Bijlage 1. Concept beleidskader kleine windturbines
Tekst van het document
Beleidskader kleine windturbines Op agrarisch bouwvlak in het buitengebied
Datum: 27-08-2024 Status: Concept
Beleidskader kleine windturbines
1
Inhoudsopgave 1. Inleiding ......................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding ......................................................................................................................................................3 1.2 Strategie duurzaamheid Hollands Kroon .......................................................................................................3 1.3 Doel van het beleidskader..............................................................................................................................4 1.4 Leeswijzer ......................................................................................................................................................5 2. Afbakening ..................................................................................................................................................6 2.1 Categorieën windturbines & beleid in hoofdlijnen.........................................................................................6 2.2 Impact van het beleidskader ..........................................................................................................................9 3.
Begrippen ..................................................................................................................................................11 3.1 Begrippen en wijze van meten .....................................................................................................................11 ...........................................................................................................................................................................11 3.2 Uitgesloten gebieden ...................................................................................................................................14 4. Beleidskader voor kleine windturbines ......................................................................................................16 4.1 Rijksbeleid ....................................................................................................................................................16 4.2 Provinciaal beleid .........................................................................................................................................16 4.2 Gemeentelijk beleid .....................................................................................................................................17 5.
Toetsingskader ..........................................................................................................................................19 5.1 Ruimtelijke plaatsingscriteria ......................................................................................................................19 5.2 Opbouw van een bouwvlak en erfensemble ................................................................................................20 5.3 Criteria ten aanzien van de kleine windturbine ...........................................................................................24 5.4 Technische plaatsingscriteria.......................................................................................................................24 5.5 Overige wet- en regelgeving ........................................................................................................................25 6.
In te dienen documenten ..........................................................................................................................26 6.1 In te dienen documenten omgevingsvergunning ruimtelijke en technische bouwactiviteit ........................26 6.2 Participatieplan ...........................................................................................................................................26 ...........................................................................................................................................................................28
2
Beleidskader kleine windturbines
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Sinds eind 2020 zijn door de provincie Noord-Holland kleine windturbines met een maximale ashoogte van 15 meter toegestaan in het landelijk gebied in de provincie Noord-Holland. Op verzoek van de raad willen we op deze mogelijkheid inspelen met dit beleidskader. Dat doen we in eerste instantie door agrarische bedrijven de mogelijkheid te bieden om in de toekomst een kleine windturbine te kunnen plaatsen. Tegelijkertijd waarborgen we ook dat kleine windturbines andere belangrijke doelen niet in de weg zitten. In het bijzonder willen we de aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen door een eenduidige inpassing van kleine windturbines in het landschap. Om deze reden wordt in eerste instantie alleen voor agrarische bedrijven de mogelijkheid geboden om meer zelf te voorzien in hun energiehuishouding. Na evaluatie van het beleid, waarbij met name de landschappelijke effecten zwaar zullen wegen, zal beoordeeld worden of het beleid verbreed kan worden naar andere bedrijven in het buitengebied. De evaluatie van dit beleidskader vind plaats 5 jaar na het inwerkingtreden van dit beleid, omdat dan de effecten in het landschap zichtbaar zijn en een goede evaluatie plaats kan vinden.
De gemeenteraad van Hollands Kroon ziet hierin ook kansen voor agrarische ondernemers die voorzien in het opwekken van duurzame energie en wil dan ook het plaatsen van kleine windturbines op agrarische bouwvlakken in het buitengebied, met een maximale ashoogte van 15 meter (onder voorwaarden) faciliteren. Deze kleine windturbines maken het voor agrarische bedrijven mogelijk om te voorzien in de eigen energiebehoefte door een combinatie van zon en wind en dragen tegelijkertijd bij aan het realiseren van de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen.
1.2 Strategie duurzaamheid Hollands Kroon Kleine windturbines vallen binnen het gemeentelijke programma ‘Leefbaarheid’, in het cluster milieu. In dit programma werken we aan het realiseren van de gemeentelijke klimaatambitie. In het coalitieakkoord hebben we duurzaamheid benoemd als basisprincipe. Zowel voor maatschappelijk opgaven als woningbouw, bedrijventerreinen, agrarische- en andere bedrijven en de inrichting van de openbare ruimte is duurzaamheid een van de uitgangspunten in beleid en uitvoering. Ook in de dorpsvisies is duurzaamheid een belangrijk thema. We willen dat Hollands Kroon in 2050 klimaatneutraal, klimaatbestendig en circulair is. Binnen het programma ‘Leefbaarheid’ werken we op basis van 4 programmalijnen aan een duurzame leefomgeving. Deze programmalijnen zijn: 1. Energie neutrale gemeente; 2. Klimaatbestendige gemeente; 3. Circulaire gemeente; 4. Groene gemeente.
