de praktijk dus niet gehandhaafd. Vanuit de watergang langs de Oosterterpweg wordt het water westwaarts naar de boezem geleid (via gemaal Hoekvaart) en uiteindelijk in de Waddenzee gepompt via gemaal Leemans. In figuur 2.5 is de leggerkaart met het oppervlaktesysteem weergegeven. De zwarte pijlen geven de globale afvoerrichting weer.

9/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Figuur 2.5 Leggerkaart (Bron: Legger Wateren 2024 (Vastgesteld), HHNK)

Peilgebieden Het plangebied ligt geheel binnen een peilgebied met een streefpeil van –6,60 m NAP (zie figuur 2.6). In de dorpskern van Wieringerwerf, ten noorden van het plangebied, wordt een hoger peil van –6,10 m NAP gehanteerd. Het oppervlaktewater streefpeil in het plangebied ligt daarmee ongeveer 1,0 – 1,4 meter onder het huidige maaiveld (drooglegging). In de verdere uitwerking is het raadzaam om in overleg met het waterschap te onderzoeken of het oppervlaktewaterpeil

10/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

gehandhaafd blijft, of mogelijk samen met de huidige woonwijk Oosterterp aansluiting vindt met het hogere peil van de rest van Wieringerwerf.

Figuur 2.6 Peilgebieden (Bron: HHNK)

2.5

Waterkeringen

Ten oosten van het plangebied bevindt zicht het IJsselmeer. Tussen het plangebied en het IJsselmeer bevindt zich een primaire waterkering met daar om heen een beschermingszone (A & B). De keringen zijn weergegeven in figuur 2.7 en figuur 2.8. Wieringerwerf ligt midden in de Wieringermeerpolder, ruim 5–6 meter onder NAP en daarmee één van de diepst gelegen delen van Noord-Holland. Hoewel de bebouwde kom wordt beschermd door de primaire waterkering langs het IJsselmeer (Noorder IJsselmeerdijk) blijft het overstromingsrisico reëel. Bij een dijkdoorbraak of een combinatie van hoge IJsselmeerpeilen en extreme windopzet kan het water de polder instromen, waardoor er in korte tijd metersdiepe inundatie ontstaat. In Paragraaf 2.9 wordt verder in gegaan op de overstromingsdiepte.

11/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Figuur 2.7 Waterkering in de omgeving van het plangebied (Bron: Legger HHNK)

Figuur 2.8 Waterkering weergegeven in blauw. Pijl geeft plangebied aan. (Bron: Legger HHNK)

2.6

Grondwatersysteem

In de grafiek van 2.10 zijn de meetreeksen voor twee locaties weergegeven. De metingen geven een beeld van de grondwaterstanden tussen 2023 en 2025. De locaties van deze twee peilbuizen zijn weergegeven in 2.9. Tabel 2.1 geeft de grondwaterkarakteristieken weer. Ondanks dat het

12/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

relatief korte meetreeksen betreffen, is de fluctuatie dusdanig stabiel dat de verwachting is dat de karaktertistieken vrij representatief zijn voor de betreffende locaties. Omdat deze peilbuizen tevens in hetzelfde peilgebied staan als het plangebied zullen de karakteristieken naar verwachting ook representatief zijn voor de grondwatersituatie binnen het plangebied. Omdat bekend is dat de ondergrond van de Wieringermeer ongelijksoortig is, met afwisselende lagen klei, veen en zand, waardoor grondwaterstanden lokaal kunnen variëren adviseren we om in het vervolg nog grondwateronderzoeken uit te voeren. In de huidige situatie ligt het zuidelijk deel van het plangebied lager (-5,1 m NAP) dan het noordelijke deel. Hierdoor zal de ontwateringsdiepte aan de zuidzijde dus kleiner zijn. Het oppervlaktewater streefpeil (-6,60 m NAP2) ligt lager dan de grondwaterstanden. Dit resulteert in een opbolling van de grondwaterstand tussen de watergangen en betekent dat de watergangen een drainerende functie hebben. Het oppervlaktewatersysteem met haar vaste peilen reguleert daarmee in zekere mate het grondwatersysteem. Het grondwatersysteem in het gebied bevat beperkte fluctuaties en is erg stabiel. In de zomer zakt de grondwaterstand tot circa 0,90 meter onder maaiveld, terwijl hij in een natte winter (2023/2024) kan oplopen tot ongeveer 0,50 meter onder maaiveld (zie 2.10).

