CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Concept beleidskader kleine windturbines uitbreiding stedelijke functies

Raad 19 december 2024, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Concept beleidskader kleine windturbines6.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beleidskader kleine windturbines Op agrarisch of bouwvlak voor een stedelijke functie in het buitengebied

Datum: 22-10-2024 Status: Concept

Beleidskader kleine windturbines

1

Inhoudsopgave 1 Inleiding .......................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding ......................................................................................................................................................3 1.2 Strategie duurzaamheid Hollands Kroon .......................................................................................................3 1.3 Doel van het beleidskader..............................................................................................................................4 1.4 Leeswijzer ......................................................................................................................................................4 2 Afbakening ...................................................................................................................................................5 2.1 Categorieën windturbines..............................................................................................................................5 2.2 Impact van het beleidskader ..........................................................................................................................7 3

Begrippen.....................................................................................................................................................9 3.1 Begrippen en wijze van meten .......................................................................................................................9 3.2 Uitgesloten gebieden ...................................................................................................................................12 4 Beleidskader voor kleine windturbines .......................................................................................................14 4.1 Rijksbeleid ....................................................................................................................................................14 4.2 Provinciaal beleid .........................................................................................................................................14 4.3 Gemeentelijk beleid .....................................................................................................................................15 5 Toetsingskader ...........................................................................................................................................16 5.1 Ruimtelijke plaatsingscriteria

......................................................................................................................16 5.2 Opbouw van een bouwvlak en erfensemble ................................................................................................17 ...........................................................................................................................................................................18 ...........................................................................................................................................................................19 5.3 Criteria ten aanzien van de kleine windturbine ...........................................................................................21 5.4 Technische plaatsingscriteria.......................................................................................................................21 5.5 Overige wet- en regelgeving ........................................................................................................................21 6 In te dienen documenten ...........................................................................................................................23 6.1 In te dienen documenten omgevingsvergunning .........................................................................................23 6.2 Participatieplan en -verslag

.........................................................................................................................23

2

Beleidskader kleine windturbines

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Sinds eind 2020 zijn door de provincie Noord-Holland kleine windturbines met een maximale ashoogte van 15 meter toegestaan in het landelijk gebied in de provincie Noord-Holland. Op verzoek van de raad willen we op deze mogelijkheid inspelen met dit beleidskader. Dat doen we door agrarische bedrijven en stedelijke functies, met een bouwperceel van minimaal 1 hectare, in het buitengebied de mogelijkheid te bieden om in de toekomst een kleine windturbine te kunnen plaatsen. Tegelijkertijd waarborgen we ook dat kleine windturbines andere belangrijke doelen niet in de weg zitten. In het bijzonder willen we de aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen door een eenduidige inpassing van kleine windturbines in het landschap. Door ruimte te bieden voor het plaatsen van kleine windturbines, krijgen agrarische bedrijven en stedelijke functies de kans om beter in hun eigen energiebehoefte te voorzien. Dit beleidskader wordt 5 jaar na inwerkingtreden van dit beleid, omdat dn de effecten in het landschap zichtbaar zijn en een goede evaluatie plaats kan vinden. De gemeenteraad van Hollands Kroon ziet hierin ook kansen en wil dan ook het plaatsen van kleine windturbines op agrarische bouwvlakken en bouwvlakken van minimaal 1 hectare met een stedelijke functie in het buitengebied, met een maximale ashoogte van 15 meter (onder voorwaarden) faciliteren.

Deze kleine windturbines maken het voor agrarische bedrijven en stedelijke functies mogelijk om te voorzien in de eigen energiebehoefte door een combinatie van zon en wind en dragen tegelijkertijd bij aan het realiseren van de gemeentelijk duurzaamheidsdoelstellingen.

1.2 Strategie duurzaamheid Hollands Kroon Kleine windturbines vallen binnen het gemeentelijke programma ‘Leefbaarheid’, in het cluster milieu. In dit programma werken we aan het realiseren van de gemeentelijke klimaatambitie. In het coalitieakkoord hebben we duurzaamheid benoemd als basisprincipe. Zowel voor maatschappelijke opgaven als woningbouw, bedrijventerreinen, agrarische- en andere bedrijven en de inrichting van de openbare ruimte is duurzaamheid één van de uitgangspunten in beleid en uitvoering. Ook in dorpsvisies is duurzaamheid een belangrijk thema. We willen dat Hollands Kroon in 2050 klimaatneutraal, klimaatbestendig en circulair is. Binnen het programma ‘Leefbaarheid’ werken we op basis van 5 duurzaamheidsthema’s aan een duurzame leefomgeving. Deze thema’s zijn: 1. Energie 2. Circulaire economie 3. Klimaatadaptatie & vergroening 4. Groene warmte 5. Biodiversiteit

Beleidskader kleine windturbines

3

1.3 Doel van het beleidskader Voorheen was er in de gemeente Hollands Kroon geen specifiek beleid voor het plaatsen van kleine windturbines. Het plaatsen van kleine windturbines is op grond van de omgevingsvisie momenteel niet gewenst. Met dit beleidskader wil de gemeenteraad een nieuw standpunt innemen ten aanzien van kleine windturbines. Hiermee scheppen we duidelijkheid over de mogelijkheden en voorwaarden die we stellen aan het mogelijk maken van de plaatsing van kleine windturbines. Het beleidskader is een hulpmiddel om inzicht te geven in het soort initiatieven met kleine windturbines dat de gemeente ondersteunt en de procedure die hierbij hoort. Daarnaast vervult het kader een informatieve functie voor inwoners/ondernemers die zich oriënteren op kleine windturbines. Hoewel energie-opwek met kleine windturbines niet hetzelfde rendement oplevert als grootschalige opwek, is het faciliteren van de kleinschalige initiatieven belangrijk voor het verkrijgen van een gevarieerde, duurzame energiemix en het vergroten van betrokkenheid van ondernemers en inwoners bij het behalen van de klimaatdoelstellingen van Hollands Kroon. De gemeente wil tegelijkertijd voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen als deze op termijn ruimte bieden voor opschaling naar grotere turbines.