Beleidskader kleine windturbines
3
1.3 Doel van het beleidskader Voorheen was er in de gemeente Hollands Kroon geen specifiek beleid voor het plaatsen van kleine windturbines. Het plaatsen van kleine windturbines is op grond van de omgevingsvisie momenteel niet gewenst. Met dit beleidskader wil de gemeenteraad een nieuw standpunt innemen ten aanzien van kleine windturbines. Hiermee scheppen we duidelijkheid over de mogelijkheden en voorwaarden die we stellen aan het mogelijk maken van de plaatsing van kleine windturbines. Het beleidskader is een hulpmiddel voor agrarische ondernemers om inzicht te geven in het soort initiatieven met kleine windturbines dat de gemeente ondersteunt en de procedure die hierbij hoort. Daarnaast vervult het kader een informatieve functie voor agrarische ondernemers die zich oriënteren op kleine windturbines. Hoewel energie-opwek met kleine windturbines niet hetzelfde rendement oplevert als grootschalige opwek, is het faciliteren van de kleinschalige initiatieven belangrijk voor het verkrijgen van een gevarieerde, duurzame energiemix en het vergroten van betrokkenheid van agrarische ondernemers (en indirect inwoners) bij het behalen van de klimaatdoelstellingen van Hollands Kroon. De gemeente wil tegelijkertijd voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen als deze op termijn ruimte bieden voor opschaling naar grotere turbines.
Daarom bewaakt de gemeente de leefbaarheid, het natuurlandschap en de cultuurhistorische kwaliteit van de omgeving door randvoorwaarden voor inpassing op te stellen. Het beleidskader biedt in specifieke situaties geen ruimte voor plaatsing van een kleine windturbine, zoals bijvoorbeeld in Bijzonder Provinciaal Landschap.
4
Beleidskader kleine windturbines
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 staat uitgelegd welke windturbines onderwerp zijn van dit beleidskader en wat de invloed van het beleidskader op de plaatsing van deze windturbines is. Hoofdstuk 3 gaat in op de begrippen en de uitgesloten gebieden voor het plaatsen van kleine windturbines. Vervolgens gaat hoofdstuk 4 in op het beleid van kleine windturbines in Hollands Kroon dat met dit kader wordt bewerkstelligd. In hoofdstuk 5 wordt er ingegaan op het toetsingskader van de kleine windturbines met de verschillende criteria ’s. Ten slotte wordt er in hoofdstuk 6 aandacht gegeven aan de procedure en voorwaarden voor het verkrijgen van een vergunning.
Beleidskader kleine windturbines
5
2. Afbakening 2.1 Categorieën windturbines & beleid in hoofdlijnen Het begrip ‘kleine windturbine’ is een abstract begrip dat wordt gebruikt om verschillende soorten windturbines te beschrijven. Er bestaat een verscheidenheid aan vormen, toepassingen en hoogtes (zie ook bijlage 5.3). Daarom is het nodig om eerst te definiëren welke categorieën we onderscheiden en hoe ze binnen dit kader worden behandeld. We verdelen windturbines in vier hoofdcategorieën: dak turbines, erfturbines, middelgrote turbines en grootschalige windturbines. Hoewel een classificatie op basis van energieopbrengst mogelijk is (bijvoorbeeld in vermogen uitgedrukt), hebben we voor dit specifieke kader ervoor gekozen om categorieën te gebruiken op basis van afmetingen. De afmeting van een windturbine bepaalt namelijk sterk de inpasbaarheid in de omgeving. Mini-turbines/ Dak
Erfturbines (ofwel: kleine
Middelgrote
Grote
turbines
windturbines)
windturbines
windturbines
Veelvormig, veelal
Maximaal 15 meter in as-
15 tot 75 meter
Vanaf 75 meter
dakgebonden,
hoogte, rotordiameter
rotordiameter van
vanaf 2 meter Uitsluiten
Uitsluiten
maximaal 2 meter. Uitsluiten
Afwegen en toetsen aan de hand van de beleidsregels in dit beleidskader kleine windturbines.
Tabel 1: Categorieën windturbines
6
Beleidskader kleine windturbines
Mini-turbines/Dak turbines Mini-turbines/dak turbines betreft de kleinste categorie turbines. Behalve op de grond, kan dit type windturbines veelal ook op het dak van een huis bevestigd worden. Turbines komen niet alleen voor in de vorm van horizontale as-turbines (HATs), maar ook als windturbines met een verticale as (VATs). Daarnaast zijn er verschillende soorten rotorbladen die elk anders reageren op de wind (zie bijlage 5.2). HATs zijn vooral geschikt voor open gebieden waar de wind uit één richting komt, terwijl VATs meer geschikt zijn voor bebouwde gebieden met wisselende windrichtingen. Er bestaan zowel VATs als HATs die, al dan niet met een mast, op het dak worden geplaatst. De ‘klassieke’ HAT-windmolenvariant in deze categorie heeft wieken met een rotordiameter tot maximaal 2 meter, wat resulteert in een maximale hoogte van ongeveer 5 meter voor de windturbine1. Daarnaast bestaan er verschillende dak turbines met speciale vormen, zoals een nokturbine of powernest. Dak turbines zijn er in diverse vormen en afmetingen en hebben een groter risico op hinder (zoals geluid, reflectie) of een negatieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit dan erfturbines. Mini-turbines en dak turbines zijn niet toegestaan in de gemeente Hollands Kroon en worden uitgesloten in dit beleidskader.
Figuur 1: Soorten Mini-turbines en Dak turbines, HAWT = horizontale as (wind)turbine (HAT), VAWT = verticale as (wind)turbine (VAT). Bron: Wikimedia
1 Deze afbakening tussen mini-turbines en (grotere) kleine turbines komt overeen met de indeling die de brancheorganisatie NWEA
hanteert en bij de huidige wettelijke regels voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) en de bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer (Arm) voor windturbineparken (windturbinebepalingen).
