Bijlage 1. Verordening voorzieningen voor maatschappelijke participatie
Tekst van het document
• Door de regeling te beperken tot kinderen in het primair en voortgezet onderwijs, blijft de regeling financieel beheersbaar en gericht op gezinnen met jonge kinderen die nog volledig afhankelijk zijn van hun ouders. • De regeling is gericht op kinderen die nog volledig onder de leerplicht vallen. MBO-studenten zijn vaak leerplichtvrij en vallen onder andere wet- en regelgeving. • Het inkomen van MBO-studenten is moeilijker te toetsen, zeker als ze zelfstandig wonen of een bijbaan hebben. Dit maakt de uitvoering van de regeling complexer en minder doelgericht.
Pagina
22/34
•
MBO-instellingen bieden vaak zelf voorzieningen aan, zoals leenlaptops of werkplekken. Gemeentelijke ondersteuning zou kunnen leiden tot dubbele bekostiging.
Artikel 13 Controle In dit artikel is vastgelegd dat het college steekproefsgewijs mag controleren of de financiële bijdrage — zoals bedoeld in artikel 11, lid 2, en artikel 12, lid 2 — daadwerkelijk is gebruikt voor de aanschaf van een laptop en een muis. Na beoordeling van de aanvraag keert het college de bijdrage uit aan de inwoner. De inwoner hoeft daarbij niet direct een factuur te overleggen. Wel heeft het college de bevoegdheid om bij een steekproef achteraf een factuur op te vragen. Dit gebeurt om te controleren of het geld daadwerkelijk is besteed aan het doel waarvoor het bedoeld was. Artikel 14 Inlichtingenplicht Een belanghebbende moet aan het college mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een maatschappelijke voorziening. Dit zowel op verzoek als onverwijld uit eigen beweging. Dit volgt uit artikel 13. Verwijtbaarheid speelt hierbij geen rol bij de vraag of de inlichtingenplicht is geschonden. De inlichtingenplicht kan dus ook geschonden zijn als het de belanghebbende niet kan worden verweten gegevens niet te hebben gemeld. Het gaat om gegevens waarvan het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening voor maatschappelijke participatie.
Bestaat daarover onduidelijkheid bij de belanghebbende? Dan ligt het op zijn weg om hierover nadere informatie in te winnen bij de gemeente. Artikel 15 Medewerkingsplicht De medewerkingsplicht ligt in het verlengde van de inlichtingenplicht. De inlichtingenplicht staat in artikel 14. Een belanghebbende moet aan het college de medewerking verlenen die 'redelijkerwijs’ nodig is voor de uitvoering van deze verordening. Artikel 16 Identificatieplicht In deze verordening wordt de procedure voor de aanvraag van een voorziening voor maatschappelijke participatie versoepeld door toekenning van deze voorziening op basis van legitimatie door middel van het gebruik van DigiD mogelijk te maken. Hierdoor wordt het ook mogelijk om de aanvraagprocedure volledig digitaal te laten verlopen. Wel wordt het wenselijk geacht om de identificatieplicht op locatie te behouden. Gemeenten hebben zo bij twijfel over een identiteit altijd de mogelijkheid om de identiteit op locatie vast te kunnen stellen. De volgende documenten kunnen op grond van artikel 16 worden gebruikt voor de vaststelling van de identiteit van belanghebbende: Belanghebbenden met de Nederlandse nationaliteit: - Paspoort; - Europese identiteitskaart.
Pagina
23/34
Belanghebbenden zonder de Nederlandse nationaliteit: - Vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER. Dit zijn documenten die zijn uitgegeven op grond van de Vreemdelingenwet 2000. - Verblijfskaart ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); - Buitenlands paspoort (geeft geen recht op bijstand; zie over gemeenschapsonderdanen zonder vreemdelingendocument ook Gemeenschapsonderdanen); - Vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers); - een Europese identiteitskaart. Een rijbewijs is meestal onvoldoende om de identiteit vast te stellen voor het recht op bijstand. De reden hiervoor is dat dit document geen nationaliteit noemt. In de Participatiewet wordt een rijbewijs daarom niet aangemerkt als een geldig legitimatiebewijs. Echter, in deze verordening wordt ook een rijbewijs als geldig legitimatiebewijs beschouwd. Het helpen van mensen die hun paspoort vergeten of verloren zijn, maar wel een rijbewijs bij zich hebben gaat hierdoor sneller. Ook in de nieuwe Participatiewet (Participatiewet in balans) wordt een rijbewijs als geldig legitimatiebewijs opgenomen in de wet. De gemeente heeft besloten aansluiting te zoeken bij deze wetswijziging. Artikel 17 Bijzondere Verplichtingen In dit artikel wordt een opsomming gegeven van een aantal bijzondere verplichtingen. Ten aanzien van het tweede lid kan nog het volgende worden vermeld.
