CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 Verordening fysieke leefomgeving 29-11-2023

Raad 14 december 2023, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving18.610 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening fysieke leefomgeving

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

1

De gemeenteraad van Hollands Kroon; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 november 2023; gelet op artikel 108, 147, 149, 149a en 154 van de Gemeentewet, artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet; Besluit: Vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving.

Inhoud Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen .............................................................................................. 4 Hoofdstuk 2 Algemene regels voor het instandhouden, beschermen, onderhoud en beheer van de fysieke leefomgeving................................................................................................................... 5 Hoofdstuk 3 Proces...................................................................................................................... 6 Hoofdstuk 4 Erfgoed ................................................................................................................. 10 Paragraaf 1 Erfgoedregister .................................................................................................... 11 Paragraaf 2 Vergunningplicht................................................................................................. 13 Paragraaf 3 Archeologie ......................................................................................................... 14 Paragraaf 4 Bijzonder erfgoed ................................................................................................ 15 Hoofdstuk 5 Begraven ...............................................................................................................

16 Hoofdstuk 6 Welstand - GERESERVEERD .............................................................................. 17 Hoofdstuk 7 Openbare ruimte .................................................................................................... 17 Paragraaf 1 Buitenruimte ....................................................................................................... 19 Paragraaf 2 Bruikbaarheid en aanzien van de weg of openbare plaats ..................................... 22 Hoofdstuk 8 Openbare orde en veiligheid .................................................................................. 25 Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden ......................................................................... 26 Paragraaf 2 Toezicht op openbare inrichtingen ....................................................................... 26 Paragraaf 3 Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet .......... 28 Paragraaf 4 Toezicht op speelgelegenheden ........................................................................... 28 Paragraaf 5 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid ......................................................... 29 Paragraaf 6 Honden................................................................................................................

30 Paragraaf 7 Vuurwerk en carbid ............................................................................................. 31 Paragraaf 8 Drugsoverlast ...................................................................................................... 32 Paragraaf 9 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente .................................................................................................................... 33 Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

2

Paragraaf 9a Het bewaren van houtopstanden......................................................................... 34 Paragraaf 10 Andere onderwerpen die te maken hebben met de huishouding van de gemeente .............................................................................................................................................. 36 Paragraaf 11 Verbod vuur te stoken........................................................................................ 36 Paragraaf 12 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke ............................. 37 Hoofdstuk 9 Winkeltijden.......................................................................................................... 40 Hoofdstuk 10 Regels over duurzaamheid - GERESERVEERD .................................................. 41 Hoofdstuk 11 Afvalstoffen - GERESERVEERD ....................................................................... 41 Hoofdstuk 12 Havens - GERESERVEERD ............................................................................... 41 Hoofdstuk 13 Toezicht en handhaving ....................................................................................... 41 Hoofdstuk 14 Strafbepalingen ...................................................................................................

42 Hoofdstuk 15 Overgangs- en slotbepalingen .............................................................................. 42 Bijlage: Werkingsgebied Aardkundige waarden ..................................................................... 44 TOELICHTING Verordening fysieke leefomgeving .................................................................. 46

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

3

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Algemene regels voor instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, gelden op dezelfde manier voor deze verordening behalve als hiervoor in deze verordening andere regels worden bepaald.

Artikel 1.2 Begrippen In deze verordening en de daarbij horende regels wordt verstaan onder: Algemene begrippen: a. HIOR: Handboek Inrichting Openbare Ruimte van de gemeente Hollands Kroon. b. Bestaand: het aanwezige legale gebruik dat mag op het tijdstip dat deze beleidsregels ingaan en/of legale bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is volgens een bouw- of omgevingsvergunning of vergunningsvrij was. c.

Bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, die geen gebouw zijn.

d. Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten. e. Bouwvlak: een vlak aangegeven op een kaart, waarmee gronden zijn aangegeven, waar volgens de regels bebouwing mag komen die bij elkaar hoort. f.

Bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Inclusie de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties.

g. Bruidsschat: onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan komen. Dit heet ook wel de 'bruidsschat'. h. Seksinrichting: de voor het publiek bereikbare, besloten ruimte waarin als uitvoering van werk of in een omvang alsof dit uitvoering van werk was, seksuele handelingen worden uitgevoerd, of erotischpornografische vertoningen plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder ook begrepen een erotische massagesalon, wel of niet in combinatie met elkaar. i.

Woning: een geheel van ruimten, alleen bedoeld voor het bewonen door één afzonderlijk huishouden van wie de huisvesting daar, als naar de toegedeelde functie aan de locatie wordt gekeken, wel of niet nodig is.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

4

Hoofdstuk 2 Algemene regels voor het instandhouden, beschermen, onderhoud en beheer van de fysieke leefomgeving Artikel 2.1 Doel van de regels Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te bepalen voor instandhouding, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving.

Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving Iedereen draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Iedereen moet bij zijn activiteiten voldoende zorgen voor de fysieke leefomgeving en toestaan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden.

Artikel 2.3 Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen Iedereen die weet of kan bedenken dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen; die gevolgen zoveel mogelijk te verminderen of terug te draaien; c.

als die gevolgen onvoldoende kunnen worden verminderd; die activiteit niet te doen als dat van hem kan worden gevraagd.

Artikel 2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Degene die een voorwerp heeft geplaatst op een openbare plaats, zorgt ervoor dat: •

het stevig is geplaatst;

•

geen gevaar oplevert voor de (verkeers-)veiligheid;

•

de doorstroming van het verkeer niet belemmert;

•

houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is afgelopen.

Artikel 2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed 1. Het is verboden onroerend cultureel erfgoed, te beschadigen of te vernielen. 2. De eigenaar, gebruiker en/of beheerder van een monument zijn verplicht het onderhoud uit te voeren dat voor de instandhouding daarvan nodig is. 3. De persoon die een activiteit verricht aan of bij een onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijk van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

5

Artikel 2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren De eigenaar, gebruiker en/of beheerder van een perceel zorgt er voldoende voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor andere organisaties of personen.

