CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording vragen informatieve bijeenkomst 170621.pdf

Beeldvormende vergadering 17 juni 2021, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Presentatie8.463 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Memo Onderwerp

Datum

Beantwoording vragen over raadsvoorstel bestemmingsplan B1 Aan

17 juni 2021 Van

Gemeenteraad

College

Doel Informeren

Beste leden van de raad, Op donderdagavond 17 juni vindt een informatieve bijeenkomst plaats als voorbereiding op de behandeling van het raadsvoorstel bestemmingsplan deelgebied B1. De griffie heeft in de memo van 20 mei aangegeven wat het doel is van deze avond: informeren en vragen beantwoorden. Onze gemeentelijke RO-specialist geeft een presentatie over de achtergrond en de juridische aspecten van het raadsvoorstel. Ook is een medewerker van de provincie aanwezig voor een toelichting op de provinciale datacenterstrategie. In de memo van de griffie is de mogelijkheid genoemd om vooraf informatieve/technische vragen aan het college te stellen. Diverse fracties hebben hier gebruik van gemaakt. In deze memo zijn deze vragen beantwoord door de ambtelijke organisatie. Ook in de presentatie van de informatieavond op 17 juni geven we aandacht aan de gestelde vragen. Een opmerking vooraf: wij constateren dat de vragen voor een deel politiek van aard zijn. Bijvoorbeeld als er om de mening of visie van het college wordt gevraagd. Deze vragen kunt u aan de portefeuillehouder stellen tijdens de raadsvergadering op 29 juni en worden daarom niet in deze memo beantwoord. Ook zijn een deel van uw vragen al eerder gesteld en beantwoord via schriftelijke politieke vragen aan het college.

U heeft op 15 juni een memo ontvangen met informatie over datacenters, een overzicht van alle gestelde en beantwoorde vragen en verwijzingen naar achtergrondinformatie. Waar relevant verwijzen wij naar die beantwoording. Inleidende teksten op uw vragen hebben wij schuingedrukt weergegeven.

Pagina

1/24

Vragen gesteld door fractie Anders Hyperscale datacenters zijn grootschalige, data verwerkende industriële bedrijven die – voor hun imago – bij voorkeur van duurzame energie gebruik maken. De opwekking van deze energie vraagt dus de inzet van wind- en zonne-energie. De door datacenters gebruikte energie gaat ten koste van de aan de bevolking beloofde opbrengst in het voortraject van de realisatie van wind- en zonneparken. De in Wieringermeer gerealiseerde datacenters zijn landschappelijk niet ingepast. Het bevoegd gezag heeft op onderdelen genoegen genomen met de goedkoopste oplossingen. In de afgelopen periode zijn o.a. vragen ontstaan over het gebruik van de restwarmte, het koelwater en de opslag van diesel voor de back-up stroomvoorziening. Ook de toegevoegde waarde van datacenters voor de werkgelegenheid riep vragen op. 1. Onderschrijft het College de opvatting dat het energiegebruik van datacenters in de Wieringermeer grenzen stelt aan nieuwe economische ontwikkelingen in de regio? Dit is een politieke vraag. In de inleiding hebben we uitgelegd dat we die niet beantwoorden in deze memo. Desgewenst beantwoorden we uw vraag in de raadsvergadering van 29 juni. 2. Is er overleg met de regiogemeenten over de vestiging van datacenters en welke afspraken zijn hierover gemaakt? Ja.

In het kader van dit bestemmingsplan hebben wij overleg gevoerd met de buurgemeenten, en met de wettelijk voorgeschreven overlegpartners. Ook na het doorlopen van het (verplichte) vooroverleg hebben wij gesprekken met de buurgemeenten gevoerd. Er zijn afspraken gemaakt over de wijze van informeren en er is informatie gedeeld. Wij informeren de regio actief. 3. Welke afspraken zijn er gemaakt met netbeheerder Liander over verzwaring/uitbreiding van het net? Welk tijdpad is hiervoor beschikbaar en welke consequenties hebben deze afspraken? Ook met Liander hebben wij vooroverleg gevoerd. Het resultaat hiervan kunt u vinden in de bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan. Overigens is niet Liander maar TenneT de partij die de stroom levert aan grote afnemers zoals de datacenterbedrijven. Tennet is op de hoogte van onze plannen en neemt dit soort ontwikkelingen mee in de meerjarenplanning. 4. Hoeveel energie gebruiken de reeds gerealiseerde datacenters in HK en wat is het verwachte gebruik van de nog in de pipeline aanwezige plannen? (opwekking/energieregio)

Pagina

2/24

In bijlage 15 van de toelichting van het bestemmingsplan hebben wij het thema ‘energie’ beschreven in relatie tot het voornemen om ruimte te creëren voor de vestiging van datacenters op de werklocatie Agriport A7. Bedrijven zijn niet verplicht om hun exacte energieverbruik openbaar te maken. Wij beschikken ook niet over die informatie en kunnen deze vraag daardoor niet nauwkeurig beantwoorden. Wat we erover weten vindt u in de memo die het college 15 juni heeft verstuurd, en onze website. 5. Is de in de regio duurzaam opgewekte energie voldoende om aan de huidige vraag van de datacenters te voldoen? Zie het antwoord op de voorgaande vraag. We merken daarbij op dat het voor het bestemmingsplan niet relevant is waar de energie die nodig is wordt opgewekt. In 2019 verscheen onder de titel “Energie en Ruimte Noord-Holland Noord”, een “Verkenning van ruimtelijke perspectieven voor de energietransitie in Noord-Holland Noord”, In deze verkenning waren o.a. de volgende kaarten opgenomen: • Situatie 2021 met de windturbines gerealiseerd binnen het Windplan Wieringermeer • Het perspectief voor 2050 dat als “Nationale energieregio” in de Verkenning is gepresenteerd 6. Hoe beoordeelt het college de kans dat de vestiging van datacenters en de weerstand in de Regio Amsterdam (MRA) tegen windturbines het in kaart 2 geschetste toekomstbeeld naderbij brengt? Dit is een politieke vraag.