Voor de belanghebbende aan wie op grond van deze verordening een laptop is verstrekt geldt dat deze verplicht is hier zorgvuldig (als een goed huisvader) mee om te gaan. Als de klant niet zorgvuldig met de laptop omgaat en als gevolg hiervan de laptop binnen de termijn van 5 jaar defect gaat, dan kan een verzoek om vervanging van deze laptop worden afgewezen. Artikel 18 Beëindiging voorzieningen voor maatschappelijke participatie In het eerste lid is bepaald dat onverminderd het bepaalde in artikel 5, vierde lid, en artikel 10, het college een voorziening voor maatschappelijke participatie kan beëindigen, indien: a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 14, heeft geleid tot het ten onrechte verstrekken van de voorziening; b. de belanghebbende als gevolg van een wijziging in zijn omstandigheden niet meer voldoet aan de voor de betreffende voorziening geldende criteria; c. niet langer kan worden vastgesteld of de voorziening kan worden voortgezet omdat belanghebbende onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op deze voorziening; d. belanghebbende komt te overlijden. Wat precies met de zinsnede “onverminderd het bepaalde in artikel 5, vierde lid, en artikel 10” wordt bedoeld, kan het best worden uitgelegd met een voorbeeld.
Belanghebbende, een bijstandsgerechtigde van 25 jaar, wordt in december 2024 voor het kalenderjaar 2025 in aanmerking gebracht voor een budget voor maatschappelijke participatie. Op 1 april 2025 gaat betrokkene aan het werk en zijn inkomen uit arbeid is hoger dan de toegestane inkomensgrens (120% van de bijstandsnorm). Dit betekent dat het
Pagina
24/34
college deze voorziening op voet van artikel 17 lid 1 sub b per 1 april 2025 kan beëindigen. In artikel 5 lid 1 is echter bepaald dat het budget voor maatschappelijke participatie, bedoeld in artikelen 3 en 4, per kalenderjaar wordt verstrekt. In artikel 5 lid 4 is bepaald dat, indien de financiële situatie van belanghebbende in de loop van het kalenderjaar wijzigt waardoor hij niet meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b en c, en artikel 4, eerste lid, onderdeel b en c, het budget niet tussentijds wordt beëindigd. Artikel 5 lid 4 (bijzondere regel) gaat voor op artikel 18 (algemene regel). Dit betekent dat de voorziening niet per 1 april wordt beëindigd. Belanghebbende kan nog het gehele kalenderjaar 2025 gebruik maken van voornoemd budget. Van beëindiging is sprake indien aan een besluit tot toekenning van een voorziening voor maatschappelijke participatie de juridische werking wordt ontnomen met ingang van een dag die is gelegen op of na de datum van het beëindigingsbesluit. Dit betekent dat de voorziening voor maatschappelijke participatie naar de toekomst toe wordt beëindigd. Belanghebbende krijgt in dat geval geen voorziening meer vanaf een datum die gelegen is op de datum van de beschikking of later.
In een geval waarin het besluit tot toekenning van een voorziening met ingang van een in het verleden gelegen datum ongedaan wordt gemaakt, is officieel geen sprake van beëindiging, maar van intrekking van de voorziening. In lid 2 wordt gesproken over een beëindiging met terugwerkende kracht. In dat geval geeft het bestuursorgaan te kennen dat belanghebbende vanaf een datum in het verleden niet meer aan de voorwaarden voldoet voor het verkrijgen van een voorziening en wordt deze ingetrokken ingaande een datum welke in het verleden is gelegen. Deze vorm van beëindigen van de voorziening voor maatschappelijke participatie (lees: intrekking) gaat meestal gepaard met terugvordering van een voorziening. Een voorbeeld: belanghebbende ontvangt per 1 januari 2025 een vergoeding voor het leszwemmen. Op 1 december 2025 blijkt dat belanghebbende niet heeft gemeld dat hij naast zijn inkomen uit arbeid ook alimentatie ontvangt. Het inkomen uit arbeid en alimentatie tezamen overstijgt de geldende inkomensgrens (120 % van het geldende bijstandsnorm). Als belanghebbende zijn inlichtingenplicht zou zijn nagekomen, zou hij niet aanmerking zijn gebracht voor deze voorziening. In dit geval wordt de voorziening op grond van artikel 18 lid 1 sub a jo. lid 2 met ingang van 1 januari 2025 ingetrokken.