Zoute kwel Rond de Oosterterpweg in de Wieringermeerpolder komt zoute kwel voor, afkomstig uit de onderliggende zoutwaterlenzen die via scheuren en oude veenlaagjes omhoog sijpelen In de uitwerking van dit plan vormt het optreden van zoute kwel een belangrijk aandachtspunt. Zo is het niet wenselijk om de deklaag (klei/veen) veelvuldig te doorboren of om diepe waterpartijen of nieuwe watergangen te maken. Deze kunnen de kwel namelijk verergeren. In het verkennend bodemonderzoek van TAUW (mei 2025) zijn tevens op meerdere locaties metingen van de geleidbaarheid (EC-waarde) van het grondwater gemeten. Daaruit volgt een brede spreiding van zoeter en brakker water. Waar regulier zoet grondwater een EC-waarde tussen 200-2000 µS/cm heeft, valt slechts één van de 8 metingen (peilbuis #6) binnen die range. Zeewater heeft een EC-waarde van circa 50.000 µS/cm. Een tweetal metingen (peilbuis #3 en #8) gaat met een EC-waarde van circa 24.000 µS/cm aardig die richting op en is serieus brak te noemen. De andere vijf metingen zitten daar tussenin met EC-waardes variërend van 3.000 tot 14.000 µS/cm. Tabel 2.1 Grondwaterkarakteristieken Meetreeks

RHG (92e

RLG (8e

GG

Maaiveldhoogte

GG

percentiel)

percentiel)

(m NAP)

(m NAP)

(m -mv)

(m NAP)

(m NAP)

Serie 1

GLD000000046329

-5,50

-5,66

-5,79

-4,60

1,19

Serie 2

GLD000000046342

-5,15

-5,53

-5,36

-4,63

0,73

2

Dit waterpeil geldt voor de permanent watervoerende waterlopen zoals de tocht aan de noordzijde. Dit is niet representatief voor de greppels binnen het plangebied.

13/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Figuur 2.9 Locaties grondwatermeetreeksen (bron: DINOloket)

14/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Figuur 2.10 Grondwatermeetreeksen, (Bron meetreeksen: DINOloket)

15/35

Kenmerk

2.7

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Riolering

De verspreid liggende woningen en agrarische erven zijn aangesloten op drukriolering met individuele pompunits. Die persleiding mondt uit op het gemeentelijk hoofdgemaal in Wieringerwerf, vanwaar het afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Wieringermeer van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier wordt verpompt. In de bestaande wijk staat een rioolgemaal, aangeduide met een zwart driehoekje, die is verbonden met een persleiding naar de Oosterterpweg. Tevens ligt er een apart hemelwaterafvoersysteem (HWA) met overlopen en uitstroompunten naar oppervlaktewater, zoals de leggerwatergangen. Een belangrijke vraag betreft de mogelijkheid om het vuilwater aan te sluiten op het bestaande rioolstelsel, met name met betrekking tot de diepteligging en de capaciteit van het gemaal. De gemeente heeft in het overleg aangegeven dat de bob van de gemengde leiding bij de Ploeg een b.o.b.-niveau heeft van -7,47 m NAP. Wel gaf de gemeente als advies aan dat de riolering ingemeten moet worden ter controle, voordat een rioleringsontwerp wordt opgesteld.

Figuur 2.11 Riolering rondom het plangebied (Bron: PDOK)

2.8

Waterkwaliteit en ecologische waarde

KRW status Voor een aanzienlijk deel van het water in Nederland schrijft de Kaderrichtlijn Water (KRW) voor wat de minimale kwaliteitsdoelstellingen zijn. Deze richtlijn is sinds 2000 van kracht in de Europese Unie en bevat afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle lidstaten voldoende schoon en gezond is. De watergangen die direct aan het plangebied grenzen betreffen geen aangewezen KRW-waterlichaam, maar zijn wel verbonden met omliggend

16/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

oppervlaktewater dat wél tot een KRW-waterlichaam behoort (zie figuur 2.12). Het gebied valt niet in een grondwaterbeschermingsgebied.

Figuur 2.12 KRW-oppervlaktewaterlichamen (Bron: https://wkp.rws.nl/geoviewer/Oppervlaktewater)

Ecologie Het plangebied valt niet in een natura 2000 gebied of een natuurnetwerp Nederland (NNN) (zie figuur 2.13). er op het niveau van gebiedsbescherming geen directe Natura 2000- of NNNbeperkingen gelden. Een passende beoordeling is dus niet nodig, al blijven de algemene soortbeschermingsregels uit de Wet natuurbescherming wél van kracht.

17/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Figuur 2.13 Natuurnetwerk en Natura 2000 gebied (Bron: kaar viewer atlasleefomgeving)

2.9

Klimaat

Deze paragraaf beschrijft de klimaataspecten van het plangebied; de gegevens zijn ontleend aan de Klimaateffectatlas3. Wateroverlast Figuur 2.14 geeft de waterdiepte weer na een bui van 70 millimeter in twee uur. In het figuur is te zien dat er grote plassen ontstaan binnen het plangebied met een diepte tot 30 centimeter. Bij de 140 mm bui komen de zelfde locaties naar voor waar water op maaiveld blijft staan. De plassen zijn hier wel dieper (zie figuur 2.15).