In de inleiding hebben we uitgelegd dat we die niet beantwoorden in deze memo. Desgewenst beantwoorden we uw vraag in de raadsvergadering van 29 juni. 7. Hoe beoordeelt het college de leefbaarheid in het gebied nu de provincie voornemens is de norm van 600 meter voor de afstand turbine – woning te schrappen? Ook dit is een politieke vraag. In de inleiding hebben we uitgelegd dat we die niet beantwoorden in deze memo. Desgewenst beantwoorden we uw vraag in de raadsvergadering van 29 juni. 8. Wat beteken 3000 handtekeningen van inwoners tegen deze datacenters tegen de achtergrond van burgerparticipatie die Hollands Kroon zo hoog in het vaandel heeft? Dit is een politieke vraag. In de inleiding hebben we uitgelegd dat we die niet beantwoorden in deze memo. Desgewenst beantwoorden we uw vraag in de raadsvergadering van 29 juni. We merken daarbij op dat een petitie geen ruimtelijk relevant criterium is. In onze presentatie voor de informatieve raadsbijeenkomst van 17 juni lichten we dat verder toe.

Pagina

3/24

9. Zijn er aan datacenters voorwaarden gesteld over het onderwerp duurzaamheid? Zo ja, welke eisen heeft het college gesteld aan de nieuwe mogelijke datacenter vestiging? Zo nee, waarom niet? In bijlage 15 van de toelichting bij het bestemmingsplan vindt u informatie hierover. Daarbij zijn wij specifiek ingegaan op energiesparing en de inzet van duurzame energie. Daaronder verstaan we het gebruik van restwarmte, warmte- en koudeopslag en aardwarmte, zonne-energie en biomassa. Allereerst is de energiehuishouding van een datacenter beknopt beschreven. Daarna worden bovengenoemde aspecten behandeld. Voor milieu - en omgevingsaspecten die gekoppeld zijn aan de energievoorziening van een datacenter (zoals geluid, emissies, koeling e.d.) verwijzen wij naar de plantoelichting en de voor het bestemmingsplan opgestelde m.e.r. beoordelingsnotitie. 10. Is het juist dat noch het college van Hollands Kroon noch de veiligheidsregio op de hoogte was van de hoeveelheid diesel die bij het datacenter van Microsoft is opgeslagen? Nee, dat is niet juist. Zie de beantwoording in PV 2127 en 2130. 11. Wat is de stand van zaken in het dispuut met de Provincie over het bevoegd gezag inzake de realisering van datacenters in Hollands Kroon? Er is geen sprake van een dispuut.

Gedeputeerde Staten hebben in hun vergadering van 2 maart 2021 het standpunt ingenomen dat zij bevoegd gezag zijn voor vergunningen voor datacenters met een opgesteld vermogen van meer dan 50 megawatt. Het college is in goed overleg met de provincie en de omgevingsdiensten om te beoordelen wat de consequenties zijn van het besluit van Gedeputeerde Staten. Parallel loopt zoals u weet een beroepszaak bij de bestuursrechter, aangespannen door LTO. Een van de beroepsgronden is de vraag wie in deze zaak het bevoegd gezag is. De uitspraak van de rechter wachten wij met belangstelling af. Daarbij tekenen we aan dat het gesprek over het bevoegd gezag los staat van de besluitvorming over bestemmingsplannen. Dat is en blijft in alle gevallen de bevoegdheid van de gemeenteraad. 12. Op welke gronden heeft de gemeente HK in het recente verleden geoordeeld als bevoegd gezag te kunnen optreden inzake de vestiging van datacenters? Zie hiervoor de beantwoording in PV 2129. 13. Het initiatief Agriport-A7 faciliteerde niet alleen de vestiging van kassen in Wieringermeer maar had ook een ambitie op het terrein van werkgelegenheid en woningbouw. In hoeverre zijn deze ambities gerealiseerd?

Pagina

4/24

Deze vraag staat los van het bestemmingsplan B1. Bij een andere gelegenheid beantwoorden we uw vraag desgewenst graag. 14. Welke op bescherming van het milieu gerichte onderzoeken zijn verbonden aan de vestiging van datacenters? In het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan zijn verschillende milieugerichte onderzoeken verricht. Wij verwijzen hiervoor naar de bijlage van de toelichting van het bestemmingsplan. 15. Met de opslag van diesel voor de back-up stroomvoorziening is de niet-duurzame opwekking van energie in beeld gekomen. Ook in de kassen zijn installaties (gasmotoren) aanwezig om energie te produceren. Welke rol spelen deze gasmotoren in de energievoorziening van de datacenters? De energievoorziening van de glastuinbouwbedrijven kan al enige tijd ook worden ingezet (door de netbeheerder) voor ondersteuning van een stabiele elektriciteitsvoorziening voor de regio, en daarmee dus ook voor de datacenters in onze regio. 16. Welke afspraken bestaan er tussen de datacenters en ECW op het terrein van energievoorziening? Deze vraag staat los van het bestemmingsplan B1. In algemene zin kunnen we hierover zeggen dat bij de energievoorziening van datacenters altijd wordt getoetst aan geldende wet- en regelgeving, waaronder als dat relevant is de Wet natuurbescherming. N.B.

De vragen 15 en 16 zijn relevant omdat ook deze gasmotoren NOx (stikstofoxiden) uitstoten die bijdragen aan de stikstofbelasting van de aanwezige natuur. In de RES worden 30 regio's opgedragen een bijdrage te leveren aan de 35 TWh (terawattuur) die voor 2030 aan duurzame energie gevraagd wordt. De bijdrage van de regio Noord-Holland-N in de RES-1 is 3,6 TWh (= 3,6 miljard kWh). Voor de datacenter-plannen zou in 2030, het gecontracteerd vermogen zijn gestegen tot ruim 3000 MW. Als zoals nu 50 % van het gecontracteerde vermogen als energie gebruikt wordt, betekent dat ruim 6 miljard kWh (= 6 TWh), voldoende voor 1,7 miljoen huishoudens. Voor de energievraag van de datacentra is naar verwachting in 2050 nog eens 3,5 TWh nodig. Daarmee hebben de datacentra een derde van alle elektriciteit nodig. De RES maakt onderdeel uit van het klimaatakkoord van de gebouwde omgeving en daar staat een industrieel complex als een hyperscale datacenter los van. De RES NHN voorziet daarom niet in deze vraag! 17. Welke invloed heeft de vestiging van datacenters op de bijdrage van de regio aan de RES?

