Bijlage 6 Passende beoordeling stikstofdepositie def
Tekst van het document
Passende beoordeling stikstofdepositie Realisatie stoeterij Polderweg 30 te Hippolytushoef 3 september 2024, Hippolytushoef
Opdrachtgever: AMB Advies Korte Bosweg 55 1756 CA ‘t Zand Tel: 06-29148106 e-mail: info@ambadvies.nl
Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 06-24818383 e-mail: info@aandachtnatuur.nl www.aandachtnatuur.nl
Lid Netwerk Groene Bureaus
Bureau Aandacht Natuur
Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 Aanvullingsspoor Natuur Omgevingswet……....….…………………….…..blz. 3 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 7 2.1 Gebieds- en planbeschrijving…..……...……..………..…………..………… blz. 7 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 9 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 10 3. Beoordeling stikstofdepositie.......…..………..…………..………………….. blz. 11 3.1 Referentiefase…...……………………………………….…………………..... blz. 11 3.2 Realisatiefase…...……………………………………….…………………......blz. 13 3.3 Gebruiksfase….……………………………………….……...……………...... blz. 14 4. Passende Beoordeling stikstofdepositie...…..…………..………………….. blz. 19 4.1 Uitwerking per hexagoon………………………………......……………........ blz. 19 4.2 Effectenbeoordeling stikstofdepositie………..……….…………………...... blz. 23 5. Conclusies en advies….……….…………..……………………………….… blz. 24 5.1 Onderbouwing ecologische beoordeling…....…………….…………...….... blz. 24 5.2 Conclusie en advies stikstofdepositie……………………………………...... blz. 27 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz.
28 Bijlage 1: Natuurbescherming in de Omgevingswet Bijlage 2: Aerius stikstofberekening bouwfase (2024) Bijlage 3: Aerius stikstofberekening gebruiksfase (2025) Bijlage 4: Aerius stikstofberekening gebruiksfase (2026) Bijlage 5: Aerius stikstofberekening gebruiksfase (2027) Bijlage 6: Aerius stikstofberekening gebruiksfase (2028)
1
Bureau Aandacht Natuur
1. Inleiding In opdracht van AMB advies heeft Bureau Aandacht Natuur een passende beoordeling stikstofdepositie uitgevoerd, voor de realisatie van een Stoeterij aan de Polderweg 30 te Hippolytushoef.
Figuur 1. Ligging van de projectlocatie aan de Polderweg 30 en de Oosterweg 6 te Hippolytushoef.
1.1 Aanleiding en doel Aan de Polderweg 30 en Oosterweg 6 bestaat het voornemen om beide erven opnieuw in te richten als Stoeterij. Ten behoeve van de Polderweg 30 dient hiervoor de bestemming te worden gewijzigd van wonen naar agrarisch. Gezien de afstand van 1,75 kilometer en de situering van de projectlocatie op een bestaand, voormalig agrarisch erf, kan er vanuit worden gegaan dat er geen sprake zal zijn van directe invloeden door toedoen van de beoogde inrichting als stoeterij op het Natura 2000 gebied de Waddenzee. In deze rapportage wordt dan ook uitsluitend ingegaan op de effecten van de stikstofemissie door de gebruiksfase. Gedurende de bouwfase is er geen sprake van een effect op de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Door de toename van het aantal dieren en extra verkeersbewegingen op de projectlocatie, van het hobbymatig houden van paarden naar de realisatie van een stoeterij, is er sprake van een structurele verhoogde stikstofemissie met een verhoogde stikstofemissie binnen het Natura 200 gebied de Waddenzee. De passende beoordeling betreft dan ook een toetsing van de stikstofuitstoot in de gebruiksfase van de beoogde stoeterij. De invoer van de Aerius calculator is aangeleverd door AMB-advies.
Op basis van de ingevoerde gegevens en toegestuurde berekeningen, is onderstaande onderbouwing op de stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden door Merijn Volkers van Bureau Aandacht Natuur geanalyseerd en beoordeeld.
2
Bureau Aandacht Natuur
1.2 Aanvullingsspoor Natuur Omgevingswet Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en omvat alle regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving; de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen. Omdat natuur volgens de definitie van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving, is de (voormalige) Wet Natuurbescherming (2017 t/m 2023) onderdeel geworden van de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor natuur richt zich onder meer op de bescherming van planten- en diersoorten, natuurgebieden, natuurverbindingen en houtopstanden. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de specifieke zorgplicht. Deze specifieke zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen van de natuurbescherming in de Omgevingswet. Voor een meer uitgebreide toelichting op het aanvullingsspoor natuur in de Omgevingswet, wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.
De beschermde gebieden uit de onder andere de vogel- en habitatrichtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of bijzondere natuurgebieden en/of bijzondere (provinciale) landschappen. Natura 2000 activiteit Een project of activiteit die plaatsvindt in een Natura 2000 gebied en geen verband houdt met het beheer van het gebied, betreft een zogeheten Natura 2000-activiteit. Dergelijke plannen dienen dan ook vooraf te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000 gebied middels een Voortoets, Passende Beoordeling of een ADC-toets. Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstofemissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats (Programma stikstofreductie en natuurverbetering). Met betrekking tot de toetsing van Natura 2000-activiteiten is in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15). Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen.
Daarnaast verplicht de specifieke zorgplicht ook dat de activiteiten van deze maatregelen worden gemonitord. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ kenmerken en waarden van een gebied of natuurverbinding. De regelgeving met betrekking tot deze gebieden is vastgelegd in de Omgevingsverordening van de betreffende provincie. Soortenbescherming Een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren en planten, betreft een zogeheten flora en fauna-activiteit, en vallen hiermee onder de soortenbescherming. De soortenbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd 3
Bureau Aandacht Natuur
zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Voor een flora en fauna-activiteit, waarbij bekend is of het vermoeden bestaat dat er beschermde dieren- en plantensoorten voorkomen, staat de “specifieke zorgplicht”. Dit houdt in dat iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, nadelige gevolgen zoveel mogelijk moet voorkomen, beperken of ongedaan maken. Naast de binnen de wet aangewezen beschermde soorten, heeft dit ook betrekking tot de algemeen voorkomende beschermde soorten waar een vrijstelling van de vergunningsplicht voor geldt. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht. Vogelrichtlijnsoorten Op alle in het wild voorkomende vogels is dit beschermingsregime van toepassing.
Hiermee zijn schadelijke handelingen aan in het wild levende vogels niet toegestaan en betreffen: het opzettelijk storen, doden of vangen van vogels, het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels, het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels of het opzettelijk wegnemen van nesten. Vogelsoorten zijn voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd. Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen vergunning of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder vergunning, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren.
Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een vergunning noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Een vergunning kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt. Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van toepassing.
