Bijlage 1. GoFlo Langereis 12
Tekst van het document
bedrijven waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd; Er zijn in de directe omgeving van de planlocatie geen bedrijven gelegen, waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd, waarvan de risicocontouren zich uitstrekken over het plangebied; b. vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Er zijn in de directe omgeving van de planlocatie geen wegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd/ c. transport van gevaarlijke stoffen door een buisleiding. Er zijn in de directe nabijheid van de planlocatie geen buisleidingen aanwezig waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Conclusie: Het onderdeel omgevingskwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.10 Trilling Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.35 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continu trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Bij de ontwikkeling van het plan op de planlocatie is er geen sprake van het optreden van continu trillingen of herhaald voorkomende trillingen. Conclusie: Het onderdeel trilling staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
27
5.11 Activiteiten en milieuzonering Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van milieunormen in de omgevingsvergunning. De bouw van een nieuwe woning op de planlocatie kan alleen worden gerealiseerd indien er wordt voldaan aan de milieunormen en er geen negatief effect optreedt op de fysieke leefomgeving. De publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In de publicatie zijn richtlijnen opgenomen ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau, teneinde voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten te voorkomen. De VNG zorgt met deze richtlijnen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. Aan de westzijde van de planlocatie is kinderdagverblijf ‘De Keet’ aanwezig. Voor een kinderdagverblijf geldt een richtafstand van 30 meter in het kader van het milieuaspect geluid. Voor de overige milieuaspecten zoals geur, stof en gevaar is er geen richtafstand. Deze richtafstanden gelden binnen een rustig woongebied en de planlocatie is binnen een rustig woongebied gelegen. In paragraaf 5.7 wordt aangetoond dat er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen geconstateerd zijn om de extra woning aan de Langereis 12 in Winkel te realiseren.
Voor de omliggende particuliere woningen geldt dat er geen sprake is van een belemmering van de toekomstmogelijkheden, omdat de woonfunctie overeenstemt met de overige woningen in de nabijheid van de planlocatie. Conclusie: De ontwikkeling van het plan heeft geen negatief effect op de milieuzonering van het naastgelegen bedrijf en woningen.
5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op een archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische kaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en cultuurhistorische zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Archeologie West-Friesland heeft voor de gehele gemeente Hollands Kroon een beleidskaart archeologie vervaardigd. Uit deze kaart blijkt dat voor de planlocatie een middelhoge verwachting is op het voorkomen van archeologische waarden. Bij het realiseren van bouwwerken met een oppervlakte van 2.500 m² en een ontgravingsdiepte van meer dan 40 centimeter is het noodzakelijk om een archeologisch onderzoek uit te voeren. Bij de bouw van de nieuwe woning wordt er een bouwwerk toegevoegd met een veel kleinere oppervlakte. Bovendien is het planologisch niet mogelijk om een oppervlakte van meer dan 2.500 m² te realiseren en de verwachting is dan ook dat er geen archeologische waarden worden geschaad. Voor de cultuurhistorische waarden geldt dat er geen wijzigingen worden aangebracht aan de bestaande verkaveling of het slotenpatroon.
Dit betekent dat de bestaande cultuurhistorische waarden zijn gewaarborgd.
28
In het BKP is aangetoond dat de bouw van de nieuwe woning passend is binnen het landschap en de kernwaarden behouden blijven. Conclusie: Het onderdeel archeologie, cultuurhistorie en landschap staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.13 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89, onder i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89, onder k Bkl, artikel IIIa, onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Voor de ontwikkeling van de woning is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 6). Uit dit onderzoek blijkt dat: Grond In zowel de boven- als ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond. Grondwater In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond. Hergebruik en CROW400 Indien getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de grond indicatief aan kwaliteitseis Landbouw/natuur. Conform de CROW400 zijn geen aanvullende veiligheidsmaatregelen van toepassing. Onderzoek naar PFAS in de bodem is niet meegenomen in dit onderzoek.
Indien bij eventuele graafwerkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt wordt geadviseerd om aanvullend een partijkeuring inclusief PFAS uit te voeren. Eindconclusie Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese onverdacht te worden geaccepteerd. Gezien de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen nieuwbouw. Conclusie: Het onderdeel bodem staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
29
5.14 Weging van waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor de ontwikkeling van het plan is een wateradvies gevraagd bij Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (bijlage 7). Verharding HHNK heeft het beleid dat bij een verhardingstoename van meer dan 230 m² compenserende waterberging moet worden gegraven. Dit betreft 10% bij een verhardingstoename tussen 230 m² en 2000 m². De verwachting is dat de oppervlakte aan verharding van 230 m² wordt overschreden bij de bouw van de woning, aanleg uitrit en parkeerplaatsen. Bij HHNK wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor de verhardingstoename en compenserende waterberging aangebracht in de waterlopen rond de planlocatie. Voor de verharding van de uitrit en parkeerplaatsen wordt een open verharding toegepast met een onderliggend zandbed, zodat hemelwater in de bodem infiltreert en niet versneld wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. HHNK geeft aan dat deze oppervlakte aan verharding voor 50% meetelt in de verhardingstoename.