Beleidskader kleine windturbines
7
Erfturbines (Kleine windturbines) Een andere categorie omvat kleine windturbines, ook wel bekend als erfturbines. Deze turbines hebben een maximale ashoogte van 15 meter, gemeten vanaf het peil tot aan de as van de wieken. Erfturbines zijn individuele turbines die vaak slechts één of enkele huishoudens van stroom kunnen voorzien. Het rendement is beperkt (zie bijlage 5.2). Desondanks worden erfturbines van dit formaat steeds vaker op de markt gebracht en sommige modellen veel geïnstalleerd, met name een paar jaar geleden in NoordNederland, maar nu ook steeds meer elders. Door hun beperkte hoogte zijn erfturbines qua grootte vergelijkbaar met een boom. Middelgrote windturbines Middelgrote windturbines worden gedefinieerd als turbines van een ‘tussenliggend’ formaat. Meestal hebben ze een ashoogte tussen de 15 en 75 meter. Zodra de ashoogte 75 meter bereikt, worden ze niet langer beschouwd als middelgrote windturbines, maar als grootschalige windturbines. Middelgrote windturbines worden vaak geïnstalleerd als collectief initiatief, bijvoorbeeld met een dorpsgemeenschap of buurtschap. Deze middelgrote windturbines zijn, met uitzondering van de reeds geplaatste exemplaren, niet toegestaan in Hollands Kroon. Bovendien heeft de provincie Noord-Holland de bevoegdheid over deze windturbines.
Dit houdt in dat de provincie het overheidsorgaan is dat een (eventuele) vergunningsaanvraag voor dit type windturbines behandelt, indien het lokaal ruimtelijk beleid daar ruimte voor biedt. Grote windturbines We definiëren deze categorie als windturbines met een ashoogte van 75 meter of hoger. Windmolens van deze omvang, afgezien van degenen die al zijn geïnstalleerd, zijn niet toegestaan in Hollands Kroon. Bovendien heeft de provincie Noord-Holland de bevoegdheid over deze windturbines. Dit betekent dat de provincie het overheidsorgaan is dat een (mogelijke) vergunningsaanvraag voor dit type windturbine behandelt.
8
Beleidskader kleine windturbines
2.2 Impact van het beleidskader Vergunningverlening Het plaatsen van een kleine windturbine vereist vrijwel altijd een vergunning, en voor kleine windturbines wordt doorgaans een permanente vergunning cq toestemming verleend. De vergunning kriijgt nog steeds een permanente status, maar dit geldt alleen voor de molen die specifiek wordt aangevraagd. Het is belangrijk om te benadrukken dat deze vergunning niet automatisch wordt “verlengd”, in het geval dat een windturbine het niet meer doet, bijvoorbeeld door schade of einde levensduur en behoefte is aan een nieuwe windturbine. Hiermee wordt bedoeld dat als er een moment komt dat het gewenst is om een nieuwe turbine te bouwen, het geen automatisch recht is op een nieuwe windturbine, omdat er aal een windturbine op het perceel stond. De aanvraag wordt opnieuw volledig beoordeeld op nut, noodzaak en wenselijkheid. Ook wordt de vergunning ingetrokken als de agrarische bedrijfsvoering eindigt, of de bestemming wijzigt, bijvoorbeeld van agrarisch naar wonen. Daarbij moet ook de windturbine dan fysiek van het perceel verwijderd worden. Dit is wezenlijk anders dan in eerdere situaties waarbij de vergunning van de windturbine intact bleef na het beëindigen van het agrarisch bedrijf. De toekenning van een vergunning voor kleine windturbines biedt stabiliteit aan de agrariërs, waardoor ze kunnen investeren in duurzame energie-opwek.
Dit beleid is opgesteld met verschillende overwegingen in gedachten. Ten eerste dient het als een noodzakelijk juridisch kader om de plaatsing en exploitatie van windturbines te reguleren. Door een vergunning te vereisen, kan de gemeente toezicht houden op de locaties waar windturbines worden geplaatst, rekening houdend met milieu-, veiligheids- en ruimtelijke aspecten. Omgevingswet Een windturbine is een bouwwerk waar de Omgevingswet van toepassing is. Dit betekent dat op het moment dat een initiatiefnemer een windturbine wil plaatsen, allereerst het (tijdelijke) omgevingsplan geraadpleegd dient te worden. Het (tijdelijke) omgevingsplan bepaalt grotendeels wat wel of niet is toegestaan op het gebied van windturbines. Het plaatsen van kleine windturbines is in het algemeen2 niet toegestaan binnen de regels van het omgevingsplan. Na vaststelling van het beleidskader zal dit onderdeel worden van de regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan, welke tot 2032 gefaseerd in Hollands Kroon wordt opgesteld. Zolang dit beleid nog niet is verwerkt in het omgevingsplan, geldt het beleid als toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning die niet passen in de regels van het omgevingsplan. Hoewel de regels voor kleine windturbines in het omgevingsplan worden opgenomen, moet bij de plaatsing van windturbines ook voldaan worden aan andere regelgeving.