Voorts wordt de over de periode van 1 januari 2025 tot 1 december 2025 verstrekte voorziening op voet van artikel 19 lid 1 van belanghebbende teruggevorderd. Het college is bevoegd en dus niet verplicht om de voorziening te beëindigen. Het college heeft dus beleidsvrijheid. Hebben gemeenten beleidsvrijheid en nemen ze een voor de burger negatief besluit, dan moeten ze een belangenafweging maken. Heeft een besluit voor een burger nadelige gevolgen, dan mogen die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot het doel van het besluit (artikel 3:4 lid 2 Awb). De gemeente moet bij het nemen van besluiten dus een evenwichtige belangenafweging maken. Artikel 19 Terugvordering voorzieningen voor maatschappelijke participatie Executoriale titel In deze verordening is een terugvorderingsbepaling opgenomen. De CRvB (11-04-2012,nr. 11/4355 Wmo) oordeelde dat een terugvorderingsbepaling in de Wmo-verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Deze uitspraak kan naar analogie worden toegepast op deze verordening. De terugvorderingsbepaling in deze verordening biedt derhalve voldoende grondslag om tot terugvordering over te gaan.
Voorts kan uit de constante jurisprudentie van AR, CRvB en CBB worden afgeleid dat een besluit tot terugvordering een besluit is in de zin van de Awb en dus vatbaar voor bezwaar en beroep, ook als deze beslissing niet op een uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheid tot
Pagina
25/34
terugvordering berust. De bevoegdheid tot terugvordering wordt afgeleid van het algemeen rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald, kan worden teruggevorderd. Het vorenstaande resumerend kan worden gesteld dat artikel 19 van deze verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Een besluit tot terugvordering schept een verplichting tot betaling, maar levert op zich zelf geen executoriale titel op. Indien de belanghebbenden weigert de ten onrechte verstrekte voorziening terug te betalen, dient de gemeente tot invordering over te gaan. Artikel 4:114 Awb biedt de mogelijkheid voor het bestuursorgaan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel in te vorderen. Een dwangbevel levert een executoriale titel op die met toepassing van het Wetboek Rechtsvordering kan worden ten uitvoer gelegd. Met andere woorden, het bestuursorgaan verschaft zich zonder tussenkomst van de burgerlijke rechter een executoriale bevoegdheid. Een zeer ingrijpende bevoegdheid derhalve. In de Awb (artikel 4: 115) wordt daarom bepaald dat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een dwangbevel bij wet moet worden verleend. Blijkens de Memorie van Toelichting dient onder wet te worden verstaat een wet in formele zin. Een wet in formele zin, ook wel formele wet genoemd, is een wet die is vastgesteld door regering en Staten-Generaal.
Tegenover het begrip van wetten in formele zin staat het begrip van wetten in materiële zin. De aanduiding formeel duidt erop dat de bepaling naar wijze van totstandkoming als wet kan worden beschouwd. Het gaat dus om de procedurele en formele aspecten rond de bepaling, niet om haar inhoud. Met een wet in materiële zin worden alle bepalingen bedoeld die naar hun inhoud als een wet gezien kunnen worden, oftewel alle algemeen verbindende voorschriften. De aanduiding materieel duidt erop dat de bepaling naar inhoud als wet kan worden beschouwd. Wetten in formele zin en wetten in materiële zin zijn geen elkaar uitsluitende categorieën. Dikwijls zijn wetten in formele zin tevens wetten in materiële zin. De voorliggende verordening is geen wet in formele zin, maar wel een wet in materiële zin. De genoemde bevoegdheid moet echter – zoals hierboven is aangegeven- worden ontleend aan een wet in formele zin. Dit betekent dat de gemeente zich in dat geval voor de invordering moet wenden tot de burgerlijke rechter. Dit is een tamelijke omslachtige en arbeidsintensieve procedure. Er dient daarom, alvorens hiertoe over te gaan, een kostenbatenanalyse te worden gemaakt. Beleidsvrijheid Het college is bevoegd en dus niet verplicht om tot terugvordering over te gaan. Het college heeft dus beleidsvrijheid.
Hebben gemeenten beleidsvrijheid en nemen ze een voor de burger negatief besluit, dan moeten ze een belangenafweging maken. Heeft een besluit voor een burger nadelige gevolgen, dan mogen die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot het doel van het besluit (artikel 3:4 lid 2 Awb). De gemeente moet bij het nemen van besluiten dus een evenwichtige belangenafweging maken. Daarbij gaat het om besluiten waarbij de gemeente op basis van een wet of een verordening enige beleidsruimte heeft om die afweging te maken. Dit heet discretionaire bevoegdheid. Op 11 oktober 2022 deed de CRvB een belangrijke uitspraak over de toetsing van besluiten van de gemeente aan het evenredigheidsbeginsel (CRvB 11-10-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207). Eerder had de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zich daar ook al over uitgesproken (ECLI:NL:RVS:2022:285). Voorheen kon de gemeente bij het nemen van een besluit volstaan met verwijzen naar het eigen beleid. De rechter moest het besluit in principe respecteren. Dat was alleen anders als het besluit onmiskenbaar onredelijk was. Dit heette marginale toetsing. De ARRvS en de CRvB vinden nu dat de bestuursrechter het besluit van de gemeente uitvoeriger moet toetsen. De gemeente moet het besluit nu volledig toetsen aan de hand van het volgende 3-stappenplan: 1.