Artikel 2.7 Zorgplicht voor toestand van wegen Als bij het laden, lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen, dan wel bij andere werkzaamheden, de weg wordt verontreinigd en dat levert gevaar op voor de veiligheid van het verkeer of beschadigingen van het wegdek, dan is degene die die werkzaamheden verricht en zijn opdrachtgever, verplicht de weg onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te laten reinigen.

Artikel 2.8 Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen De eigenaar, gebruiker en/of beheerder van een gebouw zorgt voldoende voor de riolen en putten buiten gebouwen die niet openbaar zijn. Deze mogen geen gevaar opleveren voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor andere organisaties of personen.

Artikel 2.9 Toelatingsplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De zakelijk of persoonlijk persoon die recht heeft op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, veranderd of weggehaald. 2. Dit geldt niet als over het onderwerp iets staat geschreven in de Waterstaatswet 1900 of de Onteigeningswet.

Artikel 2.10 Uitvoeringsregels openbare ruimte Voor activiteiten die invloed hebben op de openbare ruimte zoals het lozen van water, de inrichting van wegen, inrichting van openbaar groen gelden dient het Handboek inrichting openbare ruimte (HIOR) te worden gevolgd.

Artikel 2.11 Verbod oplaten van ballonnen Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen, wenslantaarns en soortgelijke voorwerpen die zonder sturing wegdrijven.

Hoofdstuk 3 Proces Artikel 3.1 Indienen aanvraag vergunning, ontheffing, melding of kennisgeving 1. Een aanvraag voor een vergunning, een melding of een verzoek om ontheffing en de daarbij behorende gegevens en stukken worden ingediend bij het bevoegd gezag via het daarvoor bestemde digitale

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

6

formulier dat beschikbaar is via de landelijke voorziening; Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Als deze weg niet is opengesteld dient het formulier op de website van Hollands Kroon te worden gebruikt. 2. Een aanvraag omgevingsvergunning of ontheffing op grond van deze verordening wordt gezien als een omgevingsvergunning zoals opgenomen in afdeling 5.1 van de Omgevingswet. 3. Een melding dient uiterlijk 4 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager wil starten met de activiteit te zijn ingediend. 4. Voor de evenementenvergunning geldt een afwijkende indieningstermijn op basis van het evenementenbeleid 2024. 5. Bij een vergunningaanvraag voor evenementen moet minimaal worden aangeleverd: a. De naam en het adres van de persoon die het evenement organiseert; b. een plattegrond van de plaats van het evenement en de omgeving met schaal of afmeting; c. de gegevens zoals bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen; d. Een verkeersplan waarin ten minste de inzet van verkeersregelaars, de rijroutes, inclusief aan-, afvoer-, en nooduitgangen zijn opgenomen. 6. In de melding van een betoging staat: a. de naam en het adres van de persoon die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c.

de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van het begin en van de beëindiging;

d. de plaats en, als dat van toepassing is, de route en de plaats van beëindiging; e. als dat van toepassing is, de wijze van samenstelling; f.

de maatregelen die de persoon die de betoging houdt gaat treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

7. De melding voor een grafkelder, gedenkteken en/of grafbedekking moet voldoen aan het Uitvoeringsbesluit gemeentelijke begraafplaatsen. 8. Bij de melding voor carbidschieten dient het volgende te worden aangeleverd: a. een kaart waarop de locatie van dat terrein staat; b. een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein waar dat gebruik zal plaatsvinden; c.

bij het verschieten van voorwerpen moet de schootsrichting zijn aangegeven en de plaats vanwaar geschoten wordt.

9. De aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting bevat in ieder geval: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; c.

de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

10. De aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats bevat in ieder geval: a. Foto van kraam of wagen;

b. De afmetingen van de kraam of wagen; Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

7

c.

Een plattegrond van het perceel, met daarop aangegeven de plaats waar de standplaats wordt ingenomen.

Artikel 3.2 Bevoegd gezag Voor deze verordening is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag, tenzij in een artikel of wetgeving staat dat een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is.

Artikel 3.3 Werking en geldingsduur vergunningen 1. De vergunning is zaakgebonden, behalve als het in deze verordening anders is bepaald. 2. De vergunning geldt voor onbepaalde tijd, behalve als dit in de vergunning of ontheffing anders bepaald is of als de gevraagde vergunning of ontheffing dit niet toelaat. 3. Als het aantal vergunningen of ontheffingen dat verleent kan worden beperkt is, maar er worden meer vergunningen of ontheffingen gevraagd dan kunnen worden verleend, dan geldt een maximale termijn van 5 jaar.

Artikel 3.4 Beslissen 1. Voor een aanvraag omgevingsvergunning of ontheffing op grond van deze verordening gelden de beslistermijnen zoals opgenomen in afdeling 16.5.2 van de Omgevingswet. 2. Aan een vergunning of ontheffing kunnen nadere voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 3.5 Intrekken of wijzigen 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. de vergunning of ontheffing is gegeven vanuit onjuiste of onvolledige ingeleverde gegevens; b. omstandigheden of meningen na verlening van de vergunning of ontheffing zijn gewijzigd, waardoor intrekking of wijziging nodig is om het belang of de belangen van de noodzaak van de vergunning of ontheffing te beschermen; c.

als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d. als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn of bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn. e. als de houder dit verzoekt; f.

het gebruik van de vergunning of ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon- en leefklimaat;

2. Het bevoegd gezag kan de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld wordt in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 3. In aanvulling op het eerste lid kan het bevoegd gezag een verleende omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen geheel of gedeeltelijk intrekken:

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

8

a. als binnen 26 weken en/of de in de vergunning bepaalde periode, de bouwactiviteiten niet zijn gestart; b. als er sprake is van wijziging in wet-, regelgeving of beleid en 26 weken na het onherroepelijk zijn van de verleende vergunning er van de vergunning nog geen gebruik is gemaakt; c.

als er geen sprake is van wijziging in wet-, regelgeving of beleid en twee jaar na het onherroepelijk zijn van de verleende vergunning er van de vergunning nog geen gebruik is gemaakt;

d. als de bouwactiviteiten, langer dan 26 weken en/of de in de vergunning bepaalde periode, hebben stilgelegen. 4. Voor het intrekken van een omgevingsvergunning geldt de volgende procedure: a. Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de reguliere voorbereidingsprocedure: •

Belanghebbenden krijgen, voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken, de gelegenheid om hierover binnen een periode van twee weken hun zienswijzen hierover te geven zoals opgenomen in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht.

