CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting Polderweg 1 2021-12-14.pdf

Raad 23 juni 2022, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Bestemmingsplan Polderweg 1 Hippolytushoef17.881 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zien toe op transportroutes met gevaarlijke stoffen en op transport via buisleidingen).

Conclusie

Wettelijk kader

35

De risico’s worden beoordeeld op twee maatstaven; het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het PR geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk zijn. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde. Ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de het invloedsgebied van risicovolle activiteiten moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden van het groepsrisico. De verantwoording bevat de volgende elementen: - de personendichtheid; - de hoogte van het groepsrisico; - maatregelen ter beperking van het groepsrisico; - de voor- en nadelen van alternatieve locaties; - de mogelijkheden voor bestrijding van calamiteiten; - de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. Beoordeling

Binnen het plangebied wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar de bestemming ‘maatschappelijk’ en worden 10 wooneenheden ten behoeve van begeleid wonen gerealiseerd. Binnen het plangebied worden er daardoor twee kwetsbare objecten toegevoegd aan het gebied. Het plangebied bevindt zich niet binnen de 10-6 contour (+900 meter) van een gevaarlijke inrichting, buisleiding (+ 1 km) of route gevaarlijke stoffen. Evenmin bevindt het plangebied zich binnen de invloedssfeer van dergelijke inrichtingen, buisleidingen en routes. Zie ook navolgende uitsnede van de risicokaart. Een verantwoording van het groepsrisico is hierdoor niet vereist.

Uitsnede verbeelding Risicokaart zie voor locatie plangebied rode punaise

36

Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.1.5 Bodem Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. Voor het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Geofox-Lexmond B.V. (bijlage 2)4. In de zintuiglijk bovengrond zijn bij het chemisch onderzoek lichte verontreinigingen met minerale olie en PAK gemeten. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen met de onderzochte parameters aangetoond. In de puinhoudende bovengrond is een matig verhoogd gehalte chroom gemeten. Tevens zijn lichte verontreinigingen met kwik, lood, zink en PAK aangetoond. Het matig verhoogde gehalte chroom in de grond geeft formeel aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Gezien de waarschijnlijke relatie met de aanwezigheid van puin, en het vermoedelijke heterogene karakter van de verontreiniging en de aard van het onderzoek (eigendomsoverdracht) wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Wettelijk kader

Beoordeling

De schuur en de woning binnen het plangebied zijn in de nacht van 1 op 2 april 2008 afgebrand. Naar aanleiding daarvan is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd5 door BK Bodem welke als bijlage 3 is opgenomen bij deze toelichting. In dit verkennend onderzoek is de grond aan de zuidoostelijke zijde van de schuur onderzocht op asbest. Dit deel van de locatie is benoemd als RE1. De noordwestelijke zijde van de schuur is verhard met beton en is niet onderzocht op asbest. Er zijn gewogen concentraties hecht gebonden chrysotielasbest boven 1.000 mg/kg als in de contactzone (0,0 - 0,5 m -mv) aan de oostzijde van de schuur aangetoond. Deze sterke asbestverontreinigingen komen heterogeen verspreid langs de watergang voor. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest in de grond. Geadviseerd is om een nader onderzoek conform NEN 5707 uit te voeren. Met dit onderzoek kan de totale omvang van de asbestverontreiniging in de bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) en de onderliggende bodemlaag (0,5-1,0 m -mv) op aangrenzende delen van de locatie vast te stellen.

4 5

Juni 2005 1 augustus 2011

37

Uitsnede kaart behorende bij verkennen asbestonderzoek, bron: verkennend asbestonderzoek BK Bodem 1 augustus 2011

Op 22 april 2020 heeft BK Ingenieurs B.V. de rapportage aanvullend asbestonderzoek opgeleverd. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting. Met dit onderzoek is de aard, mate en omvang van de asbestverontreiniging op de locatie Polderweg 1 te Hippolytushoef grotendeels vastgelegd. De horizontale verspreiding van de totale verontreiniging met asbest bedraagt circa 200 m2, hiervan is circa 140 m2 sterk verontreinigd met asbest. Deze sterke bodemverontreiniging bevindt zich nabij de zuidoosthoek van de loods vanaf maaiveld tot 0,5 en gedeeltelijk tot 1,3 m -mv. De totale omvang van de asbestverontreiniging in bodem wordt geschat op 275 m3, hiervan is circa 200 m3 sterk verontreinigd met asbest. Op de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (met asbest) en bijbehorende sanerings- noodzaak. De sterke bodemverontreiniging met asbest bevindt zich (ook) in de bovenste 0,5 m van de bodem waarbij geen sprake is van volledige dichte vegetatie. De gewogen gehalten aan hechtgebonden asbest zijn hoger dan 1.000 mg/kg ds, hierdoor is mogelijk sprake van onaanvaardbare risico’s.

38

Uitsnede kaart behorende bij aanvullend asbestonderzoek, BK Ingenieurs B.V. 22 april 2020 Door de aanwezigheid van asbest in de bodem van de planlocatie dient deze door middel van het duurzaam afdekken en/of door het ontgraven en afvoeren te worden gesaneerd. Via het Bouwbesluit en de Wet Bodem zijn er voldoende waarborgen die ervoor zorgen dat het woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Zo mag het perceel conform het Bouwbesluit pas in gebruik worden genomen als de locatie waar asbest is geconstateerd is gesaneerd. Het aspect bodem is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.1.6 Geluid De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Voor wegen tot 30 km/uur is geen geluidszone van toepassing. Voor wegen met een maximumsnelheid tot 30 km/uur is geen geluidszone van toepassing. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de deze wet zijn vastgelegd. Het akoestisch onderzoek heeft tot doel inzicht te verschaffen in de geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe geluidgevoelige objecten, gelegen in het plangebied.

