CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Toelichting Bestemmingsplan september 2025

Raad 16 oktober 2025, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Leijerdijk 5 Nieuwe Niedorp (afhankelijk van besluit in het oordeelvormende gedeelte)11.599 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.4

Luchtkwaliteit

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer (Wm). De Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide- en oxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Op grond van artikel 5.16 kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) onder andere uitoefenen als de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de verontreiniging van de buitenlucht. 5.4.1

Besluit niet in betekenende mate (NIBM)

In dit besluit is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer een plan een bijdrage aan de luchtkwaliteit heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10). Het 3% criterium geldt sinds de vaststelling op 1 augustus 2009 van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuw bouwvlak mogelijk. De bijdrage aan de luchtkwaliteit wordt voornamelijk bepaald door de verkeersbewegingen van en naar het bedrijf. Door de uitbreiding van het bedrijf zal geen stijging van het aantal verkeersbewegingen optreden en is een afname van het aantal bewegingen aan de orde. In de huidige situatie worden 32 verkeersbewegingen met een vrachtwagen en 10 bewegingen met een tractor uitgevoerd van en naar de huurlocaties. Daarnaast worden nog eens 16 vrachtwagenbewegingen uitgevoerd naar het bedrijf wat kuubkisten verhuurd. De bovengenoemde vrachtwagen- en tractorbewegingen komen door de ontwikkeling van het plan te vervallen. Wel worden tijdens de verwerking van bloembollen in het hoogseizoen gemiddeld twee keer per dag kuubskisten met een tractor en landbouwwagen vervoert van de locatie aan de noordzijde van de Leijerdijk naar de zuidzijde.

De bloembollen worden op de locatie aan de zuidzijde opgeslagen. Deze verkeersbewegingen zijn echter minimaal en ondergeschikt aan de huidige verkeersbewegingen. Dit betekent dat de luchtkwaliteit door de ontwikkeling van het plan niet negatief wordt beïnvloed. Conclusie: Het onderdeel luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.5

Water

5.5.1

Europese Kaderrichtlijn Water

Sinds december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. De richtlijn wil het duurzaam gebruik van water bevorderen en de gevolgen van overstroming en droogte beperken. Daarnaast wil de richtlijn de aan watergebonden natuur beschermen en verbeteren met als uitgangspunt een goede ecologische toestand van het water. 26

5.5.2

Watervisie 2021

Provinciale Staten hebben in november 2015 de Watervisie 2021 vastgesteld. De visie beschrijft de kaders voor waterbeheer in Noord-Holland. Binnen deze kaders gaan waterschappen en gemeenten maatregelen treffen om ons te beschermen tegen wateroverlast en om de waterkwaliteit te verbeteren. 5.5.3

Waterprogramma

In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) verbindt Hoogheemraadschap Noorderkwartier (HHNK) de bouwstenen met de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap. Ze brengen een prioritering aan en geven aan hoe ze in de bouwstenen willen participeren. De benodigde samenwerking werken we uit en leggen we vast in afspraken. 5.5.4

Water in het plan/Watertoets

Naast het Waterprogramma beschikt HHNK over een verordening, de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterlopen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de waterlopen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Doordat het plan niet in de nabijheid van waterlopen of waterkeringen is gelegen, is het niet nodig om een watervergunning aan te vragen. Via de Digitale Watertoets is aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) gevraagd een reactie te geven op het plan aan de Leijerdijk. In dit advies staan de maatregelen opgenomen die HHNK adviseert om wateroverlast te voorkomen en het water in de sloten schoon te houden. Op basis van de door de aanvrager ingevoerde gegevens heeft HHNK aangegeven dat er een normale procedure moet worden doorlopen. Verharding en compenserende maatregelen Uit de gegevens blijkt dat er sprake is van een toename aan verharding op de locatie aan de Leijerdijk. Bij een verhardingstoename van meer dan 2.000 m² wordt een maatwerkberekening gemaakt door het hoogheemraadschap. HHNK heeft aangegeven dat de watercompensatie binnen dit peilgebied 16% bedraagt. In overleg met HHNK is de te graven waterberging bepaald.

