CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 Verordening Jeugdhulp 2025

Raad 19 december 2024, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Verordening jeugdhulp 202513.759 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De beoordeling hiervan is onderdeel van het onderzoek dat het college doet nadat er een aanvraag voor jeugdhulp is ingediend. Bij het onderzoek hanteert het college het zogenoemde stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 14 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Het college onderzoekt bij stap 3 welke hulp naar aard en omvang nodig is. In stap 4 wordt vervolgens beoordeeld of er sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen om zelf de

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

21

benodigde hulp en ondersteuning te bieden. Kunnen de jeugdige en ouders dit eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden, dan hoeft het college niet een individuele voorziening te treffen. Uit de Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet volgt dat hierbij een actieve rol van de ouders en de jeugdige past om in eerste instantie te trachten hun problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136). Dat betekent dat het college een individuele voorziening kan weigeren als de jeugdige en ouders, eventueel met behulp van hun sociale netwerk of andere instellingen, kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Dit alles lijkt voldoende om een individuele voorziening te kunnen weigeren. Maar voldoende is dat niet: de verordening moet dit – om rechtszekerheid te bieden – wel vermelden (CRvB 1 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, 1096 en 1097). Ten aanzien van lid 2 het volgende. In de aanhef en artikel 2.1 van de Jeugdwet komt naar voren dat het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, de ouders en het sociale netwerk.

Deze verplichting voor ouders komt ook terug in de artikelen 1:82 en 1:247 Burgerlijk Wetboek. Ouders zijn ervoor verantwoordelijk om hun minderjarige kind te verzorgen, op te voeden en toezicht op het kind te houden. Dat geldt ook wanneer het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Het moet voor ouders en professionals dan ook vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 128 en 135-136). Het college neemt de verantwoordelijkheid van de jeugdige en de ouders zelf als uitgangspunt bij het beoordelen van de eigen kracht. In het derde lid is een aantal afwegingsfactoren opgenomen die de beoordeling van de eigen kracht concretiseren. Samen met het tweede lid vormt dit de invulling die de gemeenteraad geeft aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen in de Jeugdwet. De factoren a tot en met e sluiten aan bij de uitspraak van 17 juli 2019 van de CRvB (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). Bij sub a en b over de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige en de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en duur spelen onder meer leeftijd, problematiek, beperkingen of stoornissen van de jeugdige een rol. Het kan dan gaan om hoeveel hulp de jeugdige nodig heeft, maar ook om de vraag hoe die hulp in de tijd is verdeeld.

Het kan gaan om hulp die direct of op wisselende tijdstippen moet worden geboden. Bij sub c over de mogelijkheden van de ouders wordt meegewogen in hoeverre de ouders voorafgaand aan de aanvraag de hulp al boden en of zij deze hulp kunnen voortzetten. Een andere vraag kan zijn of de aard van de hulp het toelaat dat deze door de ouders wordt geboden. Of dat ouders vanwege het ontbreken van bepaalde deskundigheid of eigen problematiek de hulp niet kunnen bieden. Is er sprake van (dreigende) overbelasting van de ouders, dan wordt eerst onderzocht wat de ouders zelf kunnen doen om de (dreigende) overbelasting op te heffen. Bij sub d over de samenstelling van het gezin en de woonsituatie spelen verschillende factoren een rol om te bepalen wat redelijkerwijs van de jeugdige en de ouders kan worden verwacht. Zijn er

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

22

bijvoorbeeld meerdere kinderen in het gezin, wat is de leeftijd van de kinderen, hebben meerdere kinderen hulp nodig, wat is de aard en omvang van die hulp en op welke tijden is er hulp nodig? Bij sub e over het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen heeft de CRvB op 26 mei 2021 een uitspraak gedaan (CRvB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1327). Daaruit volgt dat de maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouders, zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet, geen ruimte bieden voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen. Een dergelijke vergaande interpretatie vindt volgens de CRvB geen steun in de tekst en ook niet in de geschiedenis van de totstandkoming van de Jeugdwet. Dat betekent dat het college bij het beoordelen van het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen geen financiële draagkrachtmeting uitvoert. Het college doet op basis van sub f ook onderzoek naar de mogelijkheden van het sociale netwerk. Dit wordt expliciet genoemd in de parlementaire geschiedenis bij de Jeugdwet en jurisprudentie van de CRvB (CRvB 14 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Een relevante vraag is dan ook wat de betrokkenheid van het sociale netwerk was voordat de aanvraag werd ingediend.