Het gaat hierbij om de geluidbelasting ten gevolge van de Polderweg en de Burgerweg.

Conclusie

Wettelijk kader

Beoordeling

Ten gevolge van de Burgerweg is de hoogste berekende geluidbelasting op de beoordelingspunten 28 dB inclusief 5 dB aftrek ex artikel 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de beoordelingspunten derhalve niet overschreden. Ten gevolge van de Polderweg is de hoogste berekende geluidbelasting op de beoordelingspunten 47 dB inclusief 5 dB aftrek ex artikel 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de beoordelingspunten derhalve niet overschreden.

39

Geluidsniveau 1,5 meter, bron: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Anteagroup 15-04-2021 Kijkend naar de geluidniveaus op het perceel kan worden geconcludeerd dat de maximale ontheffingswaarde alleen op de noordelijke rand van het perceel wordt overschreden. Op het overgrote gedeelte van het perceel blijft de geluidbelasting als gevolg van de Polderweg onder de voorkeursgrenswaarde. Voor de geluidniveaus op 1,5 meter geldt dat vanaf circa 5 meter vanaf de wegrand gebouwd kan worden na het vaststellen van een hogere waarde. Vanaf circa 11 meter is de geluidbelasting lager dan 48 dB en kan gebouwd worden zonder dat er een hogere waarde dient vastgesteld te worden. Voor de geluidniveaus op 4,5 meter geldt dat vanaf circa 3 meter vanaf de wegrand gebouwd kan worden na het vaststellen van een hogere waarde. Vanaf circa 12 meter is de geluidbelasting lager dan 48 dB en kan gebouwd worden zonder dat er een hogere waarde dient vastgesteld te worden. Aangezien de bedrijfswoning en zorgwooneenheden buiten de geluidscontouren worden gebouwd is er geen ontheffing hogere geluidswaarde nodig. Als kanttekening moet geplaatst worden dat voor de Polderweg dezelfde verkeersgegevens zijn gebruikt als voor de Burgerweg. Indien de intensiteiten van de Polderweg hoger liggen dan de Burgerweg zou de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de bedrijfswoning overschreden kunnen worden.

Het is echter niet aannemelijk dat de verkeersintensiteit op de Polderweg hoger ligt dan op de Burgerweg. Conclusie

40

Vanuit de Wgh zijn er, geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Bij de bedrijfswoning en zorgwooneenheden is er sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat.

4.1.7 Luchtkwaliteit Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 (hierna: “Wlk”) en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Wettelijk kader

De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3; voor PM2,5 is dat 25 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in; 4. past binnen het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden.

Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Bij woningen ligt de grens op 1.500 bij één ontsluitingsweg. Het plan beoogt de wijziging van een agrarische bestemming naar een maatschappelijke bestemming. De bedrijfswoning blijft gehandhaafd en er worden 10 wooneenheden ten behoeve van zorg gerealiseerd.

Beoordeling

41

De dagbesteding bestaat uit het zorgen voor het vee, het onderhouden van de pluktuin en het verkopen van de producten die op het erf geteeld worden. Gezien de samenstelling van de activiteiten wordt ruimschoots binnen de grenswaarde van 1.500 woningen gebleven. Daarnaast blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van het RIVM dat de luchtkwaliteit ter plaatse goed is; er worden geen grenswaarden overschreden (PM10, PM2,5 of NO2). Het plan draagt hierdoor in zeer beperkte mate bij aan luchtverontreiniging en is daardoor op grond van het besluit ‘niet in betekende mate’ (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan grenswaarden. Hieruit wordt geconcludeerd dat het onderhavig initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteitseisen en dat verdere toetsing hieraan niet noodzakelijk is.

Uitsnede Grootschalige concentratie Depositiekaarten Nederland, bron RIVM Geodatasite

Uitsnede Grootschalige concentratie Depositiekaarten Nederland, bron RIVM Geodatasite

Conclusie

42

Het aspect “luchtkwaliteit” vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.2 Omgevingsaspecten 4.2.1 Water In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. De Europese Kaderrichtlijn Water is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2015 moet dat gerealiseerd zijn. De lidstaten moeten in 2009 (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen ze gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie NoordHolland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West.

Wettelijk kader

Europees beleid

43

Binnen Rijn-West werkt Noord-Holland samen met alle betrokken waterbeheerders (Rijkswaterstaat, buurprovincies, waterschappen en gemeenten) aan het opstellen van het regionale deel van het genoemde stroomgebiedbeheersplan Rijndelta. Rijksbeleid

In het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is mede sturend voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in, de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen.

Provinciaal beleid

In het provinciaal Waterplan Noord-Holland is het Europese en nationale beleid vertaald naar wat er binnen de provincie moet gebeuren om het water zo goed mogelijk te blijven. Het Provinciaal Waterplan staat niet op zichzelf. Water heeft met heel veel zaken te maken, variërend van landbouw tot recreatie en van stadsuitbreidingen tot gezond drinkwater. Daarom is het Provinciaal Waterplan afgestemd met het beleid op het gebied van natuur, recreatie, landschap, cultuurhistorie, milieu, landbouw, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. In het Provinciaal Waterplan is het waterbeleid beschreven aan de hand van de thema’s veiligheid, wateroverlast en watertekort, waterkwaliteit en grond- en drinkwater. Het Provinciaal Waterplan fungeert hierbij als het kader voor de uitvoering: het is de basis voor allerlei te nemen maatregelen door de Provincie, waterschappen en gemeenten gedurende de looptijd van het plan. Het is dus geen uitvoeringsprogramma. Er zal een apart uitvoeringsprogramma worden opgesteld dat jaarlijks wordt aangepast.