3

Klimaat effect atlas: https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer

18/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Figuur 2.14 Waterdiepte bij een bui van 70 millimeter in twee uur (Bron: Klimaateffectatlas)

19/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Figuur 2.15 Waterdiepte bij een bui van 140 millimeter in twee uur (Bron: Klimaateffectatlas)

Droogte De Klimaateffectatlas biedt geen specifiek relevant kaartmateriaal voor het plangebied, maar droogte vormt hier desondanks een reëel risico. Doordat watergangen en gemalen het waterpeil structureel laag houden, daalt het grondwater in droge perioden nog verder. Dit veroorzaakt sneller gewasstress, verhoogt de concentratie van opwellende zoute kwel en versnelt de oxidatie van het resterende veen in de bodem. Anderzijds, door de diepe ligging van de polder beschik je altijd over voldoende water. Dit water is afkomstig van grondwater of er kan water worden toegelaten via oppervlakte water in tijden van droogte. Wordt hier woningbouw gerealiseerd, dan kan de toename aan verhard oppervlak en het bijbehorende peil- en rioleringsbeheer de afstroming en aanvulling van grondwater wijzigen, waardoor het droogterisico lokaal kan toenemen of juist verschuiven. Overstromingsrisico’s Figuur 2.16 toont de verwachte overstromingsdiepte in en rond het plangebied. De overstromingskans is ‘middelgroot’ ingeschat: circa één keer per 100 jaar kan hier water staan. Daarmee is het plaatsgebonden overstromingsrisico aanzienlijk en vraagt de ontwikkeling om een

20/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

duidelijke onderbouwing én passende maatregelen. Denk aan het ophogen van het maaiveld, situeren van woningen en vitale functies boven het agrarische peil, en aanvullende waterkerende of waterbergende voorzieningen zodat bij een doorbraak de bebouwing droog blijft en schade wordt geminimaliseerd.

Figuur 2.16 Overstromingsdiepte ‘middelgrote kans’ (Bron: klimaateffectatlas)

3 Uitgangspunten en beleid Voor het toetsen van de bergingsopgave en bergingscapaciteit is uitgegaan van de volgende bestanden en uitgangspunten: 

 

4

Voor het bepalen van de verharding is uitgegaan van de aangeleverde bestanden van IMOSS: 2025-05-15 Kaartenboek (IMOSS) (20 mei 2025) Uitgeefbaar en panden (22 mei 2025) Enkel fase 1 is in meer detail uitgewerkt. Voor fase 2 en fase 3 gaan we uit van dezelfde verhardingspercentages zoals genoemd op pagina 4 van het kaartenboek4 Voor de verhardingsberekeningen gaan we ervanuit dat de uitgeefbare percelen (combinatie van daken, terras/oprit, schuur/berging en tuin) voor 50 % verhard worden. Idealiter wordt in de praktijk minder verharding gerealiseerd

2025-05-15 Kaartenboek (IMOSS).PDF ontvangen op 20 mei 2025

21/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

De bergingsopgave van het hoogheemraadschap noorderkwartier (HHNK) is 70 millimeter per dag: Het beperken van de risico's op wateroverlast. De neerslag wordt door de klimaatverandering extremer. Het hoogheemraadschap past daarvoor het watersysteem aan zodanig dat het risico op wateroverlast niet toeneemt. Activiteiten moeten daar ook aan voldoen. Het hoogheemraadschap neemt daarvoor de landelijk afgesproken neerslagsituatie als leidraad. Een neerslagsituatie van 70 mm/dag die thans 1 keer per 100 jaar voorkomt mag niet tot

 

inundatie van het watersysteem leiden en tot schade aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen leiden5 De bergingsopgave van de gemeente Hollands Kroon is hetzelfde als van het waterschap: 70 millimeter (Bron: HIOR6) Een belangrijke opgave waar gedeeltelijk invulling aan moet worden gegeven is de ‘waterschuld’ van circa 6.000 m2 oppervlaktewater. Deze is ontstaan door gemeentelijke fusies en het realiseren van verschillende plannen in het verleden. Hierdoor is een tekort ontstaan, welke de komende tijd moet worden weggewerkt

4 Kernpunten plangebied 4.1

Ontwerpprincipes

Het voorkeursscenario van IMOSS voor de inrichting van het plangebied is tijdens de overlegsessie over de waterhuishouding gedeeld en toegelicht. De belangrijkste ontwerpprincipes luiden als volgt:  

Groene structuur: Een doorlopende ‘groene slinger’ beweegt zich door de wijk en verbindt de verschillende deelgebieden met elkaar Waterstructuur: Het historische ontginningspatroon vormt de basis voor de waterinrichting.