Is het besluit geschikt om het doel dat de gemeente voor ogen heeft te bereiken?
Pagina
26/34
2. Is het besluit noodzakelijk om dit doel te bereiken? 3. Heeft de gemeente alle betrokken belangen evenwichtig afgewogen? Terugvorderingsgronden Artikel 19 lid 1 bepaalt dat het college een voorziening voor maatschappelijke participatie kan terugvorderen voor zover deze voorziening ten onrechte is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht. Dit is een bevoegdheid van het college. Er is dus ruimte voor een belangenafweging. Het college dient in deze gevallen eerst op grond van artikel 18 lid 2 een besluit tot intrekking (beëindiging met terugwerkende kracht) te nemen. Artikel 19 lid 2 onderdeel a bepaalt dat het college voorts de voorziening voor maatschappelijke participatie die in het kader van deze verordening is verstrekt kan terugvorderen, indien: deze anderszins ten onrechte is verstrekt, voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Hier is sprake van een zelfstandige terugvorderingsgrond voor het geval waarin (door een fout van het college) per ongeluk een te hoog bedrag is uitbetaald aan belanghebbende. Een voorbeeld: aan de ouders van een kind van 3 jaar oud is een budget voor maatschappelijke participatie ten bedrage van € 250,- toegekend. Het college heeft per abuis € 350,- uitbetaald.
Artikel 19 lid 2 onderdeel a is dus met name bedoeld voor die gevallen waarin er sprake is van een administratieve vergissing. Een nadrukkelijke voorwaarde voor terugvordering in dit geval is dat de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de betaling per abuis heeft plaatsgevonden. Het college hoeft in dit geval geen herzieningsbesluit te nemen. Er is immers sprake van een juist besluit dat niet correct is uitgevoerd. Artikel 19 lid 2 onderdeel b bepaalt dat het college voorts de voorziening voor maatschappelijke participatie die in het kader van deze verordening is verstrekt kan terugvorderen, indien deze anderszins onverschuldigd is verstrekt, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover de voorziening voor maatschappelijke participatie is verstrekt, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de wet (Participatiewet) beschikt of kan beschikken, waardoor de in deze verordening geldende vermogensgrens of inkomensgrens wordt overschreden. Volgens de letterlijke tekst van deze bepaling kan terugvorderen van naderhand verkregen middelen alleen als belanghebbende daadwerkelijk over de in aanmerking te nemen middelen 'beschikt of kan beschikken'.
Gedacht kan worden aan de situatie dat belanghebbende, die per 1 januari 2025 in aanmerking is gebracht voor een vergoeding van het leszwemmen, op 1 april 2026 een erfenis van € 100.000,ontvangt. Belanghebbende heeft dit op 2 april 2026 bij de gemeente gemeld. De aanspraak op de erfenis is ontstaan op 1 mei 2025 (datum overlijden erflater). In dit geval kan het college de vergoeding voor het leszwemmen die is toegekend over de periode van 1 mei 2025 tot 1 april 2026 terugvorderen. Terugvorderen is -zoals reeds vermeld- pas mogelijk vanaf het moment dat belanghebbende daadwerkelijk over de erfenis kan beschikken en dat is 1 april 2026. Daarnaast dient de gemeente de vergoeding van het leszwemmen per 1 april 2026 te beëindigen. Belanghebbende kan namelijk vanaf 1 april 2026 feitelijk beschikken over de erfenis. De erfenis is hoger dan de toegestane vermogensgrens, hetgeen betekent dat belanghebbende vanaf die datum niet meer voldoet aan de criteria van de regeling.
Pagina
27/34
In het derde lid is bepaald dat terugvordering, bedoeld in het eerste lid, niet plaatsvindt, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering. In het vierde lid wordt bepaald dat terugvordering, bedoeld in het tweede lid, niet plaatsvindt, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering. De gemeenteraad vindt het van belang dat belanghebbenden rechtszekerheid wordt geboden over in het verleden verstrekte voorzieningen. Daarom wordt voorgesteld de terugvorderingsperiode te beperken tot 5 jaar, indien als gevolg van de schending van de informatieplicht ten onrechte een voorziening is verstrekt. Als door een andere oorzaak ten onrechte een voorziening is verstrekt, dan wordt de terugvorderingsperiode beperkt tot twee jaar. Hiermee wordt een balans gezocht tussen het belang van de rechtmatige verstrekking van voorzieningen en genoemde rechtszekerheid. Ook wordt met deze regeling aansluiting gezocht bij het wetsvoorstel maatwerk bij terugvordering. Met de zinsnede “betreffende kosten zijn gemaakt” wordt bedoeld: de datum van het besluit waarbij de voorziening voor maatschappelijke participatie is toegekend.