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier: Waterprogramma 2016-2021

Op 16 december 2015 is het Waterprogramma 2016 - 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In het Waterprogramma 2016 - 2021 wordt antwoord gegeven op de vragen: • Hoe wordt in de toekomst gezorgd voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? • Welke benadering wordt daarvoor gekozen? • Welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard? Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) presenteert in het Waterprogramma het beleid, de maatregelen, de programma’s en de projecten die ze in de periode 2016 - 2021 gaan uitvoeren. Het Hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie en verankert de landelijke Deltabeslissingen. Met het Waterprogramma wordt richting gegeven aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Dat is nodig, want de klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van onze keuzes. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met

44

de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Om achteruitgang van het watersysteem te voorkomen, vraagt het Waterprogramma in ruimtelijke plannen om maatregelen die de nadelige effecten van verharding voorkomen of compenseren. Dit is vastgelegd in de keur van het Hoogheemraadschap. In 2016 heeft het hoogheemraadschap een nieuwe Keur en bijbehorende Algemene Regels vastgesteld. Artikel 4.2 Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak is in de nieuwe Keur gewijzigd. In de nieuwe Keur 2016 is nu het volgende opgenomen: “Artikel 3.3 Verbod versnelde afvoer door nieuw verhard oppervlak. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen.”

Keur en algemene regels

In de Algemene Regels 2016 zijn vervolgens de volgende aanvullingen opgenomen: “Artikel 23. nieuw verhard oppervlak. Op grond van artikel 3.9, eerste lid van de keur geldt een vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 3.3 voor het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak indien: 1. de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m2 bedraagt en; 2. de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en; 3. het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken.” Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen voldoende aandacht aan de waterhuishouding is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samen werken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden.

Watertoets

Er is een watertoets uitgevoerd voor dit plan. In bijlage 6 is deze opgenomen. Er is geen toename van de erfverharding met 750 m2. In het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan als schoon worden beschouwd. Voorts wordt niet gebouwd in een beschermingszone van een waterkering en wordt er geen water gedempt.

Beoordeling

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Conclusie

45

Wettelijk kader

Beoordeling

4.2.2 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/ of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet. Er is een quickscan inclusief stikstofberekening voor de bouwrijp en aanlegfase door Bureau Endemica Ecologisch advies Onderzoek en Educatie uitgevoerd voor dit plan. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 7. Naar aanleiding van deze quickscan is er een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar marterachtigen. Dit onderzoek is uitgevoerd door Bureau Aandacht voor Natuur en is opgenomen in bijlage 8. In bijlage 9 is de stikstofberekening voor de gebruiksfase te vinden.

Gebiedsbescherming: Binnen een straal van 10 km van het plangebied liggen twee Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee en ligt op circa 3,5 km ten noorden van het plangebied. Dit Natura 2000-gebied is aangewezen als Habitat- en Vogelrichtlijngebied. Het overige omliggende Natura 2000-gebied is het IJsselmeer. Het project wordt buiten de grenzen van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied uitgevoerd. De locatie ligt op een dusdanige afstand buiten het Natura 2000-gebied waardoor storende effecten voor habitattypen en doelsoorten (door bijvoorbeeld oppervlakteverlies, versnippering of mechanische effecten) niet voorkomen. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de omvang en aard van de geplande ingreep, is in de zogeheten uitvoeringsfase van het project geen sprake van mogelijke negatieve verstorende effecten (geluid, trillingen, grondwater etc.) op de genoemde Natura 2000-gebieden. Omdat een negatief effect op Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten kan worden, is een ontheffingsaanvraag voor gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming (artikel 2.7 Wnb) met betrekking tot Natura 2000-gebied daarom niet van toepassing.

46

Globale ligging planlocatie ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden.

De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal met uitzondering van de emissie van stikstof. Hiertoe dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd met de AERIUS-calculator. Momenteel is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming alleen mogelijk indien een project stikstofneutraal blijkt te zijn. Voormalige opstallen die in het plangebied aanwezig waren, zijn al gesloopt. Daarom betreffen de voorgenomen ontwikkelingen het bouwrijp maken van de locatie (omvat voornamelijk asbestsanering) en het bouwen van een zorgboerderij en hoofdgebouw.

Stikstofberekening m.b.v. AERIUS-Calculator

Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat het project (bouwrijp + aanlegfase) leidt tot tijdelijke en/of geringe stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied “De Waddenzee”. Tijdens de uitvoeringfase wordt een uitstoot gecreëerd van 0,01 mol/ha/j (AERIUS kenmerk: S5sFxKocqyCB) op vier verschillende habitattypen. De desbetreffende habitattype en bijbehorende emissiewaarden zijn als volgt: - H1310A: Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) met 0,01 mol/ha/j. - H1320: Slijkgrasvelden met 0,01 mol/ha/j. - H1330A: Schorren en zilte graslanden (buitendijks) met 0,01 mol/ha/j. - ZGH2160: Duindoornstruwelen met 0,01 mol/ha/j. Als sprake is van stikstofdepositie, is de ontwikkeling vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Echter er zijn in sommige gevallen mogelijkheden als er een kleine depositie overschrijding plaatsvindt. Zo kunnen significante effecten op voorhand worden uitgesloten en is geen vergunning Wet natuurbescherming noodzakelijk wanneer: • De depositie geldt als gevolg van de uitstoot door mobiele werktuigen en ander materieel in de aanlegfase van projecten. • De stikstofdepositiebijdrage kleiner of gelijk is aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal twee jaar op een overbelast stikstofgevoelig habitat.