•

De gemeente neemt binnen 8 weken na de ontvangst van de zienswijzen een besluit over het intrekken van de omgevingsvergunning volgens deze regels.

•

Het besluit om de omgevingsvergunning in te trekken wordt bekendgemaakt aan vergunninghouder en eventuele derde-belanghebbenden en wordt het op dezelfde manier gepubliceerd als normaal is voor de verlening van gelijkwaardige vergunningen.

b. Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de uitgebreide voorbereidingsprocedure: •

Voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken, wordt het ontwerp van het te nemen besluit zes weken ter inzage gelegd. Hiervoor wordt een kennisgeving van het ontwerpbesluit gepubliceerd op dezelfde manier als normaal is voor ontwerpbesluiten over verlening van gelijkwaardige vergunningen.

•

Belanghebbenden kunnen zowel schriftelijk als mondeling hun zienswijzen over het ontwerp naar voren brengen.

•

Als er geen zienswijzen zijn ontvangen dan neemt de gemeente binnen vier weken nadat de periode voor het insturen van zienswijzen is afgelopen, het besluit.

•

Als er wel zienswijzen zijn ingestuurd dan neemt de gemeente het besluit uiterlijk 12 weken na de terinzagelegging zoals opgenomen in artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht.

•

Het besluit om de omgevingsvergunning in te trekken wordt bekendgemaakt aan de vergunninghouder, eventueel derde-belanghebbenden, en wordt gepubliceerd op dezelfde manier als normaal is voor de verlening van gelijkwaardige vergunningen.

c.

De vergunninghouder krijgt niet de gelegenheid zijn zienswijzen op het voornemen tot stopzetten van de vergunning in te sturen als er zich een situatie voordoet zoals opgenomen in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. In de volgende situaties is sprake van een concreet geval waarvoor een ruimere periode kan worden toegewezen dan gesteld in het derde lid:

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

9

a. De vergunninghouder kan met concrete documenten (geaccepteerde offerte van een bouwondernemer, facturen van bestelde bouwmaterialen en/of hiermee gelijk te stellen documenten) zijn plan tot het starten met het bouwen, aantonen. b. De vergunninghouder kan persoonlijke omstandigheden opvoeren. Bijvoorbeeld een sterfgeval of ziekte in de familie, die aantoonbaar tot uitstel van het bouwen hebben geleid. Een ruimere periode wordt alleen toegewezen als de persoonlijke omstandigheid zich niet meer dan 26 weken voor de start van de intrekkingsprocedure heeft voorgedaan, of deze op dat moment nog voortduurt. 6. Als binnen de ruimere periode, geen begin is gemaakt met het bouwen dan wordt de betreffende omgevingsvergunning, zonder dat het van te voren is aangekondigd, ingetrokken.

Artikel 3.6 Algemene weigeringsgronden 1. Het bevoegd gezag weigert een vergunning of ontheffing: a. als de activiteit niet mag volgens deze verordening of een andere wettelijke regeling; b. als de activiteit niet mag volgens het omgevingsplan of daarop verleende ontheffing; c.

in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld is in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

2. Het bevoegd gezag kunnen een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren als: a. dat naar hun oordeel nodig is voor een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en/of de openbare orde, de bescherming van het milieu of de doelen van de Omgevingswet; b. dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving voor het waarmaken van maatschappelijke behoeften; c.

niet wordt voldaan aan de bij of volgens deze verordening bepaalde eisen om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen.

d. De aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 4 Erfgoed a. Aardkundige waarden: die onderdelen van het landschap die iets vertellen over de natuurlijke ontstaanswijze van een gebied. b. Archeologisch monument: een terrein dat hoort bij cultureel erfgoed omdat daar overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, liggen. c.

Archeologisch onderzoek: werkzaamheden over het bodemarchief die voor de archeologische monumentenzorg door daartoe goedgekeurde instanties, worden uitgevoerd.

d. Archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate, archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn. e. Gemeentelijke adviescommissie: een commissie die adviseert over erfgoed. Deze commissie is ingesteld overeenkomstig afdeling 17.2 van de Omgevingswet.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

10

f.

Gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven.

g. Gemeentelijk erfgoedregister: het register waarin het gemeentelijke erfgoed staat. In ieder geval zijn de gemeentelijke monumenten hierin opgenomen. h. Molenbiotoop: de vrije ruimtes rond de molens die zijn opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. i.

Monument: een onroerende zaak die hoort bij cultureel erfgoed zoals staat in artikel 1.1. van de Erfgoedwet.

j.

Provinciaal beschermd dorps- stadsgezicht: groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden. Een provinciaal beschermd dorps- en/of stadsgezicht is aangewezen in de Provinciale Omgevingsverordening.

k.

Provinciale cultuurhistorische waardenkaart: topografische kaart van het provinciale grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven.

l.

Plan van aanpak archeologisch onderzoek: plan waarin staat hoe een archeologische uitvoerder de vragen die in het programma van eisen staan, beantwoord.

m. Programma van eisen archeologische onderzoek: programma dat door het bevoegd gezag wordt vastgesteld en waarmee grenzen worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek. Het programma dient te voldoen aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. n. Rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten; monumenten die zijn aangewezen volgens artikel 3.1 van de Erfgoedwet. o. Selectiebesluit: nadat er onderzoek is gedaan naar de aanwezige archeologie en advies is gegeven over de waarde ervan, neemt het bevoegd gezag een besluit over hoe er met een vindplaats moet worden omgegaan.