Schadelijke handelingen ten aanzien van habitatrichtlijnsoort betreffen: het in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk doden of vangen van in het wild levende dieren, het beschadigen, vernielen of rapen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren en het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten. 4
Bureau Aandacht Natuur
Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten bestaan schadelijk handelingen uit het in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen vergunning of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een vergunningsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een vergunning noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek,
met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Een vergunning kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. “Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. In bijlage IX van artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving staat een limitatieve lijst van soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Schadelijke handelingen t.a.v.
deze soorten betreffen: het opzettelijk doden of vangen van dieren, het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren en het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een vergunning of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.
5
Bureau Aandacht Natuur
Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten. Vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Omgevingswet ligt, met uitzondering van projecten van nationaal belang, veelal bij Gedeputeerde Staten. Bij enkel- en meervoudige aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (art. 4.6 Omgevingsbesluit) is de provincie het bevoegd gezag. Bij het indienen van een meervoudige aanvraag voor een omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten, waaronder een Natura 2000-activiteit, ligt de bevoegdheidsverdeling anders en is de desbetreffende gemeente het bevoegd gezag. De gemeente is echter verplicht om een verzoek tot advies en instemming te vragen aan Gedeputeerde Staten of het ministerie van Natuur & Stikstof (art. 4.25, resp. art. 4.12 en 4.13 Omgevingsbesluit). GS of de Minister voor Natuur & Stikstof wordt dan het adviesorgaan. Deze moet binnen 4 weken besluiten op het verzoek (art. 16.18 Omgevingswet).
Het adviesorgaan dat instemming heeft verleend, heeft een mede-handhavingsbevoegdheid voor het deel waar zij mee is ingestemd (art. 13.3 Omgevingsbesluit). Het adviesorgaan dat de instemming heeft verleend, kan daarnaast het bevoegd gezag verplichten de omgevingsvergunning te wijzigen of in te trekken (art. 5.41 Omgevingswet). Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Het is ook mogelijk om een aparte vergunning of vrijstelling voor een flora en fauna-activiteit en/of Natura 2000-activitiet in het kader van de Omgevingswet aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/ initiatiefnemer. Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000activiteit gelden de indieningsvereisten uit artikel 7.197h van de Omgevingsregeling. Hierbij dienen de voortoets en/of passende beoordeling (eventueel inclusief de ADC-toets) te worden bijgevoegd. Art. 16.64 van de Omgevingswet bepaald dat de algemene beslistermijn voor een omgevingsvergunningaanvraag 8 weken bedraagt (enkelvoudige aanvraag), of 12 weken (meervoudige aanvraag). De eenmalige verlengingstermijn is (ten hoogste) 6 weken.
Echter, met betrekking tot de vergunningsaanvraag voor Natura 2000-activiteiten is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV-procedure) van de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4) van toepassing (art. 10.24, lid 1, onder j van het Omgevingsbesluit). Dan geldt een beslistermijn van 26 weken.
1
De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”
6
Bureau Aandacht Natuur
2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving Het projectgebied is gelegen op de hoek van de Polderweg en de Oosterweg in de Polder Waard Nieuwland, ten oosten van Hippolytushoef. De Polder Waard Nieuwland is een aangedijkte polder aan de zuidzijde van Wieringen en stamt uit 1847.
Figuur 2. Huidige situatie van het erf aan de Polderweg 30.
Figuur 3. Huidige situatie van het erf aan de Oosterweg 6.
7
Bureau Aandacht Natuur
De planlocatie bestaat uit het erf aan de Polderweg 30 en de Oosterweg 6. Beide erven grenzen aan elkaar, waarbij het zuidelijk gelegen erf aan de Polderweg 30 bestaat uit een woonboerderij met een kapschuur. Aan de noordzijde van het erf aan de Polderweg 30 bevindt zich een paardenweide, rijbak en tredmolen. Rondom het erf zijn restanten van windsingels aanwezig. De Oosterweg 6 betreft een boomrijk erf met een woning en een voormalige kippenschuur welke is aangepast tot een (tijdelijke) paardenstal en berging. Achter de stal bevindt zich een kleine paardenbak en een klein grasveld omzoomd door coniferen. De voor(oost)zijde van het erf is deels voorzien van een beton- en een half-verharding. Rond de kippenstal en aan de voor(oost)zijde van het erf is een dicht struweel aanwezig.
Figuur 4. Inrichtingsschets met betrekking tot de erven aan de Polderweg 30 en de Oosterweg 6.
Het planvoornemen bestaat uit een herinrichting van beide erven voor de realisatie van een stoeterij op de locatie. Voor de stoeterij zal achterop het erf aan de Polderweg 30 (aan de westzijde) een rijhal worden gebouwd. Hiervoor dient de aanwezige kapschuur te worden verwijderd. Aan de oostzijde van het erf komen de paddocks voor de stalling van de paarden. Tussen de rijhal en de paddocks zal het terrein worden verhard ten behoeve van transportbewegingen en parkeergelegenheid. Verder worden op het terrein aan de Polderweg 30 een longeercirkel, stapmolen en een mestopslag gerealiseerd. Voor de beoogde inrichting zal tevens de agrarische bebouwing (voormalige kippenschuur) aan de Oosterweg 6 verwijderd. De woonboerderij en woning op beide erven blijven gehandhaafd binnen de plannen. Verder voorziet het plan in een landschappelijke inrichting en zullen de erven van elkaar worden gescheiden door meer openheid in de vorm van een paardenweide op de plaats
8
Bureau Aandacht Natuur
van de kippenstal. Rond het erf aan de Polderweg 30 zal de bestaande (restanten van) de windsingel worden versterkt door extra aanplant van bomen en struiken. Ook aan de noordzijde van het erf aan de Oosterweg 6 zal de windsingel worden behouden en waar nodig versterkt met extra aanplant. 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen De planlocatie is niet gelegen in een Natura 2000 gebied of aangewezen als (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een natuurverbinding. De projectlocatie is daarentegen wel gelegen in het Bijzonder Provinciaal Landschap Wieringen, zie figuur 3. Voor de ruimtelijke inpassing en toetsing van de plannen aan de beschreven kernkwaliteiten in het Bijzonder Provinciaal Landschap Wieringen, wordt verwezen naar de quickscan flora & fauna (Bureau Aandacht Natuur, 19 april 2024). De planlocatie ligt verder op een afstand van circa 1,75 kilometer tot de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden De Waddenzee en het IJsselmeer. Het plangebied bestaat uit twee erven in een vrij intensieve landbouwpolder (akkerbouw) en bevat geen elementen die de specifieke waarden van Natura 2000 gebieden versterken en hebben dan ook geen functie voor in de Natura 2000 gebied aangewezen habitatsoorten, habitattypen of vogelrichtlijnsoorten.