Bestaande watergangen blijven behouden en worden op strategische locaties verbreed of voorzien van natuurvriendelijke oevers Waterberging: Er wordt in de basis geen aanvullend open water aangelegd; in plaats daarvan worden retentiegebieden ingezet om piekafvoeren op te vangen en wateroverlast te voorkomen. Daarnaast worden er op sommige plekken natuurvriendelijke oevers toegevoegd aan de watergangen om water te bergen

 

 

Het plan biedt ruimte voor circa 990 woningen in uiteenlopende typen en prijsklassen We gaan uit van een afvalwaterproductie voor 990 woningen met een gemiddeld woningbezetting van 2,6 inwoners per woning. Tevens nemen we de afvalwaterproductie mee voor commerciële voorzieningen met een oppervlak van circa 3000 m2 Afvoer hemelwater: Hemelwater wordt – waar mogelijk – bovengronds afgevoerd, bij voorkeur via wadi’s, greppels en open goten, zodat het zichtbaar is Wadi’s: De geschiktheid van wadi’s is sterk afhankelijk van de ondergrond; in de Wieringermeer bestaat deze grotendeels uit slecht doorlatende klei, waardoor infiltratie

5

Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR702775#chp_2 6 Handboek Inrichting Openbare Ruimte 2022-2025: https://www.hollandskroon.nl/direct-regelen/wonen-verhuizen-enverbouwen/groen/handboek-inrichting-openbare-ruimte-hior/

22/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

beperkt is. In het IMOSS-ontwerp fungeren wadi’s daarom voornamelijk als tijdelijke berging en voor bovengrondse afvoer. Uitgangspunt is om de wadi’s rechtstreeks aan te sluiten op het oppervlaktewater, niet op het rioolstelsel

4.2 

Aandachstpunten plangebied Waterveiligheid: Er is een verhoogd risico op overstromingen in de polder. Het maaiveldniveau binnen het plangebied ligt zeer laag vanwege de ligging in een diepe polderen Zoute kwel / waterkwaliteit: Op diverse locaties treedt zoute kwel op, wat gevolgen heeft voor zowel de waterkwaliteit als beplantingskeuze. Maatregelen om de impact van zoute kwel te beperken of te compenseren dienen integraal in het ontwerp te worden opgenomen. Bij het huidige waterpeil wordt geadviseerd om geen extra oppervlaktewater te realiseren, omdat dit de deklaagweerstand verminderd, wat leidt tot meer zoute kwel. Er is meer geohydrologisch onderzoek nodig om dit te verifiëren

4.3 

Eisen drooglegging en ontwateringsdiepte De gemeente hanteert bij de ontwikkeling van nieuwe (stedelijke) gebieden een minimale ontwateringsdiepte van 1,00 meter beneden het gemiddeld straatpeil. Dit wordt bij voorkeur gerealiseerd door ophoging van het te bebouwen terrein (Bron: HIOR). Drainage om de ontwatering te halen is ook een optie Minimale hoogte van het vloerpeil boven het hoogste punt van de rijweg (straatpeil) is 0,30 meter (HIOR)

4.4

Beoogde wijziging oppervlaktewater streefpeil

Mogelijk wordt het streefpeil in de omgeving van Wieringerwerf aangepast. Het huidige waterpeil bedraagt -6,60 m NAP. Er ligt een wens om zowel de bestaande woonwijk Oosterterp als de nieuwe ontwikkeling aan te laten sluiten bij het hogere peil van -6,10 m NAP dat nu wordt aangehouden voor onder meer de stedelijke kern van Wieringerwerf. Omdat hierover nog geen definitief besluit is genomen, hanteren we in dit onderzoek het huidige peil van -6,60 m NAP, maar we houden al wel rekening met de mogelijkheid dat het oppervlaktewaterpeil 50 centimeter wordt verhoogd. Het verhogen van het peil heeft in de basis positieve effecten op bijvoorbeeld het tegengaan van effecten van droogte, maar zal ook de toestroom van zoute kwel kunnen reduceren. Er moet ook nagedacht worden over het ophogen of het toepassen van drainage wanneer het waterpeil wordt verhoogd. Het proces voor een nieuw peilbesluit neemt de nodige proceduretijd met zich mee, waardoor dit nieuwe peil niet op korte termijn realiteit wordt. Maar het is wel iets om nu alvast rekening mee te houden in het ontwerp. De afvoer route van het oppervlaktewater zal nader onderzocht moeten worden.

23/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

5 Bepalen indicatief planpeil Deze alinea beschrijft de bepaling van het indicatieve planpeil op basis van de gewenste drooglegging en vereiste ontwateringsdiepte. Dit vormt input om het verdere ontwerp mee vorm te geven. Het is noodzakelijk om het maaiveldniveau aan te passen aan het watersysteem, omdat het niet wenselijk is om de grondwater- en oppervlaktewaterpeilen aan te passen aan de beoogde functies op het maaiveld. In de huidige situatie is de grondwater- en oppervlaktewatersituatie geschikt voor agrarisch gebruik van het plangebied, maar dit past niet bij de gewenste woningbouw.

