GL VRAGEN B1 - Deel 2.docx
Tekst van het document
Schriftelijke vragen conform de uitnodiging inventarisatie informatiebehoefte datacenters, d.d. 27 mei 2021. GroenLinks, 9 juni 2021 Deel 2: toetsing ‘ontwerpbestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7 B1’ aan ruimtelijk noodzakelijke kaders. Vanuit de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro) is het van belang om te weten of het voorliggende voorstel voor wijziging van de bestemming van en uitbreiding van Agriport met deelgebied B1 op de juiste wijze begrensd en voldoende ruimtelijk onderbouwd is om het op wettelijk voldoende verantwoorde wijze ter besluitvorming aan de raad te mogen voorleggen. Voordat de raad tot een uitspraak over het voorstel kan komen, is toetsing vereist van de door het college in het plan naar voren gebrachte informatie en argumenten aan: a) daarvoor geldende wettelijke ruimtelijke ordeningsregels (afweging ‘voors en tegens’ van alternatieven en ruimtelijke, met argumenten gestaafde, onderbouwing van mogelijke keuzes); b) de kaders van het geldende gemeentelijk (en provinciaal) ruimtelijk beleid. Ad a. Begrenzing van het gebied Toelichting In de Toelichting staat op blz. 8 een kaartje met een rood omkaderd gebied. In de omschrijving er onder staat: “Rood omkaderd is het gebied, waarvoor dit bestemmingsplan is opgesteld in globaal aangegeven”. (We veronderstellen dat het woord ‘in’ ten onrechte is opgenomen).
Wij merken op dat het lichtblauw aangegeven gebied in dit kaartje, het gebied omvat van de deelgebieden B1, B2 en B3. Deze maken nu deel uit van het (grootschaliger) bestemmingsplan Uitbreiding Agriport II, met de daarbij behorende MER. De bestemming voor deelgebied B1 is daarin expliciet bevestigd als ‘agrarisch’ en tevens is expliciet bepaald en vastgelegd dat B1 en B2 niet zijn opgenomen als gebied dat tot Agriport behoort. Het heldergroen aangegeven deel van het gebied binnen het rode kader, betreft het gebied Het Venster-West. Dit is tot nu toe wél onderdeel van Agriport én van het bestemmingsplan ‘Uitbreiding Agriport A7 I’. Dat is indertijd vastgesteld om omvorming van delen van het glastuinbouwgebied Agriport naar de bestemming ‘bedrijven’ mogelijk te maken. Deze bestemming is voor Het VensterWest ook specifiek vastgelegd in dat bestemmingsplan, waarmee de mogelijkheid van vestiging van een datacenter op Het Venster-West nu dus al mogelijk is. Waarom maakt Het Venster-West onderdeel uit van het voorliggende raadsvoorstel? De titel van uw plan, alle argumenten voor én de discussies over dit bestemmingsplan hebben immers alleen betrekking op Deelgebied B1 en niet op Het Venster-West.
De term ‘Uitbreiding Agriport’ kan volgens ons geen betrekking hebben op Het Venster-West, omdat dit al onderdeel uitmaakt van Agriport en het voor dit gebied dus niet gaat om uitbreiding van Agriport. Vraag 1. Kunt u aangeven of het vanuit begrijpelijkheid voor de burger en voor raadsleden beter is om het gebied van Het Venster-West géén onderdeel te laten zijn van het (ontwerp) “Bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, Deelgebied B1”? Toelichting De titel suggereert (ten onrechte) dat het bij Het Venster-West gaat om: a. een wijziging van de bestemming; b. uitbreiding van Agriport;
c. een gebied dat onderdeel uitmaakt van (deel) gebied B1. Het komt ons voor dat de titel van het bestemmingsplan - ook bestuurlijk gezien - de lading ervan op verantwoorde wijze dient te dekken. Vraag 2. Kunt u aangeven of het in strijd is met de Wro dan wel met algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), dat het gebied Het Venster-West, waarvoor de bestemming datacenter al is geregeld, onderdeel uitmaakt van het voorliggende ‘Bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, Deelgebied B1’? Vraag 3. Kunt u aangeven of het in strijd is met de Wro of met algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit de Awb, dat de titel van een plan niet overeenkomt met de daadwerkelijk voorgestelde activiteiten in een ruimtelijk of bestuurlijk plan? Toelichting De Wro vraagt om verantwoording van de afweging en onderbouwing van ruimtelijke keuzes bij voorstellen voor wijziging van bestemmingen. Keuzes op gemeentelijk niveau dienen volgens deze wet mede gebaseerd te zijn op gemeentelijk ruimtelijk beleid, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in een Omgevingsvisie, een gemeentelijk structuurplan of een gebiedsplan. Een structuurplan dient kaders te bevatten waarbinnen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt en regels om te beoordelen of voorgestelde wijzigingen binnen deze regels uitvoerbaar of toegestaan zijn.