Figuur 5. Ligging van de projectlocatie (rood kader) in het Bijzonder Provinciaal Landschap Wieringen (donker groen) en ten opzichte van de Natura 2000 gebieden de Waddenzee en het IJsselmeer.
9
Bureau Aandacht Natuur
2.3 Methode De beoogde herinrichting van Polderweg 30 tot Stoeterij is gelegen op 1,75 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000 gebied de Waddenzee. Ten behoeve van de bouw- en gebruiksfase is een stikstofberekening gemaakt. Al jaren is er in Natura 2000gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden) door bijvoorbeeld mest van landbouwbedrijven en uitstoot door industrie en auto's. Dit is schadelijk voor de natuurgebieden. Per Natura 2000 gebied is in beheerplannen aangegeven welke habitattypen gevoelig zijn voor (overmatige) stikstofdepositie en welke afspraken hierover zijn vastgelegd. Alleen als de hoeveelheid laag genoeg is (onder de gestelde drempelwaarde van 0,00 mol N per hectare per jaar), zijn nieuwe activiteiten met een stikstofuitstoot zonder vergunning mogelijk.
Om te beoordelen of het planvoornemen effecten heeft op de stikstofdepositie, en daarmee op Natura 2000 gebieden, zijn de beoogde plannen beoordeeld en doorgerekend middels het rekeninstrument Aerius. Aerius berekent hoeveel ruimte er is voor nieuwe (economische) ontwikkelingen, in dit geval de realisatie van een stoeterij aan de Polderweg 30 te Hippolytushoef.
10
Bureau Aandacht Natuur
3. Beoordeling stikstofdepositie In de huidige situatie hebben beide erven uitsluitend een woonbestemming en worden er hobbymatig 5 paarden gehouden. Met de realisatie van een stoeterij zal de bestemming aan de Polderweg 30 worden gewijzigd naar agrarisch met wonen. Voor de realisatie van een stoeterij zullen een rijhal met stallen en paddocks worden gerealiseerd. Ten behoeve van het planvoornemen zijn twee stikstofberekeningen gemaakt, één voor de realisatiefase en één voor de gebruiksfase. Aangezien Aerius rekent met een uitstoot per jaar, is uitgegaan van de bouwfase in 2024 en de gebruiksfase vanaf 2025. Hierbij is tevens de referentie situatie met vijf hobbypaarden meegenomen in de berekening. 3.1 Referentiefase Op de historische kaart (BAG Viewer) is te zien dat de woning aan de Oosterweg 6 in 1975 gebouwd, zie figuur 6. Voor de bebouwing op het perceel Polderweg 30 geldt dat de huidige bebouwing al sinds 1941 aanwezig is, zie figuur 7. In het bestemmingsplan “Buitengebied Wieringen 2002” zijn deze percelen met de bijbehorende bebouwing als woonerf bestemd. Beide woningen met bijgebouwen waren reeds in gebruikt voor de aanwijzing van de Waddenzee als vogelrichtlijngebied in 1991 (Ministerie van LNV, 8 nov. 1991) en als Natura 2000 gebied in februari 2009 (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, oktober 2015).
Figuur 6. Kadastrale gegevens Oosterweg 6 (bagviewer.kadaster.nl)
Beide woningen op de percelen Polderweg 30 en Oosterweg 6 worden momenteel gasgestookt. De woning op het perceel Oosterweg 6 gebruikt propaangas, 2100 liter. Het aardgasequivalent van een 1 liter propaangas is 0,73 m³ aardgas. Dit betekent een gebruik van 1533 m³ aardgas op jaarbasis. Voor de grote boerderij op Polderweg 30 is het gasverbruik circa 6.500 m³ per jaar.
11
Bureau Aandacht Natuur
Figuur 7. Kadastrale gegevens Polderweg 30 (bagviewer.kadaster.nl)
Een stookinstallatie veroorzaakt enige mate van stikstofuitstoot (NOx). Op basis van het Activiteitenbesluit geldt dat rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 Megawatt of meer aan de emissiegrenswaarde van 70mg/Nm³ moet voldoen. Op basis van deze gestelde eis wordt ervan uitgegaan dat de emissie per kubieke meter aardgas dus maximaal deze grenswaarde betreft. In dit geval heeft de stookinstallatie een vermogen kleiner dan 1 Megawatt (0,6 Megawatt), maar in artikel 3.10b van het Activiteitenbesluit staat aangegeven dat een kleinere installatie, aardgas gestookt, ook aan de emissiegrenswaarden van 70mg/Nm³ moet voldoen: Aardgas, 1 m³, gebruikt op basis van de samenstelling 8,43 Nm³ lucht (stoichiometrisch). Dit geeft een stoichiometrisch rookgasvolume van 7,7 Nm³ (droog). Bij een zuurstofovermaat van 3% wordt dit getal gecorrigeerd met 21/ (21-3) = 1,16667. De concentratie NOx bedraagt 70 mg/Nm³. Met bovenstaande gegevens kan de jaaremissie van NOx van de ketel worden berekend. Het gasverbruik (in m³) x 7,7x1,16667 x 70/1.000.000 = emissie NOx kg/ per jaar. Een gasverbruik van 8.033 m³ per jaar leidt tot een stikstofemissie van 7,2 kg/jaar. Aantal aanwezige paarden In de huidige situatie worden hobbymatig 5 paarden op het perceel gehouden. Dit betreft paarden ouder dan 3 jaar en deze hebben een emissiefactor van 5 kg/dier/jaar.
Dit betreft een stikstofemissie van 25 kg/jaar. Emissiefactor landbouwgrond Voor de ontwikkeling van de stoeterij is een agrarisch perceel van 1,58 ha aangekocht en in gebruik genomen als grasland voor het houden van de paarden. Van oudsher werd dit agrarische perceel gebruikt voor akkerbouw. Bij het bemesten van landbouwgronden wordt de mest in de bodem gebracht. Bij akkerbouwgrond gebeurt dit met een bouwlandinjecteur. Een gedeelte van de mest vervlucht (ammoniak) en deponeert in de vorm van stikstof op omliggende gebieden. Door de ontwikkeling van een stoeterij verdwijnt de akkerbouw, 12
Bureau Aandacht Natuur
waardoor er niet meer bemest wordt, er geen vervluchting meer plaatsvindt en er dus sprake is van een afname van de stikstofdepositie. Het agrarische perceel wordt in gebruik genomen ten behoeve van de stoeterij. Er kan dan ook met deze gronden gesaldeerd worden. • Bij het bemesten van akkerbouwgrond met een bouwlandinjecteur wordt uitgegaan van een gemiddeld vervluchtingspercentage van 2% (uitgaande van “Emissies naar lucht uit de landbouw 1990-2018, Van Bruggen et al., 2020) • Voor de akkerbouwgrond wordt uitgegaan van het bemesten met dierlijke mest tot een maximum van 160 kg NH₃/ha/jaar voor mais en voor aardappelen (consumptieaardappelen overig) 225 kgNH3/ha/jaar. Gemiddeld betreft dit een bemesting van 192,5 kg NH3/ha/jaar. • Niet alle in de mest aanwezige stikstof zal emitteren naar de lucht. Dit is afhankelijk van de totale hoeveelheid ammoniakale stikstof (TAN) in de mest. Voor de hoeveelheid stikstof die hiertoe potentieel aanwezig is in de mest, is vooralsnog uitgegaan van het TAN gehalte (% totaal ammoniakaal N van totale hoeveelheid N in de mest) zoals ook wordt geadviseerd bij salderen ten behoeve van vergunningverlening. Voor de stikstofdepositie-berekening wordt een waarde van 48% aangehouden.