5.1

Toetsing drooglegging

De afstand tussen het oppervlaktewater streefpeil en het maaiveldniveau wordt de drooglegging genoemd. Het gehele plangebied ligt momenteel in het peilgebied met een maatgevend oppervlaktewater peil van -6,6 m NAP. Veelal wordt geadviseerd om ten opzichte van het streefpeil een drooglegging van circa 1,2 meter te hanteren. Met voornoemd streefpeil resulteert dit in een gewenst maaiveldniveau van minimaal -5,4 m NAP. Wanneer wordt uitgegaan van het mogelijk in de toekomst te verhogen oppervlaktewaterpeil (-6,1 m NAP) gaat het gewenste maaiveldniveau naar circa -4,9 m NAP.

5.2

Toetsing ontwateringsdiepte

Voor wegen wordt een minimale ontwateringsdiepte gehanteerd van 1,0 meter. Idealiter wordt dit gerealiseerd door het plangebied op te hogen. In specifieke gevallen kan ook drainage worden toegepast om de grondwaterstanden kunstmatig te reguleren om de gewenste ontwatering te verkrijgen. In de naastgelegen woonwijk zijn een tweetal peilbuizen aanwezig die in hetzelfde peilvak liggen als het plangebied. Van deze peilbuizen is de representatief hoogste grondwaterstand (RHG) afgeleid op -5,2 en -5,5 m NAP. Op basis van de bodem- en watersituatie valt een vergelijkbare RHG te verwachten binnen het plangebied. Omdat de watergangen in het plangebied iets dichter op elkaar liggen dan in de woonwijk Oosterterp, zou de RHG een fractie lager kunnen uitvallen door een betere ontwatering. Maar enige onzekerheid vanwege de deklaagweerstand van de bodem kan hier ook een onbekende invloed op hebben (kwelflux). Idealiter worden centraal in het plangebied (tussen de watergangen) peilbuizen geplaatst om de lokale grondwaterstand te monitoren. Daarmee kan vervolgens redelijk eenvoudig een RHG worden afgeleid. De RHG zal binnen het plangebied enigszins variëren, omdat deze gerelateerd is aan de afstand tot oppervlaktewater. Zo zal de grondwaterstand langs de watergangen het oppervlaktewaterpeil benaderen. Op grotere afstand neemt de opbolling van de grondwaterstand toe, evenals de RHG.

Wanneer we voor het plangebied een maatgevende RHG van -5,3 m NAP hanteren en uitgaan van een vereiste ontwateringsdiepte van 1,0 m -mv, dan resulteert dit in een minimaal planpeil (=wegpeil) van -4,3 m NAP. Wanneer ook rekening moet worden gehouden met een toekomstig hoger oppervlaktewaterpeil (-6,1 m NAP) zal dit gevolgen hebben voor de grondwaterstand, welke sterk gerelateerd is aan het oppervlaktewaterpeil. De grondwaterstand zal namelijk ook stijgen, wat betekent dat wellicht op

24/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

voorhand al besloten moet worden om een hoger planpeil aan te houden om deze peilstijging mogelijk te maken, dan wel om rekening te houden met het toepassen van drainage om de grondwaterstand te reguleren. Woningen (vloerpeilen) worden idealiter 30 centimeter boven het wegpeil gerealiseerd. Dit voorkomt in situaties met extreme neerslag dat water in de woningen kan stromen. Een en ander moet in samenhang worden beschouwd met hellingen in het maaiveld en lokale laagtes. Door robuuste (deels verlaagde) groenstroken in te passen, is extra ruimte voor water te creëren voor dit soort extreme situaties. Nadere toetsing dient plaats te vinden bij de verdere uitwerking van het ontwerp.

5.3

Toetsing aansluiten woonwijk

Aandachtspunt voor het planpeil is de samenhang met het peil van de omliggende wijk. Uitgangspunt is een planpeil van circa -4,3 m NAP, ongeveer 0,2–0,3 m hoger dan het wegpeil in de bestaande wijk (-4,4 tot -4,6 m NAP). Gezien de ontwateringsdiepte eis van 1,0 m kan echter ook een peil van -4,4 tot -4,5 m NAP worden aangehouden. Dit blijft nog circa 0,8 m boven de ingeschatte RHG (-5,3 m NAP). Het oppervlaktewaterpeil kan eventueel worden verhoogd, maar dit vergt een drainagesysteem om de grondwaterstand te beheersen en mag de naastgelegen wijk, waar weinig speelruimte in grondwaterpeil is, niet benadelen. Voordat een hoger peil wordt vastgesteld, is daarom aanvullend onderzoek noodzakelijk. Toetsingscriteria

Resulterend minimale wegpeil

Drooglegging

-5,4 m NAP (-4,9 m NAP indien verhogen waterpeil)

Ontwateringsdiepte

-4,3 m NAP (-3,8 m NAP indien verhogen waterpeil, of drainage toepassen)