Pagina

5/24

Geen. De RES staat los van het energieverbruik door bedrijven in de regio. De RES beschrijft de wijze waarop de regio duurzame energie wil opwekken en is daarmee een regionale uitwerking van het Klimaatakkoord en de nationale opgave in het kader van de energietransitie. In bijlage 15 van de toelichting op het bestemmingsplan hebben wij het thema energie beschreven in relatie tot het voornemen voor het creëren van ruimte voor de vestiging van datacenters op de werklocatie Agriport A7. De RES maakt onderdeel uit van het Klimaatakkoord en de nationale opgave in het kader van de energietransitie. Vragen gesteld door fractie GroenLinks 1. Bent u als specialist ruimtelijke ordening onafhankelijk in uw oordeel in de zin dat u of uw kantoor op generlei wijze betrokken is geweest bij het voorliggende bestemmingsplan? Zo nee, wat was uw rol? De ontwikkelaar laat het bestemmingsplan opstellen door een gespecialiseerd bureau. Waar nodig zijn aanvullend andere gespecialiseerde bureaus geraadpleegd. Dit is terug te vinden in de documenten die bij het bestemmingsplan horen. Bij de voorbereiding en het opstellen van het plan is er contact met de ambtelijke organisatie. De ambtelijke organisatie doet dit in opdracht en onder verantwoordelijkheid van het college. Het college doet dit vanuit het algemeen belang binnen de door de raad geformuleerde kaders.

De beantwoording van deze vragen vindt plaats door de ambtelijke organisatie. Toelichting op vraag 1. De griffie stelt dat belanghebbenden op enig moment recht hebben op een besluit. Het college heeft ruim tweeëneenhalf jaar voor de voorbereiding genomen. De raad wordt wettelijk geacht binnen twaalf weken na de ter inzagelegging te beslissen. Dat is onevenredig kort. 1a. Acht u het, procesmatig gezien, te billijken dat de raad bij dergelijke meerjarige en complexe bestemmingsplanwijzigingen in een veel eerder stadium - voorafgaand aan de besluitvorming beeldvormend en oordeelvormend wordt betrokken bij de totstandkoming van het voor te leggen bestemmingsplan? De termijnen en wettelijke procedures zijn vastgelegd in de Wro. 1b. Kunt u daarover, vanuit uw expertise, aanbevelingen formuleren? Dit is een politieke vraag. In de inleiding hebben we uitgelegd dat we die niet beantwoorden in deze memo. Desgewenst beantwoorden we uw vraag in de raadsvergadering van 29 juni.

Pagina

6/24

(Deze vraag is mede geïnspireerd door de reacties van de provincie en buurgemeentes die graag actiever en eerder waren betrokken bij de totstandkoming van het bestemmingsplan en voorts de veelheid aan issues ná de publicatie van het conceptbestemmingsplan.) Toelichting op vraag 2. Wethouder Groot heeft de raad op 28 april 2020 geadviseerd om nadere voorwaarden op te nemen in bestemmingsplannen en deze vooral “in de breedte” te trekken door actualisatie van de omgevingsvisie. Volgens de wethouder konden bij de actualisatie ook de lopende initiatieven worden meegenomen. Ook wethouder Meskers zag daar tijdens het begrotingsberaad “voldoende tijd” voor. 2a. Kunt u aangeven hoeveel tijd “voldoende tijd” is om nadere vestigingsvoorwaarden op te nemen in een tussentijdse partiële actualisatie van de omgevingsvisie? Kunt u daarbij aangeven wat de minimaal vereiste stappen en termijnen zijn? Voor een tussentijdse gedeeltelijke actualisatie van de huidige omgevingsvisie moeten om te beginnen de gewenste vestigingsvoorwaarden worden geformuleerd. Daarna moet de voorgestelde wijziging van de omgevingsvisie de inspraakprocedure doorlopen, waarna de raad een besluit kan nemen. Voor de goede orde merken wij op dat niet alle mogelijke vestigingsvoorwaarden thuishoren in een bestemmingsplan.

De raad heeft altijd de mogelijkheid om degelijke vestigingsvoorwaarden te formuleren en vast te stellen, mits daarbij de juiste procedure wordt doorlopen. Door tussentijdse actualisatie kon recht worden gedaan aan zowel het raadsbesluit tot actualisatie van de omgevingsvisie als de wens van het college om lopende initiatieven in procedure te brengen. Het college honoreert nu echter alleen de eigen wens en niet de beloftes en het raadsbesluit over actualisatie van de omgevingsvisie. De handelswijze van het college verhoudt zich volgens ons slecht met actuele initiatieven en gezaghebbende adviezen, bijvoorbeeld: •

De provincie ontwikkelt momenteel zelf een datacenterstrategie met vestigingsvoorwaarden om de afwezigheid daarvan bij Hollands Kroon te compenseren;

•

De rapportage systeemstudie energie-infrastructuur Noord-Holland 2020-2050 drong eerder aan op een no-regret-plan;

•

De ARO adviseert om eerst een masterplan te hebben voordat er wordt overgegaan tot de ontwikkeling van deelgebieden.

Pagina

7/24

In de nota zienswijzen, waarin de Provincie Noord-Holland (onder punt m.) om uitvoering van dit ARO-advies vraagt, stelt het college dat aan het ARO-advies tegemoet is gekomen omdat de gemeente in de toekomst tot actualisatie van de omgevingsvisie overgaat. Dat is echter geen tegemoetkoming aangezien de ARO vroeg om een masterplan vóórdat er een deelgebied wordt ontwikkeld en niet erná. 2b. Hoe beoordeelt u - in termen van motiveringsvereisten voor nota’s van zienswijzen - het betoog van het college dat met de vaststelling van het bestemmingsplan zonder een door de raad vastgesteld masterplan, wel wordt tegemoetgekomen aan het ARO-advies om geen deelgebieden te ontwikkelen voordat er een masterplan is ontwikkeld? Er is wel degelijk een masterplan. Wij verwijzen u hiervoor naar de omgevingsvisie (die zelfbindend is) en de verschillende beeldkwaliteitplannen die voor het Agriport gebied zijn gemaakt. 2c. Kunt u uitleggen wat de gevolgen kunnen zijn van een gebrek in motivering bij de beantwoording van zienswijzen in de nota van zienswijzen? Als een besluit gebrekkig is en dus vernietigbaar is, moet de rechter eerst nagaan of hij/zij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kan laten, of zelf in de zaak kan voorzien. Als dat niet mogelijk is kan de rechter in bepaalde gevallen de zogenoemde 'bestuurlijke lus' toepassen (artikel 8:72 Awb).