Voor de verbreding van de waterloop is inmiddels een omgevingsvergunning verleend door het hoogheemraadschap (bijlage 12). De compensatie zal plaatsvinden in de waterloop aan de westzijde van het uit te breiden bouwvlak. Waterveiligheid De planlocatie is voor een klein gedeelte gelegen binnen beschermingszone B van de regionale waterkering. Binnen deze beschermingszone zijn alleen diepe ontgrondingen niet toegestaan, maar daarvan is bij dit plan geen sprake. Voor de realisatie van het bouwvlak en de bouw van de bedrijfsbebouwing is geen watervergunning vereist.

27

Watering met beschermingszones

Waterkwaliteit Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd en worden geloosd op de waterlopen. Tenslotte wordt wel geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen, zoals zink, lood en koper zoveel mogelijk te voorkomen. Het bedrijf valt onder de werking van het Activiteitenbesluit. Hierin zijn in artikel 3.4 en 3.5 de eisen opgenomen die van toepassing zijn op de lozing van huishoudelijk afvalwater vanuit de inrichting. In dit besluit is bepaald dat huishoudelijk afvalwater in beginsel in de riolering moet worden geloosd, maar dat, afhankelijk van de afstand tot het dichtstbijzijnde riool, na zuivering geloosd mag worden op oppervlaktewater. Deze afstand varieert van 40 meter tot maximaal 3000 meter, afhankelijk van de vervuilingswaarde. De planlocatie heeft geen aansluitverplichting, omdat het perceel te ver van een openbare riolering is gelegen. Als er in de toekomst huishoudelijk afvalwater geloosd gaat worden dan dient een melding bij het hoogheemraadschap te worden gedaan om middels een individuele behandeling van afvalwater (IBA) op het oppervlaktewater te kunnen lozen. Voor de lozer geldt een meldplicht bij het bevoegd gezag en lozingseisen.

5.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. 28

Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het beleid voor transportmodaliteiten staat beschreven in de Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het beleid met betrekking tot buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) gaat over de kans om op een bepaalde plaats te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens, ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

De Risicokaart van Nederland (Interprovinciaal Overleg) laat zien dat bij de beoordeling van de verschillende externe veiligheidsaspecten van het plan aan de Leijerdijk het gaat om de volgende risicobronnen: bedrijven waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en spoor transport van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Nagegaan is welke risicobronnen er in de directe omgeving van het plangebied zijn gesitueerd. Conclusie: a. er zijn in de directe omgeving geen bedrijven aanwezig waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd. b. de planlocatie bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. c. het plangebied is niet gelegen binnen een invloedsgebied van buisleidingen waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

5.7

Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder meer in het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten. De realisatie van het agrarische bouwvlak kan alleen worden gerealiseerd als er wordt voldaan aan de milieutechnische bepalingen en de omliggende bedrijven en woningen niet worden beperkt. De publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In de publicatie zijn richtlijnen opgenomen ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau, om voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten te voorkomen. De VNG zorgt met deze richtlijnen dat nieuwe woningen (milieugevoelige functies) op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. 29

Voor een bloembollenbedrijf geldt een richtafstand van 30 meter tot aan milieugevoelige functies (woningen) voor het milieuaspect geluid en geur, uitgaande van het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op een afstand van meer dan 50 meter. Dit betekent dat door de realisatie van het bouwvlak de toekomstmogelijkheden van de omringende woningen niet worden beperkt. Conclusie: De realisatie van het bouwvlak en de bouw van een bedrijfshal zullen het woon- en leefklimaat van de omringende woningen niet nadelig beïnvloeden.