Paragraaf 1 Erfgoedregister Artikel 4.1 Doel aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed 1. Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat onvervangbaar is. Onroerend cultureel erfgoed is van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht, krijgt het erfgoed waar het over gaat, een beschermde status. 2. Dit hoofdstuk gaat uit van artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet.

Artikel 4.2 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het bevoegd gezag houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij van aangewezen gemeentelijke monumenten.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

11

2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a) Gegevens over de inschrijving en kadastergegevens om de gegevens vast te stellen van het aangewezen gemeentelijk monument, archeologische monument en beschermde stads- of dorpsgezicht; b)

afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister zoals staat vermeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet; deze zijn door het bevoegd gezag ontvangen van de minister.

c) de redengevende beschrijvingen voor de monumenten waaruit blijkt welke onderdelen van het monument leiden tot een monumentale status. 3. Het bevoegd gezag kan over het gemeentelijk erfgoed wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 4. Voor de wijziging gelden ook de artikelen 4.4 tot en met 4.9. Dit is niet zoals het bevoegd gezag, de wijziging van ondergeschikte betekenis vinden of dat het erfgoed waarover de aanwijzing gaat al niet meer bestaat.

Artikel 4.3 (Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het bevoegd gezag kan een monument of archeologisch monument aanwijzen als gemeentelijk monument. Dit doen zij als dat monument van bijzonder belang is voor de gemeente door zijn schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. 2. Het bevoegd gezag stuurt het voornemen tot aanwijzing, voor advies aan de gemeentelijke adviescommissie. 3. Het bevoegd gezag maakt de voorgenomen aanwijzing schriftelijk bekend aan alle mensen die een zakelijk recht hebben op de onroerende zaak. Deze mensen staan vermeld in de openbare registers. Dit wordt geregeld in artikel 8 van de Kadasterwet. 4. De aanwijzing bevat: •

in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument;

•

de datum van aanwijzing;

•

de kadastrale aanduiding en

•

een redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument.

5. Het bevoegd gezag kan pas over de aanwijzing besluiten na instemming van de eigenaar. Indien deze niet positief bericht over de aanwijzing, dan wordt de procedure niet voortgezet. 6. Dit artikel is niet van toepassing op: a) rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten b) provinciale monumenten en provinciale archeologische monumenten

Artikel 4.4 Voorbescherming 1. Vanaf de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

12

bedoeld in artikel 4.5 plaatsvindt, of vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 2.5 , 4.6 tot en met 4.9 en hoofdstuk 3 ook van toepassing. 2. De voorbescherming vervalt als de aanwijzing is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. De voorbescherming vervalt ook als het aanwijzingsbesluit wordt ingetrokken of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister 1. Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing bekend aan alle mensen die een zakelijk recht hebben op de onroerende zaak. Deze mensen staan vermeld in de openbare registers. 2. Als de aanwijzing vaststaat, wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 4.6 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het bevoegd gezag kan de aanwijzing van een gemeentelijk monument wijzigen. 2. Het bevoegd gezag vraagt advies aan een gemeentelijke adviescommissie over het plan tot het aanwijzen, het wijzigen en het intrekken van een gemeentelijk monument. 3. De aanwijzing kan worden ingetrokken als het monument waar over de aanwijzing gaat, niet meer bestaat. 4. Artikel 4.3 geldt ook voor het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging volgens het bevoegd gezag van ondergeschikte betekenis is. 5. Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 6. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument waar over de aanwijzing gaat, wordt aangewezen als rijks-of provinciaal monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister als de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen.

Paragraaf 2 Vergunningplicht Artikel 4.7 Advies omgevingsvergunning bouwen, strijdig gebruik en aanleggen gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument Voor het verbouwen, strijdig gebruiken of aanleggen bij een beschermd gemeentelijk, provinciaal monument of rijksmonument is een omgevingsvergunning nodig. Het bevoegd gezag stuurt de volledige aanvraag voor deze vergunning naar de gemeentelijke adviescommissie om hier advies over te vragen.

Artikel 4.8 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument 1. Als er door het bevoegd gezag geen omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is afgegeven of er is wel een omgevingsvergunning afgegeven maar daar wordt van afgeweken, dan is het verboden om dit gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

13

b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. 2. Lid 1 is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud waarbij bijzonderheden, beschrijving, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen; b. veranderingen in het pand wat een onderdeel is van het monument dat, vanuit het oogpunt van monumentenzorg, zonder betekenis is. 3. In het belang van de monumentenzorg kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. 4. Het bevoegd gezag kan bepalen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning meer onderzoek moet doen, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek. 5. De omgevingsvergunning kan alleen worden afgegeven als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

Artikel 4.9 Beschermde structuren (Provinciaal beschermd Dorpsgezicht) 1. Het is verboden bouwwerk in het werkingsgebied beschermde structuur te slopen zonder omgevingsvergunning. 2. De omgevingsvergunning wordt geweigerd als, volgens het bevoegd gezag, de kans niet groot is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of gaat worden gebouwd.

Artikel 4.10 Splitsen karakteristieke gebouwen 1. Dit artikel is opgenomen met het oog op het behouden van karakteristieke panden. 2. Voor het splitsen van een karakteristiek pand, monument of een boerderij van voor 2013 te splitsen in meerdere woningen is een omgevingsvergunning nodig. 3. Naast de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6 kan een vergunning worden geweigerd als uit het erfinrichtingsplan blijkt dat de toekomstige situatie stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is, de locatie van de parkeerplaatsen niet helder is en het aanzicht van het pand en het erf onevenredig worden aangetast.