• Gezien de verhouding tussen de massa’s van 1 mol N en 1 mol NH₃ (14.0067/17.031 = 1,216), moet de hoeveelheid geëmitteerde N uit mest nog worden vermenigvuldigd met 1,216 om tot de emissie van NH₃ te komen. • Rekening houdend met een excretie van 48% en een vervluchtingspercentage van 2% komt er 0,48 * 0,02 * 192,5 * 1,216 = 2,247 kg NH₃/ha/jaar minder vrij als akkerbouwgronden (mais en aardappelen) worden omgezet naar kruidenrijk grasland. De oppervlakte van het agrarische perceel dat wordt omgezet naar kruidenrijk grasland bedraagt 1,58 ha. Dit komt neer op een reductie van 1,58 * 2,247 = 3,55 kg NH₃ per jaar. Deze gegevens zijn in het model ingevoerd. Verkeersbewegingen Voor beide vrijstaande woningen in het buitengebied geldt een verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen per woning. Het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie is totaal 17,2 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betreft 6.278 verkeersbewegingen per jaar (365 x 17,2). 3.2 Realisatiefase Voor de realisatie van de stoeterij worden de bestaande, voormalige agrarische opstallen gesloopt. Voor de sloopwerkzaamheden wordt een mobiele kraan ingezet (32 uur) en een hoogwerker (32 uur). De verwachting is dat er 15 vrachtwagens (30 verkeersbewegingen) nodig zijn voor de aan- en afvoer van machines en sloopmateriaal. Gedurende 5 dagen rijden er twee bestelbusjes van en naar de planlocatie.
Voor de realisatie van de stoeterij vinden er bouwwerkzaamheden plaats. Voor het heien van de fundering wordt een heistelling ingezet (16 uur) en voor het koppen snellen een mobiele kraan (4 uur). Voor het maken van de betonfundering wordt een betonpomp gebruikt (6 uur). Diverse mobiele werktuigen zijn uitgevoerd met SCR-technologie, zodat AdBlue kan worden toegevoegd. AdBlue is een transparante vloeistof die onschadelijk is en eenvoudig te gebruiken. Dankzij de SCR-technologie en AdBlue zijn deze mobiele werktuigen schoner, omdat de stikstofemissies aanzienlijk lager zijn. Voor Stage IV
13
Bureau Aandacht Natuur
werktuigen bedraagt de hoeveelheid Ad Blue 6% van het dieselverbruik. De mobiele kraan en bouwkraan zijn uitgerust met SCR-technologie. De opbouw van de constructie, het aanbrengen van de dak- gevelbeplating en afrondende werkzaamheden wordt een bouwkraan (40 uur) en 2 hoogwerkers ingezet (160 uur). Alle overige werkzaamheden worden uitgevoerd met elektrisch materieel. Voor het leveren van beton en bouwmateriaal is de verwachting dat er 22 vrachtwagens nodig zijn (44 verkeersbewegingen). Gedurende 60 dagen rijden er twee bestelbusjes van en naar de planlocatie (240 verkeersbewegingen). Tabel 1. Overzicht van de extra verkeersbewegingen en de inzet van zwaar materieel in de bouwfase.
Bewegingen 3 maanden Vrachtwagen
74
Bestelbus Mobiele kraan Heistelling Betonpomp Bouwkraan Hoogwerkers
280
Uren
Klasse
36 16 6 40 192
75 – 560 kW 75 – 560 kW 75 – 560 kW 75 – 560 kW < 56 kW
Brandstof (l/j)
AdBlue (l/j)
432 256 90 560 1536
25
33
3.3 Gebruiksfase De nieuwe rijhal met stallen wordt niet verwarmd, waardoor er geen stikstofemissie optreedt als gevolg van het gebruik van aardgas. Voor de woning aan de Oosterweg 6 geldt dat het gebruik van het propaangas gelijk blijft. Een gasverbruik van 1.533 m³ per jaar leidt tot een stikstofemissie van 0,96 kg/jaar. De woning op het perceel Polderweg 30 wordt binnenkort intern verbouwd en zal geen gebruik meer maken van aardgas, maar worden voorzien van een warmtepomp. Hierdoor zal de stikstofemissie als gevolg van het verwarmen van de woning komen te vervallen. Aantal aanwezige paarden Het aantal paarden op het perceel zal toenemen, maar dit gebeurt gefaseerd over een aantal jaar: In het eerste jaar zijn er 6 fokmerries en 2 handelspaarden op het perceel aanwezig. Tijdens het tweede en derde jaar krijgen de fokmerries veulens, maar er is telkens één fokmerrie die geen veulen krijgt in verband met het dierenwelzijn. De merries krijgen roulerend een jaar rust en worden niet drachtig. Dit betekent een aantal van maximaal 5 veulens per jaar. Samen met de fokmerries zijn er dan 11 paarden op de planlocatie aanwezig. De veulens blijven echter maar gedurende een half jaar op de planlocatie en worden dan naar Friesland gebracht om daar op te groeien tot een leeftijd van 3 jaar.
De beste 3 driejarigen worden teruggehaald naar het bedrijf en deze paarden worden vervolgens beleerd en als handelspaard verkocht. Paarden ouder dan 3 jaar hebben een emissiefactor van 5,0 kg per dier per jaar, terwijl paarden jonger dan 3 jaar een emissiefactor hebben van 2,1 kg/dier/jaar. Voor de veulens wordt de emissiefactor gehalveerd naar 1,05 kg/dier/jaar, omdat de veulens slechts gedurende een half jaar op het perceel aanwezig zijn en als driejarig paard pas weer terugkomen naar het bedrijf.