En kan het sociale netwerk de noodzakelijke hulp bieden of is hiervoor bepaalde deskundigheid vereist? Bij het beoordelen van de eigen kracht speelt ook een rol in hoeverre er gebruik kan worden gemaakt van overige (wettelijke) voorzieningen. Het college onderzoekt volgens sub g of er bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen of overige voorzieningen. Daarnaast wordt onderzocht of een beroep kan worden gedaan op een voorliggende wettelijke voorziening. Denk hierbij aan hulp of zorg vanuit de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of via onderwijswetgeving. Als er sprake is van zorg op grond van de Zorgverzekeringswet wordt ook onderzocht of een beroep kan worden gedaan op een aanvullende verzekering (Rechtbank Oost-Brabant 10 november 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:5828). Tot slot is in sub h. opgenomen dat ook andere omstandigheden een rol kunnen spelen bij het beoordelen van de eigen kracht. Het is niet mogelijk alle denkbare omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de eigen kracht, in regels te vatten. Daarom is onder h. in algemene zin verwezen naar overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders. De term ‘relevante’ vraagt om een inhoudelijke beoordeling van de omstandigheden door het college. Artikel 8. Deskundig onderzoek, deskundige toeleiding en beoordeling Ten aanzien van lid 1 en 2 het volgende.

In de Jeugdwet is in artikel 2.3 opgenomen dat het college waarborgt dat er een deskundige toeleiding is naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening. De CRvB heeft dit ook benoemd in het kader van het zogenoemde stappenplan. Daaruit volgt dat de verschillende stadia van onderzoek vragen om aangepaste deskundigheid. Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid is gewaarborgd. Maar ook dat de deskundigheid kenbaar is voor de hulpvrager (CRvB 14 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). De CRvB heeft hierop expliciet gewezen in zijn uitspraak van 29 mei 2024 (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, r.o. 4.9). Zie ook artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. Zie ook Afdeling 3.3 Algemene wet bestuursrecht. Lid 1 specificeert deze regel voor de uitvoering van de Jeugdwet.

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

23

Ten aanzien van lid 3 het volgende. Veel gemeenten plaatsen de uitvoering van de Jeugdwet ‘op afstand'. Die uitbesteding van taken vindt in allerlei vormen plaats. Soms gaat het alleen om 'voorwerk’, waarbij onderzoek wordt gedaan door een externe organisatie, maar waarbij het college zelf beslist op aanvragen. Een bekend voorbeeld zijn wijkteams, die soms in aparte privaatrechtelijke organisaties zijn ondergebracht. In andere gevallen wordt een gemeenschappelijke regeling in het leven geroepen of wordt een college van een andere gemeente of zelfs een aanbieder gemandateerd om te beslissen op aanvragen. In al deze gevallen moet het college ervoor zorgen dat er geen vermenging van taken plaatsvindt. Advisering, besluitvorming en levering van ondersteuning moeten vanuit oogpunt van zorgvuldigheid onafhankelijk van elkaar worden uitgevoerd. Dit heeft de CRvB expliciet genoemd in zijn uitspraak van 29 mei 2024 (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, r.o. 4.11). Artikel 9. Inhoud beschikking Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen, dient het college een beschikking op te stellen, waartegen de jeugdige of zijn ouders bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht kunnen indienen. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen.

Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. Overeenkomstig de vereisten in de Algemene wet bestuursrecht moeten beschikkingen goed gemotiveerd zijn, tenzij bij toekenning de verwachting is dat die motivering niet nodig is. In die situatie heeft de jeugdige en zijn ouders het recht alsnog een motivering te vragen. Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is hier opgenomen in het belang van inwoners om hen in de verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Indien een jeugdige of zijn ouders in bezwaar en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de inwoner op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep. Een jeugdige of zijn ouders kunnen alleen in bezwaar gaan als er een beschikking is afgegeven.