Paragraaf 3 Archeologie Artikel 4.11 Archeologisch onderzoek. 1. Het bevoegd gezag neemt het selectiebesluit. 2. Het bevoegd gezag kan nadere eisen bepalen voor archeologisch onderzoek. 3. Voordat het archeologisch onderzoek begint moet de verstoorder ter goedkeuring een plan van aanpak inleveren bij het bevoegd gezag. 4. Als het archeologisch veldonderzoek wordt uitgevoerd voor het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 van de Erfgoedwet, stelt het bevoegd gezag een programma van eisen vast.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

14

Artikel 4.12 Aardkundige waarden 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag in een gebied met aardkundige waarden zoals opgenomen in werkingsgebied aardkundige waarden, activiteiten uit te voeren die de waarden beschadigen. De volgende activiteiten vallen hier in ieder geval onder: a. betreden met voertuigen met hoge wiellasten (>40kN) en hoge bandspanningen (200kPA (2 bar)) die ondergrondverdichting veroorzaken; b. installeren van bodemenergiesystemen; c.

ontgronden, egaliseren en afgraven voor commerciële doeleinden;

d. ondergrondse infrastructuur; e. permanente peilverlagingen; f.

storten op of in de bodem of het bedrijven van een stortplaats;

g. graven; h. natuurbouwprojecten ten behoeve van de instandhouding van aardkundige waarden. 2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod, als naar hun oordeel, de aardkundige waarden door de bedoelde handeling minimaal wordt aangetast, of als er sprake is van belangrijke maatschappelijke belangen. 3. Onder een belangrijk maatschappelijk belang, wordt in ieder geval verstaan een aangelegenheid van nationale veiligheid of nationale en regionale infrastructuur. Uit onderzoek moet gebleken zijn dat er geen andere mogelijke locaties of tracés buiten het gebeid met aardkundige waarden aanwezig zijn. Voor het gebied geldt ook dat, als aantasting niet te vermijden is, deze zo klein mogelijk is.

Artikel 4.13 Vrijstelling aardkundige waarden De volgende activiteiten vallen niet onder het verbod zoals opgenomen in artikel 4.11, eerste lid: a. bebouwing en activiteiten binnen een bouwvlak wat is toegestaan volgens het onherroepelijk (tijdelijk) omgevingsplan; b. particuliere tuinaanleg op een bebouwd perceel; c.

onderhoud en revisie aan bestaande boven- en ondergrondse nutsvoorzieningen;

d. agrarische activiteiten op agrarische stukken grond, met uitzondering van het draineren of vlak maken van het terrein; e. installeren, repareren, controleren en onderhoud van winmiddelen binnen het gebied met aardkundige waarden voor de openbare drinkwatervoorziening en noodvoorzieningen; f.

wettelijk verplicht bodemonderzoek en -sanering.

Paragraaf 4 Bijzonder erfgoed Artikel 4.14 Molenbiotoop 1. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de molenbiotoop buiten de bebouwde kom geldt:

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

15

a. Binnen 100 meter rond de molen mag geen bebouwing hoger dan het onderste punt van de verticaal staande wiek worden opgericht. Beplanting mag niet hoger worden dan 1/100 van de afstand tussen beplanting en molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. b. Binnen 100 tot 400 meter rond de molen mag geen bebouwing hoger dan 1/100 van de afstand tussen bouwwerk en molen, gerekend van de onderste punt van de verticaal staande wiek worden opgericht. Beplanting mag niet hoger worden dan 1/100 van de afstand tussen beplanting en molen, gerekend van de onderste punt van de verticaal staande wiek. 2. In afwijking van het bepaalde in het omgevingsplan kan met omgevingsvergunning in of op deze gronden slechts gebouwd worden als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de molen als werktuig en beeldbepalend element.

Artikel 4.15 Bijzonder erfgoed in erfgoedregister Bijzonder erfgoed is opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. De artikelen 4.2 tot en met 4.6 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5 Begraven a. Asbus: een bus waarin de as van een overledene bewaard wordt. b. Begraven: het begraven van stoffelijke overschotten in grafruimten. c.

Gedenkteken: een voorwerp op het graf voor het aanbrengen van teksten of voorwerpen. Hieronder vallen ook kettingen en hekwerken.

d. Graf: een plaats in de grond of in een kelder waar een lichaam of de restanten daarvan, na het overlijden wordt neergelegd. e. Grafbedekking: gedenkteken, monument, grafbeplanting of andere bedekking op een graf, een urnen-nis of in de urnentuin. f.

Grafkelder: een betonnen of gemetselde vorm waarin één of meerdere stoffelijke overschotten worden begraven of as-bussen worden bijgezet. Grafkelders kunnen onderdeel zijn van een muur of wand die boven de grond staat.

g. Stoffelijk overschot: een lijk zoals wordt beschreven in artikel 2, eerste lid sub a, van de Wet op de lijkbezorging.

Artikel 5.1 Doel De gemeentelijke begraafplaatsen zijn bedoeld voor: a. het begraven en begraven houden van stoffelijke overschotten; b. het begraven en begraven houden, bijzetten en bijgezet houden van as-bussen; c.

het verstrooien van as van personen.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

16

Artikel 5.2 Openstelling begraafplaatsen 1. De begraafplaatsen zijn dagelijks te bezoeken vanaf het moment dat de zon opkomt tot het moment dat de zon weer ondergaat. Als op een begraafplaats andere bezoektijden gelden dan staat dat bij de begraafplaats vermeld. 2. Om de orde en rust op de begraafplaats(en) te bewaren kan het bevoegd gezag de toegangen tijdelijk sluiten. 3. Als de begraafplaats(en) niet voor het publiek geopend is (zijn), mogen mensen daar niet zijn. Dit mag wel als mensen daar zijn voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as.

Artikel 5.3 Onderhoud Het bevoegd gezag kan in een uitvoeringsbesluit meer regels stellen voor zaken die nodig zijn voor het verzorgen en het onderhoud van de begraafplaatsen.

Artikel 5.4 Uitvoering grafkelders, gedenktekens en grafbedekking 1. Een grafkelder, gedenkteken en/of grafbedekking op de begraafplaats mag alleen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden in het Uitvoeringsbesluit gemeentelijke begraafplaatsen. Hiervoor dient een melding te worden ingediend. 2. De melding moet voldoen aan de regels zoals opgenomen in artikel 3.1.1 en 3.1.7. 3. Anders dan in lid 1 staat omschreven, zijn ondergrondse grafkelders niet mogelijk op de begraafplaats in Middenmeer en de begraafplaatsen op het eiland Wieringen.