De bestuurlijke lus is vooral geschikt voor het herstellen van een onzorgvuldige voorbereiding (artikel 3:2 Awb) of een gebrekkige motivering van een besluit (artikel 3:46 Awb). Als een zaak zich niet leent voor een bestuurlijke lus, dan kan de rechter het besluit ‘gewoon’ vernietigen. (Deze procesmatige vragen komen voort uit de behoefte om recht te doen aan geventileerde zorgen, specialistische adviezen en waarschuwingen, bestuurlijke interventies, zienswijzen en een stortvloed aan nieuwe informatie. Veel issues waren bij de voorbereiding klaarblijkelijk niet voorzien of onvoldoende geadresseerd en kunnen tot ongewenste uitkomsten leiden. Dat vraagt volgens GroenLinks om een procedurele herbezinning.) Toelichting op vraag 3. De gemeenteraad wordt gevraagd een oordeel te geven over het voorliggende bestemmingsplan B1. Daarbij beoordeelt de raad of het plan voldoet aan de door de raad vastgestelde beleidskaders. Die zijn zelfbindend en vastgelegd in de gemeentelijke omgevingsvisie 2016. GroenLinks heeft het bestemmingsplan op de toepassing van deze omgevingsvisie getoetst.

Pagina

8/24

Toelichting vraag 3a. De omgevingsvisie van Hollands Kroon wordt in de toelichting op het bestemmingsplan precies zevenmaal genoemd. Het gaat daarbij uitsluitend over de plaatjes met pijlen en een specifiek deel uit de bijbehorende tekst: “Als er voldoende aantoonbare behoefte is aan nieuwe bedrijfsgrond of glastuinbouw grond, ligt uitbreiding in de richting van onderstaande locatie voor de hand.” Verder komt de omgevingsvisie niet aan de orde. Er wordt dus alleen verwezen naar de “ja” uit de omgevingsvisieformule “ja, tenzij ...” en niet naar de “tenzij...”. 3a. Treft u, bij lezing van de toelichting op het bestemmingsplan, behalve de verwijzing naar het kaartje met pijlen, nog andere expliciete verwijzingen naar de omgevingsvisie aan? Zo ja, welke? Het bestemmingsplan en de toelichting is voor iedereen te raadplegen. In dat verband wijzen we in het bijzonder op deze passage op pagina 18, die gaat over Agriport, en die aansluit bij het in de omgevingsvisie geformuleerde kader: "Wij faciliteren en ondersteunen deze ontwikkeling, die past binnen de circulaire economie. Waar nodig kan uitgebreid worden. Op Agriport A7 is daarom ook plek voor meer datacenters.” Toelichting vraag 3b. Op pagina 22 van de toelichting omschrijft het college hoe op Agriport een “unieke” koppeling kan ontstaan door uitwisseling van restwarmte en merkt op dat daarvoor nog geen beleid is opgesteld.

Daarmee negeert het college de omgevingsvisie: In het eerste kader van het hoofdstuk Agriport A7 wordt slechts één reden aangegeven waarom daar plaats zou zijn voor datacenters: i.c. uitwisseling van restwarmte. In het tweede kader wordt zulke uitwisseling als voorwaarde voor vestiging op Agriport geformuleerd. Zo’n vestigingsvoorwaarde is ruimtelijk beleid dat vertaling naar het bestemmingsplan verdient. Initiatieven die niet aan die vestigingsvoorwaarde voldoen zouden dan kunnen worden afgewezen. Daarmee zou de doelstelling van circulariteit op Agriport worden bevorderd en zouden initiatieven die niet voldoen een andere locatie moeten zoeken. 3b. Trof u, bij lezing van de omgevingsvisie, behalve kaartjes met pijlen, ook kaders aan op basis waarvan nadere voorwaarden in het bestemmingsplan konden worden gesteld? Juridisch gezien is het niet mogelijk om dergelijke voorwaarden in een bestemmingsplan op te nemen omdat deze voorwaarden ruimtelijk niet relevant zijn en alleen ruimtelijk relevante eisen opgenomen mogen worden.

Pagina

9/24

Wilt u bij de beantwoording van bovenstaande vraag de in de omgevingsvisie opgenomen definitie van “kader” en het zelfbindend karakter daarvan in aanmerking nemen: “Een kader voldoet aan hogere kaders of nog niet helemaal maar we gaan hier wel naar handelen.”? Toelichting vraag 3c. Het college heeft zich bij de beantwoording van schriftelijke vragen op het standpunt gesteld dat de kaders in de omgevingsvisie zacht zijn en het plaatje met pijlen en tekst hard. De reden waarom de kaders van de omgevingsvisie niet zijn betrokken bij het bestemmingsplan ontbreekt in de toelichting van het bestemmingsplan. Dat is een tekortkoming in de motivering. Daarnaast was de kwalificatie “zacht” voor de kaders in de omgevingsvisie voor ons een onaangename verrassing, die we in de toekomst willen vermijden. 3c. Wat is er volgens u, vanuit redactioneel oogpunt, nodig om beleidskaders inzake ruimtelijke ordening in een structuurvisie als “hard” aan te merken, zoals onderstrepen, vet maken, toevoeging “echte” kaders? Wat nodig is om een geldige omgevingsvisie vast te stellen is vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Die geeft geen voorschriften of richtlijnen voor de redactionele middelen die u noemt. Toelichting vraag 3d.