Zoals gemeld, kan een gemotiveerde beschikking achterwege blijven bijvoorbeeld als het wijkteam direct besluit gevraagde zorg te gaan verlenen. Als er geen gemotiveerde beschikking is afgegeven, kan gevraagd worden om een gemotiveerde beschikking. Daartegen kan bezwaar worden ingesteld. Daarbij wordt opgemerkt dat een bezwaar zich richt tegen de inhoud van de toekenning, niet tegen de uitvoering. Problemen met de uitvoering dienen te leiden tot een klacht bij het wijkteam. Artikel 10. Regels voor pgb Ten aanzien van het eerste lid het volgende. Dit lid dient als facultatief te worden aangemerkt vanwege het feit dat het inhoudelijk niets toevoegt aan de regeling van dit onderwerp van de wet (zie artikel 8.1.1). Een reden om het desondanks toch op te nemen kan gevonden worden in een in

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

24

de verordening meer volledig beeld willen schetsen van het proces en de rechten en plichten van de cliënt. Ten aanzien van het tweede lid het volgende. Op grond van artikel 2.9, onder c, van de wet moeten gemeenten regelen op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld. Dit is in het tweede lid vastgelegd. Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de jeugdige of zijn ouders in staat stellen de jeugdhulp die tot de benodigde individuele voorziening behoort van derden te betrekken (artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet). Er is bewust gekozen geen ‘harde’ vaststaande tarieven op te nemen. Het hanteren hiervan zou er immers toe kunnen leiden dat weliswaar gehandeld wordt overeenkomstig de berekeningswijze en tarieven van de verordening, maar dat de uitkomst een pgb-hoogte is waarmee de jeugdige of zijn ouders niet in staat zijn de benodigde jeugdhulp van derden te betrekken. Om ‘schijnzekerheid’ te voorkomen kiest de gemeente er in plaats daarvan voor om de raad hier de essentialia vast te laten leggen en zo de pgb-verstrekkingsbevoegdheid van het college nader vorm te geven.

In het derde lid wordt geregeld onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het eigen sociale netwerk. In het vierde lid is bepaald dat het college nadere regels kan stellen: a. ten aanzien van bepaling wie tot het sociaal netwerk behoort, de voorwaarden en de eisen aan de inzet van het sociale netwerk. b. ten aanzien van de kwaliteitseisen van pgb. Artikel 11. Opschorting betaling uit het pgb In december 2015 is de Regeling Jeugdwet gewijzigd. Aan artikel 8b, vierde lid, is toen onder andere toegevoegd: De Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) kan een betaling uit het pgb geheel of gedeeltelijk beëindigen, weigeren of opschorten: indien het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, bedoeld in artikel 2.9, onderdeel d, van de wet, de SVB daarom verzoekt. Met opname van dit facultatieve artikel wordt deze mogelijkheid verwezenlijkt. Artikel 12.

Afstemming met gezondheidszorg De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente – namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg en (licht) verstandelijke gehandicaptenzorg (met uitzondering van langdurig instellingszorg) – maar voor een groot deel ook daarbuiten: huisartsenzorg, paramedische zorg(logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medisch specialistische (ziekenhuis-)zorg. Afspraken tussen de gemeente en deze zorgaanbieders (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren) zijn van belang. Artikel 13. Afstemming met sociaal domein gemeente Met de nieuwe Wet maatschappelijk ontwikkeling (Wmo) is de gemeente vanaf 2015 verantwoordelijk geworden voor een breder pakket aan voorzieningen op het terrein van