Hoofdstuk 6 Welstand - GERESERVEERD Hoofdstuk 7 Openbare ruimte In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet, bij hun besluit van:

c.

18 februari 1989 (gemeente Wieringermeer); 12 januari 2004 (gemeente Niedorp); 12 juli 2001 (gemeente Wieringen); 18 augustus 2005 (gemeente Anna Paulowna).

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden.

d. Consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk zoals dat is opgenomen in artikel 1 van het Vuurwerkbesluit.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

17

e. Evenement: een locatie of inrichting ingericht voor vermaak en toegankelijk voor publiek zoals: •

een braderie;

•

een optocht op de weg die niet bedoeld is als een betoging zoals staat in artikel 7.15;

•

een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

•

een klein evenement zoals een straatfeest of een buurtbarbecue op een dag;

•

een herdenkingsplechtigheid.

Dit geldt niet voor:

f.

•

bioscoopvoorstellingen;

•

markten zoals staat in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

•

kansspelen zoals staat in de Wet op de kansspelen;

•

het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

•

betogingen, samenkomsten en vergaderingen zoals staat in de Wet openbare manifestaties;

•

activiteiten zoals staat in artikel 8.7 van deze verordening.

Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

g. Houder van een inrichting: de persoon die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of op een andere manier een inrichting drijft. h. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; i.

Kampeermiddel: een caravan, tent of ander onderkomen bedoeld voor recreatief nachtverblijf, dat gelet op zijn constructie, omvang en vorm geschikt is om te worden vervoerd.

j.

Kampeerterrein: terrein of plaats geheel of gedeeltelijk ingericht en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief (nacht)verbijf.

k. Openbare inrichting: De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt en/of dranken worden geschonken en/of rookwaren of spijzen voor consumptie worden verstrekt of bereid. Een openbare inrichting zijn in ieder geval: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis. Een openbare inrichting is ook het bijbehorende terras en eventuele andere buitenactiviteiten die bij deze afgesloten ruimte horen. Ook een inrichting waar logies wordt geboden, maar die niet als voor publiek toegankelijk kan worden aangemerkt is een openbare inrichting. l.

Openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg.

m. Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. n. Parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

18

o. Speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. p. Standplaats: een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plek waar mensen spullen of hulp te koop aanbieden, verkopen of afleveren. Er wordt dan bijvoorbeeld gebruik gemaakt van een kraam, een wagen, een tafel of een hiermee vergelijkbaar object. Onder standplaats wordt niet verstaan: ▪

een vaste plaats op een jaarmarkt of markt zoals staat in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

▪

een vaste plaats op een evenement zoals staat in artikel 7.2.

q. Terras: een plek buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen betaling dranken kunnen worden geschonken of eten kan worden bereid of aangeboden wat direct kan worden gegeten. r.

Kampeerterrein; een terrein dat als zodanig in het omgevingsplan, een exploitatieplan, een voorbereidingsbesluit of aanwijzingsbesluit is toegestaan.

s.

Voertuig: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

t.

Weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Paragraaf 1 Buitenruimte Artikel 7.1 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp, modder op de weg De eigenaar van een perceel of voorwerp is ervoor verantwoordelijk dat beplanting en voorwerpen het vrije uitzicht voor het wegverkeer of algemeen gebruik van de openbare ruimte niet belemmert of op een andere manier hinder of gevaar opleveren. Artikel 7.2 Het plaatsen van voorwerpen op openbare plaatsen of gebruik in strijd met de publieke functie daarvan 1. Het is niet toegestaan de openbare weg, een gedeelte van de openbare weg of een openbare plaats die in beheer is van de gemeente anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a. dat schade toebrengt aan de weg of openbare plaats; b. dat een gevaar oplevert voor het gebruiken van de weg of openbare plaats of voor het doelmatig en veilig kunnen gebruiken van de weg of openbare plaats; c.

de weg of openbare plaats niet kan worden verzorgd en onderhouden;

d. de inrichting en/of het gebruik afwijkt van de publieke functie en openbare bestemming. 2. Burgemeester en wethouders kunnen, als dat nodig is voor de openbare orde of de woon- en leefomgeving, nadere regels bepalen voor terrassen en uitstallingen. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het plaatsen van tweevlaks- of driehoeksborden en spandoeken in het kader van niet commerciële overheidscampagnes, culturele- of sportevenementen in

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

19

en ten behoeve van de gemeente Hollands Kroon, alsmede alle verkiezingen, indien (voor wat betreft de borden) aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. een maximale breedte van 1,0 meter en een maximale hoogte van 1,35 meter; b. de onderzijde van het bord niet hoger dan 0,5 meter boven de grond is geplaatst; c.

niet meer dan 5 per kern per overheidscampagne of cultureel- of sportevenement;

d. de borden binnen een week na het culturele of sportevenement worden verwijderd; e. de borden ingeval van overheidscampagnes en verkiezingen na plaatsing gedurende een periode van maximaal 4 weken worden verwijderd. 4. Burgemeester en wethouders kunnen het aanbrengen van de borden en spandoeken als bedoeld in lid 3 verbieden als: a. Het gebruik schade toebrengt aan de weg; b. Het gebruik een gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg; c.

de weg niet kan worden verzorgd en onderhouden;

d. het bord is geplaatst aan een lichtmast met bewegwijzering of lichtbak. 5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in lid 1 genoemde verbod. 6. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik als het gaat om lichtreclame of de opslag van materialen. 7. Het verbod geldt niet voor evenementen en standplaatsen. 8. Het verbod geldt niet als er voor in het daarin genoemde onderwerp, al iets is geregeld in de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of de Wegenverordening Noord-Holland.