De afwezigheid van een masterplan, of de vertaling daarvan in een structuurvisie, stelt GroenLinks voor een dilemma: enerzijds goedkeuring van het bestemmingplan vanwege de afwezigheid van vestigingsvoorwaarden of anderzijds afkeuring van het bestemmingsplan vanwege het ontbreken van toepasbare beleidskaders. 3d. Heeft u, vanuit uw expertise, een aanbeveling hoe met bovenstaand dilemma om te gaan, anders dan het afwijzen van het bestemmingsplan en inzetten op opvolging van het ARO-advies? Wij verwijzen naar het raadsvoorstel. De raad wordt gevraagd om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bestemmingsplan op zichzelf te beoordelen. Voldoet het besluit aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de Algemene wetbestuursrecht, een goede ruimtelijke ordening. Dat zijn de vragen die van belang zijn. Een relevante vraag is ook wat mogelijke juridische gevolgen zijn van het besluit het bestemmingsplan niet vast te stellen. Toelichting op vraag 4. Wanneer de raad zou besluiten om het voorliggende bestemmingsplan niet vast te stellen, dan voldoet het verslag van de betreffende raadsvergadering niet als motivatie van

Pagina

10/24

dat besluit, zo leert de jurisprudentie. Daarom is er een raadsbesluit over de motivatie van de afwijzing nodig. GroenLinks stelt zich daarbij het volgende voor: •

De kenbare belangenafweging zou zich kunnen bewegen rond het verklaarde streven van Hollands Kroon naar een circulaire economie en kan o.a. worden ontleend aan het hoofdstuk Agriport A7 in de vigerende Omgevingsvisie;

•

De motivering vanuit het perspectief van ruimtelijke ordening zou zich dan keren tegen de keuze van vestiging op Agriport en daarbij onder meer verwijzen naar het Berenschot rapport over het benutten van restwarmte.

•

Er zou gesteld kunnen worden dat: a) het meest genoemde argument in het bestemmingsplan voor vestiging van datacenters op Agriport – circulariteit, in casu de benutting van restwarmte onderuit is gehaald door de eerdere praktijk, de huidige praktijk en het Berenschot rapport; b) vestiging van datacenters op Agriport vooralsnog leidt tot het onbenut vervliegen van een gigantische hoeveelheid restwarmte; c) het benutten van restwarmte (naast passende vestigingsvoorwaarden) vestiging in de nabijheid van een afnemer van restwarmte veronderstelt en Agriport als locatie niet aan die voorwaarde voldoet; d) de ruimtelijke motivatie van het bestemmingsplan daarmee aantoonbaar is achterhaald en zich als argument juist keert tegen vestiging op Agriport.

•

Er zou verder geconcludeerd kunnen worden dat: e) de behoefte aan hyperscale datacenters niet te motiveren valt omdat dit type datacenters vooral een buitenlandse clientèle heeft; f) datacenters beslag leggen op landbouwgrond en de lokale economie beter gediend is met grond voor lokaal ondernemerschap dan met laaggeschoolde arbeid; g) de keuze voor Agriport het belang van circulariteit door de enorme uitstoot van restwarmte op vooralsnog onverantwoorde wijze schaadt; h) er onvoldoende alternatieven zijn onderzocht; i) de ruimtelijke ordening afweging niet steekhoudend en incompleet is en daarmee zijn doel mist; en j) door de raad in redelijkheid kan worden besloten het voorstel tot wijziging van het bestemmingsplan in de huidige vorm als niet passend af te wijzen.

4a. Zou de raad met bovenstaande motivering voldoen aan de toets dat de raad in redelijkheid kon besluiten tot afwijzing van het bestemmingsplan? Het college adviseert de raad om het bestemmingsplan vast te stellen. Een dergelijk besluit kan onvoldoende gemotiveerd zijn en voor vernietiging in aanmerking komen. In de presentatie op 17 juni gaan wij ook uitgebreid in op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de mogelijkheden voor vaststelling en afwijzing.

Pagina

11/24

Ter instructie van de afwijzing van het raadsvoorstel, wordt in het raadsvoorstel zelf op jurisprudentie van de Raad van State gewezen: ECLI:NL:RVS:2016:2175 en ECLI:NL:RVS:2015:3046. Daarin staan aanwijzingen voor de motivering van een afwijzing. 4b. Kunt u bij de beantwoording van de voorgaande vraag de motiveringsvereisten uit de door het college genoemde jurisprudentie meenemen en aangeven of met de bovenstaande motivering aan deze motiveringsvereisten zou worden voldaan, en zo nee, aan welke motiveringsvereisten nog niet wordt voldaan? Uit het feit dat het college het voorstel met een positief advies aan de raad voorlegt ter besluitvorming kunt u afleiden dat het college het niet verstandig vindt om het plan af te wijzen. De raad beslist zelf over het voorstel. De raad wordt gevraagd om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bestemmingsplan op zichzelf te beoordelen. Het besluit voldoet volgens het college aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de Algemene wetbestuursrecht en een goede ruimtelijke ordening. (Deze vraag beoogt duidelijkheid te verschaffen over procedurele en ruimtelijke argumenten die een rol spelen bij het raadsbesluit over het voorgelegde bestemmingsplan.) Nota Bene. Met het ontbreken van harde kaders in de omgevingsvisie ontbreekt het de raad aan criteria waaraan het voorliggende bestemmingsplan kan worden getoetst.

GroenLinks laat het daarom bij deze pragmatische vragen en wacht op toetsingscriteria van ofwel de provincie dan wel een geactualiseerde omgevingsvisie van Hollands Kroon. Deel 2: toetsing ‘ontwerpbestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7 B1’ aan ruimtelijk noodzakelijke kaders. Vanuit de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro) is het van belang om te weten of het voorliggende voorstel voor wijziging van de bestemming van en uitbreiding van Agriport met deelgebied B1 op de juiste wijze begrensd en voldoende ruimtelijk onderbouwd is om het op wettelijk voldoende verantwoorde wijze ter besluitvorming aan de raad te mogen voorleggen. Voordat de raad tot een uitspraak over het voorstel kan komen, is toetsing vereist van de door het college in het plan naar voren gebrachte informatie en argumenten aan: a. daarvoor geldende wettelijke ruimtelijke ordeningsregels (afweging ‘voors en tegens’ van alternatieven en ruimtelijke, met argumenten gestaafde, onderbouwing van mogelijke keuzes); b. de kaders van het geldende gemeentelijk (en provinciaal) ruimtelijk beleid.