Bijvoorbeeld: als bij besluit van 1 januari 2025 een budget voor maatschappelijke participatie aan een inwoner is toegekend, dan vangt op die datum de vijf- of tweejarige termijn aan waarbinnen het college het ten onrechte verstrekte budget kan terugvorderen. Artikel 20 Vaststelling van het inkomen en vermogen Ingevolge het eerste zijn voor de vaststelling van het inkomen de bepalingen van de Participatiewet onverkort van toepassing. Echter, in het tweede lid is aan het begrip ‘redelijkerwijs kunnen beschikken over het inkomen´, zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet, een ruimere invulling gegeven. Hiervoor is gekozen om personen die in een wettelijk schuldsaneringstraject of in een schuldregelingstraject op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening zitten het recht op een voorziening voor maatschappelijke participatie niet te onthouden. Bij personen die in een schuldsaneringsregeling zitten op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), wordt het inkomen als volgt vastgesteld. Tijdens de schuldsaneringsregeling mag het deel van het inkomen dat naar de boedel gaat en waarover niet beschikt kan worden, niet tot het inkomen gerekend worden. Het vrij te laten bedrag (vtlb) is gebaseerd op de beslagvrije voet en ligt qua hoogte op of rond het bijstandsniveau.
Dit betekent dat personen die in een wettelijk schuldsaneringstraject zitten, ondanks het feit dat hun inkomen hoger kan zijn dan 120% van de geldende bijstandsnorm, toch in aanmerking kunnen komen voor een voorziening voor maatschappelijke participatie. Hetzelfde geldt voor personen die in een schuldregelingstraject zitten op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Ook deze personen hebben gedurende de looptijd van dat traject als beschikbaar inkomen het vtlb dat zoals vermeld op of rond het bijstandsniveau ligt. Bij personen bij wie op het inkomen executoriaal beslag is gelegd, wordt het deel van het inkomen waarover dit beslag zich uitstrekt niet tot het inkomen gerekend, omdat er niet over beschikt kan worden. Vtlb Het vtlb is een van de belangrijkste elementen in de schulphulpverlening. Het bepaalt namelijk hoeveel iemand maandelijks kan aflossen op zijn schuld. Het vtlb wordt bepaald aan de hand van gegevens over de inkomsten en correcties/uitgaven. Het vtlb is opgebouwd uit de volgende onderdelen:
Pagina
28/34
• beslagvrije voet; • nominaal bedrag. Het vtlb wordt dus berekend door bij de beslagvrije voet het zogenaamde “nominale bedrag” op te tellen. Het nominale bedrag bestaat uit bijtellingen waarmee rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de schuldenaar. De beslagvrije voet is het deel van de inkomsten waarop de schuldeiser in feite geen beslag kan leggen. Dit is zo geregeld in de wet, omdat iedereen recht heeft op een bepaald minimuminkomen. Van deze beslagvrije voet moet iemand zijn vaste lasten betalen en voorzien in zijn levensonderhoud. De hoogte van de beslagvrije voet bedraagt in principe 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. Beslagvrije voet is dus het geschatte bedrag dat iemand nodig heeft om van te leven op basis van 95% van de bijstandsnorm en is bestemd voor het betalen van de basiskosten van het levensonderhoud. In enkele gevallen wordt de beslagvrije voet verhoogd of verlaagd. De beslagvrije voet kan hoger worden op grond van hoge huurlasten. De beslagvrije voet kan lager worden als iemand nog andere inkomsten heeft waar geen beslag op ligt. Óf als iemand een partner heeft met een eigen inkomen. Voor het berekenen van de beslagvrije voet is informatie over de leefsituatie en het netto en fiscaal inkomen nodig. De basis voor de beslagvrije voet bedraagt 95% van de bijstandsnorm (art.