47

Omdat het plan aan deze reikwijdte voldoet is het project in beginsel niet vergunningplichtig en kunnen significante gevolgen op voorhand worden uitgesloten in de uitvoeringsfase. Voor de gebruiksfase is een separate beoordeling uitgevoerd. Deze is te vinden in bijlage 9. Ook uit deze berekening volgt dat het projecteffect van de toekomstige gebruiksfase niet > 0,00 mol/ha/ jaar is. Weidevogelgebied

Het gaat niet goed met de weidevogels, hun aantal is de afgelopen 50 jaar drastisch achteruitgegaan in Nederland. Sinds 1960 zijn de populaties van de belangrijkste soorten meer dan gehalveerd en hetzelfde geldt voor veel akkervogels en andere boerenlandvogels. Het gaat naar schatting om een totaal verlies van 3 tot 6 miljoen broedparen. De voormalige beschermingsregimes zoals Bufferzones, Aardkundig Monument maar ook het Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten van BPL’en en liggen binnen de begrenzing van de BPL-gebieden. Gekeken moet worden of de voorgenomen activiteiten aantasting van de kernkwaliteiten van het weidevogelleefgebied (wat onder BPL-gebied valt) zal bewerkstelligen. Het gaat bij de voorgenomen plannen om het ontwikkelen van een nieuwe schuur en bedrijfswoning ter vervanging van een oude schuur en bedrijfsvervanging. Het nieuwe erf wordt niet groter dan hoe het erf een aantal jaren geleden was. Er is dus geen sprake van ruimtelijke ontwikkelingen in het open landschap die leiden tot (verdere) verdichting of verrommeling. Eveneens geldt dat er voor weidevogels geen sprake is van nieuwe infrastructuur en activiteiten die geluid en onrust veroorzaken en de openheid van het landschap aantasten.

De mogelijke verstoring van de zorgboerderij vallen binnen de verstoringszone van het voorheen aanwezige agrarische bedrijf en verkleinen de habitat voor weidevogels niet. Er is gezien de ligging en voorgenomen plannen geen sprake van een mogelijk negatief effect op een Provinciaal Beschermd Landschap of Weidevogelleefgebied.

Globale ligging planlocatie ten opzichte van het dichtstbijzijnde NNN-gebied en BPL, met de daarin horende Weidevogelleefgebieden (Bron: GeoWeb Provincie Noord-Holland).

48

Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het weidevogelleefgebied, is aantasting van het gebied of haar functioneren uitgesloten. Een ontheffingsaanvraag voor gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming (artikel 2.7 Wnb) met betrekking tot Bijzonder Provinciaal landschap, is daarom niet van toepassing. Flora Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen in en rondom het plangebied. Duidelijk ontbreekt het aan geschikte standplaatsen voor deze soorten binnen het plangebied. Het verspreidingsgebied van een groot deel van deze beschermde plantensoorten zich veelal tot natuurgebieden. Gezien de aangetroffen terreingesteldheid en plantensoorten is het voorkomen van zwaarder beschermde plantensoorten in het plangebied uitgesloten. Gezien de aangetroffen terreingesteldheid en plantensoorten is het voorkomen van zwaarder beschermde plantensoorten in het plangebied op voorhand uitgesloten. Daarom zal negatief effect op beschermde flora niet tot stand komen. Ten aanzien van de flora zijn verdere stappen op het gebied van een ontheffingsaanvraag daarom niet noodzakelijk.

Soortenbescherming

Vogels Op basis van beschikbare bronnen (NDFF 2011-2021) is gebleken dat algemene broedvogels, zoals de Kauw, Putter, Boerenzwaluw, Scholekster en Tuinfluiter in de omgeving van het plangebied voorkomen. Tijdens de inspectie zijn dergelijke algemene vogelsoorten binnen het plangebied overigens niet waargenomen. Nesten van algemene broedvogels, zoals eerder genoemd, zijn tijdens het veldbezoek tevens niet waargenomen. Het plangebied herbergt wel geschikt habitat voor algemene vogelsoorten, vanwege het feit dat er bomen en struikgewas aanwezig is. In de directe omgeving van het plangebied komen algemene broedvogels (van agrarisch gebied) mogelijk voor. Door de aanwezigheid van geschikt broedgelegenheid in het plangebied, leiden de voorgenomen ontwikkelingen daarom mogelijk tot schade of vernietiging van nesten van broedende vogels. Tevens zullen de werkzaamheden ook verstorende effect teweegbrengen op broedsel in vegetatie, die nabij het plangebied staat, als er broedvogels hun nesten erin bouwen. Echter zijn er tijdens het onderzoek geen nesten of individuen aangetroffen. Daarom zijn vervolgstappen met betrekking tot algemene broedvogels niet noodzakelijk. Voor sommige vogels geldt dat ook buiten het broedseizoen hun nesten nog van een beschermde status genieten. Dit zijn vogels met jaarrond beschermde nesten.

Jaarrond beschermde nesten bevinden zich veelal in hoge bomen, bomen met holten of in (oudere) gebouwen. Binnen de stad Alkmaar zijn waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten bekend, zoals de Huismus, Gierzwaluw, Kerkuil, Ransuil, Steenuil, Oehoe, Buizerd, Havik, Sperwer, Boomvalk, Slechtvalk, Zwarte wouw en Grote gele kwikstaart (NDFF 2011- 2021).

49

Een deel van deze vogels zijn boombewonende soorten. Jaarrond beschermde roofvogels, zoals de Buizerd, Boomvalk en Sperwer, nestelen vaak in de top van hoge bomen en maken soms ook gebruik van Kraaien- of Eksternesten. Ransuilen maken zelf geen nest, maar broeden in ook Kraaien- of Eksternesten of een oud roofvogelnest. Maar ook holle bomen en nestkasten worden gebruikt. Oehoes broeden vaak op richels in afgravingen, maar ook op de grond of op oude roofvogelnesten in bossen. Aangezien er geen bomen met geschikte nesten aanwezig zijn, is het plangebied geen geschikt habitat voor deze beschermde vogels. Het overige deel van de vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (zoals Gierzwaluw, Huismus en Kerkuil) broeden in of op menselijk bebouwing, zoals huizen, schuren, boerderijen, kerken etc. maar ook speciaal gemaakte nestkasten. Steenuilen broeden zowel in natuurlijke holtes van bomen en in rustige hoekjes of nissen van gebouwen. Slechtvalken bouwen zelf geen nest maar broeden op richel, in een nis, een nestkast of oud kraaiennest. Er zijn geen gebouwen aanwezig met geschikte nestplaatsen. Hierdoor is het plangebied niet een geschikt habitat. Gezien het gebrek aan geschikt broedhabitat, is het plangebied ongeschikt voor de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van de eerdergenoemde vogelsoorten.