Artikel 7.3 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Voor het aanleggen van een weg, het opbreken daarvan, het graven of spitten daarin, aard of breed van de wegverharding te veranderen, te verharden of veranderingen aan te brengen in de wijze van aanleg van de weg is een omgevingsvergunning nodig. 2. De omgevingsvergunning is niet nodig voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 3. De omgevingsvergunning is niet nodig als er voor in het daarin genoemde onderwerp al iets is geregeld in het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening NoordHolland, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde verordeningen.

Artikel 7.4 Maken, veranderen van een uitweg 1. Voor het maken van een uitweg naar de weg of een verandering in een bestaande uitweg is een omgevingsvergunning nodig. 2. De omgevingsvergunning wordt verleend als: a. daardoor het verkeer op de weg niet in gevaar wordt gebracht; b. het doelmatig gebruik en bruikbaarheid van de weg niet worden aangetast;

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

20

c.

hierdoor niet onnodig een openbare parkeerplaats in gebruik wordt genomen;

d. het openbaar groen daardoor niet op een manier wordt aangetast die niet goed is; e. een perceel niet al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van een tweede uitweg, een openbare parkeerplaats of openbaar groen wordt verwijderd. 3. Een omgevingsvergunning is niet nodig als over het daarin genoemde onderwerp al iets is geregeld in de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapsverordening of de Wegenverordening Noord-Holland.

Artikel 7.5 Parkeren 1. De parkeernormen worden bepaald aan de hand van de beleidsregels ‘Parkeerregels Hollands Kroon 2018’ en eventuele wijzigingen van deze regeling.

2. Een parkeerplaats voor personenauto’s op het eigen terrein telt mee bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen als: a. deze een minimale afmeting heeft van 2,5 x 5 meter voor haaksparkeren en 2 x 6 meter bij langsparkeren. b. De parkeerplaats moet direct vanaf de openbare weg toegankelijk zijn. c.

De eigenaar van het perceel/gebruiker moet deze parkeerplaats in stand houden.

3. Bij alle gebouwen moeten volgens de Leidraad Fietsparkeren (CROW 2010) voldoende fietsparkeerplaatsen aanwezig te zijn voor werknemers en bezoekers.

Artikel 7.6 Voertuigwrakken 1.

Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets dat rij-technisch slecht is onderhouden en zich in een verwaarloosde toestand bevindt, op de weg te parkeren of te laten staan.

2.

Het verbod voor voertuigen is niet van toepassing op situaties waarvoor al iets is geregeld in de Wet milieubeheer.

3.

Het bevoegd gezag kan in de openbare ruimte plaatsen aanwijzen waar het verboden is om fietsen of bromfietsen onbeheerd te laten staan. Het bevoegd gezag doet dat om: a. het uiterlijk beeld van de gemeente mooi te houden; b. overlast te voorkomen of te stoppen; c.

schade aan de openbare gezondheid te voorkomen.

Artikel 7.7 Kampeermiddelen e.a. 1. Voertuigen voor recreatie en/of andere voertuigen die niet bedoeld zijn om zelfstandig mee te rijden mogen op de openbare weg worden geplaatst onder de volgende voorwaarden: a. niet langer dan 7 aaneengesloten dagen op de openbare weg binnen de bebouwde kom; b. het voertuig staat niet op een plaats die door het bevoegd gezag is aangewezen als plek waarvoor de plaatsing schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het bevoegd gezag kan in bijzondere situaties ontheffing te verlenen.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

21

Artikel 7.8 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden om een voertuig dat inclusief lading, een lengte heeft van meer dan 6,4 meter of een hoogte van meer dan 2,9 meter, te parkeren op de openbare weg binnen de bebouwde kom. 2. Het verbod geldt niet op de locaties die in het uitvoeringsbesluit: ‘kaart vrachtwagen parkeerplekken’ aangegeven staan. Deze kaart is toegevoegd als bijlage bij de Verordening. 3. Het verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. Het bevoegd gezag kan in bijzondere situaties ontheffing te verlenen.

Artikel 7.9 Laden en Lossen 1. Het laden en lossen van goederen moet op eigen terrein plaatsvinden. 2. Als laden en lossen op eigen terrein niet mogelijk is kan onder de volgende voorwaarden worden afgeweken: a. geen hinder voor de omgeving; b. geen sprake van verkeersonveilige situaties.

Paragraaf 2 Bruikbaarheid en aanzien van de weg of openbare plaats Artikel 7.10 Overnachten in een kampeermiddel 1. ’s Nachts mag alleen in een kampeermiddel worden verbleven als: •

dat op een kampeerterrein staat, of;

•

dat staat op eigen terrein.

2. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen voor een ander terrein voor maximaal vier aaneengesloten dagen. Indien de ontheffing wordt aangevraagd door een groep of vereniging, dan moet dit in combinatie met een aanvraag voor een evenementenvergunning.

Artikel 7.11 Handelsreclame 1. Voor het plaatsen van handelsreclame is een omgevingsvergunning nodig. 2. Reclameborden zijn alleen op eigen terrein toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. niet hoger dan 1 meter; b. de oppervlakte is niet meer dan 2 m². c.

Binnen een beschermd dorpsgezicht of welstandsintensief gebied moet de plaatsing voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Langs wegen zijn reclameborden waarop filmpjes worden vertoond niet toegestaan. Wisselen van beelden mag wel, als er niet te vaak wordt gewisseld.

d. De handelsreclame is gelijk aan de rijbaan en in één blik zichtbaar. e. Seks, religie of handelsreclame in strijd met de goede zeden is niet toegestaan. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is het plaatsen van tijdelijke handelsreclame binnen de bebouwde kom niet toegestaan. Dit verbod geldt niet als lid 4 van toepassing is.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

22

4. Voor het plaatsen van tijdelijke verplaatsbare handelsreclame binnen de bebouwde kom is geen omgevingsvergunning nodig wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. niet meer dan 1 per kern; b. de plaatsing het doelmatig en veilig gebruik en het onderhoud van de weg niet belemmert; c. de handelsreclame na plaatsing gedurende een periode van maximaal 2 weken wordt verwijderd; d. bij plaatsing op gemeentegrond een melding gebruik gemeentegrond moet zijn gedaan, minimaal 4 weken voor plaatsing van de handelsreclame; e. maximale hoogte 3 meter gemeten vanaf het maaiveld en een oppervlakte van maximaal 9 m2.