5.8

Milieueffectrapportage (MER)

Een m.e.r.- beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), Voor activiteiten in onderdeel C geldt direct een m.e.r.-plicht. Voor activiteiten in onderdeel D is het niet zeker of er belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Of een bepaalde activiteit in een bepaalde omvang belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben, is afhankelijk van het soort activiteit, de omvang daarvan en het type procedure. De drempelwaarden waarbij een m.e.r.-plicht aan de orde is, zijn vastgelegd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Voorliggend plan raakt geen activiteiten in de C of D lijst. Een MER of vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet vereist en de beschreven milieueffecten in de toelichting van dit bestemmingsplan geven hier ook geen aanleiding voor. Conclusie: De toekomstige activiteiten in het plangebied hebben geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

5.9

Spuitvrije zone

De realisatie van het agrarische bouwvlak is bedoeld om een nieuwe bedrijfsloods te bouwen, zodat de verwerking en bewaring van bloembollen en stalling van machines en materieel bij een uitbreiding van het areaal en een goede logistieke afhandeling is gewaarborgd. Rond het nieuwe agrarische bouwvlak zijn agrarische percelen aanwezig. Beoordeeld moet worden of er voldoende afstand wordt gehouden in verband met mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de omringende percelen. Er dient een aanvaardbaar woonen leefklimaat aanwezig te zijn, maar ook de belangen van de teler dienen beschermd te worden. In de huidige jurisprudentie wordt een richtafstand van 50 meter niet onredelijk geacht. Daarnaast blijkt uit jurisprudentie dat er factoren kunnen zijn die (mits voorzien van een goede onderbouwing) een kleinere afstand rechtvaardigen. Opgemerkt wordt dat in deze jurisprudentie driftreducerende technieken nog niet zijn betrokken. Dit zou een rechtvaardiging zijn voor een kleinere afstand. 30

De verwerking van bloembollen vindt plaats in de bedrijfsbebouwing op de huidige bedrijfslocatie. Daar zijn ook de kantine, sanitaire ruimtes en het kantoor gevestigd. De nieuwe bedrijfsloods is geen milieugevoelig object. In de bedrijfsloods vindt alleen opslag van bloembollen, machines en materieel plaats en verblijven mensen niet voor langere tijd Om de werknemers in de nieuwe bedrijfsloods te beschermen wordt in het bestemmingsregels een gebruiksregel opgenomen ‘Laden en lossen alleen toegestaan in bedrijfsgebouwen’. Conclusie: Het onderdeel spuitzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.

5.10 Duurzaamheid Bij de ontwikkeling van een nieuwe bedrijfshal is het uitgangspunt om zoveel mogelijk duurzaam te bouwen. Bij de beoordeling van de omgevingsvergunning kan dit worden getoetst.

5.11 Kabels en leidingen Voor zover bekend bevinden zich binnen het plangebied alleen huisaansluitingen voor gas, water, elektriciteit en datatransport ten behoeve van de aanwezige bebouwing. Er is geen sprake van de aanwezigheid van hoofdtransportleidingen. Bovengronds zijn ervoor zover bekend geen beperkingen. Conclusie: Er zijn geen kabels en leidingen aanwezig die de uitvoering van het plan belemmeren.

5.12 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stadsen dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen specifiek waardevolle cultuurhistorische waarden aanwezig. Met de cultuurhistorisch waardevolle ruimtelijke structuur wordt rekening gehouden bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing. De geplande ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. 31

Conclusie: Het aspect 'cultuurhistorie' staat, met in achtneming van bovengenoemde maatregelen, de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.13 Archeologie In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Op basis van de huidige wetgeving, inmiddels grotendeels gebundeld in de Erfgoedwet, zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Voor de gemeente Hollands Kroon is een Beleidskaart Archeologie vastgesteld. Deze kaart geeft inzicht in de aanwezige- of te verwachten archeologische waarden. Met behulp van de kaart wordt de advisering voor ruimtelijke ontwikkelingen vereenvoudigd, versoepeld en gepreciseerd. Indien plaatsen waar archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn en niet kunnen worden ontzien, is het veiligstellen van de resten gewenst. Dit kan door middel van veranderingen in het plan, archeologie-vriendelijk bouwen of in het uiterste geval een archeologisch onderzoek.