Daarom bewaakt de gemeente de leefbaarheid, het natuurlandschap en de cultuurhistorische kwaliteit van de omgeving door randvoorwaarden voor inpassing op te stellen. Het beleidskader biedt in specifieke situaties geen ruimte voor plaatsing van een kleine windturbine, zoals bijvoorbeeld in het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL).

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 staat uitgelegd welke windturbines onderwerp zijn van dit beleidskader en wat de invloed van het beleidskader op de plaatsing van deze windturbine is. Hoofdstuk 3 gat in op de begrippen en de uitgesloten gebieden voor het plaatsen van kleine windturbines. Vervolgens gaat hoofdstuk 4 in op het beleid van kleine windturbines in Hollands Kroon dat met dit kader wordt bewerkstelligd. In hoofdstuk 5 wordt er ingegaan op het toetsingskader van de kleine windturbines met de verschillende criteria’s. Ten slotte wordt er in hoofdstuk 6 aandacht gegeven aan de procedure en voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning.

4

Beleidskader kleine windturbines

2 Afbakening 2.1 Categorieën windturbines Het begrip ‘kleine windturbine’ is een abstract begrip dat wordt gebruikt om verschillende soorten windturbines te beschrijven. Er bestaat een verscheidenheid aan vormen, toepassingen en hoogtes. Daarom is het nodig om eerst te definiëren welke categorieën we onderscheiden en hoe ze binnen dit kader worden behandeld. We verdelen windturbines in vier hoofdcategorieën: dakturbines, erfturbines, middelgrote turbines en grootschalige windturbines. Hoewel een classificatie op basis van energieopbrengst mogelijk is (bijvoorbeeld in vermogen uitgedrukt), hebben we voor dit specifieke kader ervoor gekozen om categorieën te gebruiken op basis van afmetingen. De afmeting van een windturbine bepaalt namelijk sterk de inpasbaarheid in de omgeving. Soort

Mini-turbines/Dak

Erfturbines

turbines

Middelgrote

Grote windturbines

windturbines

Voorbeeld

Verschijning

Veelvormig, veelal

Maximaal 15

dakgebonden,

meter in as-

rotordiameter van

hoogte,

maximaal 2 meter.

rotordiameter

15 tot 75 meter.

Vanaf 75 meter.

Niet opgenomen.

Niet opgenomen.

vanaf 2 meter. Relatie tot

Niet opgenomen.

Afwegen en

dit

toetsen aan de

beleidskader

hand van de beleidsregels in dit beleidskader kleine windturbines.

Tabel 1: categorieën windturbines

Miniturbines/Dakturbines Miniturbines en Dakturbines betreft de kleine categorie turbines. Behalve op de grond, kan dit type windturbines veelal ook op het dak van een huis bevestigd worden. Turbines komen niet alleen voor in de vorm van horizontale as-turbines (HATs), maar ook als windturbines met een verticale as (VATs). Daarnaast zijn er verschillende soorten rotorbladen die elk anders reageren op de wind (zie bijlage 5.2). HATs zijn vooral geschikt voor open gebieden waar de wind uit één richting komt, terwijl VATs meer geschikt zijn voor bebouwde gebieden met wisselende windrichtingen. Er bestaan zowel VATs als HATs die, al dan niet met een mast, op het dak worden geplaatst. De ‘klassieke’ HAT-windturbinevariant in deze

Beleidskader kleine windturbines

5

categorie heeft wieken met een rotordiameter tot maximaal 2 meter, wat resulteert in een maximale hoogte van ongeveer 5 meter voor de windturbine1. Daarnaast bestaan er verschillende dakturbines met speciale vormen, zoals een nokturbine of powernest. Dakturbines zijn er in diverse vormen en afmetingen en hebben een groter risico op hinder (zoals geluid, reflectie) of een negatieve invloed op ruimtelijke kwaliteit dan erfturbines. Miniturbines en dakturbines zijn niet opgenomen in dit beleidskader en daarmee niet toegestaan in de gemeente Hollands Kroon, uitgezonderd de locaties waar dit binnen de regels van het (tijdelijk) omgevingsplan nu al mogelijk is. Erfturbines Een andere categorie omvat erfturbines. Deze turbines hebben een maximale ashoogte van 15 meter, gemeten vanaf het peil tot aan de as van de wieken. Erfturbines zijn individuele turbines die vaak slechts één of enkele huishoudens van stroom kunnen voorzien. Het rendement is beperkt (zie bijlage 5.2). Desondanks worden erfturbines van dit formaat steeds vaker op de markt gebracht en sommige modellen veel geïnstalleerd, met name een paar jaar geleden in Noord-Nederland, maar nu ook steeds meer elders. Door hun beperkte hoogte zijn erfturbines qua grootte vergelijkbaar met een boom. In dit beleidskader bedoelen we met kleine windturbines, erfturbines.

