bijlage 5 belangrijkste wijzingen verordening jeugdhulp
Tekst van het document
Overzicht van de belangrijkste wijzigingen van de Verordening Jeugdhulp
1.
Het aantal definities in artikel 1 hebben we teruggebracht aangezien de wet al een flink
aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Wel hebben we een aantal begrippen in dit artikel opgenomen die niet in de Jeugdwet voorkomen, zoals beschikkingswijzer.nl, BIG-register, eigen kracht en huiselijke kring. 2.
In de modelverordening van de VNG stond aangegeven dat je het proces analoog aan de
Wmo kan laten starten met een melding. Stimulansz heeft echter aangegeven dat je in de Jeugdwet het aanvraagproces niet op dezelfde manier mag inrichten als in de Wmo. Het proces begint dus met een aanvraag en het college dient binnen 8 weken een besluit te nemen. 3.
De CRvB heeft geoordeeld dat in onze verordeningen de begrippen van artikel 2.3 van de
Jeugdwet onvoldoende zijn uitgewerkt en dat er geen sluitend beoordelingskader is neergelegd. Het ging met name om de begrippen ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ (eigen kracht). Aan de jeugdige en de ouders wordt daarmee onvoldoende rechtszekerheid geboden ten aanzien van de vraag waarop iemand recht heeft en wat de afwegingsfactoren zijn. We hebben hiertoe in afstemming met Stimulansz in de nieuwe verordening de volgende bepaling opgenomen: “Artikel 7. Afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1. Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. 2. Bij het beoordelen van de eigen kracht heeft het college als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Zij doen alles wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. 3. Om te bepalen wat de jeugdige en de ouders op eigen kracht kunnen oplossen, beoordeelt het college in ieder geval: a.
de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige;
b.
de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;
c.
de mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders;
d.
de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;
e.
het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële
draagkrachtmeting wordt gedaan; f.
de mogelijkheden van het sociale netwerk om de jeugdige en de ouders te ondersteunen;
g.
de mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen;
h.
overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders die redelijkerwijs van
invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden.” 1
4.
De CRvB heeft in genoemde uitspraak ook een oordeel gegeven over de eisen die aan een
onderzoek naar aanleiding van een aanvraag om jeugdhulp moeten worden gesteld. Wij leiden hieruit af dat de hoogste bestuursrechter van oordeel is dat in een verordening ook moet zijn opgenomen hoe de gemeenteraad invulling geeft aan de eis uit de Jeugdwet dat de toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening deskundig moet zijn. We hebben hiertoe de volgende bepaling opgenomen: “Artikel 8. Deskundig onderzoek, deskundige toeleiding en beoordeling 1. Het college zet voor het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid in en zorgt ervoor dat de deskundigheid bekend is bij de aanvrager. 2. Het onderzoek vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van SKJ- of BIG-geregistreerde professionals. Om tot een zorgvuldig besluit te komen wordt - indien nodig- specifieke deskundigheid ingezet voor het onderzoek. 3. De uitvoeringstaken in het kader van de Jeugdwet kunnen extern zijn belegd of de besluitvorming op aanvragen voor jeugdhulp kan zijn gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders. In die gevallen draagt het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van individuele voorzieningen door deze partijen.” Het derde lid is ingegeven door voornoemde uitspraak van de CRvB.
De gemeente Hollands Kroon heeft haar bevoegdheden op het gebied van jeugdhulp uitbesteed aan een externe organisatie. Dat is op zichzelf geen bezwaar, want die mogelijkheid wordt in artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet expliciet geboden. Het punt was echter dat die organisatie niet alleen belast was met de uitvoering van jeugdhulp, maar ook met de advisering over de besluitvorming én met de besluitvorming zelf. De CRvB acht bij een dergelijke vermenging van bevoegdheden onvoldoende waarborgen aanwezig dat sprake is van een zorgvuldige voorbereiding van een besluit. Advisering over besluitvorming, besluitvorming en uitvoering van de besluitvorming dienen niet in één hand te liggen. 5.
Op grond van artikel 2.9, onder c, van de wet moeten gemeenten regelen op welke wijze de
hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld. Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de jeugdige of zijn ouders in staat stellen de jeugdhulp die tot de benodigde individuele voorziening behoort van derden te betrekken (artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet). Er is bewust gekozen om in de nieuwe verordening geen ‘harde’ vaststaande tarieven op te nemen. Het hanteren hiervan zou er immers toe kunnen leiden dat weliswaar gehandeld wordt overeenkomstig de berekeningswijze en tarieven van de verordening, maar dat de uitkomst een pgb-hoogte is waarmee de jeugdige of zijn ouders niet in staat zijn de benodigde jeugdhulp van derden te betrekken. Om ‘schijnzekerheid’ te voorkomen kiest de gemeente er in plaats daarvan voor om de raad hier de essentialia vast te laten leggen en zo de pgb-verstrekkingsbevoegdheid van het college nader vorm te geven. 2
6.
In december 2015 is de Regeling Jeugdwet gewijzigd. Aan artikel 8b, vierde lid, is toen onder
andere toegevoegd: De Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) kan een betaling uit het pgb geheel of gedeeltelijk beëindigen, weigeren of opschorten: indien het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, bedoeld in artikel 2.9, onderdeel d, van de wet, de SVB daarom verzoekt. Met opname van dit facultatieve artikel in de nieuwe verordening wordt deze mogelijkheid verwezenlijkt. 7.
In de nieuwe verordening is een bepaling opgenomen die regelt dat het college personen
aanwijst die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en deze verordening. Gezien het feit dat de verantwoordelijkheid voor het toezien op rechtmatigheid bij de uitvoering van de Jeugdwet op de gemeente rust, ligt het voor de hand om ook een toezichthouder Jeugdwet aan te stellen. Terwijl in de Wmo 2015 het aanwijzen van een of meer toezichthouders door het college een wettelijke verplichting is, kent de Jeugdwet een dergelijke verplichting niet. Het aanwijzen van een toezichthouder is desondanks wel mogelijk, als daarvoor een wettelijke grondslag is (artikel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht). Daarom is in deze verordening geregeld dat het college verplicht is een toezichthouder aan te wijzen. 8.
In de verordening is expliciet opgenomen dat het college een actief fraudepreventiebeleid
voert. Onderdeel van dit beleid is dat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 9.
In de nieuwe verordening is een bepaling opgenomen waarin is bepaald dat het college
periodiek onderzoek doet naar het gebruik van individuele voorzieningen en pgb's met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 10.
In de nieuwe verordening is een bepaling is opgenomen waarin is geregeld dat het door het
gemeentebestuur gevoerde beleid inzake de uitvoering van de Jeugdwet narratief wordt geëvalueerd. Dit betekent dat naast 'koude' kwantitatieve data over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening ook de 'warme' kwalitatieve data uit de praktijk worden meegenomen. Bij dit laatste gaat het om ervaringen van zowel cliënten als professionals 11.
Ten slotte is een bepaling opgenomen waarin het college verplicht wordt ten behoeve van
het kwantitatieve deel van de evaluatie systematisch informatie te verzamelen over: o
het aantal jeugdigen met jeugdhulp (totaal en per type jeugdhulp);
o
de kosten van jeugdhulp (totaal, gemiddeld per cliënt, gemiddeld per type jeugdhulp);
o
het aantal verwijzingen (per type verwijzer);
o
de verhouding tussen Zorg in natura en pgb.
3