Het is aan de raad om te toetsen of de keuzes van het college zijn gemaakt conform het aangegeven beleid en de daaruit voortvloeiende beleidskaders en -regels. We beperken ons in onderstaande vragen tot het vastgelegde beleid in de Omgevingsvisie Hollands Kroon 2016 aangezien dit het enige gemeentelijk ruimtelijk beleidskader is dat officieel is vastgelegd. Er bestaat - mede door het stopzetten van de procedure voor het gebiedsplan Wieringermeer helaas geen specifieke structuurvisie voor het gebied van het ontwerpbestemmingsplan B1. (Als er in een overkoepelend bestemmingsplan, zoals bijvoorbeeld het bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7 I of II, voor deelgebied B1 al wel de mogelijkheid zou zijn gecreëerd, voor realisering van de bestemming ‘Bedrijven, waaronder ook datacenters zijn begrepen’, dan zou de wijziging van de bestemming op deelgebied B1 van agrarisch naar Bedrijven, incl. datacenter, geen enkel probleem vormen). Nu een dergelijke bestemming in zo’n overkoepelend structuur- of bestemmingsplan ontbreekt, blijft er niets anders over dan te kijken of er in de Omgevingsvisie 2016 voldoende heldere en wettelijke toegestane kaders of ruimtelijke regels zijn opgenomen om de voorgestelde wijziging verantwoord aan de raad voor te kunnen leggen.
Het enige concrete aangrijpingspunt dat we hebben aangetroffen betreft een tekst van twee regels en een bijbehorende figuur in hoofdstuk Agriport. Onder het kopje ‘Uitwerking’, staat: ”Als er voldoende aantoonbare behoefte is aan nieuwe bedrijfsgrond of glastuinbouw grond,
ligt uitbreiding in de richting van onderstaande locaties voor de hand.” Daaronder is bijgaande figuur met twee mogelijke ontwikkelingsrichtingen opgenomen.
Figuur: Uitbreidingsgebieden Agriport A7
Naar ons idee wordt in de tekst alleen maar gesteld dat een eventuele uitbreiding van Agriport in de richting van de aangegeven pijlen in beide kaartjes mogelijk zou kunnen zijn. Daaraan wordt echter de uitdrukkelijke voorwaarde gesteld dat er een aantoonbare behoefte aan nieuwe bedrijfsgrond of glastuinbouw grond moet zijn. Tot slot: de figuur bevat twee kaartjes met gebieden waar een mogelijke uitbreiding van Agriport plaats zou kunnen vinden. Voor een ruimtelijk verantwoorde keuze voor één van deze beide locaties is volgens de Wro een duidelijke afweging van de voor- en nadelen van elk van deze locaties vereist, alvorens tot een keuze voor één van beide locaties te kunnen komen. Vraag 4. Kunt u aangeven of de tekst dat een ontwikkeling van Agriport in een bepaalde richting (van de pijlen in de kaartjes) ‘voor de hand ligt’, volgens de Wro een ‘voldoende gemotiveerd ruimtelijk besluit’ is om er een voorstel tot wijziging van de bestemming in deelgebied B1 van agrarisch naar ‘bedrijven, inclusief datacenter’ op te mogen baseren? Zo nee, aan welke voorwaarde(n) en/of ruimtelijke regel(s) dient een dergelijk besluit volgens de Wro te voldoen? Vraag 5. Kunt u aangeven hoe volgens de Wro op afdoende wijze dient te worden aangetoond dat er behoefte is aan nieuwe bedrijfsgrond voor datacenters en wordt in het ontwerpbestemmingsplan hieraan voldaan? Vraag 6.