Middelgrote windturbines Middelgrote windturbines worden gedefinieerd als turbines van een ‘tussenliggend’ formaat. Meestal hebben ze een ashoogte tussen de 15 en 75 meter. Zodra de ashoogte 75 meter bereikt, worden ze niet langer beschouwd als middelgrote windturbines, maar als grootschalige windturbines. Middelgrote windturbines worden vaak geïnstalleerd als collectief initiatief, bijvoorbeeld met een dorpsgemeenschap of buurtschap. Deze middelgrote windturbines zijn, met uitzondering van de al geplaatste exemplaren, niet toegestaan in Hollands Kroon. Bovendien heeft de provincie Noord-Holland de bevoegdheid over deze windturbines. Dit houdt in dat de provincie het overheidsorgaan is dat een (eventuele) vergunningsaanvraag voor dit type windturbines behandelt, als het lokaal ruimtelijk beleid daar ruimte voor biedt. Grote windturbines We definiëren deze categorie als windturbines met een ashoogte van 75 meter of hoger. Windturbines van deze omvang, afgezien van degenen die al zijn geïnstalleerd, zijn niet toegestaan in Hollands Kroon. Bovendien hebben de provincie Noord-Holland of het Rijk (het Rijk is bevoegd gezag voor windenergieprojecten op land van minstens 100MW) de bevoegdheid over deze windturbines. Dit betekent dat de provincie of het Rijk de overheidsorganen zijn die een (mogelijke) vergunningsaanvraag voor dit type windturbine behandelen.

1 Deze afbakening tussen mini-turbines en (grotere) kleine turbines komt overeen met de indeling die de brancheorganisatie NWEA

hanteert en bij de voormalige regels voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) en de bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer (Arm) voor windturbineparken (windturbinebepalingen).

6

Beleidskader kleine windturbines

2.2 Impact van het beleidskader Vergunningverlening Het plaatsen van een kleine windturbine vereist vrijwel altijd een vergunning, en voor kleine windturbines wordt doorgaans een permanente vergunning c.q. toestemming verleend. De vergunning krijgt nog steeds een permanente status, maar dit geldt alleen voor de turbine die specifiek wordt aangevraagd. Het is belangrijk om te benadrukken dat deze vergunning niet automatisch wordt “verlengd”, in het geval dat een windturbine het niet meer doet, bijvoorbeeld door schade of einde levensduur en behoefte is aan een nieuwe windturbine. Hiermee wordt bedoeld dat als er een moment komt dat het gewenst is om een nieuwe turbine te bouwen, er geen automatisch recht is op een nieuwe windturbine, omdat er al een windturbine op het perceel stond. De aanvraag wordt opnieuw volledig beoordeeld op nut, noodzaak en wenselijkheid. Ook wordt de vergunning ingetrokken als de agrarische bedrijfsvoering of de bedrijfsvoering van de stedelijke functie eindigt, of de bestemming wijzigt, bijvoorbeeld van agrarisch naar wonen en niet wordt voldaan aan de minimale voorwaarde voor plaatsing (minimaal bouwvlak van 1 hectare). Daarbij moet ook de windturbine dan fysiek van het perceel verwijderd worden. Dit is wezenlijk anders dan in eerdere situaties waarbij de vergunning van de windturbine altijd intact bleef na het beëindigen van het agrarisch bedrijf.

De turbine kan wel blijven staan (tot einde levensduur) in het geval er in de nieuwe situatie sprake is van een bouwvlak voor een stedelijke functie van minimaal 1 hectare. De toekenning van vergunning voor kleine windturbine biedt stabiliteit aan de ondernemers/inwoners, waardoor ze kunnen investeren in duurzame energie-opwek. Dit beleid is opgesteld met verschillende overwegingen in gedachten. Ten eerste dient het als een noodzakelijk juridisch kader om de plaatsing en exploitatie van windturbines te reguleren. Door een vergunning te vereisen, kan de gemeente toezicht houden op de locaties waar windturbines worden geplaatst, rekening houdend met milieu-, veiligheidsen ruimtelijke aspecten. Omgevingswet Een windturbine is een bouwwerk waar de Omgevingswet van toepassing is. Dit betekent dat op het moment dat een initiatiefnemer een windturbine wil plaatsen, allereerst het (tijdelijke) omgevingsplan geraadpleegd dient te worden. Het (tijdelijke) omgevingsplan bepaalt grotendeels wat wel of niet is toegestaan op het gebied van windturbines. Het plaatsen van kleine windturbines is in het algemeen2 niet toegestaan binnen de regels van het omgevingsplan. Na vaststelling van het beleidskader zal dit onderdeel worden van de regels van het omgevingsplan, welke tot 2032 gefaseerd in Hollands Kroon wordt opgesteld.

Zolang dit beleid nog niet is verwerkt in het omgevingsplan, geldt het beleid als toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning (Bopa) die niet passe in de regels van het omgevingsplan. Hoewel de regels voor kleine windturbines in het omgevingsplan worden opgenomen, moet bij de plaatsing van windturbines ook voldaan worden aan andere regelgeving. Vaak gaat het om wetgeving van een ander overheidsniveau. Hierop hebben dit beleidskader en de herziening van het omgevingsplan geen effect.

2 Niet alle bestemmingsplannen, welke onderdeel uit maken van het tijdelijke omgevingsplan, zijn hierop nagelopen. Vandaar dat het met

een slag om de arm geformuleerd is.

Beleidskader kleine windturbines

7

Wanneer met een vergunning van het omgevingsplan wordt afgeweken, via een buitenplanse omgevingsplan activiteit (Bopa), geldt een procedure termijn van 8 weken, tenzij de initiatiefnemer vraagt om de uitgebreide procedure van toepassing tot verklaren of er sprake is van een locatie war de plaatsing van een kleine windturbine aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving en waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. De procedure tijd van de aanvraag is in dat geval 26 weken. Dat betreft echter een uitzondering. Voor een aanvraag voor een kleine windturbine is geen bindend advies van de gemeenteraad vereist.