Vaak gaat het om wetgeving van een ander overheidsniveau (zij bijlage 5.1). Hierop hebben dit beleidskader en de herziening van het omgevingsplan geen effect. Wanneer met een vergunning van het omgevingsplan wordt afgeweken (via een buitenplanse omgevingsplan activiteit; BOPA), geldt een procedure termijn van 8 weken, tenzij de initiatiefnemer vraagt om de uitgebreide procedure van toepassing tot verklaren of er sprake is van een locatie waar de plaatsing van een kleine windturbine aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving en waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen 2 Niet alle bestemmingsplannen, welke onderdeel uit maken van het tijdelijke omgevingsplan, zijn hierop nagelopen. Vandaar dat het met
een slag om de arm geformuleerd is.
Beleidskader kleine windturbines
9
hebben. De procedure tijd van de aanvraag is in dat geval 26 weken. Dat betreft echter een uitzondering. Voor een aanvraag voor een kleine windturbine is geen bindend advies van de gemeenteraad vereist.
10
Beleidskader kleine windturbines
3. Begrippen 3.1 Begrippen en wijze van meten Betekenis kleine windturbines Kleine windturbines worden gebruikt voor kleinschalige opwek van elektriciteit. Dit gebeurt achter de meter en wordt in principe ter plekke door het bedrijf verbruikt. Een kleine windturbinie heeft een maximale ashoogte van 15 meter ten opzichte van het gemiddeld maaiveld (in dit geval formeel: peil). Voor de rotordiameter wordt geadviseerd afmetingen gelijk of kleiner dan de ashoogte aan te houden. Dit in verband met de eis van een zorgvuldige ruimtelijke inpassing zoals in de omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland is vastgelegd. In dat geval komt de tiphoogte op maximaal 22,5 meter. Het vermogen van deze turbines is relatief klein ten opzichte van die van grote windturbines. Ze wekken ongeveer tussen de 25.000 tot 50.000 kWh aan elektriciteit op per jaar. Ze dienen daarom vooral om in het eigen gebruik van de agrarische bedrijfsvoering te voorzien. De gebruiker van de windturbine blijft wel afhankelijk van het net, want als de windturbine meer opwerkt dan het bedrijf verbruikt zal de turbine elektriciteit terug leveren aan het net en als de windturbine minder opwekt dan het bedrijf nodig heeft, zal deze elektriciteit afnemen van het net. Soorten kleine windturbines In de categorie microturbines maken verschillende fabrikanten uiteenlopende typen kleine windturbines.
Er zijn 2 typen te onderscheiden: 1. Kleine windturbines met een horizontale as (ook wel HAT-type genoemd); 2. Kleine windturbines met een verticale as (ook wel VAT-type genoemd). Kleine windturbines met een horizontale as komen in Nederland het meeste voor. Van dit type windturbine is hieronder een afbeelding ingevoegd. Dit type windturbine is over het algemeen groter dan een windturbine met een verticale as. Dit beleidskader heeft alleen betrekking op HAT-type windturbines, verticale as (VAT-type) windturbines staan we niet toe in de gemeente Hollands Kroon.
Beleidskader kleine windturbines
11
Figuur 2: Een kleine windturbine waarvan de as horizontaal is georiënteerd. Er bestaan ook kleine windturbines waarbij de as, waar de wieken omheen draaien, verticaal is georiënteerd. Dit type windturbine is kleiner van omvang en deze zijn beter geschikt voor plaatsen waar de windrichting erg veranderlijk is, bijvoorbeeld tussen bebouwing. Van een windmolen met een verticale as is hieronder een afbeelding opgenomen. Op deze afbeelding is een zogenoemde windwokkel afgebeeld. Deze kan eenvoudig op een plat dak geplaatst worden of op een paal variërend in hoogte van 2 tot zelfs 4 meter. In de gemeente Hollands Kroon zijn windturbines met een verticale as (VAT-type) op dit niet toegestaan.
Figuur 3: Een kleine windturbine waarvan de as verticaal is georiënteerd op een paal (windwokkel). Ashoogte van een kleine windturbine De ashoogte van een kleine windturbine wordt gemeten vanaf het peil (zie definitie) tot aan: a. Bij een horizontale as-windturbine: het middelpunt van de (wieken) as van de windturbine;
Figuur 4 & 5: Ashoogte windturbine
12
Beleidskader kleine windturbines
Tiphoogte van een kleine windturbine 1. Windturbines met een horizontale as: de tiphoogte is de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel;
Figuur 6: Tiphoogte windturbine Rotordiameter De rotor wordt bepaald door het maximale bereik van de rotor, gemeten loodrecht op de as.
Figuur 6: Rotordiameter windturbine Peil Peil staat voor de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte terrein. Agrarisch bouwvlak Een agrarisch bouwvlak of een agrarisch bouwperceel is een aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen voor een agrarisch bedrijf is toegestaan overeenkomstig het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan). Buitengebied Onder het buitengebied verstaan we alles buiten het bestaand stedelijk gebied. Voor de uitleg van bestaand stedelijk gebied sluiten we aan bij de omschrijving van dat begrip in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.