14
Bureau Aandacht Natuur
Tabel 2. Toekomstige bezetting en stikstofemissie per jaar van het aantal paarden in de stoeterij gedurende de periode 2025-2028.
2025
2026
2027
2028
Fokmerries (5 kg/dier/jaar) Handelspaarden (5 kg/dier/jaar) Veulens (2,1 kg/dier/jaar) Driejarigen (5 kg/dier/jaar) Totaal aantal dieren (per jaar)
6 2
6 2 5
6 2 5
8
11
11
6 2 5 3 14
Totale kg stikstofemissie per jaar
40
45,25
45,25
60,25
Verkeersbewegingen Voor beide vrijstaande woningen in het buitengebied geldt een verkeersgeneratie van in totaal 6.278 verkeersbewegingen per jaar (gelijk aan referentiesituatie). Het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie zal in verband met de ontwikkeling van de stoeterij toenemen. Voor de stoeterij geldt dat er gemiddeld 1 bezoeker per dag het bedrijf bezoekt gedurende de werkweek. Dit betreft 10 verkeersbewegingen per week en 520 verkeersbewegingen per jaar (52 x 10). Gemiddeld komt er 1 vrachtwagen per week om stro, voer of andere benodigdheden voor de stoeterij te brengen of mest af te voeren. Het transport van de veulens richting de opfoklocatie in Friesland is hierbij inbegrepen. Dit betreft 2 verkeersbewegingen per week en 104 verkeersbewegingen per jaar. Tabel 3. Overzicht van de extra verkeersbewegingen in de gebruiksfase.
Vrachtwagen
Extra bewegingen per jaar 104
Personenauto
520
Veranderingen in stikstofbalans Binnen dit planvoornemen zijn ook de bouwwerkzaamheden en bijbehorende verkeersbewegingen van het plan aan te merken als tijdelijke (minder dan een half jaar) stikstofbronnen voor de omgeving en de omliggende Natura 2000-gebieden. De uitstoot van extra stikstof door de verkeersaantrekkende werking en het (tijdelijke) brandstofverbruik van de zware machines zoals een heistelling, hoogwerker, graafmachine, bouwkraan en betonpomp zijn de belangrijkste bronnen van stikstofemissie. In tabel 4 is de totale emissie per onderdeel van de bouwfase weergegeven. Ten aanzien van de gebruiksfase is gerekend met (de toename van) het aantal verkeersbewegingen en het aantal dieren in de (aanloop)periode 2025-2028. In 2028 is de eindsituatie van het aantal dieren op de stoeterij bereikt en is de stikstofemissie het grootst, zie tabel 2. In tabel 5 is de emissie van de aantallen paarden per jaar in de stoeterij gedurende de periode van 2025 tot en met 2028 weergegeven. In tabel 6 is de emissie van de verkeersbewegingen en beoogd energieverbruik op de projectlocatie in 2028 weergegeven. Ten behoeven van de stikstofberekeningen is het huidige gebruik op de projectlocatie als referentiesituatie ingevoerd, waarbij de reeds aanwezige hobbypaarden (5 dieren ouder dan 3 jaar) zijn opgenomen.
Het gebruik en de verkeersbewegingen ten aanzien van de woningen aan de Polderweg 30 als de Oosterweg 6 blijven zowel tijdens de bouw- als gebruiksfase gelijk ten opzichte van de referentiesituatie.
15
Bureau Aandacht Natuur
Tabel 4. Overzicht van de stikstof-emissie in kg/j, per onderdeel van de realisatiefase.
16
Bureau Aandacht Natuur
Tabel 5. Stikstofemissie (kg/jr) in de gebruiksfase van 2025 t/m 2028 door toedoen van het aantal paarden op de beoogde stoeterij aan de Polderweg 30.
17
Bureau Aandacht Natuur
Tabel 6. Stikstofemissie (kg/jr) van het verkeer en gasverbruik in de gebruiksfase (vanaf 2025) van de stoeterij aan de Polderweg 30.
De stikstofemissie door het planvoornemen in de bouwfase kent een tijdelijke toename van 50,3 kg NOx per jaar en 0,4 kg NH3 per jaar. Voor de gebruiksfase betreft het een structurele toename van: • 11,5 kg NH3 in 2025, • 16,8 kg NH3 in 2026, • 16,8 kg NH3 in 2027 en • 31,8 kg NH3 vanaf 2028 In verband met het verminderd gasverbruik door aanpassing van de hoofdwoning vanaf 2025, zal de emissie NOx op de locatie worden verminderd met ca. 6,0 kg per jaar. Middels het programma Aerius zijn de beoogde situaties ingevoerd en doorgerekend. Hieruit blijkt dat het nabij gelegen Natura 2000 gebieden tijdens de bouwfase geen overschrijding verkrijgen door de (extra) stikstofdepositie van de beoogde werkzaamheden (uitvoeringsfase), zie bijlage 2. Met het doorrekenen van de gebruiksfase blijkt echter dat het nabijgelegen Natura 2000 gebied de Waddenzee een overschrijding verkrijgt door (extra) stikstofdepositie, zie de Aeriusberekeningen van de gebruiksfase in bijlage 3 t/m 6.
18
Bureau Aandacht Natuur
4. Passende Beoordeling stikstofdepositie Middels het programma Aerius is de nieuwe situatie ingevoerd en doorgerekend. Hieruit blijkt dat er in het naastgelegen Natura 2000 gebied de Waddenzee een toename wordt verkregen van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen in de gebruiksfase door toedoen van het projectvoorstel. De toename van de stikstofdepositie in het natura 2000 gebied de Waddenzee is gedurende de doorgerekende jaren (2025 t/m 2028) beperkt tot 2 hexagonen. Deze bevinden ten noorden van Den Oever. 4.1 Uitwerking per hexagoon De twee hexagonen waar een verhoging van stikstofdepositie is berekend, bevinden zich aan de Waddenzeedijk van Den Oever, aan de rand van het Natura 2000 gebied De Waddenzee, en liggen in het buitendijks gelegen schor van Den Oever, zie figuur 8.
Figuur 8. De twee hexagonen in het Natura 2000 gebied de Waddenzee, waar een overschrijding van de stikstofdepositie wordt verkregen door het planvoornemen.