8

Beleidskader kleine windturbines

3 Begrippen 3.1 Begrippen en wijze van meten Betekenis kleine windturbines Kleine windturbines worden gebruikt voor kleinschalige opwek van elektriciteit. Dit gebeurt achter de meter en wordt in principe ter plekke door het bedrijf of de woning verbruikt. Een kleine windturbine heeft een maximale ashoogte van 15 meter ten opzichte van het gemiddeld maaiveld (in dit geval formeel: peil). Voor de rotordiameter is de insteek de afmetingen gelijk of kleiner dan de aashoogte aan te houden. Dit in verband met de eis van een zorgvuldige ruimtelijke inpassing zoals in de omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland is vastgelegd. In dat geval komt de tiphoogte op maximaal 22,5 meter. Het vermogen van deze turbines is relatief klein ten opzichte van die van grote windturbines. Ze wekken ongeveer tussen de 25.000 tot 50.000 kWh aan elektriciteit op per jaar. Ze dienen daarom vooral om het eigen gebruik van ondernemers te voorzien. Bij andere stedelijke functies is het lastig om op voorhand aan te geven hoe de verhouding is ten opzichte van het eigen gebruik. De gebruiker van de windturbine blijft wel afhankelijk van het net, want als de windturbine meer opwekt dan het bedrijf verbruikt zal de turbine elektriciteit terug leveren aan het net en als de windturbine minder opwekt dan het bedrijf nodig heeft, zal deze elektriciteit afnemen van het net.

In dit beleidskader valt onder het begrip ‘kleine windturbine, de erfturbine. De miniturbine en de dak turbine zijn niet opgenomen in dit beleidskader en vallen dus buiten de ‘scope’ van dit beleidskader. Soorten kleine windturbines In de categorie kleine windturbines maken verschillende fabrikanten uiteenlopende typen kleine windturbines. Er zijn 2 typen te onderscheiden: 1. Kleine windturbines met een horizontale as (HAT-turbine): dit zijn turbines die worden gekenmerkt door een as evenwijdig aan de richting van de wind met de wieken loodrecht op de wind. In de ‘actieve’ stand staat deze turbine met de as richting de wind. Het HAT-type is vooral geschikt voor open gebieden, waar de wind van één kant komt. 2. Kleine windturbines met een verticale as (VAT-turbine): dit zijn turbines die in tegenstelling tot de HAT-turbine draait om een as die loodrecht op de windrichting staat. Het VAT-type is vaak vooral geschikt voor bebouwde gebieden met veranderlijke wind. Kleine windturbines met een horizontale as (HAT-turbine) komen in Nederland het meeste voor. Van dit type windturbine is in figuur 1 een afbeelding opgenomen. Dit type windturbine is over het algemeen groter dan een windturbine met een verticale as. Dit beleidskader heeft alleen betrekking op HATturbines, VAT-turbines staan we niet toe in de gemeente Hollands Kroon.

Omdat de verschijningsvorm minder goed aansluit op de bebouwing en het karakter van het buitengebied en de ze turbines minder energie opwekken dan HAT-turbines.

Beleidskader kleine windturbines

9

Figuur 1: Een kleine windturbine waarvan de as horizontaal is georiënteerd.

Er bestaan ook kleine windturbines waarbij de as, waar de wieken omheen draaien, verticaal zijn georiënteerd (zie figuur 2). Dit type windturbine is kleiner van omvang en deze zijn beter geschikt voor plaatsen waar de windrichting erg veranderlijk is, bijvoorbeeld tussen bebouwing. Van een windturbine met een verticale as, is hieronder een afbeelding opgenomen. Dit type windturbine past visueel minder goed in het buitengebied en levert een lager rendement op. In de gemeente Hollands Kroon zijn windturbines met een verticale as daarom op dit moment niet toegestaan, tenzij het (tijdelijk) omgevingsplan dit al toelaat.

Figuur 2: Een kleine windturbine waarvan de as verticaal is georiënteerd.

Ashoogte De ashoogte van een kleine windturbine wordt gemeten vanaf het peil tot aan het middelpunt van de wieken van de turbine (HAT-turbine). Tiphoogte De ashoogte plus de straal van de rotordiameter (HAT-turbine). Rotordiameter Het maximale bereik van de rotorbladen (wieken), gemeten loodrecht op de as.

10

Beleidskader kleine windturbines

Peil Hoogte van het maaiveld, deze is geregeld in het voor de locatie geldende omgevingsplan Agrarisch bouwvlak Een agrarisch bouwvlak of een agrarisch bouwperceel is een aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen voor aan agrarisch bedrijf is toegestaan overeenkomstig het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) en de omgevingsverordening NH2022. Bouwperceel van ten minste 1 hectare voor een stedelijke activiteit Functies of activiteiten die verband houden met wonen, bedrijven, voorzieningen, stedelijke water en stedelijk groen en waarvoor in het omgevingsplan een bouwvlak van minimaal 1 hectare is opgenomen. Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop volgends het omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Buitengebied Onder het buitengebied verstaan we alles buiten het bestaand stedelijk gebied. Voor de uitleg van bestaand stedelijk gebied sluiten we aan bij de omschrijving van dat begrip in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Cultuurhistorie Het geheel van historische landschappelijke structuren aangebracht door de mens, en de daarbij horende historische bebouwing. Cultuurhistorie ligt in het individuele element, in de samenhang met de omgeving en in het aanzicht. Erf-ensemble Samenhangend geheeld van erfgebouwen (o.a. boerderij, huis, schuren, bijgebouwen), erfbeplantingen (o.a.

bomen, singels, tuinen), waterlopen en erfinrichting (o.a. verhardingen, hekken, brug).