Beleidskader kleine windturbines
13
3.2 Uitgesloten gebieden Gemeente Hollands Kroon hecht veel waarde aan haar natuurgebieden en haar cultuurhistorische kwaliteiten. Deze omgevingskwaliteiten moeten in stand gehouden worden. Er is een aantal gebieden uitgesloten voor het plaatsen van kleine windturbines. Het betreft onder andere de gebieden die vallen onder Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Hier vinden we de landschappelijke kwaliteiten zwaarder wegen dan het opwekken van duurzame energie (in de vorm van wind) en het bijdragen aan een duurzame energiehuishouding van agrarische bedrijven. In de gemeente Hollands Kroon zijn 3 BPL gebieden: BPL Schagen, BPL Oude Veer en BPL Wieringen. Toelichting BPL gebieden: •
BPL Schagen: Onder BPL Schagen vallen de gebieden Kolhorn, Basingerhorn en Haringhuizen
•
BPL Oude Veer: Dit gebied strekt zich uit langs het Balgzandkanaal naar de zuidgrens van de Anna Paulownapolder. Tot dit gebied behoort de oud getijdengeul met enkele voormalige aftakkingen en gebieden ten westen en oosten van het Lage Oude Veer.
•
BPL Wieringen: Het BPL Wieringen betreft zowel het voormalige (wadden)eiland als de aandijking Polder-Waard-Nieuwland.
Figuur 8: Kaart BPL gebieden Noord-Holland
14
Beleidskader kleine windturbines
Natuurgebieden Hollands Kroon In de gemeente Hollands Kroon zijn een aantal natuurgebieden, uitgesloten voor het plaatsen van kleine windturbines. Dit zijn de natuurgebieden: Waddenzee (N2000), IJsselmeer (vogelhabitatrichtlijn), weidevolgelleefgebied en Natuur Netwerk Nederland (NNN). De gearceerde stukjes in onderstaande kaart laten deze natuurgebieden zien. Legenda: •
Blauw = N2000
•
Lichtgroen (IJsselmeer) = vogelhabitatrichtlijn
•
Muntgroen = Weidevolgelleefgebied
•
Groen = Natuur Netwerk Nederland (NNN)
Figuur 9: Kaart natuurgebieden Hollands Kroon
Beleidskader kleine windturbines
15
•
4. Beleidskader voor kleine windturbines In dit hoofdstuk wordt het beleidskader voor kleine windturbines besproken, waarbij zowel het provinciaal als gemeentelijk kader wordt belicht. Specifiek wordt er gekeken naar de regelgeving en richtlijnen die van toepassing zijn op het plaatsen en gebruiken van kleine windturbines binnen de provincie Noord-Holland en de gemeente Hollands Kroon.
4.1 Rijksbeleid In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) staat dat er ingezet wordt op duurzame energie met oog voor kwaliteit van de omgeving. De grotere windparken en de windparken op zee worden door het Rijk toegelaten. Het Rijk is bevoegd gezag voor windenergieprojecten op land van minstens 100 MW. Voor kleinere locaties op het land zijn de provincie en gemeente verantwoordelijk. Voor de maatschappelijke opgave voor duurzame energie stellen regio’s regionale energiestrategieën (RES) op. Mede omdat bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak van belang is. Het rijk geeft uitgangspunten mee aan de RES. 1 daarvan is de voorkeur voor clustering van productie van duurzame energie. Bijvoorbeeld windturbines combineren met zonneweides. Hierbij is van belang dat een afweging plaatsvindt met andere waarden, zoals landschappelijke waarden of cultuurhistorie.
4.2 Provinciaal beleid Binnen de provincie wordt het plaatsen en gebruiken van kleine windturbines gereguleerd door een reeks van wetten, regelgeving en richtlijnen. Deze worden ontwikkeld om de duurzame ontwikkeling van energiebronnen te bevorderen, terwijl tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat de impact op het milieu en de omgeving wordt geminimaliseerd. De Provincie is bevoegd gezag voor windenergieprojecten van 5-100 MW. De provincie kan bepalen dat zij de bevoegdheid voor windparken met een vermogen groter dan 5 MW overdraagt aan de gemeente. De Provincie Noord-Holland heeft de gemeenten in Noord-Holland het bevoegd gezag gegeven over het toelaten van windturbines en windparken met een vermogen van minder dan 5MW.
16
Beleidskader kleine windturbines
Voor het aanvragen van een vergunning voor de bouw van een kleine windturbine is ook een provinciaal beleidskader van toepassing. In ieder geval dient rekening gehouden te worden met: •
De Omgevingsvisie NH2050
•
De Omgevingsverordening NH2022. In deze verordening zijn kleine windturbines op agrarisch en stedelijk bouwvlak in het buitengebied, onder voorwaarden toegestaan.
Gelijktijdig met de Omgevingsverordening NH2022 is de Omgevingsregeling NH2022 in werking getreden. Hierin staan voorwaarden opgenomen voor de windturbines met een ashoogte van maximaal vijftien meter. In de Ruimtelijke handreiking wind op land OV NH2020 wordt een aantal ontwikkelprincipes aangereikt voor het plaatsen van windturbines, groot en klein. De toetsing van de plaatsing van kleine windturbines ligt bij de gemeente. Onder kleine windturbines verstaat de provincie turbines met een ashoogte van maximaal 15 meter.