Voor de planlocatie geldt dat een vrijstellingsgrens is aangegeven voor alle bodemroering bij de bouw van bouwwerken met een oppervlakte van maximaal 2.500 m² en 40 centimeter diep. Op de planlocatie is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen en de voorwaarden stemmen overeen met de vastgestelde beleidskaart. De oppervlakte bouwwerken die gerealiseerd wordt met de onderhavige ontwikkeling is kleiner dan 2.500 m², want de bedrijfshal heeft een oppervlakte van 2180 m². Voor de voorgenomen ontwikkeling is daarom volgens de regels in het geldende bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek vereist. Conclusie: Het aspect archeologie belemmert de ontwikkeling van het plan niet.

32

6

Juridische aspecten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische opbouw van de regels en de verbeelding (plankaart) van het bestemmingsplan Leijerdijk 5 in Nieuwe Niedorp De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar bevat een uitleg van de aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende gedachten en onderzoeken die hebben geleid tot de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Op de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding zijn alle noodzakelijke gegevens ingetekend. In dit bestemmingsplan is de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ en een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ aanwezig. Deze bestemmingen zijn op de verbeelding zichtbaar gemaakt door middel van een kleur of arcering en is gekoppeld aan een artikel in de regels. De regels laten vervolgens zien op welke wijze de gronden binnen de bestemming gebruikt mogen worden.

6.1

Doelstelling

Het bestemmingsplan Leijerdijk 5 Nieuwe Niedorp (verder het bestemmingsplan) maakt het volgende particuliere initiatief mogelijk: -

de realisatie van een agrarisch bouwvlak.

Het bestemmingsplan voorziet ook in een actueel juridisch-planologische situatie met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden en daarbij de bouwmogelijkheden, van grond en opstal. Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de uit de Wet ruimtelijke ordening voortvloeiende digitale standaarden.

6.2

Relatie met het geldende bestemmingsplan

Het bestemmingsplan vervangt op de locatie aan de Leijerdijk het bestemmingsplan ‘Buitengebied voormalige gemeente Niedorp’.

6.3

Planopzet

Het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en uit de regels. Deze elementen zijn direct bindend en vormen o.a. de toetsingsgrond voor een aanvraag om een omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting, die niet bindend is. Het bestemmingsplan biedt een directe bouwtitel. Dat betekent dat aanvragen om een omgevingsvergunning direct getoetst worden aan dit bestemmingsplan. Als de aanvraag past binnen dit bestemmingsplan en overigens ook voldoet aan de overige toetsingsgronden, kan de omgevingsvergunning direct verleend worden (reguliere procedure). Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen

33

6.3.1. Bestemmingsregels

De bestemmingsregels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken. In hoofdstuk 1, de Inleidende regels, zijn in artikel 1 de definities van de verschillende in het bestemmingsplan gebruikte begrippen opgenomen en in artikel 2 de wijze van meten. De wijze van meten geeft aan hoe de oppervlakte, inhoud, goothoogte, nokhoogte e.d. van een bouwwerk moeten worden bepaald. Deze regels zijn noodzakelijk voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. Het tweede hoofdstuk bevat de Bestemmingsregels voor de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch met waarden’ en een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. In deze regels zijn het toelaatbare gebruik van gronden en bouwwerken aangegeven (bestemmingsomschrijving) en zijn diverse bepalingen over het bouwen opgenomen. Hoofdstuk 3 bevat Algemene regels. Zo is een antidubbeltelregel opgenomen conform artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. In het vierde hoofdstuk zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen. In dit hoofdstuk is onder andere bepaald hoe om te gaan met het gebruik en het bouwen voor nu nog aanwezige functies die niet in overeenstemming zijn met het plan. Deze regels volgen uit de artikelen 3.2.1 en 3.2.2. van het Besluit ruimtelijke ordening. In de slotbepaling is aangegeven onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald: het bestemmingsplan Leijerdijk 5 Nieuwe Niedorp van de gemeente Hollands Kroon.