Aansluiting woonwijk

5.4

-4,4 a -4,5 m NAP

Conclusies

Op basis van de gewenste drooglegging en de vereiste ontwateringsdiepte wordt geadviseerd om een planpeil van - 4,4 a - 4,5 m NAP te hanteren voor deze ontwikkeling. Wanneer rekening wordt gehouden met een mogelijk toekomstige verhoging van het oppervlaktewaterpeil, dient ofwel een hoger maaiveldniveau toegepast te worden, óf dient drainage toegepast te worden om de opbolling van de grondwaterstand te reguleren. De primaire drooglegging voldoet in ieder geval en is niet maatgevend in deze situatie. Uitgaande van een bestaand maaiveldniveau van circa -4,5 m NAP aan de noordzijde, welke in zuidelijke richting afloopt naar een niveau van circa -5,1 m NAP, moet het plangebied integraal worden opgehoogd. De ophoging aan de noordzijde is minimaal met circa 0,1 meter. Maar aan de zuidzijde moet circa 80 centimeter grond worden opgebracht om tot het gewenste planpeil te komen. Hierbij moet ook rekening gehouden worden met zettingen door het opbrengen van een grondlaag. Wanneer oppervlakkige afwatering van neerslag over straat plaatsvindt, zal hier ook rekening moeten worden gehouden met het benodigde afschot. Dit is iets om nader uit te werken. De vloerpeilen van de panden komen idealiter 20 à 30 centimeter boven het planpeil te liggen.

25/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

6 Toekomstige situatie – Waterkwantiteit 6.1

Stedenbouwkunidgplan

Het stedenbouwkundig plan voor de nieuwe wijk kiest een groene, recreatieve route als ruimtelijke ruggengraat. De centrale as is geïnspireerd op natuurlijke wadistructuren en slingert door het gebied, waarbij zij bestaande wandel- en fietsroutes aaneenschakelt en gelijktijdig geluid- en hindercontouren slim benut als groene bufferzone (IMOSS, 2025). De wijk wordt gefaseerd gerealiseerd: de eerste fase is inmiddels in concept verder uitgewerkt (zie figuur 6.2), terwijl fase 2 en 3 daarop voortbouwen met aanvullende woonvelden en voorzieningen. In totaal worden er circa 990 woningen gebouwd in de nieuwe wijk. Dit zijn zowel grondgebonden woningen als appartementen. De exacte invulling van de kavels staat nog niet vast en kan nog gewijzigd worden. De figuren geven een conceptversie van het stedenbouwkundigplan weer.

Figuur 6.1 Overzicht plangebied met groenstructuur (Bron: Kaartenboek IMOSS7)

7

IMOSS, gebiedsontwikkeling oosterterpweg kaartenboek rekenverkaveling 15 Mei 2025 - Concept

26/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Figuur 6.2 programmatische verkenning fase 1 (Bron: Kaartenboek IMOSS8)

6.2

Waterbalans en bergingsopgave

In totaal bevat fase 1 een verhard oppervlak van 78.833 m2. Dit geeft een bergingsopgave voor het plangebied van 4.579 m3 (zie tabel 6.1). Tabel 6.1 Overzicht verharding Type verharding

Oppervlak

Percentage

Bergingseis

Bergingsopgave

(m2)

verharding (%)

(mm)

(m3)

Infrastructuur

26.796

100

70

1.876

Uitgeefbaarterrein

32.838

50

70

1.149

3.650

100

70

466

Panden

15.549

100

70

1.088

Totaal verharding

78.833

-

-

4.369

Groen

53.513

0

70

0

Water

4.147

0

70

0

Voorzieningen

3.000

100

70

210

Totaal

139.493

-

-

4.579

grondgebonden Uitgeefbaarterrein appartementen

Om dat fase 2 en fase 3 nog niet in details zijn uitgewerkt rekenen we met percentages verharding. Er is namelijk wel bekend hoeveel verharding er ongeveer gaat komen in het

8

IMOSS, GEBIEDSONTWIKKELING OOSTERTERPWEG KAARTENBOEK REKENVERKAVELING 15 Mei 2025 - Concept

27/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

plangebied. Voor het bepalen van de bergingsopgave houden we de percentages aan zoals genoemd op pagina 4 van het Kaartenboek van IMOSS9. Onderstaande tabel geeft de percentages woonveld weer per fase. Daarnaast zijn de voorzieningen als apart oppervlak genoemd omdat deze 1 keer voorkomt en verspreid is over de 3 fasen10. Tabel 6.2 Percentages woonveld per fase Fases

Oppervlakte fase (m2)

Percentages woonveld

Fase 1

136.493

35 %

Fase 2

124.794

32 %

Fase 3

128.693

33 %

Voorzieningen Totaal

3.000 392.980

100 %

*Oppervlakken van fase 2 en fase 3 zijn ingeschat op basis van de oppervlakken in fase 1. Dit is de reden dat de totaalsom niet volledig overeenkomt met het kaartenboek

Op basis van de huidige kengetallen zijn de oppervlakken van fase 2 en fase 3 met behulp van procentuele verdeelsleutels voor verharding, groen en water vertaald naar een eerste berekening. Deze methode geeft een solide indicatie van de benodigde bergingscapaciteit. Voor het gehele plangebied is de bergingsopgave circa 12.631 m³ (zie tabel 6.3). Zodra de definitieve inrichting en oppervlaktes bekend zijn, kan de berekening worden geactualiseerd en waar nodig bijgesteld. Tabel 6.3 Verharding verdeling en bergingsopgave Oppervlak (m2)

