CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. GoFlo 24 feburari 2025

Raad 27 maart 2025, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Bindend advies aanvraag omgevingsvergunning Polderweg 30 Hippolytushoef10.575 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De particuliere woning op het perceel Oosterweg 6 is in eigendom bij de initiatiefnemer, maar ook hier dient een goed woon- en leefklimaat aanwezig te zijn. Voor een stoeterij geldt een richtafstand van 50 meter in het kader van het milieuaspect geur. Voor de overige milieuaspecten is de richtafstand 30 meter of lager. Zolang het tijdelijk omgevingsplan geldt, gelden de regels van de Bruidsschat en dus ook de regels over de bebouwde kom in plaats van een bebouwingscontour (artikel 22.101 en tabel 22.3.12). Het tijdelijke omgevingsplan geldt zolang dit nog niet gewijzigd is voor het toelaten van agrarische activiteiten. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor (paarden vallen hieronder) moet volgens tabel 22.3.12 binnen de bebouwde kom een afstand van 100 meter worden gehouden tot een geurgevoelig object en buiten de bebouwde kom betreft dit een afstand van 50 meter. De planlocaties aan de Polderweg 30 en Oosterweg 6 zijn beiden buiten de bebouwde kom gelegen en dit betekent dat een afstand van 50 meter voldoende is tussen de grens van het bouwperceel op Polderweg 30 en de grens van het bouwperceel op Oosterweg 6. Bij de ontwikkeling van het plan wordt aan deze voorwaarde voldaan en er is dus een goed woonen leefklimaat in de woning op Oosterweg 6 mogelijk. Daarnaast zal deze woning door de realisatie van een stoeterij niet in de toekomstmogelijkheden worden beperkt.

Conclusie: De ontwikkeling van het plan heeft geen negatief effect op de milieuzonering van het naastgelegen bedrijf en woning.

5.10 Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van de wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op een archeologische beleidskaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Op de archeologische beleidskaart is aangegeven dat op de planlocatie sprake is van een afgedekt prehistorisch landschap met een middelhoge verwachting en een vrijstellingsgrens van 2.500 m² voor bebouwing. Bij de ontwikkeling van het plan wordt minder bebouwing aangebracht dan de bovengenoemde vrijstellingsgrens (rijhal circa 1.500 m²). Dit betekent dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij de ontwikkeling van het plan. De bestaande dubbele Wieringerstolpboerderij (1848) op het perceel Polderweg 30 blijft gehandhaafd en is een waardevol gebouw. Het pand is langs de Polderweg aanwezig sinds de inpoldering van de polder Waard-Nieuwland. 27

De cultuurhistorische waarden en het landschap worden door de ontwikkeling van het plan niet gewijzigd, want de verkaveling en het slotenpatroon rond beide percelen blijft gehandhaafd. Door het realiseren van een breed doorzicht tussen de beide percelen worden wel de landschappelijke kwaliteiten versterkt. Conclusie: Het onderdeel archeologie, cultuurhistorie en landschap staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.11 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89, onder i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89, onder k Bkl, artikel IIIa, onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. In dit geval is op de planlocatie Polderweg sprake van een functiewijziging van wonen naar agrarisch, maar de functie van de woning blijft ongewijzigd. Er treedt een verandering op in de milieusituatie, maar daarbij is geen sprake van het toevoegen van bodemgevoelige gebouwen. Een rijhal met stallen is geen bodemgevoelig gebouw. Voor de woning op Oosterweg 6 geldt dat er helemaal geen wijziging optreedt.