Pagina

12/24

Ad a. Begrenzing van het gebied. Toelichting. In de Toelichting staat op blz. 8 een kaartje met een rood omkaderd gebied. In de omschrijving er onder staat: “Rood omkaderd is het gebied, waarvoor dit bestemmingsplan is opgesteld in globaal aangegeven”. (We veronderstellen dat het woord ‘in’ ten onrechte is opgenomen). Wij merken op dat het lichtblauw aangegeven gebied in dit kaartje, het gebied omvat van de deelgebieden B1, B2 en B3. Deze maken nu deel uit van het (grootschaliger) bestemmingsplan Uitbreiding Agriport II, met de daarbij behorende MER. De bestemming voor deelgebied B1 is daarin expliciet bevestigd als ‘agrarisch’ en tevens is expliciet bepaald en vastgelegd dat B1 en B2 niet zijn opgenomen als gebied dat tot Agriport behoort. Het heldergroen aangegeven deel van het gebied binnen het rode kader, betreft het gebied Het Venster-West. Dit is tot nu toe wél onderdeel van Agriport én van het bestemmingsplan ‘Uitbreiding Agriport A7 I’. Dat is indertijd vastgesteld om omvorming van delen van het glastuinbouwgebied Agriport naar de bestemming ‘bedrijven’ mogelijk te maken. Deze bestemming is voor Het Venster- West ook specifiek vastgelegd in dat bestemmingsplan, waarmee de mogelijkheid van vestiging van een datacenter op Het VensterWest nu dus al mogelijk is.

Waarom maakt Het Venster-West onderdeel uit van het voorliggende raadsvoorstel? De titel van uw plan, alle argumenten voor én de discussies over dit bestemmingsplan hebben immers alleen betrekking op Deelgebied B1 en niet op Het Venster-West. De term ‘Uitbreiding Agriport’ kan volgens ons geen betrekking hebben op Het Venster-West, omdat dit al onderdeel uitmaakt van Agriport en het voor dit gebied dus niet gaat om uitbreiding van Agriport. 1. Kunt u aangeven of het vanuit begrijpelijkheid voor de burger en voor raadsleden beter is om het gebied van Het Venster-West géén onderdeel te laten zijn van het (ontwerp) “Bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, Deelgebied B1”? Het Venster-West is al een bedrijventerrein en daar veranderd niets aan behalve de geluidszonering. Zoals in de toelichting van het bestemmingsplan is te lezen, is het opnemen van het Venster noodzakelijk om geluidzoneringsplichtige bedrijven te kunnen toestaan. De nieuwe ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt (wijziging van agrarisch naar bedrijventerrein) is gelegen in het deelgebied B1. Het bestemmingsplan maakt vestiging mogelijk van bedrijven met een geluidzoneringsplicht en er is een geluidzone opgenomen ter bescherming van inwoners in de directe nabijheid. Toelichting. De titel suggereert (ten onrechte) dat het bij Het Venster-West gaat om:

Pagina

13/24

a. een wijziging van de bestemming; b. uitbreiding van Agriport; c.

een gebied dat onderdeel uitmaakt van (deel) gebied B1.

Het komt ons voor dat de titel van het bestemmingsplan - ook bestuurlijk gezien - de lading ervan op verantwoorde wijze dient te dekken. 2. Kunt u aangeven of het in strijd is met de Wro dan wel met algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), dat het gebied Het Venster-West, waarvoor de bestemming datacenter al is geregeld, onderdeel uitmaakt van het voorliggende ‘Bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, Deelgebied B1’? Dit is niet in strijd met de genoemde wetten. 3. Kunt u aangeven of het in strijd is met de Wro of met algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit de Awb, dat de titel van een plan niet overeenkomt met de daadwerkelijk voorgestelde activiteiten in een ruimtelijk of bestuurlijk plan? Er is geen sprake van strijdigheid met de Wro of Abbb. Toelichting. De Wro vraagt om verantwoording van de afweging en onderbouwing van ruimtelijke keuzes bij voorstellen voor wijziging van bestemmingen. Keuzes op gemeentelijk niveau dienen volgens deze wet mede gebaseerd te zijn op gemeentelijk ruimtelijk beleid, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in een Omgevingsvisie, een gemeentelijk structuurplan of een gebiedsplan. Een structuurplan dient kaders te bevatten waarbinnen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt en regels om te beoordelen of voorgestelde wijzigingen binnen deze regels uitvoerbaar of toegestaan zijn.

Het is aan de raad om te toetsen of de keuzes van het college zijn gemaakt conform het aangegeven beleid en de daaruit voortvloeiende beleidskaders en -regels. We beperken ons in onderstaande vragen tot het vastgelegde beleid in de Omgevingsvisie Hollands Kroon 2016 aangezien dit het enige gemeentelijk ruimtelijk beleidskader is dat officieel is vastgelegd. Er bestaat - mede door het stopzetten van de procedure voor het gebiedsplan Wieringermeer - helaas geen specifieke structuurvisie voor het gebied van het ontwerpbestemmingsplan B1. (Als er in een overkoepelend bestemmingsplan, zoals bijvoorbeeld het bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7 I of II, voor deelgebied B1 al wel de mogelijkheid zou zijn gecreëerd, voor realisering van de bestemming ‘Bedrijven, waaronder ook datacenters zijn begrepen’, dan zou de wijziging van de bestemming op deelgebied B1 van agrarisch naar Bedrijven, incl. datacenter, geen enkel probleem

Pagina

14/24

vormen). Nu een dergelijke bestemming in zo’n overkoepelend structuur- of bestemmingsplan ontbreekt, blijft er niets anders over dan te kijken of er in de Omgevingsvisie 2016 voldoende heldere en wettelijke toegestane kaders of ruimtelijke regels zijn opgenomen om de voorgestelde wijziging verantwoord aan de raad voor te kunnen leggen. Het enige concrete aangrijpingspunt dat we hebben aangetroffen betreft een tekst van twee regels en een bijbehorende figuur in hoofdstuk Agriport. Onder het kopje ‘Uitwerking’, staat: ”Als er voldoende aantoonbare behoefte is aan nieuwe bedrijfsgrond of glastuinbouw grond, ligt uitbreiding in de richting van onderstaande locaties voor de hand.” Daaronder is bijgaande figuur met twee mogelijke ontwikkelingsrichtingen opgenomen.