Bergingsopgave (m3)

Fase 1 - Verharding

78.833

4.369

Fase 1 - Groen

53.513

0

Fase 1 - Water

4.147

0

Fase 2 - Verharding

72.076

3.964

Fase 2 - Groen

48.926

0

Fase 2 - Water

3.792

0

Fase 3 - Verharding

74.328

4.088

Fase 3 - Groen

50.455

0

Fase 3 - Water

3.910

0

Voorzieningen

3.000

210

Totale bergingsopgave

392.980

12.631

*Oppervlakken van fase 2 en fase 3 zijn ingeschat op basis van de oppervlakken in fase 1 * De waterschuld is hier niet in opgenomen

9

IMOSS, GEBIEDSONTWIKKELING OOSTERTERPWEG KAARTENBOEK REKENVERKAVELING 15 Mei 2025 - Concept

10

De 'waterschuld' bij het waterschap is hier niet in is opgenomen

28/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

7 Toekomstige situatie – functioneren watersysteem 7.1

Hemelwaterstructuur en bergingsvoorzieningen

Bergingsvoorzieningen De beoogde wijk krijgt één samenhangend blauwgroen raamwerk dat zowel klimaatadaptatie als recreatie ondersteunt. De door het plan meanderende ‘groene slinger’ verbindt parken, buurtpleinen en retentiegebieden en sluit overal aan op de sloten en vaarten (zie figuur 7.1). Bestaande watergangen blijven gehandhaafd en worden waar mogelijk verbreed of voorzien van natuurvriendelijke oevers, zodat extra bergingscapaciteit, ecologische meerwaarde en beleefbaar water hand in hand gaan. Het plan bevat verschillende opties voor waterberging:  

Retentie groen Natuurvriendelijke oevers (peilstijging)

Figuur 7.1 Schematische weergave van ‘groene slinger’ binnen het plangebied (Bron: IMOSS)

Retentie groen is ontworpen als bovengrondse waterafvoer én tijdelijke opslag. Deze gebieden lopen als groene aders mee in dit netwerk en zijn rechtstreeks gekoppeld aan het oppervlaktewater. Zo ontstaat een robuuste, aaneengesloten structuur die zichtbaar regenwater afvoert, piekbuien opvangt, ruimte biedt voor biodiversiteit, en de verschillende woonbuurten landschappelijk met elkaar verweeft. Bergingscapaciteit retentie groen Om de bergingscapaciteit van het retentie groen te bepalen zijn we voor onze berekeningen uitgegaan van de volgende getallen:  

Maximale waterdiepte van 0,5 meter 4 % van het groen wordt ingericht als retentie groen (op basis van de kentallen van fase 1)

29/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Natuurvriendelijke oevers11 zijn ontworpen als waterretentie en zijn een uitbreiding op het bestaande oppervlaktewater. Een natuurvriendelijke oever heeft een flauwe helling en loopt van het maaiveld geleidelijk af tot circa 1 tot 1,5 meter waterdiepte op een afstand van zo’n 5 - 10 meter uit de kant. De eerste 0–50 centimeter onder water vormt een ondiepe schraalzone voor riet- en moerasplanten. Daarachter ligt de 0,5–1,5 meter diepe zone waar vissen, amfibieën en macrofauna schuilen. Samen levert dit profiel een ecologisch rijke overgang tussen land en water, terwijl het tegelijk eenvoudig te onderhouden blijft en water kan bergen. Bergingscapaciteit natuurvriendelijke oevers Om de bergingscapaciteit van de natuurvriendelijk oevers te bepalen zijn we voor onze berekeningen uitgegaan van de volgende getallen:  Gemiddelde waterdiepte = 0,75 meter (fase 1 tot en met 3)  Gemiddelde breedte van de oever = 8 meter (fase 1 tot en met 3) Conclusies bergingscapaciteit Als alle voorgestelde retentievoorzieningen en natuurvriendelijke oevers worden aangelegd, voldoet het plangebied aan de bergingseisen van zowel het waterschap als de gemeente. Samen bieden deze maatregelen een waterbergingscapaciteit van circa 12.631 m³, waarmee piekbuien veilig kunnen worden opgevangen. (zie tabel 7.1).