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

25

maatschappelijk ondersteuning. Hoewel voor de voormalige AWBZ-functie begeleiding een knip gemaakt is bij 18 jaar (begeleiding van jeugdigen valt onder de Jeugdwet, begeleiding van volwassenen onder de nieuwe Wmo) en opvoed- en opgroeiondersteuning van de Wmo naar de Jeugdwet verplaatst is, blijven ook enkele voorzieningen voor jeugdigen onder de Wmo vallen (hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woningaanpassingen). In die gevallen is een goede afstemming gewenst. Daarnaast zullen sommige ouders van jeugdigen te maken krijgen met voorzieningen op grond van de Wmo. De overlap van voorzieningen die de gemeente geacht wordt voor jeugdigen te treffen op grond van de Jeugdwet en op grond van de Participatiewet is naar verwachting beperkt. Arbeidstoeleiding en arbeidsparticipatie begint immers in de regel na 18 jaar. Sommige voorzieningen op grond van de Participatiewet zullen ook voor 16- en 17-jarigen gelden, zoals leerwerktrajecten. Artikel 14. Afstemming met onderwijs en artikel 15. Voorschoolse voorzieningen Voor kinderen die een combinatie van onderwijs, ondersteuning en zorg nodig hebben is veel veranderd door de invoering van de wet Passend Onderwijs per 1-8-2014, de nieuwe Jeugdwet en de decentralisatie van de AWBZ per 1-1-2015. Voorheen werd zorg op school veelal vergoed vanuit de AWBZ.

Vanaf 2015 wordt ondersteuning en zorg vergoed uit verschillende wetten: Wet passend onderwijs, Jeugdwet, Wet langdurige zorg, Zorgverzekeringswet en Wet maatschappelijke ondersteuning. Vaak gaat het bieden van passende onderwijsondersteuning samen met het bieden van zorg vanuit een van de genoemde wetten. Veel problemen van jongeren spelen namelijk zowel thuis als op school als in de vrije tijd, maar worden veelal door verschillende diensten en hulpverleners opgepakt. Er is sprake van versnippering en verkokering tussen de jeugdketen en het onderwijs en binnen de jeugdketen. Het is noodzakelijk dat onderwijs en zorg meer samen optrekken, zodat voor het kind (en het gezin) een meer passend arrangement geboden wordt. Verbinding is noodzakelijk en dat is een uitdaging en een kans. Schoolbesturen en gemeenten hebben gezamenlijk zeggenschap over vrijwel alle ondersteuning en hulp voor jeugdigen, gezinnen en scholen. Het is dan ook van belang van jeugdigen en hun ouders dat goede afspraken hierover gemaakt worden. Artikel 16. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet Deze bepaling is een uitwerking van de bij nota van wijziging ( Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr.

11, artikel D) ingevoegde verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder d, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Ook deze bepaling beoogt het standaardiseren met de regelgeving met betrekking tot de aan elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. In de toelichting op de nota van wijziging is voorts vermeld dat het tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig,

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

26

op te treden tegen onterecht gebruik van individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. De artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 (oorspronkelijk genummerd: 8.1.1a tot en met 8.1.1c) zijn eveneens bij nota van wijziging en ter standaardisering van de regelgeving aan het wetsvoorstel toegevoegd. Het eerste lid berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet. Ook de overige onderdelen van artikel 8.1.2 en artikel 8.1.3 en 8.1.4 geven handen en voeten aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik en zijn opgenomen in deze verordening. De wettekst van de artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 is veelal beperkt tot de pgb. Waar mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d, van de wet, in de verordening uitgebreid tot de individuele voorziening in natura.

Hiervoor kan ook steun gevonden worden in de tekst van de toelichting op artikel 8.1.2, waarbij is vermeld dat de in het eerste lid geregelde inlichtingenverplichting als uitgangspunt heeft dat van de jeugdige en zijn ouders aan wie een individuele voorziening of een daaraan gekoppeld pgb is verstrekt, verlangd kan worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of het beroep op die individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb terecht is gedaan. Indien het de jeugdige of zijn ouders redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb, dienen zij dit onverwijld aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van de voorziening of het daaraan gekoppelde pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen. Het tweede lid is geënt op artikel 8.1.4 van de wet.