Door het planvoornemen is er in alle genoemde jaren sprake van een toename in de stikstofdepositie op 0,57 hectare met een maximum van 0,09 mol per hectare per jaar vanaf 2028. Het gaat hierbij om de volgende hectares per habitattypen:
19
Bureau Aandacht Natuur
De instandhoudingsdoelstelling van betreffende habitattypen zijn beschreven in het Natura 2000 beheerplan Waddenzee 2016-2022 (A. Nicolai, juli 2016). Het Natura 2000 beheerplan is per 12 december 2022 met instemming van de bevoegde gezagen verlengd, wat is vastgelegd in de Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden (Staatscourant 2022, 32331). Het betreffende Natura 2000 beheerplan is hiermee nog steeds leidend voor de toetsing. De instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende habitattypen zijn als volgt weergegeven (bron: www.natura2000.nl):
Voor de habitattypen H1330A, H1310A en H1320 is het instandhoudingsdoel behoud (=) van oppervlakte in het gebied. Voor “Schorren en zilte graslanden” (H1330A) wordt gestreefd naar een verbetering (>) van kwaliteit, met een kernopgave (1.16) behoud met alle successiestadia, zoet-zout overgangen, verscheidenheid in substraat en getijregime en mede als Hoogwatervluchtplaats. Voor “zilte pioniersbegroeiingen”(H1310A) en “Slijkgraslanden” (H1320) is het streven naar behoud (=) van kwaliteit. De relatieve bijdrage van deze habitattypen in de Waddenzee ten opzichte van de landelijke Staat van Instandhouding betreft >50% (A3) bij “zilte pioniersbegroeiingen” (H1310A) en “Schorren en zilte graslanden” (H1330A) en 30-50% (A2) voor “Slijkgraslanden” (H1320). De huidige trend in de Waddenzee van genoemde habitattypen is stabiel (A. Nicolai, juli 2016). Van bovengenoemde habitattypen is H1330A Schorren en zilte graslanden het meest gevoelig voor een toename van de stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde (KDW) van dit habitattype is 1.429,00 mol stikstof (N) per hectare per jaar. De 2 hexagonen waar een toename in de stikstofdepositie is vastgesteld door toedoen van het projectvoornemen hebben een achtergronddepositie van 1.368,35 en 1.393,82 mol N per hectare per jaar. Hieronder worden de toenames in de stikstofdepositie per hexagoon verder uitgewerkt.
Voor de uitwerking is uitgegaan van de beoogde eindsituatie. In alle doorgerekende jaren (2025 t/m 2028) is een depositiewaarde van boven de 0,00 mol/ha geconstateerd in dezelfde hexagonen en daarbinnen aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Voor de analyse van de gegevens is dan ook gebruik gemaakt van de Aerius-berekening voor de gebruiksfase van 2028. 20
Bureau Aandacht Natuur
1. Het eerste hexagonen (7200743) is gelegen aan de westzijde van de Schor van Den Oever en kent in 2028 een toename van 0,09 mol stikstof (NOx + NH3). Zoals in figuur 9 aangegeven gaat het om een toename van 0,09 mol (0,14 – 0,06) NOx + NH3 per jaar op 0,2 hectare H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks).
Figuur 9. Hexagoon 1 met toename van 0,09 mol/ha/jaar door het planvoornemen.
De achtergronddepositie in het betreffende hexagoon bedraagt 1.368,35 mol stikstof (NH3 + NOx) per hectare per jaar. De kritische depositiewaarden (KDW) van aanwezige habitattypen (zie figuur 9) zijn hierbij als volgt: H1310A zilte pioniersbegroeiingen 1.643,00 NH3 + NOx per ha/jr. H1320 Slijkgraslanden 1.643,00 NH3 + NOx per ha/jr. H1330A Schorren en zilte graslanden 1.429,00 NH3 + NOx per ha/jr. De achtergronddepositie van 1.368,35 mol stikstof (NH3 + NOx) zal door het projectvoornemen toenemen met 0,09 mol; en bedraagt dan 1.368,44 mol stikstof (NH3 + NOx) per hectare. Dit is nog ruim 60 mol stikstof onder de kritische depositiewaarden (KDW) van het betreffende habitattypen, waardoor de KDW van genoemde habitattypen in dit hexagoon niet worden overschreden door het planvoornemen. 2. Het tweede (naastgelegen) hexagoon (7205332) kent eveneens een toename van 0,09 mol stikstof (NH3 + NOx) door het projectvoornemen. Zoals in figuur 10 aangegeven gaat het om een toename van 0,09 mol op 0,3 hectare H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks). De achtergronddepositie in het betreffende hexagoon bedraagt 1.393,82 mol stikstof (NH3 + NOx) per hectare per jaar. De kritische depositiewaarden (KDW) van aanwezige habitattypen (zie figuur 10) zijn hierbij als volgt: H1330A Schorren en zilte graslanden 1.429,00 NH3 + NOx per ha/jr. 21
Bureau Aandacht Natuur
De achtergronddepositie van 1.393,82 mol stikstof (NH3 + NOx) zal door het projectvoornemen toenemen met 0,09 mol; en bedraagt dan 1.393,91 mol stikstof (NH3 + NOx) per hectare. Dit is nog ruim 35 mol stikstof onder de kritische depositiewaarden (KDW) van het betreffende habitattypen, waardoor de KDW van genoemde habitattypen in dit hexagoon niet worden overschreden door het projectvoornemen.
Figuur 10. Hexagoon 2 met toename van 0,09 mol/ha door het planvoornemen.
In figuur 11 zijn de totaal aantal hectares per habitattypen weergeven, waarop een toename van de stikstofdepositie is berekend door toedoen van het planvoornemen. Zoals hierboven per hexagoon is weergegeven, leidt geen van genoemde toenames in de stikstofdepositie tot een overschrijding van de kritische depositiewaarden van stikstofgevoelige habitattypen.
Figuur 11. Hoogste percentage aan toename van de kritische depositiewaarde per habitattype voor het planvoornemen is 0%.
22
Bureau Aandacht Natuur
4.2 Effectenbeoordeling stikstofdepositie In deze paragraaf wordt bepaald of de emissie van stikstof ten gevolge van de voorgenomen realisatie van een stoeterij aan de Polderweg 30 leidt tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura-2000 gebied de Waddenzee en daarmee de natuurlijke kenmerken worden aangetast. Daarbij wordt de effectbeoordeling beperkt tot habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn opgesteld en waarop conform de resultaten van de Aerius calculatie stikstofdepositie zal optreden. Indien een significant negatief effect op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen in een Natura 2000-gebied met zekerheid kan worden uitgesloten, dan zal de emissie ook geen effect hebben op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen van soorten waarvoor het betreffende Natura 2000 gebied is aangewezen. Het vertrekpunt voor de beoordeling is de huidige staat van habitattypen waarvoor geldt dat in veel gevallen sprake is van een stikstofdepositie die autonoom hoger ligt dan het niveau van de kritische depositiewaarde (KDW) voor de betreffende habitattypen. Zoals beschreven in voorgaande paragraaf, blijkt uit de Aerius calculatie dat het projectvoornemen een geringe extra stikstofdepositie oplevert van maximaal 0,09 mol/ha/jaar.