Met de voorgenomen ingreep zal geen verstoring en/of aantasting van broedsel van jaarrond beschermde vogelnesten plaatsvinden. De werkzaamheden brengen daarom geen negatief effect teweeg op jaarrond beschermde nesten. Het uitvoeren van een aanvullend soortenonderzoek naar het voorkomen van dergelijke soorten is daarom niet aan de orde. Het nemen van vervolgstappen op het gebied van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nesten is niet van toepassing. Zwaar beschermde zoogdieren In de omgeving van Polder Waard-Nieuwland / Polderweg zijn geen zwaarder beschermde zoogdieren bekend (NDFF 2011-2021). Echter tijdens het veldbezoek werden duidelijk sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van marterachtigen. Dit past bij het feit dat in heel Wieringen frequent Wezel, regelmatig Hermelijnen en soms Bunzingen worden aangetroffen. De laatste jaren worden ook Boommarter (sinds 2013) en Steenmarter (sinds 2014) aangetroffen. Aan de westzijde van het perceel werden veren, plukjes haar van de Haas en een stukje vacht met huid gevonden. Verder zijn er keutels gevonden in het gebied evenals ingangen van holen. De keutels blijken deels van de Bruine rat te zijn. Andere uitwerpselen lijken op die van een marter. De holen kunnen niet met zekerheid uitgesloten worden als verblijfplaatsen van kleine marterachtigen.

Dit betreft zowel een hol onder een boomstronk in het struweel aan de westzijde van het plangebied als een hol in een met grond afgedekte hoop puin. Met name

50

laatste genoemde is vaak in trek bij de Bunzing. Recent onderzoek aan kleine marterachtigen heeft laten zien dat kleine locaties met schuil mogelijkheden in een open agrarisch gebied vaak wel degelijk door marters gebruikt worden. Vaste verblijfplaatsen of verlies van (essentieel) leefgebied van zwaarder beschermde, grondgebonden zoogdieren kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten, derhalve is er dus sprake van een negatief effect op deze soortgroep. Om dit uit te kunnen sluiten is aanvullend soortenonderzoek door Bureau Aandacht voor Natuur uitgevoerd (bijlage 8). Met betrekking tot de (kleine marterachtigen) zijn met het nader onderzoek geen exemplaren of sporen/beelden daarvan aangetroffen. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied van (kleine) marterachtigen. Met de voorgenomen herinrichting van het plangebied worden er geen verblijfplaatsen van genoemde soorten verstoord of verwijderd. Aan de hand van het nader onderzoek is een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming of extra mitigerende maatregelen niet noodzakelijk. Laag beschermde zoogdieren In de nabije en ruime omgeving van het plangebied zijn via openbare bronnen waarnemingen bekend van laag beschermde zoogdieren zoals o.a. zoals o.a.

Vos, Haas, Konijn, Egel, Europese mol, en enkele muissoorten zoals de Huisspitsmuis, Gewone bosspitsmuis, Gewone bosmuis, Dwergmuis en Veldmuis (NDFF 2011-2021). De Haas is de meest waargenomen zoogdiersoort in Wieringen. Het plangebied heeft op tal van plaatsen geschikt biotoop om te dienen als vaste verblijfplaats voor kleine, grondgebonden, beschermde zoogdieren zoals Bruine rat. Vanwege de aanwezigheid van geschikt biotoop (zoals groen of onverharde grond) in en rondom het plangebied worden vaste verblijfplaatsen van laag beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten wel verwacht. Ook zijn er keutels gevonden van de Bruine rat en is er met zekerheid te zeggen dat dit dier aanwezig is in het plangebied. De ingreep zal mogelijk leiden tot een negatief effect op het leefgebied van genoemde laag beschermde, grondgebonden zoogdieren. Deze soorten zijn echter allemaal ‘laag beschermd’ en voor al deze genoemde soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wnb bij ruimtelijke ingrepen en ontwikkelingen in de provincie Noord-Holland. Dat houdt in dat voor deze soorten alleen de Zorgplicht geldt. Dit betekent dat zoveel mogelijk gedaan moet worden als mogelijk is om schade aan individuen te voorkomen. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van grondgebonden zoogdieren is dus niet aan de orde.

Vleermuizen De aanwezigheid van boombewonende vleermuizen binnen het plangebied is uit te sluiten, vanwege het feit dat er geen geschikt habitat aanwezig is. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen tevens ook uitgesloten worden. Dit heeft te maken met het feit dat de holen die zijn

51

gevonden, naar beneden uithollen. Vleermuizen maken gebruik van bomen met holen die naar boven zijn uitgehold en dit soort holen zijn niet aanwezig in het plangebied. De functie als geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen, is daarom binnen het plangebied niet van toepassing. Het plangebied is functioneel als foerageergebied voor vleermuizen, wegens de aanwezigheid van bomen en dekkende vegetatie evenals de nabijheid van water. Met het uitvoeren van de werkzaamheden wordt de foerageerfunctie van het gebied echter niet aangetast. Als meer singels gecreëerd worden neemt de geschiktheid als foerageergebied toe. Als vliegroute maken vleermuizen veelal gebruik van lijnvormige elementen. Specifieke vliegroutes worden niet verwacht, omdat de voorgenomen ontwikkelingen geen invloed hebben op lijnvormige elementen in of rondom het plangebied. De begroeiing in de projectlocatie vormen geen aaneensluitend lijnvormig element die gebruikt kan worden ter oriëntatie als vliegroute. Met de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen is dus geen sprake van een negatief effect op (essentiële) foerageergebieden en/of (essentiële) vliegroutes. Het is op voorhand uit te sluiten dat met de voorgenomen ingreep een negatief effect zal plaatsvinden op vaste rust- en verblijfplaatsen. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is vooralsnog niet noodzakelijk.