Op basis van de Bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen (2017) is de bovengrond van de locatie ingedeeld in deelgebied B5/02, “Overige woongebieden/recentere bebouwing en bedrijven + buitengebied (Den Helder, Hollands Kroon en Schagen)”. De kwaliteit van de boven- en ondergrond op onverdachte locaties is gemiddeld gelijk aan klasse Landbouw en Natuur. In het historische bodembestand zijn op en in de directe omgeving van de locatie geen meldingen opgenomen. Uit bestudering van (historisch) kaartmateriaal (Topotijdreis) blijkt dat al gedurende meer dan 30 jaar geen veranderingen op het perceel zijn aangebracht die een negatieve invloed kunnen hebben op de bodemkwaliteit. Er zijn geen belemmeringen aanwezig voor de voorgenomen functiewijziging op het perceel Polderweg 30. Conclusie: Het onderdeel bodem staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg. Op basis van de beschikbare informatie blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik.

5.12 Weging van waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor de ontwikkeling van het plan is een watertoets uitgevoerd (bijlage 8). 28

Verhardingstoename Bij de ontwikkeling van het plan wordt zowel op het perceel Polderweg 30 als Oosterweg 6 bedrijfsbebouwing gesloopt. Dit betreft gezamenlijk een oppervlakte van circa 550 m². De bouw van de nieuwe rijhal beslaat een oppervlakte van circa 1.690 m². Dit betekent dat bij de ontwikkeling een verhardingstoename van circa 1.140 m² wordt gerealiseerd. Bij een verhardingstoename van meer dan 800 m² moet compenserende waterberging worden gerealiseerd conform het beleid van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Voor het realiseren van compenserende waterberging zal bij het hoogheemraadschap een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden ingediend. Waterkwaliteit Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd en worden geloosd op de waterlopen. Tenslotte wordt wel geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen, zoals zink, lood en koper zoveel mogelijk te voorkomen. Het plan maakt de realisatie van een stoeterij mogelijk. De stroom aan huishoudelijk afvalwater wat vrijkomt zal op een geschikte wijze gereinigd moeten worden.

De hoeveelheid huishoudelijk afvalwater zal zeer beperkt zijn, omdat de stoeterij een onderneming betreft van de bewoners van de naastgelegen stolpboerderij en het bedrijf nauwelijks bezoekers ontvangt. Het bedrijf valt onder de werking van het Activiteitenbesluit. Hierin zijn in artikel 3.4 en 3.5 de eisen opgenomen die van toepassing zijn op de lozing van huishoudelijk afvalwater vanuit de inrichting. In dit besluit is bepaald dat huishoudelijk afvalwater in beginsel in de riolering moet worden geloosd, maar dat, afhankelijk van de afstand tot het dichtstbijzijnde riool, na zuivering geloosd mag worden op oppervlaktewater. Deze afstand varieert van 40 meter tot maximaal 3000 meter, afhankelijk van de vervuilingswaarde. In de omgeving van de planlocatie is geen riolering aanwezig en de vervuilingswaarde is laag, waardoor het noodzakelijk is om een voorziening te treffen voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA). Voor de lozer geldt een meldplicht bij het bevoegd gezag, het hoogheemraadschap, en lozingseisen. Deze lozingseisen hebben als doel om een goed functionerende zuiveringsvoorziening mogelijk te maken. In het kader van het Activiteitenbesluit moet door de initiatiefnemer een melding worden met behulp van de AIM-module wanneer er sprake is van een oppervlaktewaterlozing vanuit een IBA. Verder is bij de stoeterij een mestplaat aanwezig.

Deze mestplaat heeft aan drie zijden een keerwand en is gemaakt van beton. De mestplaat wordt voorzien van een opvangtank die het mestvocht opvangt. Dit mestvocht zal worden afgevoerd per as. De mestplaats is op meer dan 5 meter van een waterloop gelegen. Conclusie: Bij de ontwikkeling van het plan wordt het waterbelang niet geschaad.

29

6.

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt uitgegaan van de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt (tijdelijk omgevingsplan). De ontwikkeling van het plan betreft een particulier initiatief. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan worden vastgelegd, inclusief kostenverhaal. Deze overeenkomst wordt aangemerkt als

anterieure overeenkomst. Wordt een omgevingsvergunning verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt? Zo ja, in dat geval is artikel 4.5 Awb van toepassing. In de overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is bepaald dat eventuele nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer zal komen.