Beleidskader kleine windturbines

11

Wijze van meten

Figuur 3: Meetpunt voor de ashoogte bij het HAT-turbine

Figuur 4: Meetpunt voor de tiphoogte bij het HAT-turbine (links)

Figuur 5: Meetpunt voor de rotordiameter bij het HAT-turbine (links)

3.2 Uitgesloten gebieden Gemeente Hollands Kroon hecht veel waarde aan haar natuurgebieden en haar cultuurhistorische kwaliteiten. Deze omgevingskwaliteiten moeten in stand gehouden worden. Er zijn een aantal gebieden uitgesloten voor het plaatsen van kleine windturbines. Het betreft onder andere de gebieden die vallen onder het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Hier vinden we de landschappelijke kwaliteiten zwaarder wegen dan het opwekken van duurzame energie (in de vorm van wind) en het bijdragen aan een duurzame energiehuishouding van agrarische bedrijven en stedelijke functies. In de gemeente Hollands Kroon zijn 3 BPL gebieden: BPL Schagen, BPL Oude Veer en BPL Wieringen. Toelichting BPL gebieden •

BPL Schagen: Onder BPL Schagen vallen de gebieden Kolhorn, Basingerhorn en Haringhuizen.

•

BPL Oude Veer: Dit gebied strekt zich uit langs het Balgzandkanaal naar de zuidgrens van de Anna Paulownapolder. Tot dit gebied behoort de oude getijdengeul met enkele voormalige aftakkingen en gebieden ten weseten en oosten van het Lage Oude Veer.

•

BPL Wieringen: Het BPL Wieringen betreft zowel het voormalige (wadden) eiland als de aandijking Polder-Waard-Nieuwland.

12

Beleidskader kleine windturbines

Figuur 6: Bijzonder Provinciaal Landschap in gemeente Hollands Kroon.

Natuurgebieden Hollands Kroon In de gemeente Hollands Kroon zijn een aantal natuurgebieden, uitgesloten voor het plaatsen van kleine windturbines. Dit zijn de natuurgebieden: Waddenzee (N2000), IJsselmeer (vogelhabitatrichtlijn), weidevogelleefgebied en Natuur Netwerk Nederland (NNN). De gearceerde gebieden in onderstaande kaart laten deze natuurgebieden zien. Legenda: •

Blauw = N2000

•

Lichtgroen (IJsselmeer) = vogelhabitatrichtlijn

•

Muntgroen = Weidevogelleefgebied

•

Groen = Natuur Netwerk Nederland (NNN)

Figuur 7: Natuurgebieden Hollands Kroon

Beleidskader kleine windturbines

13

4 Beleidskader voor kleine windturbines In dit hoofdstuk wordt het beleidskader voor kleine windturbines besproken, waarbij zowel het rijksbeleid, het provinciaal beleid als het gemeentelijk beleid wordt toegelicht. Specifiek wordt er gekeken naar de regelgeving en richtlijnen die van toepassing zijn op het plaatsen en gebruiken van kleine windturbines binnen de provincie Noord-Holland en de gemeente Hollands Kroon.

4.1 Rijksbeleid In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) staat dat er ingezet wordt op duurzame energie met oog voor kwaliteit van de omgeving. De grotere windparken en de windparken op zee worden door het Rijk toegelaten. Het Rijk is bevoegd gezag voor windenergieprojecten op land van minstens 100MW. Voor kleinere locaties op land zijn de provincie en gemeente verantwoordelijk. Voor de maatschappelijk opgave voor duurzame energie stellen regio’s regionale energiestrategieën (RES) op. Mede omdat bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak van belang is. Het rijk geeft uitgangspunten mee aan de RES. Eén daarvan is de voorkeur voor clustering van productie van duurzame energie. Bijvoorbeeld windturbines combineren met zonneweides. Hierbij is het van belang dat een afweging plaatsvindt met andere waarden, zoals landschappelijke waarden of cultuurhistorie.

4.2 Provinciaal beleid Binnen de provincie wordt het plaatsen en gebruiken van kleine windturbines gereguleerd door een reeks van wetten, regelgeving en richtlijnen. Deze worden ontwikkeld om de duurzame ontwikkeling van energiebronnen te bevorderen, terwijl tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat de impact op het milieu en de omgeving wordt geminimaliseerd. De provincie is bevoegd gezag voor windenergieprojecten van 5-100 NMW. De provincie kan bepalen dat zij de bevoegdheid voor windparken met een vermogen lager dan 5MW overdraagt aan de gemeente. De provincie Noord-Holland heeft de gemeenten het bevoegd gezag gegeven voor het toelaten van windturbines en windparken met een vermogen lager dan 5MW. Voor het aanvragen van een vergunning voor de bouw van een kleine windturbine is ook een provinciaal beleidskader van toepassing. In ieder geval dient rekening gehouden te worden met: •

De Omgevingsvisie NH2050;

•

De Omgevingsverordening NH2022: in deze verordening zijn kleine windturbines op agrarisch en stedelijk bouwvlak in het buitengebied, van ten minste 1 hectare, met een ashoogte van niet meer dan 15 meter vanaf het maaiveld, onder voorwaarden toegestaan (artikel 6.37 lid 1).

In de Ruimtelijke handreiking wind op land OV NH2020 wordt een aantal ontwikkelprincipes aangereikt voor het plaatsen van windturbines, groot en klein. De toetsing van de plaatsing van kleine windturbines ligt bij de gemeente. Onder kleine windturbines verstaat de provincie turbines met een ashoogte van maximaal 15 meter vanaf het maaiveld.