Wanneer de bouw plaats vindt in de periode 1⁄2 maart tot en met oktober dient geen ondersteunende nachtelijke verlichting gebruikt te worden om verstoring te voorkomen. Ook in de nieuwe gebruiksfase dient zo min mogelijk buitenverlichting toegepast te worden. Reptielen, vissen en overige soorten In en nabij het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde reptielen, vissen en overige soorten (NDFF 2010- 2019). Op basis van de verspreidingsgegevens, vondsten tijdens veldbezoek en de biotoop worden deze soorten in het plangebied niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van deze soorten is zodoende niet aan de orde. Amfibieën In Wieringen is de aanwezigheid bekend van diverse algemene soorten. Het gaat om de Gewone pad, Bruine kikker, Meerkikker en Kleine watersalamander. Van de strikt beschermde amfibieënsoorten, komt alleen de Rugstreeppad in de Wieringermeer voor (NDFF 2011-2021). Populaties van de Rugstreeppad bevinden zich met name in het noordelijk deel van de Wieringermeer (omgeving Hippolytushoef, Amstelmeer en Den Oever) en ten zuidoosten van Wieringerwerf. Verder komt de rugstreeppad verspreid in de Wieringermeerpolder voor. De soort ontbreekt in de intensief agrarisch beheerde delen. In april en mei 2021 is de Oosterlanderkoog op

52

Rugstreeppadden onderzocht. Roepende Rugstreeppadden werden alleen aangetroffen tussen Hippolytushoef en de Eendenkooi Mulderskooi. Vanaf de Polderweg zijn geen roepende exemplaren gehoord. Wegens het op voorhand kunnen uitsluiten van het voorkomen van beschermde amfibieën binnen het plangebied, zal bij de uitvoering van de werkzaamheden geen negatief effect optreden op het leefgebied van dergelijke soorten. Het nemen van vervolgstappen, zoals aanvullend soortonderzoek of aanvraag tot ontheffing ten aanzien van amfibieën, is daarom ook niet aan de orde. Met in achtneming van de adviezen vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.2.3 Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Op grond van het overgangsrecht van deze wet zijn de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht gebleven totdat de Omgevingswet in werking treedt. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken.

Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Conclusie

Wettelijk kader

Voor het plangebied is in het bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Op de Beleidskaart Archeologie van de gemeente Hollands Kroon, onderdeel van de Beleidsnota Archeologie uit 2013, is te zien dat binnen het plangebied een vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek heeft van 2.500 m2 en 40 cm diep. Deze waarde wordt in de bijlage van de beleidsnota vastgesteld aan de hand van bekende archeologische waarden en de algemene geschiedenis van de Polder Waard-Nieuwland (WIR62A). De polders zijn aangewezen als archeologisch waardevol gebied van de vierde categorie.

53

Uitsnede uit de beleidskaart van Hollands Kroon met witte streep-stippellijn duiding van het plangebied. Beoordeling

Het perceel is beoordeeld door Archeologie West-Friesland. De Quickscan is opgenomen in bijlage 10. Op de beleidskaart archeologie ligt het plangebied in een zone waar vanaf 2.500 m2 rekening gehouden moet worden met mogelijk aanwezige archeologische resten. Op basis van de historische bronnen en het kaartmateriaal geldt een lage archeologisch verwachting voor bewoningsresten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Binnen het plangebied geldt op basis van de bodemkaart, het AHN en vondsten uit de nabije omgeving een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode Paleolithicum- Neolithicum op het dekzand in de ondergrond. Deze vindplaatsen worden echter niet door de geplande ingrepen aangetast. Archeologie West-Friesland adviseert het volgende: • Nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg is daarom niet noodzakelijk. • De voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. • Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de gemeente of Archeologie West-Friesland. • Dubbelbestemming Waarde-Archeologie opnemen om de eventueel aanwezige waarden te beschermen: vrijstellingsgrens 2.500 m2 en 35 centimeter diepte.

Conclusie

54

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. In de regels is een vrijstellingsgrens van 2.500 m2 worden opgenomen.

4.2.4 Cultuurhistorie In 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Onder meer heeft dit tot gevolg dat in bestemmingsplannen cultuurhistorie meegewogen dient te worden. Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

Wettelijk kader

In hoofdstuk 2 en paragraaf 4.2.3 inclusief de beoordeling van de Archeologie West Friesland (bijlage 10) is reeds ingegaan op de geschiedenis. Hierin is onderbouw dat de cultuurhistorische waarden van de locatie niet worden aangetast.

Beoordeling

Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Conclusie

4.2.5 Verkeer en parkeren Uitgangspunt van de gemeente is dat de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen in de ‘Parkeerregels Hollands Kroon 2018’, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld.

Wettelijk kader

De gemeente hanteert voor het bepalen van de parkeerbehoefte de richtlijnen van het CROW (CROWkerncijfers, publicatie 317 - kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). De richtlijnen van het CROW gaan uit van een bandbreedte van minimale en maximale parkeercijfers. Het aanhouden van een bandbreedte kan leiden tot allerlei discussies over de verschillende invloedsfactoren. Bij het opstellen van de parkeerregels heeft de gemeente ervoor gekozen om uit te gaan van het gemiddelde van de minimale en maximale parkeerkerncijfers (afgerond naar boven). De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Polderweg. De gemeente is eigenaar/wegbeheerder. Deze weg leidt in noordoostelijke richting naar Den Over en in west noordelijke richting naar Hippolytushoef. Via Den Oever is de Rijksweg A7 bereikbaar. De Provincialeweg N99 is zowel via Den Oever als Hippolytushoef goed bereikbaar. Het plangebied is en blijft ontsloten via de bestaande uitrit op de weg. De verkeerssituatie ter plaatse is overzichtelijk. Vanuit de in- en uitrit is voldoende zicht op de weg.