Kunt u aangeven of de argumentatie voor de bestemmingsplanwijziging B1, volgens kaartje 1, volgens de Wro voldoende beargumenteerd is wanneer daarbij het alternatief dat wordt getoond op kaartje 2, niet in de keuze en de argumentatie zijn meegenomen? Zo nee, hoe had te argumentatie moetten luiden om wel te voldoen aan de wettelijk voorgeschreven afweging? Toelichting Onder de kaartjes in de Omgevingsvisie staan teksten over onderlinge relaties tussen bedrijven op Agriport en worden een drietal kaders vermeld. Deze hebben echter betrekking op: - mogelijke uitbreiding van het aantal datacenters op Agriport; - toevoeging van andere sectoren op Agriport, buiten reeds aanwezige sectoren; - het vestigen van ondersteunende activiteiten zoals ontvangen van bezoekers en horecafaciliteiten op Agriport. We merken op dat deze drie genoemde kaders geen betrekking hebben op het voorgenomen plan tot wijziging van de bestemming op deelgebied B1 en dus ook geen kader vormen voor wijziging van het bestemmingsplan. Dit leidt tot de volgende vraag. Vraag 7.
Kunt u aangeven of er in de Omgevingsvisie voldoende kaders geformuleerd zijn om wijziging van de bestemming naar bedrijven, waaronder begrepen datacenters’ wettelijk verantwoord mogelijk te maken? Zo ja, welke zijn dat volgens u? Zo nee, kunt u aangeven welke kaders er minimaal nodig zijn, om een dergelijke wijziging op een wettelijk verantwoorde wijze mogelijk te maken?
Het opstellen van een MER Toelichting In het Besluit Milieueffectrapportage zijn in Bijlagen C en D de activiteiten en ruimtelijke plannen opgenomen waarvoor een verplichte MER (categorie C) óf een MER-Beoordeling (categorie D) moet plaatsvinden. Hierin staat onder C 22.1, kolom 1, ‘Activiteiten’ vermeld: ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties’. Daarachter is in kolom 2 onder ‘Gevallen’ opgenomen: ‘In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met een vermogen van 300 megawatt (thermisch) of meer’. Dit betekent dat er voor de activiteit, waarbij een dergelijke hoeveelheid aan thermisch vermogen wordt ontwikkeld, verplicht een MER moet worden opgesteld. In het Ontwerpbestemmingsplan B1 wordt beargumenteerd dat door samenvoeging van de oppervlakte van deelgebied B1 van ca 55 ha. met de 10 ha. resterende ruimte voor een datacenter op Het Venster West, een totale oppervlakte van ca. 65 ha. voor een te ontwikkelen hyperscale datacenter van ca. 65 ha. ontstaat. Uit de aangevraagde omgevingsvergunning op Het Venster blijkt dat met het daar te vestigen datacenter van ca. 15 ha. voor ca. 235 Megawatt aan thermisch vermogen zal worden opgesteld. Dit betekent dat op de in het ontwerpbestemmingsplan B1 voorgestelde oppervlakte van ca. 65 ha., een thermisch vermogen van ca. 1000 megawatt wordt opgesteld.
Volgens artikel 7.2 lid 2 van het Besluit MER dient er bij de voorbereiding van een plan een MER te worden opgesteld, indien in dat plan: a. een locatie of tracé wordt aangewezen voor die activiteiten; of b. als er één of meerder locaties voor die activiteiten worden overwogen. Vraag 8. Kunt u aangeven of er volgens het Besluit MER een MER opgesteld had moeten worden bij de voorbereiding van het besluit over het ontwerpbestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7 deelgebied B1, waarin een locatie wordt aangewezen voor het vestigen van een bedrijf met een installatie met een thermisch vermogen van meer dan 300 megawatt? Met vriendelijke groet, Lilian Peters GroenLinks Hollands Kroon