Een andere verdeling van retentiegebieden of natuurvriendelijke oevers is ook mogelijk zolang het bergingsvolume maar wordt behaald. Tabel 7.1 Bergingscapaciteit van voorzieningen Oppervlak

Capaciteit

Lengte

Capaciteit

Totale

retentie

retentie

natuurvriendelijke

natuurvriendelijke

bergingscapaciteit

2

groen (m )

groen (m )

oever (m)

oever (m )

(m3)

Fase 1

2.393

1.197

500

3.000

4.197

Fase 2

2.187

1.093

550

3.300

4.393

Fase 3

2.255

1.128

500

3.000

4.128

Totaal

-

-

-

-

12.718 – voldoet

7.2

3

3

Hemelwaterstructuur

Het hemelwater in het plangebied wordt zoveel mogelijk bovengronds afgevoerd en opgeslagen. Dankzij de ruime aanwezigheid van watergangen en retentiezones in alle fasen van het plan kan het regenwater direct naar deze bergingen stromen. Het systeem is als volgt opgezet: 

Maaiveldafvoer: De openbare ruimte, parkeervakken en particuliere tuinen krijgen een licht afschot richting de omliggende watergangen of naar de centrale ‘groene slinger’. Bij een bui loopt het water eerst oppervlakkig weg; de retentiezones vangen het tijdelijk op en voeren het vertraagt af HWA-riool in wegen: In de centrale weg wordt een HWA-riool aangelegd. Gebouwen die aan deze wegen grenzen sluiten hun dak- en terreinwater hierop aan. Het HWA-riool loost rechtstreeks op de retentievijvers, zodat het vuilwaterriool ontlast blijft. Op locatie waar het

11

Bron: Handreiking natuurvriendelijke oevers STOWA

30/35

Kenmerk

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

water niet direct naar het oppervlaktewater kan stromen zijn ook HWA-leiding geplaatst. Dit 

om ervoor te zorgen dat water niet tegen panden aan gaat stromen Perceeleigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor hun hemelwaterafvoer. Dat moet op eigen terrein infiltreren of afgevoerd worden

Alleen waar het nodig is wordt hemelwater via leidingen afgevoerd. Dit zorgt voor een evenwichtige verdeling van water. In figuur 7.2 is een schematische weergave van de hemelwaterstructuur weergegeven van fase 1. Voor fase 2 en fase 3 moet eenzelfde soort structuur mogelijk zijn. Er wordt hier naar verhouding even veel verharding, waterberging en groen gerealiseerd.

Figuur 7.2 HWA-structuur

Voor een optimale werking van het watersysteem is het essentieel dat de retentiegebieden en het oppervlaktewater met elkaar zijn verbonden, zodat de totale bergingscapaciteit als één samenhangend netwerk kan functioneren. Tijdens hevige neerslag vullen eerst deze voorzieningen; pas wanneer zij hun maximale capaciteit bereiken, wordt het overtollige water gecontroleerd afgevoerd naar de omliggende watergangen.

31/35

Kenmerk

7.3

R001-1301770PJV-V02-sss-NL

Afvalwaterstructuur

Binnen het plangebied worden ongeveer 990 woningen gerealiseerd en voorzieningen met een oppervlak van 3000 m2, welke elk hun eigen vuilwaterproductie geven. Deze afvalstroom moet ingezameld en getransporteerd worden, waarbij een aansluiting op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel wordt gemaakt. Voor de afvoer van vuilwater bestaan een 2 mogelijkheden: 1. Onder vrij verval richting rioolgemaal bij de Ploeg (Voorkeur) 2. Alternatief via de Persleiding 7.3.1 Voorkeursvariant – vrij verval naar rioolgemaal De Ploeg In deze optie wordt het vuilwater onder vrijverval afgevoerd naar gemaal bij de Ploeg (zie figuur 7.3). Het vuilwater wordt in een via leidingen verzameld en vervolgens via het bestaande gemaal verpompt. Deze aanpak zorgt voor een efficiënte afvoer van het afvalwater. De bob van de ontvangende leiding van de Ploeg ligt op -7,47 m NAP. Het ontwerp verhang van een vuilwaterriool is 1:500 (eerste 100 m 1:250). De afstand van dit gemaal tot het einde van het plangebied is ongeveer 1000 meter. Dit hanteren we als maatgevende lengte. Het tracé van de vwa-riolering is weergegeven in figuur 7.3. Bij de maatgevende lengte van 1000 meter betekent dat de bob van de leiding minimaal -5,53 m NAP moet zijn bij het beginpunt. Deze bob’s lijken realistisch rekening houdend met dekking op de leiding het de hoogte van het toekomstige maaiveld.

In figuur 7.3 staan ook twee stippellijnen met nummer 1 en 2. Wanneer er twee trace’s worden gemaakt richting het gemaal bij de Ploeg kan de maatgevende lengte van de leiding tot het beginpunt mogelijk worden ingekort. Fase 1 en het zuiden van fase 3 lopen dan via het tracé aangegeven met een 1. Fase 2 en het noorden van fase 3 lopen dan via het tracé aangegeven met een 2. Controlepunten: de capaciteit van het gemaal bij De Ploeg moet worden getoetst. Mogelijk is een pompvervanging of een extra pomplijn nodig. Daarnaast bestaan er twijfels over de diepteligging van de gemengde riolering. Deze moet opnieuw ingemeten worden wanneer een rioolontwerp wordt gemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=258efb3f-33c9-423f-8d22-ce4146698227