Deze depositie vindt slechts plaats in twee hexagonen, waarbij op geen van de aanwezige habitattypen sprake is van een overschrijding van de KDW. De toename is daarbij 0,00% van de achtergronddepositie. De gebruiksfase veroorzaakt in de eindsituatie een maximale toename van 0,09 mol N/ha/jaar binnen 0,58 hectare stikstofgevoelige habitattypen van het Natura 2000 gebied de Waddenzee. 0,09 mol N/ha/jaar komt overeenkomt met 1,26 gram stikstof per hectare per jaar en bedraagt zo’n 0,0063% van de huidige achtergronddepositie en 0,0065% van de KDW van het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden. Als laatste vindt de depositie plaats op 0,58 hectare van het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden. Verspreid over de Waddenzee heeft dit habitattype een totaaloppervlakte van (gekarteerd) 5.143,3 ha. Dit houdt in dat de oppervlakte waar een verhoging van de stikstofdepositie plaatsvindt door het planvoornemen 0,011% betreft van het totale oppervlakte van habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden in de Waddenzee. De verhoogde stikstofdepositie door het planvoornemen op de betreffende twee hexagonen binnen het Natura 2000 gebied de Waddenzee hebben dan ook geen significant effect op het voorkomende oppervlakte van het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden.
Gezien de relatief lage achtergronddepositie op een beperkt aantal hectare (0,58) in de betreffende twee hexagonen, leidt de ontstane toename van de stikstofdepositie niet tot een overschrijding van de kritische depositiewaarden (KDW), waardoor op betreffende habitattypen geen sprake is van een achteruitgang van het areaal dan wel een verslechtering van de kwaliteit.
23
Bureau Aandacht Natuur
5. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de natuurbescherming onder de Omgevingswet verder beschreven. Per onderdeel van de natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 5.1 Onderbouwing ecologische beoordeling Gezien de relatief lage achtergronddepositie in betreffende hexagonen leidt de ontstane toename van de stikstofdepositie niet tot een overschrijding van de kritische depositiewaarden (KDW), waardoor op betreffende habitattypen geen sprake is van een achteruitgang van het areaal dan wel een verslechtering van de kwaliteit. Ten behoeve van de realisatie van het beschreven planvoornemen is een stikstofdepositieanalyse uitgevoerd voor zowel de bouw- als de gebruiksfase. Aan de hand van de stikstofberekeningen in Aerius is gebleken dat er uitsluitend voor de gebruiksfase van het planvoornemen een toename is van de stikstofdepositie in het Natura 2000 gebied de Waddenzee. Voor de gebruiksfase is de grootste toename van de emissie vanuit het plangebied berekent op 31,8 kg NH3 vanaf 2028. In verband met het verminderd gasverbruik door aanpassing van de hoofdwoning vanaf 2025, zal de emissie NOx op de locatie worden verminderd met ca. 6,0 kg per jaar.
De stikstofemissie door het planvoornemen in de tijdelijke bouwfase heeft een toename van 50,3 kg NOx per jaar en 0,4 kg NH3 per jaar en leidt niet tot een toename van de stikstofdepositie in (nabijgelegen) Natura 2000 gebieden. Met het planvoornemen is voor de gebruiksfase sprake van een toename in de stikstofdepositie op 0,58 hectare met een maximum van 0,09 mol NOx + NH3 per hectare per jaar. Het gaat hierbij om de volgende hectares per habitattypen:
Van de habitattypen H1330A zilte pioniersbegroeiingen en H1320 Slijkgraslanden is het instandhoudingsdoel behoud van oppervlakte en kwaliteit (bron: Natura 2000 beheerplan Waddenzee 2016-2022, A. Nicolai, juli 2016). Voor het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) is het instandhoudingsdoel behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit. Dit betekent dat er geen sprake mag zijn van een verslechtering of achteruitgang van betreffende habitattypen in het betreffende natura 2000 gebied. Met betrekking tot genoemde habitattypen bevindt de achtergronddepositie op beide hexagonen waar een toename van de stikstofdepositie is berekend, zich onder de kritische depositiewaarde (KDW). De berekende toename in de stikstofdepositie van 0,09 mol NOx + NH3 per hectare per jaar voor de gebruiksfase zorgen in geen van de hexagonen tot een overschrijding van de kritische depositiewaarden (KDW).
24
Bureau Aandacht Natuur
De kritische depositiewaarde voor stikstof is gedefinieerd als “de grens, waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie” (Van Dobben & Van Hinsberg, 2008). De kritische depositiewaarden die in de herstelstrategieën als uitgangspunt worden genomen, zijn specifiek voor habitattypen in Nederland vastgesteld in Van Dobben et al. (2012). In dat rapport zijn verschillende kennisbronnen ten aanzien van kritische depositiewaarden met elkaar gecombineerd via een vast protocol (Van Dobben et al, 2012). De kritische depositiewaarden konden worden vastgesteld met een nauwkeurigheid van 70 mol/ha/jaar (= 1 kilogram N). Dit houdt in dat er sprake kan zijn van een nauwkeurigheidsmarge van plus of min 70 mol/ha. Bij genoemde hexagonen bevindt de achtergronddepositie van de meeste habitattypen zich ruim beneden deze nauwkeurigheidsmarge, alleen voor het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks), valt de achtergronddepositie ten opzichte van de kritische depositiewaarde (KDW) binnen deze marge. Het habitattypen is H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) is het meest gevoelig voor een toename van de stikstofdepositie en heeft een KDW van 1.429,00 mol stikstof (N) per hectare per jaar.
Het verschil tussen de KDW van H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) en de achtergronddepositie varieert tussen de 35,08 en 60,56 mol N per hectare. Rekening houdend met de marge van 70 mol N per kan er alsnog sprake kan zijn van een verslechtering of achteruitgang van het habitattype. Hoge concentraties van gasvormige stikstofverbindingen en hoge concentraties van ammonium (NH4) in de bodem, kunnen directe toxische effecten veroorzaken aan planten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet voorkomt. Een negatief effect in de vorm van directe schade is derhalve in Nederland niet aan de orde als het gaat om atmosferische depositie van stikstof. Mouissie (2019) concludeert op basis van de onzekerheden in de berekening van de KDW en experimentele studies over dosis-effect relaties dat meetbare ecologische relevante effecten ten gevolge van stikstofdepositie kunnen optreden bij een toename van meer 70 mol N/ha/jr. De toevoeging van een beperkte hoeveelheid stikstof, in het geval van het project maximaal 0,09 mol/ha/jaar is minimaal. Op zichzelf leidt de maximale depositie met zekerheid niet tot waarneembare effecten en derhalve ook niet tot directe schade aan planten.