14

Beleidskader kleine windturbines

4.3 Gemeentelijk beleid De gemeente Hollands Kroon geeft in haar omgevingsvisie aan of er ruimte beschikbaar is voor windturbines en welke locaties daarvoor aangewezen zijn. Hiermee houdt de gemeente rekening met de energieopgave van het Rijk en het beleid van de provincie Noord-Holland. De gemeente heeft vooral een taak bij de lokale inpassing van kleinere windparken en kleine windturbines al dan niet op gebouwen. Deze kleine windturbines krijgen in de gemeente Hollands Kroon een plek op agrarisch of bouwvlak voor een stedelijke functie in het buitengebied. De gemeente is bevoegd gezag bij het toelaten van windturbines en windparken met een vermogen van minder dan 5MW. Binnen de gemeente wordt het plaatsen van kleine windturbines op agrarische bouwvlakken en bouwvlakken met een stedelijke functie van minimaal 1 hectare in het buitengebied, met een maximale ashoogte van 15 meter (onder voorwaarden) toegestaan. Het is daarbij belangrijk om te vermelden dat dit beleidskader alleen betrekking heeft op HAT-turbines (kleine windturbines met een horizontale as). VATturbines (Kleine windturbines met een verticale as) passen visueel minder goed in het buitengebied en leveren een lager rendement op dan HAT-turbines. In de gemeente Hollands Kroon zijn windturbines met een verticale as daarom op dit moment niet toegestaan.

Procedure Zonder wijziging van het omgevingsplan, waarbij de regels voor het bouwen van kleine windturbines worden toegevoegd, betekent een kleine windturbine al gauw een afwijking van het (tijdelijke) omgevingsplan ter plekke. In het bestaande (tijdelijke) omgevingsplan zijn geen bouwregels opgenomen met betrekking tot kleine windturbines. Bij agrarische en stedelijke bestemmingen zijn ‘overige bouwwerken’, waartoe een kleine windturbine wordt gerekend, met de benodigde bouwhoogte niet toegestaan. Van het omgevingsplan kan worden afgeweken met behulp van een buitenplanse omgevingsplan activiteit (bopa). Voorwaarden Om de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving van een kleine windturbine zo goed mogelijk in stand te houden (wat ook een eis is vanuit de omgevingsverordening NH2022), stellen we als voorwaarde voor plaatsing dat er een koppeling moet zijn tussen de kleine windturbine en de aanwezige bebouwing. Een kleine windturbine dient daarom geplaatst te worden binnen het bouwvlak. Op deze manier vormt de kleine windturbine een ruimtelijke eenheid met de bebouwing en kunnen kleine windturbines niet verstrooid over het hele landschap geplaatst worden. Om de impact op de leefomgeving en risico op overlast verder hanteerbaar te houden wordt een maximum van 1 kleine windturbine per bouwvlak aangehouden3.

3 Het bouwen van meer dan 1 kleine windturbine is volgens de omgevingsverordening NH2022 ook niet toegestaan

Beleidskader kleine windturbines

15

5 Toetsingskader 5.1 Ruimtelijke plaatsingscriteria Onderstaande plaatsingscriteria zijn alleen voor HAT-turbines, VAT-turbines zijn niet toegestaan in de gemeente Hollands Kroon. a) De windturbine staat in het buitengebied geplaatst op/binnen: 1. Een agrarisch bouwvlak, met de bestemming ‘agrarisch’ van minimaal 1 hectare; 2. Een bouwvlak voor een stedelijke functie van minimaal 1 hectare. b) Er is maximaal 1 kleine windturbine per bouwvlak toegestaan; c) Plaatsing van een kleine windturbine kan alleen bij een agrarisch bedrijf of stedelijke functie waar geen andere solitaire windturbine staat; d) De windturbine wordt zorgvuldig landschappelijk en ruimtelijk ingepast, in ieder geval als onderdeel van of in relatie met de bebouwing op het bijbehorende erf en op maximaal 30 meter van andere bebouwing op het bouwvlak; e) Voor ruimtelijke inpassing wordt de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland en de Ruimtelijke handreiking Wind op Land OV NH2020 gevolgd; f)

De windturbine wordt binnen de erfbegrenzing geplaatst en niet als onderdeel van de groene begrenzing en gaat niet ten koste van groen/bomen;

g) De windturbine past binnen het erfensemble (geheel van bebouwing en beplanting); h) Er is een mogelijkheid tot afwijken buiten het erfensemble, mits er geen afbreuk wordt gedaan aan het ruimtelijk beeld van het erf en de omgeving waarin het erf zich manifesteert; i)

De windturbine staat op een ondergeschikte positie (dat wil zeggen niet prominent) in het bedrijfsgedeelte van het erf. De windturbine staat dus uit het zicht of verdekt ten opzichte van de openbare weg;

j)

Als er kleine windturbines op erven in de buurt zijn, dient onderzocht te worden of het landschappelijk wenselijk is eenzelfde kleine windturbine te plaatsen en of er sprake moet zijn van ruimtelijke samenhang tussen de windturbines;

k) De kleine windturbine staat in verband met externe veiligheid op voldoende afstand van gevoelige bestemmingen. Een vuistregel voor de afstand is van mast tot mast minimaal 4x de ashoogte van de windturbine; l)

Bijzonder Provinciaal Landschap en natuurgebieden4 zijn uitgesloten voor het plaatsen van kleine windturbines;

m) Kleine windturbines dienen een minimale afstand tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen aan te houden. Deze minimale afstand bedraagt de werpafstand bij 2x het nominale toerental ban de kleine windturbines. Werpafstand is de maximale afstand waarop een onderdeel van een windturbine bij falen terecht kan komen. n) De plaatsing van een kleine windturbine blijft altijd maatwerk. De gemeente Hollands Kroon kan daarom in voorkomende situaties nadere eisen stellen aan de plaats, omvang, het gebruik en de

4 Waddenzee (N2000), IJsselmeer (vogelhabitatrichtlijn), weidevogelleefgebied en Natuur Netwerk Nederland

(NNN)

16

Beleidskader kleine windturbines

landschappelijk inpassing van windturbines of besluiten de aanvraag te weigeren, ten behoeve van: a. De bezonningssituatie; b. Lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing; c.