475dc Rv) en wordt afhankelijk van de hoogte van het inkomen verhoogd met een compensatiekop (art. 475da Rv). In de berekening van de beslagvrije voet wordt alleen in bijzondere omstandigheden rekening gehouden met bepaalde uitgaven. Daarnaast biedt de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet nog een hardheidsclausule (art. 475fa Rv). Deze is echter niet van toepassing voor de vtlb-berekening. Het nominaal bedrag is de ophoging vanwege het daadwerkelijke bedrag dat iemand in zijn/haar situatie nodig heeft om van te kunnen leven. Het nominaal bedrag verhoogt de beslagvrije voet met de daadwerkelijke kosten. Het gaat hierbij om bijzondere kosten die nodig zijn om in het bestaansminimum te voorzien en alle noodzakelijke kosten te blijven betalen. In het nominaal bedrag zijn correctieposten opgenomen voor de noodzakelijke uitgaven, denk aan arbeidstoeslag, het eigen risico van de zorgverzekering, individuele lasten, kinderopvang en noodzakelijke reiskosten. Voor veel van deze correcties is in de Wsnp toestemming van de rechter-commissaris nodig (art. 295 lid 3 Fw). In het schuldregelingstraject op grond van Wet gemeentelijke schuldhulpverlening moet de schuldhulpverlener zelf beoordelen of de correctie noodzakelijk is en dit in het voorstel aan de schuldeisers toelichten. Dit doet de schuldhulpverlener op basis van het vtlb rapport van Recofa met de daarin beschreven richtlijnen.
Per 1 januari 2021 is een nieuwe correctiepost opgenomen in het nominaal bedrag; de correctie individuele lasten. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet gaat uit van fictieve kosten en berekent de toeslagen op basis van het ingevoerde fiscaal inkomen. In werkelijkheid hebben mensen vaak andere zorg- en woonkosten en bestaat de kans dat er een ander bedrag aan toeslagen wordt ontvangen. De correctie individuele lasten corrigeert hetgeen waar in het beslagvrije voet geen rekening mee is gehouden. Met andere woorden, de correctie individuele lasten is ingevoerd om het verschil te berekenen tussen de fictieve bedragen van zorgkosten, woonlasten en kindgebonden budget waar in de beslagvrije voet mee wordt gerekend en de werkelijke bedragen die men ontvangt en betaalt. De correctie individuele lasten kan zowel een positief als een negatief bedrag opleveren. De berekening van de correctie individuele lasten = A – B
Pagina
29/34
A staat hierbij voor de correcties, gebaseerd op de werkelijke kosten en ontvangen toeslagen. Het gaat dan om de correcties ziektekosten, woonlasten en kindgebonden budget. B staat hierbij voor de compensatiekop die wordt toegekend in de beslagvrije voet. Ingevolge het derde lid zijn voor de vaststelling van het vermogen de bepalingen van de Participatiewet van toepassing, met dien verstande dat het vermogen gebonden in de woning en bijbehorend erf niet als vermogen in aanmerking wordt genomen. In het derde lid wordt dus afgeweken van artikel 34 lid 2 sub d Participatiewet. Artikel 21 Vaststelling van de toepassing zijnde bijstandsnorm Bij het bepalen van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor het verstrekken van een voorziening voor maatschappelijke participatie wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm. De reden hiervoor is dat het verlenen van een voorziening voor maatschappelijke participatie een individueel karakter heeft. De kostendelersnorm (artikel 22a jo.19a van de Participatiewet) houdt rekening met de mogelijkheid om schaalvoordelen te realiseren inzake algemene noodzakelijke bestaanskosten. De kosten verband houdende met maatschappelijke participatie vallen hier niet onder.
Artikel 22 Uitgesloten van een voorziening voor maatschappelijke participatie Studiefinanciering In dit artikel is geregeld dat een belanghebbende geen recht heeft op een voorziening voor maatschappelijke participatie, bedoeld in artikel 4 van deze verordening, indien hij op de peildatum studiefinanciering ontvangt op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Aan het besluit om studenten uit te sluiten van een budget voor maatschappelijke participatie volwassenen liggen de volgende overwegingen ten grondslag: •
Gemeenten hebben op grond van de Participatiewet en de Gemeentewet ruime beleidsvrijheid om zelf te bepalen: ✓ welke minimaregelingen zij aanbieden; ✓ welke inkomensgrenzen en doelgroepen zij hanteren.
•
Het uitsluiten van studenten die studiefinanciering ontvangen past binnen deze beleidsvrijheid, mits dit duidelijk en transparant is vastgelegd in beleidsregels of verordeningen.
•
Het beleid inzake de voorzieningen voor maatschappelijke participatie is bedoeld voor inwoners die langdurig in armoede leven. Studenten bevinden zich doorgaans in een tijdelijke inkomenssituatie met perspectief op verbetering na hun studie.
•
Studenten hebben vaak toegang tot andere kortingsregelingen via onderwijsinstellingen, studentenverenigingen of culturele instellingen. Toegang tot een voorziening voor maatschappelijke participatie zou kunnen leiden tot dubbele ondersteuning.
Pagina
30/34
•
Het inkomen van studenten is moeilijk te toetsen door de combinatie van studiefinanciering, bijbanen en ondersteuning van ouders. Dit maakt het lastig om objectief vast te stellen wie daadwerkelijk in aanmerking zou moeten komen.