6.4

Handhaafbaarheid

Dit bestemmingsplan is opgezet conform de structuurbepalingen van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen en is daardoor gemakkelijk te lezen. Daardoor is ook de handhaafbaarheid gemakkelijk vorm te geven: de regels zijn eenduidig zodat rechtsgelijkheid en -zekerheid zo groot mogelijk is. Op basis van de Wro zijn belangrijke overgangsbepalingen en strafbepalingen wettelijk vastgelegd waardoor op die manier de handhaafbaarheid vanuit dit bestemmingsplan goed is geregeld. Een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan, dus ook bij de ontwikkeling van het bestemmingsplan “Leijerdijk 5 Nieuwe Niedorp”, is dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar dienen te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan “Leijerdijk 5 Nieuwe Niedorp” is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de in het plan opgenomen regels. Ten behoeve van een goede handhaving van de regels zijn de volgende factoren van belang: • • • •

voldoende kenbaarheid geven aan het plan; voldoende draagvlak voor het beleid en de regelgeving in het plan; inzichtelijke en realistische regeling; handhavingsbeleid.

34

7.

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van dit plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van de plannen (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De uitvoeringskosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is dan een overeenkomst over planschade gesloten met de initiatiefnemer.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorbereiden van het ontwerpbestemmingsplan bestaat uit het opstellen van de toelichting, de regels en het tekenen van de verbeelding (de plankaart). In deze fase worden meestal ook de benodigde onderzoeken uitgevoerd. Het ontwerpbestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro), voorgelegd aan de wettelijke overlegpartners. Nadat het ontwerpbestemmingsplan ambtelijk is getoetst en akkoord bevonden, beslist het college uiteindelijk of het plan ter inzage gelegd mag worden. Dit is een wettelijk verplichte stap. Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende een termijn van 6 weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze termijn worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen tegen het voorgenomen besluit. Nadat de ingekomen zienswijzen zijn beantwoord, neemt de gemeenteraad een besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij ongewijzigde vaststelling wordt het vaststellingsbesluit binnen twee weken gepubliceerd. Bij een gewijzigde vaststelling of een weigering vindt dit na maximaal zeven weken plaats. Na publicatie start de beroepstermijn van zes weken. Het besluit over de vaststelling of weigering staat open voor beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 7.2.1

Overleg belanghebbenden

Alle belanghebbenden rond de planlocatie zijn voorafgaand aan de ruimtelijke procedure voor het bestemmingsplan per brief geïnformeerd over de ontwikkeling van plan. In de brief is een verzoek gedaan aan de omwonenden om eventuele opmerkingen of bezwaren op het plan naar voren te brengen en met elkaar te bespreken. Tijdens het participatietraject zijn er geen opmerkingen of zienswijzen naar voren gekomen of is contact opgenomen met de initiatiefnemer over de ontwikkeling van het plan. Dit is opgenomen in het participatieverslag (bijlage 13). Vervolgens heeft ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen, zodat belanghebbenden de mogelijkheid is geboden om een zienswijze in te dienen. Er zijn over het plan diverse zienswijzen ingediend en deze zijn opgenomen in de Nota van zienswijzen (bijlage 14). 35

Aan de hand van de zienswijzen zijn er diverse wijzigingen aangebracht in de toelichting behorende bij het bestemmingsplan. Daarnaast is een specifieke gebruiksregel in de regels behorende bij het bestemmingsplan opgenomen met als doel dat op het gedeelte van het bouwvlak aan de zuidzijde van de Leijerdijk er alleen inpandig los- en laadwerkzaamheden zullen plaatsvinden.

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=411f04a6-8006-4cb9-8207-3d902ffc6d10