Figuur: Uitbreidingsgebieden Agriport A7 Naar ons idee wordt in de tekst alleen maar gesteld dat een eventuele uitbreiding van Agriport in de richting van de aangegeven pijlen in beide kaartjes mogelijk zou kunnen zijn. Daaraan wordt echter de uitdrukkelijke voorwaarde gesteld dat er een aantoonbare behoefte aan nieuwe bedrijfsgrond of glastuinbouw grond moet zijn. Tot slot: de figuur bevat twee kaartjes met gebieden waar een mogelijke uitbreiding van Agriport plaats zou kunnen vinden. Voor een ruimtelijk verantwoorde keuze voor één van deze beide locaties is volgens de Wro een duidelijke afweging van de voor- en nadelen van elk van deze locaties vereist, alvorens tot een keuze voor één van beide locaties te kunnen komen. 4. Kunt u aangeven of de tekst dat een ontwikkeling van Agriport in een bepaalde richting (van de pijlen in de kaartjes) ‘voor de hand ligt’, volgens de Wro een ‘voldoende gemotiveerd ruimtelijk besluit’ is om er een voorstel tot wijziging van de bestemming in deelgebied B1 van agrarisch naar ‘bedrijven, inclusief datacenter’ op te mogen baseren? Zo nee, aan welke voorwaarde(n) en/of ruimtelijke regel(s) dient een dergelijk besluit volgens de Wro te voldoen? De omgevingsvisie is hierin duidelijk.

Pagina

15/24

1. Er wordt uitbreidingsruimte voor datacenters geboden. 2. Een uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein is aangegeven en op dit terrein is de functie datacenter al toegestaan. 3. Op het tweede kaartje staat expliciet vermeld dat aan deze zijde alleen de glastuinbouw uitgebreid kan worden. 4. Daaruit volgt dat de beoogde uitbreiding van datacenters moet plaatsvinden in het gebied dat in kaartje 1 is opgenomen. 5. Kunt u aangeven hoe volgens de Wro op afdoende wijze dient te worden aangetoond dat er behoefte is aan nieuwe bedrijfsgrond voor datacenters en wordt in het ontwerpbestemmingsplan hieraan voldaan? In de Wro zijn inhoudelijke en procedurele bepalingen opgenomen voor nieuwe bestemmingsplannen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. Per 1 juli 2017 is de nieuwe ladder geregeld in artikel 3.1.6 leden 2-4 Bro. De ladder bevat treden die achter elkaar doorlopen worden en waarmee ruimtelijke besluiten moeten worden gemotiveerd. Dit betekent dat als in een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, de behoefte aan die ontwikkeling moet worden beschreven.

In artikel 1.1.1 sub i Bro is opgenomen wat verstaan moet worden onder een stedelijke ontwikkeling: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” In het kader van eerder doorlopen procedures voor de ontwikkeling van ruimte voor grote datacenters op de locatie Agriport is aan het Bro getoetst. Daarbij is bepaald dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is voor de ontwikkeling grootschalige datacenters waarin het plan voorziet. Voor toetsing van de ladder, zie ook de bijlagen van de bestemmingsplan en de toelichting. Wel moet in het plan de onderbouwing van de behoefte en de locatiekeuze worden opgenomen, zodat dit kan worden beoordeeld uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. In paragraaf 3.2 en 4.3 van de toelichting is de locatiekeuze onderbouwd. Gekozen is voor een locatie die optimaal aansluit op de bestaande infrastructuur die nodig is voor datacenters en al geruime tijd voor transformatie naar bedrijventerrein is aangemerkt. Op dit moment is geen alternatieve stedelijke locatie beschikbaar die geschikt is voor de beoogde ontwikkeling.

Pagina

16/24

6. Kunt u aangeven of de argumentatie voor de bestemmingsplanwijziging B1, volgens kaartje 1, volgens de Wro voldoende beargumenteerd is wanneer daarbij het alternatief dat wordt getoond op kaartje 2, niet in de keuze en de argumentatie zijn meegenomen? Zo nee, hoe had te argumentatie moeten luiden om wel te voldoen aan de wettelijk voorgeschreven afweging? De omgevingsvisie is hierin duidelijk. 1. Er wordt uitbreidingsruimte voor datacenters geboden. 2. Een uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein is aangegeven en op dit terrein is de functie datacenter al toegestaan. 3. Op het tweede kaartje staat expliciet vermeld dat aan deze zijde alleen de glastuinbouw uitgebreid kan worden. 4. Daaruit volgt dat de beoogde uitbreiding van datacenters moet plaatsvinden in het gebied dat in kaartje 1 is opgenomen. Toelichting. Onder de kaartjes in de Omgevingsvisie staan teksten over onderlinge relaties tussen bedrijven op Agriport en worden een drietal kaders vermeld. Deze hebben echter betrekking op: • mogelijke uitbreiding van het aantal datacenters op Agriport; • toevoeging van andere sectoren op Agriport, buiten reeds aanwezige sectoren; • het vestigen van ondersteunende activiteiten zoals ontvangen van bezoekers en horecafaciliteiten op Agriport.

We merken op dat deze drie genoemde kaders geen betrekking hebben op het voorgenomen plan tot wijziging van de bestemming op deelgebied B1 en dus ook geen kader vormen voor wijziging van het bestemmingsplan. Dit leidt tot de volgende vraag. 7. Kunt u aangeven of er in de Omgevingsvisie voldoende kaders geformuleerd zijn om wijziging van de bestemming naar bedrijven, waaronder begrepen datacenters’ wettelijk verantwoord mogelijk te maken? Zo ja, welke zijn dat volgens u? Zo nee, kunt u aangeven welke kaders er minimaal nodig zijn, om een dergelijke wijziging op een wettelijk verantwoorde wijze mogelijk te maken? Naast het kaartje (met de toelichtende tekst) is het volgende kader opgenomen: "Wij faciliteren en ondersteunen deze ontwikkeling, die past binnen de circulaire economie. Waar nodig kan uitgebreid worden. Op Agriport A7 is daarom ook plek voor meer datacenters." Hiermee heeft de raad aangegeven dat er op Agriport meer ruimte is voor datacenters. Dit omdat de raad deze vindt passen binnen een circulaire economie.