Zichtlijnen of visuele hinder;

d. Geluidshinder (de geluidsnormen zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit, in ieder geval geld maximaal 41dB in de nacht en maximaal 47dB gemiddeld per jaar); e. Het voorkomen van slagschaduw (regels rondom slagschaduw zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit, grofweg is dit maximaal 6 uur per jaar); f.

Risico’s voor gevoelige of kwetsbare objecten en gebieden;

g. De mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een bestaand bedrijf;

5.2 Opbouw van een bouwvlak en erfensemble Volgends de Omgevingsverordening NH2022 van de provincie Noord-Holland mag er maximaal 1 kleine windturbine worden gebouwd op een bouwperceel met een agrarische of stedelijke functie. Het bouwperceel uit de omgevingsverordening staat gelijk aan een bouwvlak of terreinmaat in een (tijdelijk) omgevingsplan. In sommige gevallen is het bouwvlak groter dan het erf met bebouwing en beplanting, zoals dat op dit moment fysiek kan worden waargenomen.

Figuur 9: Maximaal 1 turbine per bouwvlak.

Beleidskader kleine windturbines

17

Verhouding tussen windturbine en ensemble De manier waarop een windturbine zich verhoudt tot zijn omgeving, kan aanzienlijk bijdragen aan hoe deze wordt ervaren. Vooral op percelen in het buitengebied, waar boerderijen met hun bijgebouwen een samenhangend geheel vormen, is het belangrijk dat nieuwe windturbines naadloos opgaan in dit landschappelijke ensemble. Elk ensemble bestaat uit verschillende elementen zoals gebouwen, wegen, landschapskenmerken en begroeiing, die samen een harmonieus geheel vormen. Het is essentieel dat eventuele toevoegingen, zoals windturbines, worden geïntegreerd in dit ensemble zodat ze geen afbreuk doen aan de samenhang van het landschap. Ten slotte moet er rekening worden gehouden met het feit dat een windturbine altijd invloed heeft op een grotere omgeving dan alleen het erfbebouwingsensemble.

Figuur 10: Onderdelen van een erfensemble.

Windturbine in relatie tot het ensemble van bebouwing en beplanting De windturbine wordt bij voorkeur geplaatst binnen de visuele begrenzing van het erf/bebouwingsensemble. Op deze manier ontstaat er geen nieuw object in het landschap en wordt verrommeling beperkt. Dit is echter niet altijd mogelijk door bijvoorbeeld een gebruik aan ruimte of de afwezigheid van een heldere visuele begrenzing. Houd in dat geval bij voorkeur een maximale afstand aan tot 1 van de hogere bouwvolumes (nokhoogte > 5m) van het bouwensemble van 30 meter (2x as-hoogte). Door deze afstand te beperken blijft een sterk visuele relatie met het bouwensemble.

Figuur 11: Binnen de visuele grenzen van het erf.

18

Beleidskader kleine windturbines

Figuur 12: In de nabijheid van erf en gebouwen, maximaal op 30 meter afstand.

Windturbine ondergeschikt aan de representatieve voorzijde van het bouwvlak Om de impact van (een grote hoeveelheid) kleine windturbines te beperken is de beleving van het landschap erbij gebaat wanneer deze windturbines zoveel mogelijk op afstand van de openbare weg en buiten het zicht worden geplaatst. Daarom worden de kleine windturbines bij voorkeur op de achterzijde van het bouwvlak geplaatst. Voorkom daarbij dat de turbine in zichtlijnen vanaf de openbare weg wordt geplaatst door deze achter de bebouwing en/of beplanting te situeren.

Figuur 13: Plaatsing op ondergeschikte locatie t.o.v. woonhuis of voorerf.

Figuur 14: Niet prominent in het zicht vanaf de weg of omliggende bewoning.

Beleidskader kleine windturbines

19

Behoud afstand van historisch of landschappelijke waardevolle structuren of elementen Bij de ruimtelijke inpassing worden in ieder geval eventueel aanwezige monumenten op het aan de windturbine gekoppelde bouwperceel betrokken. Zorg ervoor dat windturbines op voldoende afstand staan van beschermde cultuurhistorische of landschappelijk waardevolle elementen en structuren, zoals bijvoorbeeld dijken of karakteristieke waterlopen, zodat daar geen onevenredig afbreuk aan wordt gedaan.

Figuur 15: Afstand tot historisch of landschappelijk waardevolle structuren

Draag zorg voor een (groene) inpassing van de windturbine op het bouwvlak Houd bestaande erfbeplanting zoveel mogelijk in stand. Wanneer er onverhoopt toch wat beplanting moet worden verwijderd ten behoeve van het rendement van de windturbine, beperk dit dan tot de beplanting binnen een straal van 15 meter (1x de ashoogte) vanaf de windturbine

Figuur 16: In lijn met bebouwing, niet met beplanting.

20

Beleidskader kleine windturbines

5.3 Criteria ten aanzien van de kleine windturbine Onderstaande criteria ten aanzien van de kleine windturbine zijn alleen voor HAT-turbines, VAT-turbines zijn niet toegestaan in de gemeente Hollands Kroon. a) De ashoogte van een Kleine windturbine bedraagt niet meer dan 15 meter ten opzichte van het peil; b) De maximale rotordiameter is gelijk aan de ashoogte; c) De kleine windturbine heeft een herkenbare, eenduidige hoofdvorm als energieopwekker; d) De kleine windturbine heeft een overwegend rank silhouet; e) De kleine windturbine heeft een ingetogen kleurgebruik passend bij het agrarisch bouwvlak of stedelijke functie in het buitengebied; f)

De bijbehorende elementen zijn ondergeschikt in maat, eveneens in ingetogen kleuren;

g) Eventuele reclame is te allen tijde ondergeschikt; h) Zodra er sprake is van slagschaduw op een woning bij omwonenden dient er een automatische uitschakelregeling te worden afgesproken en ingesteld.