4.2 Gemeentelijk beleid De gemeente geeft in haar omgevingsvisie aan of er binnen de gemeente ruimte beschikbaar is voor windturbines en welke locaties daarvoor aangewezen zijn. Hiermee houdt de gemeente rekening met de energieopgave van het Rijk en het beleid van de provincie. De gemeente heeft vooral een taak bij de lokale inpassing van kleinere windparken en kleine windturbines al dan niet op gebouwen. Deze kleine windturbines krijgen in de gemeente Hollands Kroon een plek bij agrarische bedrijven. De gemeente is bevoegd gezag bij het toelaten van windturbines en windparken met een vermogen van minder dan 5MW. Binnen de gemeente wordt het plaatsen van kleine windturbines op agrarische bouwvlakken in het buitengebied, met een maximale ashoogte van 15 meter (onder voorwaarden) toegestaan. Het is daarbij belangrijk om te vermelden dat dit beleidskader alleen betrekking heeft op HAT-type windturbines (windturbines met een horizontale as). VAT-type windturbines (windturbines met een verticale as), staan we op dit moment niet toe in de gemeente Hollands Kroon. Procedure Zonder wijziging van het omgevingsplan, waarbij de regels voor het bouwen van kleine windturbines worden toegevoegd, betekent een kleine windturbine al gauw een afwijking van het (tijdelijke) omgevingsplan ter plekke.
In het bestaande (tijdelijke) omgevingsplan zijn geen bouwregels opgenomen met betrekking tot kleine windturbines. Bij agrarische bestemmingen zijn ‘overige bouwwerken’, waartoe een kleine windturbine wordt gerekend, met een benodigde bouwhoogte niet toegestaan. Van het omgevingsplan kan worden afgeweken met behulp van een BOPA.
Beleidskader kleine windturbines
17
Voorwaarden Er gelden meerdere voorwaarden voor de plaatsing van kleine windturbines. Deze paragraaf gaat specifiek in op de voorwaarden die gelden in de gemeente Hollands Kroon. Om de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving van een kleine windturbine zo goed mogelijk in stand te houden, stellen we als voorwaarde voor plaatsing dat er een koppeling moet zijn tussen de kleine windturbine en de aanwezige bebouwing. Een kleine windturbine dient daarom geplaatst te worden binnen het bouwvlak. Op deze manier vormt de kleine windturbine een ruimtelijke eenheid met de bebouwing en kunnen kleine windturbines niet verstrooid over het hele landschap geplaatst worden. Om de impact op de leefomgeving en risico op overlast verder hanteerbaar te houden wordt een maximum van 1 kleine windturbine per bouwvlak aangehouden.
Figuur 9: Landschappenkaart Provincie Noord-Holland
18
Beleidskader kleine windturbines
5. Toetsingskader 5.1 Ruimtelijke plaatsingscriteria Onderstaande plaatsingscriteria zijn alleen voor HAT-type windturbines, VAT-type windturbines zijn niet toegestaan in de gemeente Hollands Kroon. a) De windturbine staat in het buitengebied geplaatst, op/binnen een agrarisch bouwvlak, met de bestemming ‘agrarisch’, van ten minste 1 hectare. Er moet sprake zijn van een operationeel agrarisch bedrijf. b) Er is maximaal 1 kleine windturbine per bouwvlak toegestaan; c) Plaatsing van een kleine windturbine kan alleen bij een agrarisch bedrijf waar geen andere solitaire windturbine staat; d) De windturbine wordt zorgvuldig landschappelijk en ruimtelijk ingepast, in ieder geval als onderdeel van of in relatie met de bebouwing op het bijbehorende bedrijfserf en op maximaal 30 meter van de bebouwing op het bouwvlak; e) Voor ruimtelijke inpassing wordt de Leidraad Landschhape en Cultuurhistorie Provincie NoordHolland en de Ruimtelijke handreiking op land OV NH2020 gevolgd. f)
De windturbine wordt binnen de erfbegrenzing geplaatst en niet als onderdeel van de groene begrenzing en gaat niet ten koste van groen/bomen;
g) De windturbine past binnen het erfensemble (geheel van bebouwing en beplanting); h) Er is een mogelijkheid tot afwijken buiten het erfensemble, mits er geen afbreuk wordt gedaan aan het ruimtelijk beeld van het erf en de omgeving waarin het erf zich manifesteert; i)
De windturbine staat op een ondergeschikte positie (dat wil zeggen niet prominent) in het bedrijfsgedeelte van het erf. De windturbine staat dus uit het zicht of verdekt ten opzichte van de openbare weg;
j)
Indien er kleine windturbines op erven in de buurt zijn, dient onderzocht te worden of het landschappelijk wenselijk is eenzelfde kleine windturbine te plaatsen en of er sprake moet zijn van ruimtelijke samenhang tussen de windturbines;
k) De kleine windturbine staat in verband met externe veiligheid op voldoende afstand van gevoelige bestemmingen. Een vuistregel voor de afstand is van mast tot mast minimaal 4x de ashoogte van de windturbine. l)
Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) en natuurgebieden1 zijn uitgesloten van het plaatsen van kleine windturbines;
m) Kleine windturbines dienen een minimale afstand tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen aan te houden. Deze minimale afstand bedraagt de werpafstand bij 2x het nominale toerental van de kleine windturbines. Werpafstand is de maximale afstand waarop een onderdeel van een windturbine bij falen terecht kan komen.