•
Studenten kiezen bewust voor een opleiding en de bijbehorende financiële situatie. De gemeente kan stellen dat dit een vorm van eigen verantwoordelijkheid is, waarbij ondersteuning via een voorziening voor maatschappelijke participatie niet noodzakelijk is.
•
Door studenten uit te sluiten, blijft het beleid inzake de voorzieningen voor maatschappelijke participatie overzichtelijk en uitvoerbaar. Het voorkomt een grote toename van aanvragen en administratieve lasten.
•
Gemeentelijke middelen zijn beperkt. Door de doelgroep te beperken tot structurele minima, kan de gemeente de beschikbare middelen effectiever inzetten.
•
Studenten zijn mobiel en wisselen vaak van woonplaats. Dit vergroot het risico op oneigenlijk gebruik van gemeentelijke voorzieningen die bedoeld zijn voor langdurige inwoners.
•
Een heldere afbakening van de doelgroep voorkomt verwarring en teleurstelling bij aanvragers. Dit draagt bij aan transparantie en vertrouwen in het beleid.
•
Het Rijk biedt via DUO een basisvoorziening voor studenten. Gemeenten kunnen hun beleid hierop afstemmen door studenten niet aanvullend te ondersteunen via een voorziening voor maatschappelijke participatie.
Tegemoetkoming scholieren op grond van de WTOS In dit artikel is voorts geregeld dat een belanghebbende geen recht heeft op een voorziening voor maatschappelijke participatie, bedoeld in artikel 4 van deze verordening, indien hij op de peildatum een tegemoetkoming scholieren ontvangt op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). De tegemoetkoming scholieren op basis van de WTOS is een financiële ondersteuning voor scholieren van 18 jaar en ouder die voltijd voortgezet onderwijs volgen in Nederland (zoals vmbo, havo, vwo, vso of vavo). De tegemoetkoming bestaat uit twee onderdelen: - Basistoelage – een vast bedrag dat de scholier altijd krijgt. - Aanvullende toelage – afhankelijk van het inkomen van de ouders van de scholier. Voorwaarden - De scholier moet 18 jaar of ouder zijn. - De scholier volgt een voltijdopleiding in het voortgezet onderwijs. De scholier kan de toelage aanvragen via Mijn DUO met zijn DigiD. De tegemoetkoming gaat in vanaf het kwartaal na de 18e verjaardag. De scholier mag bijverdienen of Wajong ontvangen zonder dat dit invloed heeft op de toelage.
Pagina
31/34
Aan het besluit om personen die een tegemoetkoming scholieren ontvangen op grond van de WTOS uit te sluiten van een budget voor maatschappelijke participatie volwassenen, liggen de volgende overwegingen ten grondslag. •
Gemeenten hebben op grond van de Participatiewet en de Gemeentewet ruime beleidsvrijheid om zelf te bepalen: ✓ welke minimaregelingen zij aanbieden; ✓ welke inkomensgrenzen en doelgroepen zij hanteren.
•
Het uitsluiten van WTOS-ontvangers past binnen deze beleidsvrijheid, mits dit duidelijk en transparant is vastgelegd in beleidsregels of verordeningen.
•
Volgens artikel 15 van de Participatiewet bestaat er geen recht op bijstand als er een voorliggende voorziening is die passend en toereikend is. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de WTOS-basistoelage moet worden beschouwd als een passende en toereikende voorziening voor de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit betekent dat jongeren die WTOS ontvangen in principe niet in aanmerking komen voor aanvullende gemeentelijke inkomensondersteuning via minimaregelingen.
•
Het Nibud wijst erop dat het gemeentelijk minimabeleid vaak leidt tot complexiteit en ongelijkheid tussen gemeenten. Door duidelijke uitsluitingscriteria te hanteren, zoals het uitsluiten van WTOS-ontvangers, kan de gemeente: ✓ de uitvoerbaarheid van het beleid verbeteren; ✓ de administratieve lasten verlagen; ✓ de middelen richten op huishoudens die geen andere inkomensvoorziening hebben.
•
De WTOS bestaat uit een basistoelage (voor levensonderhoud) en een aanvullende toelage (voor schoolkosten). Daarmee is het een gecombineerde inkomensvoorziening die al voorziet in de kosten waarvoor minimaregelingen bedoeld zijn. Het is dus verdedigbaar dat WTOS-ontvangers niet dubbel ondersteund hoeven te worden via gemeentelijke regelingen.
•
Het inkomen van scholieren is moeilijk te toetsen door de combinatie van tegemoetkoming, bijbanen en ondersteuning van ouders. Dit maakt het lastig om objectief vast te stellen wie daadwerkelijk in aanmerking zou moeten komen.