Beoordeling

De Polderweg heeft ruim voldoende capaciteit voor de verkeersafwikkeling van de maatschappelijke bestemming en voorzieningen die het plangebied krijgt. Als gevolg van de ontwikkeling wijzigt de verkeersgeneratie van het plangebied. In de voormalige situatie trok het agrarisch bedrijf met de bedrijfswoning relatief veel vrachtverkeer aan. In de toekomstige situatie wordt de verkeersgeneratie voornamelijk gegenereerd door personenauto’s en deze neemt toe. Het zware verkeer neemt zal afnemen.

55

De toename van het aantal personenauto’s neemt in verhouding niet significant toe waardoor aangenomen mag worden dat de Polderweg de toename aan kan. Het plangebied zal als volgt in gebruik worden genomen, waarbij de algemene ruimtes naar rato zijn toebedeeld aan de afzonderlijke functies: bedrijfswoning, tien zorgwoningen, dagbesteding aan maximaal 5 cliënten van buitenaf, boerderijwinkel, terras/theetuin, voedselbos. Functies Aantal/maat

CROW (buitengebied of rest bebouwde kom - niet stedelijk)

Benodigd

Bedrijfswoning Zorgwoningen Dagbesteding

2 per woning 0,7 per woning 0,8 per persoon per werknemersplaats

2 7 4

6 per 100 m2 BVO (café, bar, cafetaria) 1,3 per 10 tuinen (volkstuin) 2,5 per 100 m2 (kringloopwinkel)

3 4 1

Terras /Theetuin Voedselbos Boerderijwinkel*

1 10 5 personen die extern wonen 50 m2 30 ‘tuinen’ 40 m2

Totaal

21

Op basis van het gemeentelijk beleid geldt een parkeernorm van in totaal 21 parkeerplaatsen. Voor haaksparkeren zijn parkeervakken van 2,4 a 2,5 m breed nodig. Naast ruimte voor de auto zelf van doorgaans 1.80m is er ruimte nodig voor het in- en uitstappen. De lengte van de parkeerplaats is 5 m. Voor het inrijden en het maken van de bocht moet de straatbreedte 6m breed zijn. Per parkeerplaats is er circa 12,5 m2 nodig. Voor het totaal aantal maximaal benodigde parkeerplaatsen is dit 262,5 m2 nodig (21 parkeerplaatsen totaal maal 12,5 m2 per parkeerplaatsen). In het plangebied is rekening gehouden met het aantal parkeerplaatsen en het aantal benodigde m2 aan parkeerruimte. In het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1) is dit onderbouwd. In totaal kunnen er 24 parkeerplaatsen gerealiseerd worden (naast de bedrijfswoning, voor en achter de bedrijfswoning). Hieruit blijkt dat er voldoende ruimte aanwezig is om de parkeerplaatsen te bereiken en het benodigde aantal auto’s te kunnen parkeren. De Polderweg is breed genoeg voor elkaar passerend verkeer. De ontsluiting van het perceel op de Polderweg is zeer overzichtelijk en gemakkelijk toegankelijk. Door de gemeente Hollands Kroon hoeven daardoor in de planomgeving geen maatregelen van verkeerskundige aard genomen te worden. Conclusie

Wettelijk kader

56

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.2.6 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast

zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied lopen geen hoofdkabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.2.7 Duurzaamheid Overheden en de samenleving zijn zich er steeds meer van bewust dat we meer moeten zorgen voor het milieu, zoals energiezuinig bouwen, het bevorderen van zonne-energie, duurzaam materiaal gebruik en gescheiden afvalverwerking. De aandacht hiervoor is dan ook groot. De bijdrage die bouwplannen kunnen leveren aan de klimaatdoelstellingen is een kans die niet onbenut moet worden gelaten. Hoewel er wettelijk geen ruimte is om strengere eisen te stellen dan in het Bouwbesluit is vermeld proberen overheden via diverse stimuleringsmaatregelen duurzaamheid vroeg en integraal mee te laten nemen door initiatiefnemers. Initiatiefnemer zal rekening houden met het aspect duurzaamheid bij de planvorming en uitvoering daarvan. Hij zal zich onder andere wenden tot het Servicepunt Duurzame Energie.

Hiermee wordt voldaan aan het aspect ‘duurzaamheid’.

Beoordeling en conclusie

Wettelijk kader

Beoordeling en conclusie

57

5. Economische uitvoerbaarheid 5.1 Inleiding Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de financieel haalbaar plan en anderzijds door de wijze van kostenverhaal door de gemeente (grondexploitatie en eventuele planschade).

5.2 Beoordeling plan Financiële haalbaarheid

Grondexploitatie

De kosten voor het ontwikkelen van het plan komen voor rekening van initiatiefnemer. Aangenomen wordt dat deze over de financiële middelen beschikt om het plan uit te kunnen voeren. Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een plan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Er is in dit geval geen sprake van een bouwplan zoals opgenomen in het Bro. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee niet aan de orde. De begeleiding van de planologische procedure is door middel van het heffen van leges gedekt. Daarnaast is het aanleggen van voorzieningen in het aangrenzende openbaar gebied niet aan de orde en wordt het opstellen van het bestemmingsplan door de initiatiefnemer bekostigd. Voor de gemeente Hollands Kroon zijn derhalve geen kosten verbonden aan het opstellen en uitvoeren van dit plan.