1 Waddenzee (N2000), IJsselmeer (vogelhabitatrichtlijn), weidevogelleefgebied en Natuur Netwerk Nederland
(NNN)
Beleidskader kleine windturbines
19
5.2 Opbouw van een bouwvlak en erfensemble Volgends de Omgevingsverordening NH2022 van de Provincie Noord-Holland mag er maximaal 1 kleine windturbine worden gebouwd op een bouwperceel met een agrarische functie. Het bouwperceel uit de omgevingsverordening staat gelijk aan een bouwvlak of terreinmaat in een (tijdelijk) omgevingsplan. In veel gevallen is het bouwvlak vele malen groter dan het erf met bebouwing en beplanting. Deze paragraaf biedt ontwikkelprincipes voor het plaatsen van een kleine windturbine op het bouwvlak.
Figuur 10: Maximaal 1 turbine per bouwvlak. Verhouding tussen windturbine en ensemble De manier waarop een windturbine zich verhoudt tot zijn omgeving, kan aanzienlijk bijdragen aan hoe deze wordt ervaren. Vooral op agrarische percelen, waar boerderijen met hun bijgebouwen een samenhangend geheel vormen, is het belangrijk dat nieuwe windturbines naadloos opgaan in dit landschappelijke ensemble. Elk ensemble bestaat uit verschillende elementen zoals gebouwen, wegen, landschapskernmerken en begroeiing, die samen een harmonieus geheel vormen. Het is essentieel dat eventuele toevoegingen, zoals windturbines, worden geïntegreerd in dit ensemble, zodat ze geen afbreuk doen aan de samenhang van het landschap. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het feit dat een windturbine altijd invloed heeft op een grotere omgeving dan alleen het erf-/bebouwingsensemble.
Figuur 11: Onderdelen van een erfensemble 20
Beleidskader kleine windturbines
Zie de windturbine als onderdeel van of in relatie met het (bestaande) ensemble van bebouwing en beplanting De windturbine wordt bij voorkeur geplaatst binnen de visuele begrenzing van het erf/bebouwingsensemble. Op deze manier ontstaat er geen nieuw object in het landschap en wordt verrommeling beperkt. Dit is echter niet altijd mogelijk door bijvoorbeeld een gebrek aan ruimte of de afwezigheid van een heldere visuele begrenzing. Houd in dat geval bij voorkeur een maximale afstand aan tot 1 van de hogere bouwvolumes (nokhoogte > 5m) van het bouwensemble van 30 meter (2x as-hoogte). Door deze afstand te beperken blijft er een sterk visuele relatie met het bouwensemble
Figuur 12: Binnen de visuele grenzen van het erf.
Figuur 13: In de nabijheid van erf en gebouwen. Maximaal op 30 meter afstand.
Beleidskader kleine windturbines
21
Plaats de windturbine op een ondergeschikte positie t.o.v. representatieve voorzijde van het bouwvlak Om de impact van (een grote hoeveelheid) kleine windturbines te beperken is de beleving van het landschap erbij gebaat wanneer deze windturbines zoveel mogelijk op afstand van de openbare weg en buiten het zicht worden geplaatst. Daarom worden de kleine turbines bij voorkeur op de achterzijde van het bouwvlak geplaatst. Voorkom daarbij dat de turbine in zichtlijnen vanaf de openbare weg wordt geplaatst door deze achter de bebouwing en/of beplanting te situeren.
Figuur 14: Plaatsing op ondergeschikte locatie t.o.v. woonhuis of voorerf.
Figuur 15: Niet prominent in het zicht vanaf de weg of omliggende bewoning.
22
Beleidskader kleine windturbines
Behoud afstand van historisch of landschappelijk waardevolle structuren of elementen Bij de ruimtelijke inpassing worden in ieder geval eventueel aanwezige provinciale monumenten op het aan de windturbine gekoppelde bouwperceel betrokken. Zorg ervoor dat windturbines op voldoende afstand staan van beschermde cultuurhistorische of landschappelijk waardevolle elementen en structuren, zoals dijken of karakteristieke waterlopen, zodat daar geen onevenredig afbreuk aan wordt gedaan.
Figuur 16: Afstand tot historisch of landschappelijk waardevolle structuren. Draag zorg voor een (groene) inpassing van de windturbine op het bouwvlak Houd bestaande erfbeplanting zoveel mogelijk in stand. Wanneer er onverhoopt toch wat beplanting moet worden verwijderd ten behoeve van het rendement van de windturbine, beperk dit dan tot de beplanting binnen een straal van 15 meter (1x de ashoogte) vanaf de windturbine.
Figuur 17: In lijn met bebouwing, niet met beplanting.
Beleidskader kleine windturbines
23
5.3 Criteria ten aanzien van de kleine windturbine a) De ashoogte van een kleine windturbine bedraagt niet meer dan 15 meter ten opzichte van het peil; b) De maximale rotordiameter is gelijk aan de ashoogte; c) De kleine windturbine heeft een herkenbare, eenduidige hoofdvorm als energieopwekker; d) De kleine windturbine heeft een overwegend rank silhouet; e) De kleine windturbine heeft een ingetogen kleurgebruik passend bij het agrarisch bouwvlak in het buitengebied; f)
De bijbehorende elementen zijn ondergeschikt in maat, eveneens in ingetogen kleuren;
g) Eventuele reclame is te allen tijde ondergeschikt; h) Zodra er sprake is van slagschaduw op een woning bij omwonenden dient er een automatische uitschakelregeling te worden afgesproken en ingesteld.