Ook hier is de tot de pgb beperkte reikwijdte van artikel 8.1.4 van de wet op grond van het bepaalde in artikel 2.9, onder d, van de wet uitgebreid tot de individuele voorziening in natura. In het derde lid is bepaald dat een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. In het vierde lid is bepaald dat ingeval het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, het bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb of de geldwaarde van de ten onrechte genoten individuele voorziening kan invorderen. Artikel 17. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s In het eerste lid is bepaal dat het college voert een actief fraudepreventiebeleid voert. Onderdeel van dit beleid is dat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

27

In het tweede lid is bepaald dat het college periodiek onderzoek doet naar het gebruik van individuele voorzieningen en pgb's met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. In het derde lid is bepaald dat het college personen aanwijst die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en deze verordening. Gezien het feit dat de verantwoordelijkheid voor het toezien op rechtmatigheid bij de uitvoering van de Jeugdwet op de gemeente rust, ligt het voor de hand om ook een toezichthouder Jeugdwet aan te stellen. Terwijl in de Wmo 2015 het aanwijzen van een of meer toezichthouders door het college een wettelijke verplichting is, kent de Jeugdwet een dergelijke verplichting niet. Het aanwijzen van een toezichthouder is desondanks wel mogelijk, als daarvoor een wettelijke grondslag is (artikel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht). Daarom is in deze verordening geregeld dat het college verplicht is een toezichthouder aan te wijzen. Artikel 18.

Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Op grond van artikel 2.12 van de wet moeten gemeenten, met het oog op gevallen waarin de uitvoering van de wet ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door aanbieders gebeurt, bij verordening regels stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Artikel 2.12 van de wet is bij amendement Ypma en Leijten (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 107) in de wet ingevoegd. De indieners van het amendement hebben in de toelichting bij het amendement verder aangegeven dat gemeenten ten minste een inschatting dienen te maken van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Welke invloeden daarbij worden meegewogen, is ter beoordeling aan de gemeenten. Uitgangspunt is dat de aanbieder personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden.

De gemeente zal zich dus ten minste een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Hiermee wordt voorkomen dat een gemeente alleen de laagste prijs voor de uitvoering van de opdracht beschouwt. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

28

Artikel 19. Kwaliteitseisen jeugdzorg De wetgever heeft in de wet en het uitvoeringsbesluit en bijbehorende kwaliteitskader uitgebreide kwaliteitseisen opgenomen, die gelden voor de jeugdhulpaanbieders. Toezicht hierop is ook belegd bij de rijksinspecties (gezondheidszorg en jeugdzorg). Deze wettelijke eisen gelden alleen voor aanbieders die jeugdhulp aanbieden, niet voor zorgaanbieders van preventie. De kwaliteitseisen en protocollen van jeugdhulpaanbieders worden gedicteerd door beroepscodes, beroepsstandaarden en professionele richtlijnen. Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In de Jeugdwet ligt de toezichthoudende taak, anders dan bij de Wmo, bij de Inspectie Jeugdzorg. Dit artikel regelt een toezichthoudend ambtenaar die meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening in de breedste zin. Artikel 21. Betrekken van verschillende doelgroepen bij de uitvoering van de verschillende wetten en het beleid In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet.

Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Artikel 22. Klachtregeling Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v.

van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

29

Artikel 23. Vertrouwenspersoon In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen Artikel 24. Evaluatie en monitoring Deze bepaling dient als facultatief te worden aangemerkt, omdat de wet hiertoe niet verplicht. Het is aan de raad om te bepalen of zij een evaluatie van de werking van de verordening in de praktijk wenst, en waarop deze dan dient te zien. Deze evaluatie is overigens niet hetzelfde als de evaluatie die op centraal niveau zal plaatsvinden, maar kan wel de daarin verzamelde gegevens benutten. Na aanvaarding van het amendement Bergkamp (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 30) is in artikel 12.2 van de wet opgenomen dat binnen drie jaar na de inwerkingtreding een evaluatie moet plaatsvinden over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Artikel 25. Overgangsrecht Dit artikel spreek voor zich en behoeft daarom geen nadere toelichting. Artikel 26. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen in deze verordening, wanneer toepassing van deze verordening of van de hieruit voortvloeiende nadere regels, wanneer toepassing ervan, leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 27. Intrekking vorige besluiten Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen nadere toelichting. Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen nadere toelichting.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2024

Griffier

Burgemeester

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

30

Verordening jeugdhulp Hollands Kroon 2025

31

Digitaal verzegeld door Zynyo B.V. Datum: 23-12-2024 11:21 CET Document ID: e3f7ef1b-1894-49cb-89c2-e2c6122a152f

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=5cf68825-d87f-4cc4-86e3-a3d2f52769bd