30

7.

Belangenafweging en conclusie

7.1

Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Met andere woorden is er – na een zorgvuldige belangenafweging – met het toestaan van de activiteit nog steeds sprake van een evenwichtige toedeling? Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling bij een functiewijziging van agrarisch naar wonen op de planlocatie, zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten nader onderzocht en afgewogen.

7.2

Participatie

De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie. Daarmee kunnen overheden namelijk op tijd belangen, meningen en creativiteit op tafel krijgen. De wet zegt over participatie: het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. In de Omgevingsregeling is een aanvraagvereiste participatie opgenomen. De initiatiefnemer moet aangeven of en zo ja, hoe hij aan participatie heeft gedaan. En wat de resultaten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Over de ontwikkeling van het plan heeft mondeling overleg plaatsgevonden met de eigenaar van het dichtstbijzijnde bedrijf op Nieuwlanderweg 3 in Den Oever. Hieruit zijn geen opmerkingen naar voren gekomen. Voor de woning op het perceel Oosterweg 6 geldt dat deze in eigendom is bij de initiatiefnemer. In de directe omgeving van de planlocatie zijn verder geen woningen of bedrijven aanwezig. Dit betekent dat er geen bewoners/bedrijven zijn die worden geconfronteerd met een wijziging in de omgeving door de ontwikkeling van het plan.

7.3

Adviesrecht gemeenteraad

De gemeenteraad kan onder de Omgevingswet adviseur zijn voor aanvragen omgevingsvergunning voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit adviesrecht geldt alleen voor aanvragen in gevallen die vooraf door de raad zijn aangewezen als situaties waarover men wenst te adviseren (artikel 4.21 Omgevingsbesluit). Het advies van de gemeenteraad is bindend: bij een negatief advies zal het college van burgemeester en wethouders de vergunning moeten weigeren. De gemeenteraad van Hollands Kroon heeft in een besluit aangegeven dat voor nieuwe agrarische bebouwing in het buitengebied een bindend advies nodig is. 31

7.4

Vaststellingsprocedure

De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. Op de verleende omgevingsvergunning kan bezwaar ingediend worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.5

Conclusie

De ontwikkeling van de stoeterij op Polderweg 30 in Hippolytushoef vindt plaats op een voormalig agrarisch bouwperceel dat sinds de drooglegging van de polder aanwezig is geweest. Weliswaar heeft het perceel nu een woonfunctie, maar de Wieringerboerderij en bijbehorend bedrijfsgebouw zijn nog steeds aanwezig. Op deze locatie vindt een uitbreiding van het bouwperceel plaats. Door het naastgelegen perceel Oosterweg 6 bij de planontwikkeling te betrekken en hier de bedrijfsbebouwing te slopen, is er geen sprake van een aantasting van de kernkwaliteiten binnen het landschap van de polder Waard-Nieuwland. De sloop van de bedrijfsbebouwing op het perceel Oosterweg 6 zorgt juist voor een breed doorzicht in het landschap. Daarmee wordt de uitbreiding van het bouwperceel op Polderweg 30 gecompenseerd. Doordat het dichtstbijzijnde bedrijf op Nieuwlanderweg 3 in Den Oever op grote afstand is gelegen en in de huidige situatie al beperkt wordt door beide woningen op de planlocatie, is er geen sprake van een extra beperking voor dit bedrijf. Het feit dat zowel het perceel Polderweg 30 als Oosterweg 6 in eigendom zijn bij de initiatiefnemer maakt dat bij de ontwikkeling van de stoeterij ook voldoende afstand tot de naastgelegen woning op Oosterweg 6 kan worden aangehouden. Dit geldt specifiek voor het milieuaspect geur, maar ook voor de overige milieuaspecten wordt aan de regels voldaan.

Bij de ontwikkeling van het plan is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=06e7f16e-50a0-4d7c-bd49-c0745665ae46