Een depositietoename van maximaal 0,09 mol N per ha is dusdanig klein dat dit niet meetbaar is in de kwaliteit van het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks). De toename van stikstof als gevolg van depositie kan leiden tot effecten op planten als gevolg van vermesting en verzuring. Bij vermesting is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof (nitraat en ammonium), dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeelt relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snelgroeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Afname van deze soorten leidt tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, en op den duur zelfs tot areaalverlies. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een kleine depositietoename van maximaal 0,09 mol/ha is de volgende berekening illustratief. Een depositie van 0,09 mol N/ha komt overeen met 1,26 gram N per hectare. De productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp et al, 2006). Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof.
Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten (bron: Nutrinorm.nl).
25
Bureau Aandacht Natuur
Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 - 90 kg N/ha/jaar nodig (1,5% van 2.000 tot 6.000 kg). Dit komt overeen met circa 2.150 - 6.400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren). Een depositie van maximaal 0,09 mol N/ha/jaar komt overeen met 0,0014 0,0042% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats, uitgaande van 1,5% stikstof in het drooggewicht van planten. Het effect van de verhoogde stikstofdepositie van 0,09 mol of 1,26 gram N/ha/jaar op het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden bedraagt 0,0065% van de KDW van dit habitattype. Een toename van 0,0065% stikstof op 0,011% van het oppervlakte zal geen meetbaar en significant negatief effect hebben op het aanwezige areaal of de kwaliteit van het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden binnen de Waddenzee. Daarbij is de toekomstverwachting voor de stikstofdepositie in de Waddenzee en ook voor de Schor bij Den Oever gunstig, zie tabel 7 en figuur 12.
Uit AERIUS Monitor 16L blijkt dat aan het eind van het eerste tijdvak (2015-2021), ten opzichte van 2014, sprake is van een afname van de stikstofdepositie in het gehele gebied met gemiddeld 63 mol/ha/jaar (bron: 001 Waddenzee PAS-gebiedsanalyse, december 2017).
Figuur 12: Ontwikkeling stikstofdepositiewaarden bij Den Oever in het Natura 2000 gebied De Waddenzee in 2014, 2020 en 2030 op basis van uitkomsten Aerius Monitor 16L (001 Waddenzee PASgebiedsanalyse, december 2017)
Gezien de positieve ontwikkeling en te verwachten trend (tot 2030) met betrekking tot de stikstofdepositie in de Waddenzee en het betreffende gebied waar een toename van de stikstofdepositie door het planvoornemen is geconstateerd, kan een (significant) negatief effect op het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) worden uitgesloten in zowel de aanloopfase (2025 t/m 2027) als de eindfase in 2028. De lichte
26
Bureau Aandacht Natuur
toename van 0,09 mol per hectare per jaar in de eindfase (2028) is 0,14% van de jaarlijks geconstateerd afname aan stikstofdepositie in de Waddenzee. Het effect van de toename in stikstofdepositie is dan ook nihil in vergelijking met de afname. Tabel 7. Oppervlakte met overschrijding van de KDW in 2014, 2020, en 2030 en het percentage van de oppervlakte van voorkomende habitattypen in het Natura 2000 gebied Waddenzee (001 Waddenzee PAS-gebiedsanalyse, december 2017).
5.2 Conclusie en advies stikstofdepositie Een kleine toename van de depositie van maximaal 0,09 mol N/hectare/jaar leidt niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten, daar is de hoeveelheid beschikbare stikstof te klein voor. Tevens vindt de depositie plaats op 0.011% (0,58 ha) van het totale oppervlakte van het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden in de Waddenzee. Er ontstaan geen meetbare verschuivingen in de concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Daarbij is de ontwikkeling en trend ten aanzien van de stikstofdepositie in de Waddenzee positief, waardoor de berekende toename van maximaal 0,09 mol stikstof per hectare per jaar niet zal leiden tot een negatief effect. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de kleine depositietoename van maximaal 0,09 mol N/ha/jaar de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. Hiermee is er geen sprake is van een (significant) negatief effect door verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht op de betreffende habitattypen H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks), H1330A zilte pioniersbegroeiingen en H1320 Slijkgraslanden. •
Van een verslechtering van de kwaliteit of aantasting van de oppervlakten van genoemde habitattypen is dan ook geen sprake en hebben de werkzaamheden geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten.
•
Aangezien er met de berekening een structurele overschrijding van de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jr in de gebruiksfase is geconstateerd, is er voor de beschreven activiteit een vergunning op grond van de Natura 2000 activiteit in het kader van Omgevingswet noodzakelijk. Hiervoor dienen de berekeningen en deze Passende Beoordeling te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (Provincie Noord-Holland / Omgevingsdienst Noord-Holland Noord).
27
Bureau Aandacht Natuur
Literatuurlijst • •
• •
• • • • • • • • • •
Nicolai A., Juli 2016, Natura 2000 beheerplan Waddenzee 2016-2022, Ministerie van Infrastructuur en Milieu / Rijkswaterstaat Noord-Nederland Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden, 30-11-2022, Verlengingsbesluit Natura 2000-Beheerplannen Waddenzee en Noordzeekustzone, Rijkwaterstaat, Staatscourant 2022, 32331 Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, 001 Waddenzee PAS-gebiedsanalyse, december 2017 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr. WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen.
www.aerius.nl www.natura2000.nl www.bagviewer.kadaster.nl www.noord-holland.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/
28
Bureau Aandacht Natuur
Bijlage 1. Natuurbescherming onder de Omgevingswet
Bureau Aandacht Natuur
Inleiding Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en omvat alle regels met betrekking tot alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De (voormalige) Wet Natuurbescherming (2017- 2024) is hierbij een onderdeel geworden van de Omgevingswet. De Omgevingswet is opgezet om alle regels voor de fysieke leefomgeving te bundelen en op een gestructureerde manier te regelen. De wet bundelt 26 wetten die gaan over regels met betrekking tot onder andere bouwwerken, infrastructuur, water(systemen), bodem, lucht, cultureel erfgoed, werelderfgoed, landschap en natuur. Het doel van de wet is een vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling, met bescherming en verbetering van het leefmilieu. In de Omgevingswet staan de basisregels, waaronder doelen van de wet, een algemene zorgplicht, een algemene bevoegdheidsverdeling, een algemene vergunningsplicht voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, instructieregels, taken en verantwoordelijkheden van bevoegde gezagen en regels van zogeheten kerninstrumenten. De Omgevingswet (23 maart 2016) is gepubliceerd op 26 april 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr. 156, jaargang 2016 en voor het “aanvullingsspoor natuur” aangevuld op 8 juli 2020 (Aanvullingswet natuur Omgevingswet, publicatie 4 september 2020, Staatsblad 2020 / Nr.