Artikel 7.12 Standplaatsvergunning 1. Voor het innemen van een standplaats is een vergunning nodig. 2. Een vergunning voor een vaste standplaats wordt verleend voor maximaal vijf jaar; 3. Naast de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6 kan de vergunning ook worden geweigerd als er door bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente te veel aanbod is uit één tak van handel. 4. Een vergunning is niet nodig voor zover er op basis van andere wetgeving een vergunning is verleend voor deze activiteit.

Artikel 7.13 Crossterreinen 1. Het is verboden op een terrein dat geen weg is met een motorvoertuig of een bromfiets: a. een wedstrijd te houden of een wedstrijd voor te bereiden; b. een trainings- of proefrit te houden, te organiseren of daaraan deel te nemen. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet als hiervoor al iets is geregeld in het Omgevingsplan, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 7.14 Evenement 1. Voor het organiseren van een evenement is een vergunning van de burgemeester nodig. 2. Er is geen vergunning, maar een melding nodig als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Er zijn niet meer dan 100 personen aanwezig; b. Het evenement gebeurt tussen 13.00 en 23.00 uur op één dag; c. Er wordt geen muziek gemaakt voor 13.00 uur of na 23.00 uur; d. Het evenement vindt niet plaats op de weg, (brom)fietspad of parkeerplaats of iets anders zodat het een hindernis vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; e. Er worden alleen kleine objecten met een oppervlakte van minder dan 10 m² per object geplaatst; f.

Er is een organisator;

g. De organisator het evenement minstens vier weken voor de start meldt aan de burgemeester; h. De melding voldoet aan de regels die zijn opgenomen in artikel 3.1.4.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

23

3.

Een vergunning is niet nodig voor een wedstrijd op of aan de weg als hiervoor een ontheffing is verleend door de minister op basis van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 7.15 Melding betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die een betoging organiseert op een openbare plaats moet 48 uur voordat de betoging wordt gehouden een melding doen bij de burgemeester. 2. De melding voldoet aan de regels die zijn opgenomen in artikel 3.1.4 en 3.1.5. 3. De persoon die het bericht heeft gestuurd, ontvangt een bewijs waarin het tijdstip van het bericht staat. 4. Als de 48 uur voor de betoging valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag dan wordt het bericht 3 dagen voordat de betoging wordt gehouden (om uiterlijk 12.00 uur) gestuurd. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde periode verkorten en een mondeling bericht in behandeling nemen.

Artikel 7.16 Maatregel collectieve festiviteiten 1. Het bevoegd gezag kan collectieve festiviteiten aanwijzen zoals opgenomen in artikel 22.73 en 22.239 van de Bruidsschat. 2. Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing van de collectieve festiviteiten ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 3. Het bevoegd gezag kan, als een collectieve festiviteit onverwacht wordt georganiseerd, een festiviteit meteen aanwijzen als collectieve festiviteit zoals staat in het eerste lid. 4. Op de dagen zoals aangewezen in het eerste lid zijn de geluidwaarden als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing. 5. De verlichtingsnormen ten behoeve van sportbeoefening op sportterreinen, als bedoeld in artikel 22.239 van de Bruidsschat, gelden niet bij collectieve festiviteiten.

Artikel 7.17 Organiseren incidentele festiviteiten 1. Een openbare inrichting mag maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar organiseren. De normen zoals die staan in de artikelen 22.73 en 22.239 van de Bruidsschat zijn van toepassing. 2. De organisator van een incidentele festiviteit dient een ontheffing aan te vragen. 3. De aanvraag voor de ontheffing moet voldoen aan de regels in artikel 3.1.4. 4. Het bevoegd gezag kan, als een incidentele festiviteit onverwacht wordt georganiseerd, een festiviteit meteen aanwijzen als gezamenlijke festiviteit zoals opgenomen in het eerste lid. 5. Op de dagen zoals opgenomen in het eerste lid zijn de geluidwaarden als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing. 6. Bij het laten horen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Verordening fysieke leefomgeving, versie 2.1

-

24

7. Naast de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6 kan de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verbieden wanneer het maximum aantal toegestane incidentele festiviteiten wordt overschreden.

Artikel 7.18 Natuurlijke behoefte doen Het doen van de natuurlijke behoefte binnen de bebouwde kom mag alleen op de daarvoor bestemde plaatsen.

Hoofdstuk 8 Openbare orde en veiligheid a. Bezoeker als bedoeld in paragraaf 12: degene die niet beroepsmatig aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: •

de exploitant

•

de beheerder

•

de prostituee

•

het personeel dat in de seksinrichting werkt

•

toezichthouders die zijn aangewezen volgens hoofdstuk 13 van deze verordening en andere personen waarvan de aanwezigheid in de seksinrichting om dringende redenen nodig is.

b. Beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitvoert, dan wel uitvoeren in een seksinrichting of escortbedrijf; c.

Escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die als uitvoering van werk of in een omvang alsof dit uitvoering van werk was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgevoerd.

d. Exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf leidt, dan wel leiden om er winst mee te maken. Dit is ook de persoon die namens de rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen spreekt. e. Hoogdrempelige inrichting: inrichting zoals staat in artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen.

f. Kansspelautomaat: automaat zoals staat in artikel 30, onder c. van de Wet op de kansspelen. g. Kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. h. Laagdrempelige inrichting: inrichting zoals staat in artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen. i.

Para-commerciële rechtspersonen: sportverenigingen, clubhuizen, wijkgebouwen, dorpshuizen, culturele instellingen, kerkgenootschappen en verzorgingshuizen die in eigen beheer een kantine exploiteren waar tegen betaling alcoholhoudende drank wordt verstrekt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=0cbe611e-e356-43d7-aeec-9036490d5036