Iemand die een tegemoetkoming scholieren op grond van de WTOS of studiefinanciering ontvangt, heeft dus geen recht op een budget voor maatschappelijke participatie volwassenen. Als die persoon geen partner heeft maar wel minderjarige kinderen, dan kan hij voor zijn kinderen wel een aanvraag doen voor het budget voor maatschappelijke participatie, vergoeding van het leszwemmen voor diploma A of een beroep doen op de computerregeling. Als hij is gehuwd en het inkomen van hem en zijn partner tezamen
Pagina
32/34
is lager is dan 120% van de geldende bijstandsnorm, dan kan de partner wel recht doen gelden op het budget voor maatschappelijke participatie volwassenen. Detentie In onderdeel c en onderdeel d van dit artikel is geregeld dat een belanghebbende geen recht heeft op een budget voor maatschappelijke participatie volwassenen wanneer hij rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Dit betekent dat personen die zijn gedetineerd zijn gesloten van het recht op een budget voor maatschappelijke participatie volwassenen. Ook degene die zich onttrekt aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is uitgesloten. Er zijn uitzonderingen op deze regel: - Personen die buiten een penitentiaire inrichting verblijven, bijvoorbeeld onder elektronisch toezicht of in een zorginstelling, kunnen wel recht hebben op bovengenoemd budget. - Ook personen die op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of de Wet zorg en dwang zijn opgenomen, vallen niet onder deze uitsluiting. Als de belanghebbende is gedetineerd, heeft hij geen recht op bovengenoemd budget. Als hij is gehuwd en zijn partner ontvangt een bijstandsuitkering of een inkomen uit bijvoorbeeld arbeid dat lager is dan 120% van de geldende bijstandsnorm, dan heeft zijn partner wel recht op dit budget. En als ze minderjarige kinderen hebben, dan hebben deze kinderen ook recht op dit budget.
Artikel 23 Indexering Ieder jaar onderzoekt het college of de budgetten, bedoeld in artikel 3 en 4, en de financiële tegemoetkoming, bedoeld in artikel 11, moeten worden aangepast. En als het college besluit tot indexering over te gaan, dan wordt hierbij aansluiting gezocht bij de consumentenprijsindex (CPI) van het CBS. Door indexering zorgt de gemeente ervoor dat de budgetten en de financiële tegemoetkoming gelijke tred houden met de prijsverandering van de goederen en diensten die door de consumenten worden betaald. Artikel 24 Hardheidsclausule Het opnemen van een hardheidsclausule in een regeling opent de mogelijkheid voor een bestuursorgaan om, in gevallen waarin toepassing van de regeling - gegeven de doelstelling en de strekking van die regeling - een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, een onderdeel van die regeling buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. In het algemeen zal de toepassing van een hardheidsclausule beperkt blijven tot individuele gevallen. Onder omstandigheden kan een hardheidsclausule evenwel ook op een concreet te traceren groep van gevallen worden toegepast. Dan zal er overigens al gauw sprake zijn van bestendig beleid dat uiteindelijk in een algemeen verbindend voorschrift (lees: deze verordening) moet worden neergelegd.
Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid ter zake niet aangepast zou moeten worden. De beoordeling of er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, wordt gemaakt met inachtneming van de omstandigheden van het geval. Hierbij worden in ieder geval betrokken: - de omvang van het nadeel dat de betrokkene door de onbillijkheid zou leiden, waarbij mede in aanmerking wordt genomen of daartegenover ook een voordeel voor de betrokkene staat; - de inkomenspositie van de betrokkene;
Pagina
33/34
-
in hoeverre de betrokkene de omvang van het nadeel redelijkerwijs alsnog kan, of had kunnen, beperken.
Artikel 25 Inwerkingtreding Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen nadere toelichting. Artikel 26 Overgangsrecht In het eerste lid is geregeld dat een voorziening voor maatschappelijke participatie, bestaande uit een periodieke vergoeding van de zwemlessen voor het behalen van het Nationale Zwemdiploma A, die op grond van de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon is verleend, ook na de inwerkingtreding van deze verordening blijft doorlopen. De vergoeding van de zwemlessen worden voor maximaal 18 maanden toegekend. Dit betekent dat een belanghebbende die op grond van de Beleidsregels bijzondere bijstand 2025 met ingang 1 juli 2025 tot 1 december 2026 in aanmerking is gebracht voor een vergoeding van de zwemlessen, tot 1 december 2026 recht blijft houden op deze vergoeding. Ook indien hij, gelet op de hoogte zijn inkomen, niet voldoet aan de in verordening vastgelegde inkomenseis (belanghebbende heeft een inkomen dat hoger is dan 120%, doch lager dan 130% van de geldende bijstandsnorm). Artikel 27 Citeertitel Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen nadere toelichting.
Pagina
34/34