Op de planlocatie is sprake van een klimaatadaptieve inrichting. Waterkwaliteit Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd en worden geloosd op de waterlopen. Tenslotte wordt wel geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen, zoals zink, lood en koper zoveel mogelijk te voorkomen. Hemelwater en huishoudelijk afvalwater dienen gescheiden te worden aangeboden. Voor de aansluiting van de woning op de riolering wordt contact gezocht met de rioolbeheerder, in dit geval de gemeente Hollands Kroon. Waterveiligheid Uit de Legger waterkeringen van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen beschermingszone B van de waterkering. Conform het beleid van HHNK is het niet toegestaan om binnen beschermingszone B diepe ontgrondingen uit te voeren of werkzaamheden met explosieven. Het is wel toegestaan om binnen deze zone een nieuwe woning te bouwen. In de aanvraag omgevingsvergunning zal ook de bouw van de woning in de beschermingszone B worden meegenomen. Conclusie: Bij de ontwikkeling van het plan wordt het waterbelang niet geschaad.
30
Legger waterkeringen HHNK
31
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt uitgegaan van de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt (tijdelijk omgevingsplan). De ontwikkeling van het plan betreft een particulier initiatief. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan worden vastgelegd. Wordt een omgevingsvergunning verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt? Zo ja, in dat geval is artikel 4.5 Awb van toepassing. In de overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is bepaald dat eventuele nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer zal komen.
32
7.
Belangenafweging en conclusie
7.1
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), kan de vergunning uitsluitend worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals bepaald in artikel 8.0a, lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit betekent dat, na een zorgvuldige belangenafweging, moet worden vastgesteld of het toestaan van de activiteit nog steeds leidt tot een evenwichtige toedeling. Naast deze hoofdregel zijn ook de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b tot en met 8.0e Bkl van toepassing. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor de ontwikkeling op beide planlocaties, zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten in dit plan nader onderzocht en afgewogen.
7.2
Participatie
De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie. Dit biedt overheden de mogelijkheid om op tijd belangen, meningen en creativiteit van betrokkenen te verzamelen. Volgens de wet betekent participatie het in een vroeg stadium betrekken van belanghebbenden bij het besluitvormingsproces rondom een project of activiteit. Met belanghebbenden worden onder andere burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden bedoeld. In de Omgevingsregeling is vastgelegd dat bij een vergunningaanvraag ook moet worden aangegeven of en op welke wijze aan participatie is gedaan, evenals wat de uitkomsten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. De initiatiefnemer voor het plan is de eigenaar van de stolpboerderij op Langereis 12. Het plan voor de ontwikkeling van een nieuwe woning is besproken met de bewoners van Langereis 10 en de eigenaren van het kinderdagverblijf ‘De Keet’ op perceel Langereis 14 (bijlage 7). Beide partijen hebben aangegeven akkoord te zijn met de realisatie van de woning. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich verder geen woningen of bedrijven.
7.3
Vaststellingsprocedure
De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldende omgevingsplan. Voor deze aanvraag is, conform artikel 16.62 van de Omgevingswet, de reguliere procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn bedraagt acht weken. Tegen de verleende omgevingsvergunning kan bezwaar worden ingediend bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Indien iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij vervolgens in beroep gaan. Tijdens de beroepsprocedure beoordeelt de rechter het besluit van het bevoegd gezag. In eerste instantie behandelt de rechtbank het beroep. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
33
7.4
Conclusie
Op de planlocatie vindt een toekomstgerichte ontwikkeling plaats. Met het toevoegen van een woning aan het bestaande woningareaal wordt tegemoetgekomen aan de grote behoefte op de woningmarkt. Dit wordt gezien als een gewenste ontwikkeling. De woning wordt gerealiseerd in het dorpslint langs de Langereis, nabij de diverse voorzieningen van Winkel. Een groei van het aantal inwoners draagt bij aan het in stand houden van deze voorzieningen op de langere termijn. Door de nieuwe woning aan te laten sluiten bij het bestaande bebouwingslint ontstaat een versterking van het lint, terwijl tegelijkertijd de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd. Voor de ontwikkeling van het plan zijn de aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu zorgvuldig beschouwd. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van de woning. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.
34