5.4 Technische plaatsingscriteria De afstand van een kleine windturbine tot: a) Een andere kleine windturbine, bedraagt van mast tot mast niet minder dan drie keer de rotordiameter; b) Gasinfrastructuur bedraagt niet minder dan 25 meter, tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand; c) De meest nabijgelegen gevoelige bestemming bedraagt vanaf de mast niet minder dan viermaal de ashoogte van de windturbine; d) Openbaar gebied is zodanig dat de wieken of de constructie van de kleine windturbine niet overhangt boven openbaar gebied of andermans perceel; e) De kleine windturbine en de omvormer moeten goed bereikbaar zijn, dat wil zeggen geen obstakels op de weg ernaartoe, voor hulpdiensten en onderhoudsdiensten.
24
Beleidskader kleine windturbines
5.5 Overige wet- en regelgeving Verder dient te worden voldaan aan: a) De eisen van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving; b) De eisen van het Besluit Activiteiten Leefomgeving; c) De overige beschermingsregels van het ter plaatse geldende (tijdelijke) omgevingsplan, zoals archeologie, waterstaatwaterkering, etc.; d) De regels van de natuurbescherming en de daaruit volgende voorwaarden, zoals opgenomen in de Omgevingswet; e) De voorwaarden van de Erfgoedvisie; f)
Aanwijzingen rond bouwen nabij (rijks, provinciale en gemeentelijke) monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten volgend uit de erfgoedwetgeving en omgevingsplan (Erfgoedverordening Hollands Kroon 2020 en bijbehorende viewer);
g) De regels ten aanzien van het bouwen in de nabijheid van (rijks)wegen en spoorwegen; h) De NEN-EN-IEC norm 61400-2 dan wel Handreiking miniwind en kleine windturbines van Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA). De gemeente kan nadere eisen stellen aan de plaats, omvang en het gebruik van de kleine windturbine ten behoeve van: a) De bezonningsituatie; b) Lichttoetreding in of reflectie op nabijgelegen bebouwing; c) Zichtlijnen of visuele hinder; d) Het voorkomen van slagschaduw; o
Grofweg maximaal 6 uur per jaar
e) Risico’s voor gevoelige of kwetsbare objecten; f)
Geluidshinder; o
Maximaal 41dB in de nacht (moderne koelkast)
o
Maximaal 47dB gemiddeld per jaar
g) De mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf.
Beleidskader kleine windturbines
25
6. In te dienen documenten 6.1 In te dienen documenten omgevingsvergunning ruimtelijke en technische bouwactiviteit Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning, om van het omgevingsplan af te wijken, dient een onderbouwing voor de effecten op de fysieke leefomgeving te worden meegestuurd met daarin opgenomen de effecten op: 1. Archeologie; 2. Cultuurhistorie; 3. Bodem; 4. Geluid; 5. Slagschaduw; 6. Ecologie; Quickscan Flora & Fauna 7. Water; 8. Omgevingsveiligheid; 9. Trillingen; 10. Gezondheid; en 11. Landschappelijk inpassingsplan volgens gestelde in het Toetsingskader (zie hoofdstuk 5). Daarnaast geldt als indieningsvereiste: a) Het participatieplan; en b) Situatietekening en doorsnedes en aangezichten (maaiveld en vogelvlucht) op schaal Een windturbine hoger dan 5 meter is vergunningplichtig voor de technische bouwactiviteit. Dit staat in artikel 2.25 Bbl (Besluit bouwwerken leefomgeving) voor een toegankelijke windturbine en in artikel 2.26 Bbl voor de overige windturbines. Als de windturbine lager is dan 5 meter heeft u voor het technische gedeelte een kwaliteitsborger nodig.
6.2 Participatieplan De initiatiefnemer stelt een participatieplan op om de betrokkenheid van omwonenden bij het plaatsen van een kleine windturbine te regelen en inzichtelijk te maken. Dit betekent dat de initiatiefnemer de omwonenden informeert over het plan en hun vragen beantwoordt. Ook kunnen ze worden uitgenodigd om een bestaande kleine windturbinelocatie te bezoeken. De omwonenden krijgen de kans om mee te praten over aspecten zoals de locatie en het uiterlijk van de windturbine. Het plan beschrijft ook hoe deze betrokkenheid wordt georganiseerd, bijvoorbeeld via huisbezoeken of bijeenkomsten. Omwonenden worden gedefinieerd als inwoners die binnen een straal van 600-700 meter van de windturbine wonen of werken. De initiatiefnemer moet aan de gemeente een lijst van omwonenden overhandigen met wie gesproken is, inclusief hun standpunten/opmerkingen over het initiatief en wat er met hun eventuele opmerkingen is gedaan.
26
Beleidskader kleine windturbines
De communicatie met omwonenden moet zo vroeg mogelijk plaatsvinden, idealiter tijdens de voorbereiding van de vergunningaanvraag. Als het plan niet geschikt is voor participatie, moet worden aangegeven waarom dat zo is.
Beleidskader kleine windturbines
27
28
Beleidskader kleine windturbines
.
hollandskroon.nl – 088 - 3215000 Beleidskader kleine windturbines
29