5.4 Technische plaatsingscriteria Onderstaande technische plaatsingscriteria zijn alleen voor HAT-turbines, VAT-turbines zijn niet toegestaan in de gemeente Hollands Kroon. De afstand van een kleine windturbine tot: a) Een andere kleine windturbine, bedraagt van mast tot mast niet minder dan drie keer de rotordiameter; b) Gasinfrastructuur bedraagt niet minder dan 25 meter, tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand; c) De meest nabijgelegen gevoelige bestemming bedraagt vanaf de mast niet minder dan viermaal de ashoogte van de windturbine; d) Openbaar gebied is zodanig dat de wieken of de constructie van de kleine windturbine niet overhangt boven openbaar gebied of andermans perceel; e) De kleine windturbine en de omvormer moeten goed bereikbaar zijn, dat wil zeggen geen obstakels op de weg ernaartoe, voor hulpdiensten en onderhoudsdiensten.

5.5 Overige wet- en regelgeving Verder dient te worden voldaan aan: a) De eisen van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving; b) De eisen van het Besluit Activiteiten Leefomgeving; c) De overige beschermingsregels van het ter plaatse geldende (tijdelijke) omgevingsplan, zoals archeologie, waterstaatwaterkering, etc.; d) De Verordening fysieke leefomgeving, waaronder regels voor monumenten en reclame; e) De regels van de Omgevingswet met betrekking tot natuurbescherming en de daaruit volgende voorwaarden; f)

De voorwaarden van de Erfgoedvisie Hollands Kroon 2023;

Beleidskader kleine windturbines

21

g) Aanwijzingen rond bouwen nabij (rijks- of provinciale) monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten volgend uit de erfgoedwetgeving; h) De regels voor externe veiligheid; i)

De regels ten aanzien van het bouwen in de nabijheid van (rijks)wegen en spoorwegen;

j)

Bij de aanvraag voor een initiatief dat voorziet in het plaatsen van een kleine windturbine wordt aangetoond dat het initiatief aan de gehanteerde (inter)nationale normen en richtlijnen voor veiligheid, zichtbaarheid en geluidsproductie;

k) Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is nadeelcompensatie gesloten, waarbij de initiatiefnemer eventuele nadeelcompensatie aan de gemeente vergoed.

22

Beleidskader kleine windturbines

6 In te dienen documenten 6.1 In te dienen documenten omgevingsvergunning Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning ruimtelijke en technische bouwactiviteit, om van het omgevingsplan af te wijken, dient een onderbouwing/motivering voor de effecten op de fysieke leefomgeving te worden meegestuurd met daarin opgenomen de effecten op: 1. Archeologie; 2. Cultuurhistorie; 3. Bodem; 4. Geluid; 5. Slagschaduw; 6. Ecologie: Quickscan Flora & Fauna; 7. Water 8. Omgevingsveiligheid 9. Trillingen 10. Gezondheid 11. Landschappelijk inpassingsplan volgends het gestelde toetsingskader (zie hoofdstuk 5). Daarnaast geldt als indieningsvereiste: 1. Het participatieplan en verslag; 2. Situatietekening, doorsnedes en aangezichten (maaiveld en vogelvlucht) op schaal. Een windturbine hoger dan 5 meter is vergunning plichtig voor de technische bouwactiviteit. Dit staat in artikel 2.25 Bbl (Besluit bouwwerken leefomgeving) voor een toegankelijke windturbine en in artikel 2.26 Bbl voor de overige windturbines. Als de windturbine lager is dan 5 meter is voor het technische gedeelte een kwaliteitsborger nodig.

6.2 Participatieplan en -verslag De initiatiefnemer stelt een participatieplan op om de wijze van betrekken van omwonenden bij het plaatsen van een kleine windturbine te regelen en inzichtelijk te maken Dit plan wordt voor feedback aan de gemeente voorgelegd. Vervolgens wordt de participatie volgens het participatieplan uitgevoerd. Wij verwachten in het participatieplan in ieder geval terug te lezen dat de initiatiefnemer de omwonenden informeert over het plan, de wijze waarop de initiatiefnemer dit doet en hun vragen beantwoordt. Ook kunnen omwonenden worden uitgenodigd om een bestaande kleine windturbine locatie te bezoeken. De omwonenden krijgen de kans om mee te praten over aspecten zoals de locatie en het uiterlijk van de windturbine. Het plan beschrijft ook hoe deze betrokkenheid wordt georganiseerd, bijvoorbeeld via huisbezoeken of bijeenkomsten. Omwonenden worden gedefinieerd als inwoners die binnen een straal van 600-700 meter van de windturbine wonen of werken. De initiatiefnemer moet aan de gemeente een lijst van

Beleidskader kleine windturbines

23

omwonenden overhandigen met wie gesproken is, inclusief hun standpunten/opmerkingen over het initiatief en wat er met hun eventuele opmerkingen is gedaan. De communicatie met omwonenden moet zo vroeg mogelijk plaatsvinden, idealiter tijdens de voorbereiding van de vergunningaanvraag. Als het plan niet geschikt is voor participatie, moet worden aangegeven waarom dat zo is. In het participatieverslag worden de resultaten van de participatie op een herleidbare en navolgbare wijze beschreven (wie is er betrokken, waarom, wat zijn de ideeën, wat is er met de ideeën gedaan, als ideeën iet zijn overgenomen een motivering waarom niet, etc.)

24

Beleidskader kleine windturbines

Beleidskader kleine windturbines

25

hollandskroon.nl – 088 - 3215000 26

Beleidskader kleine windturbines

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=abda30b9-e1bc-46fd-bc45-e1f5f40a2d19