Planschade

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst afgesloten waarin de eventuele planschade wordt geregeld.

5.3 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het plan is voldoende aangetoond.

58

6. Juridische regeling 6.1 Planonderdelen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende planregel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1. via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen; 2. via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de planregels ‘iets’ geregeld.

Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen bestemmingsregel hebben. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).

Verbeelding

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. Het hoofdstuk “inleidende regels bestaat uit een tweetal artikelen te weten de begrippen en de wijze van meten. In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/- bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel.

Planregels

59

De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de planregels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Eerst voor gebouwen, dan voor de overige bouwwerken. Deze worden genoemd ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’, en betreffen de constructies van enig omvang die toch geen gebouw zijn. Te denken valt aan erfscheidingen, hekwerken, lichtmasten, speelvoorzieningen, vlaggenmasten, lantaarnpalen, en dergelijke. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een aanlegvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. 4.

Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regel betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Toelichting

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

6.2 De bestemmingen 6.2.1 Planvorm Voor dit plangebied wordt gebruik gemaakt van een nieuw bestemmingsplan waarbij de planvorm van het bestemmingsplan aansluit bij de nieuwste uitgangspunten van de gemeente waarmee de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden versterkt.

60

6.2.2 De verbeelding Op de verbeelding zijn de functies bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsregels, de bouwregels en gebruiksregels alsmede de afwijkingsbevoegdheden te vinden. De bestemming maatschappelijk bestaat uit een bestemmingsvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar het maatschappelijk gebruik toegestaan is. In de regels zijn regels opgenomen met betrekking tot de situering van de bebouwing in het bestemmingsvlak. Vanwege de ligging van het plangebied in een omgeving met een zekere archeologische verwachtingswaarde is naast de woonbestemming de dubbelbestemming “waarde -archeologie 3” toegevoegd. 6.2.3 Regels Het bestemmingsplan bevat een duidelijke regeling die aansluit op de nieuwste inzichten en het Bouwbesluit. Regels uit het onderliggende bestemmingsplan die voor dit plangebied niet relevant of van toepassing zijn, zijn niet in dit bestemmingsplan opgenomen. De regeling biedt voldoende bebouwingsruimte aan de achter- en zijkant van woningen. De regels zijn opgedeeld in de onderstaande hoofdstukken: Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2).

Inleidende regels

In het hoofdstuk Bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Waar noodzakelijk is gebruikgemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren.

Bestemmingsregels

Agrarisch De agrarische bestemming is bedoeld voor de uitoefening van agrarische bedrijven. Voor de agrarische gronden in dit bestemmingsplan is er geen mogelijkheid meer tot het bouwen van gebouwen wegens het ontbreken van een bouwvlak. De gronden binnen de agrarische bestemming zijn in hoofdzaak bedoeld voor grondgebonden agrarische bedrijven niet zijnde permanente bollenteelt. Andere typen agrarische bedrijven, zoals intensieve veehouderijen en tuinbouwbedrijven zijn in dit plangebied niet toegestaan.

Typen bedrijven

Een bekend fenomeen bij de bollenteelt is de ‘reizende bollenkraam’. Hieronder wordt verstaan dat agrarische percelen voor een korte periode wordt gebruikt ten behoeve van de bollenteelt en vervolgens weer zijn oorspronkelijke gebruik krijgt (ook wel ‘niet-permanente bollenteelt’ genoemd). De reden voor het reizen is dat bollen gezonde, maagdelijke grond nodig hebben.

De reizende bollenkraam

61

In het landelijk gebied van Hollands Kroon is het gebruik ten behoeve van de reizende bollenkraam nagenoeg overal toegestaan, zo ook in dit plangebied. Archeologie Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden die een oppervlakte beslaan van meer dan 2.500 m2 en dieper gaan dan 35 centimeter, geldt een vergunningplicht. Het betreft onder andere werken en werkzaamheden zoals bouwen, diepploegen en het scheuren van grasland of het aanbrengen van diepwortelende beplanting. Werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Opgemerkt wordt dat het aanbrengen van drainage en het scheuren van grasland in ieder geval niet behoren tot werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud. Maatschappelijk Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het aanbieden van dagbesteding en begeleidend wonen in combinatie met: - aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven; - het hobbymatig gebruik voor bed & breakfast voor maximaal 4 personen; - een pluktuin; - een theetuin; - een boerderijwinkel waar producten die op het perceel worden geteeld of gemaakt (zoals kunst, groente, fruit, vlees etc.) te verkopen; - het houden van sociaal, culturele, educatieve en levensbeschouwelijke (groeps)activiteiten.

Voor de toegestane bebouwing zijn maten opgenomen in de bouwregels. Binnen het bestemmingsvlak is maximaal 1 bedrijfswoning en maximaal 10 zorgwoningen toegestaan. Voor de woning is een bouwvlak opgenomen alsmede voor de zorgwoningen. Het bouwperceel is circa 11.930 m2 groot welke maximaal voor 25% bebouwd mag worden. Vanwege de afstand tot de teeltgrens van naburige percelen zijn de bedrijfswoning en de locatie van de zorgwoningen met een bestemmingsvlak vastgelegd. Beeldkwaliteit Ten behoeve van het vastleggen van de beeldkwaliteit is in de regels een voorziening opgenomen. De gronden mogen slechts als zodanig in gebruik worden genomen, indien de bebouwing en de landschappelijke inrichting in overeenstemming is met het beeldkwaliteitsplan Polderweg 1 Hippolytushoef zoals opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting en bijlage 2 van de regels, met uitzondering van een periode van 1 jaar vanaf realisatie van de bebouwing met het oog op tot wasdom komen van de beplanting. De bebouwing mag gefaseerd gerealiseerd worden.

62

Algemene regels In dit hoofdstuk van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen. De antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=64c354b5-deb0-4154-9c54-e4293766e035