Pagina

17/24

Het opstellen van een MER. Toelichting. In het Besluit Milieueffectrapportage zijn in Bijlagen C en D de activiteiten en ruimtelijke plannen opgenomen waarvoor een verplichte MER (categorie C) óf een MER-Beoordeling (categorie D) moet plaatsvinden. Hierin staat onder C 22.1, kolom 1, ‘Activiteiten’ vermeld: ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties’. Daarachter is in kolom 2 onder ‘Gevallen’ opgenomen: ‘In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met een vermogen van 300 megawatt (thermisch) of meer’. Dit betekent dat er voor de activiteit, waarbij een dergelijke hoeveelheid aan thermisch vermogen wordt ontwikkeld, verplicht een MER moet worden opgesteld. In het Ontwerpbestemmingsplan B1 wordt beargumenteerd dat door samenvoeging van de oppervlakte van deelgebied B1 van ca 55 ha. met de 10 ha. resterende ruimte voor een datacenter op Het Venster West, een totale oppervlakte van ca. 65 ha. voor een te ontwikkelen hyperscale datacenter van ca. 65 ha. ontstaat. Uit de aangevraagde omgevingsvergunning op Het Venster blijkt dat met het daar te vestigen datacenter van ca. 15 ha. voor ca. 235 Megawatt aan thermisch vermogen zal worden opgesteld. Dit betekent dat op de in het ontwerpbestemmingsplan B1 voorgestelde oppervlakte van ca. 65 ha., een thermisch vermogen van ca. 1000 megawatt wordt opgesteld.

Volgens artikel 7.2 lid 2 van het Besluit MER dient er bij de voorbereiding van een plan een MER te worden opgesteld, indien in dat plan: a. een locatie of tracé wordt aangewezen voor die activiteiten; of b. als er één of meerder locaties voor die activiteiten worden overwogen. 8. Kunt u aangeven of er volgens het Besluit MER een MER opgesteld had moeten worden bij de voorbereiding van het besluit over het ontwerpbestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7 deelgebied B1, waarin een locatie wordt aangewezen voor het vestigen van een bedrijf met een installatie met een thermisch vermogen van meer dan 300 megawatt? Het is niet nodig om een MER op te stellen omdat geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Dit standpunt hebben wij ingenomen op basis van de aanmeldingsnotitie MER. Om discussie en onduidelijkheid te voorkomen stellen wij de raad ook voor om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen, in die zin dat thermische centrales of andere verbrandingsinstallaties met een vermogen van 300 megawatt of meer niet zijn toegestaan.

Vragen gesteld door fractie SHK

Pagina

18/24

1. Waar wordt de watercompensatie gerealiseerd in het plangebied die nu nog gegraven dient te worden? Er is binnen het gehele plangebied fase 1 en fase2 nog niet aan voldaan volgens het HHNK, er dient nog ongeveer 10 a 20 ha gerealiseerd te worden. Allereerst is ons niet bekend dat er een achterstand van 10-20 hectare in de watercompensatie is. Wij vragen ons af of uw informatie daarom correct is, en bespreken dit graag met u. De watercompensatie voor fase 1 en fase 2 van de bestaande werklocatie is geen onderdeel van het bestemmingsplan voor ontwikkeling van uitbreiding van het bedrijventerrein het Venster West met deelgebied B1. De voor deze ontwikkelingsfasen bepaalde watercompensatie is beschreven in daarvoor opgestelde rapportages en verleende watervergunningen en wordt naar voortgang van de ontwikkeling uitgevoerd. Voor de nieuwe ontwikkeling van bovengenoemde uitbreiding is beschreven in de toelichting van het bestemmingsplan (zie watertoets rapportage bijlage 9 van de plan toelichting) dat watercompensatie kan worden gerealiseerd in het plangebied dan wel daarbuiten. Het realiseren van deze watercompensatie wordt in de uitvoeringsfase verder uitgewerkt. Daarvoor wordt ook de watervergunning aangevraagd. In het bestemmingsplan is inzichtelijk gemaakt wat er qua watercompensatie nodig is en dat dit kan worden ingepast. 2.

Hoe kan het college een nieuw bestemmingsplan goedkeuren binnen het plangebied en waterpeilvak waar de waterhuishouding nog niet op orde is volgens het HHNK. Als het watersysteem in het verzorgingsgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) niet op orde is, dan moet het HHNK als dat nodig is handhaven richting de partij die de betreffende regels overtreedt. Er is in de afgelopen jaren gewerkt aan de waterhuishouding op de bestaande werklocatie in nauwe afstemming met het HHNK. De gemeente is geen bevoegd gezag voor de waterhuishouding en is hierover geïnformeerd. De ontwikkeling van deelgebied B1 moet op zichzelf beoordeeld worden. Voor het project is een watertoets doorlopen. De watertoets is een procesinstrument om in een vroeg stadium van de planvorming de waterschapsbelangen mee te nemen en partijen in contact met elkaar te brengen. Ook na afronding hiervan blijven wij en Agriport in gesprek met het HHNK. Een van de wensen van het HHNK was om te zien hoe de aangepaste watertoets er uitziet na verwerking van de Nota van zienswijzen. Deze hebben wij toegezonden en geen andere opmerkingen meer ontvangen. Wel heeft het HHNK aangegeven de waterberging compensatie nog een keer te willen doorrekenen. Een terugkoppeling wat deze berekening heeft opgeleverd hebben wij nog niet gekregen. Voor de

Pagina

19/24

uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan maakt dit niet uit. In het plan is namelijk voldoende ruimte om watercompensatie te realiseren en voor de extra verharding in het plangebied moet ook een watervergunning aangevraagd worden bij het HHNK. 3. Uit welke stukken en varianten blijkt dat wij op B2 geen overlast/waterschade kunnen ondervinden met het ontwikkelen van B3 en B1 waar watercompensatie en bebouwing gerealiseerd gaat worden. Voor de goede orde merken wij op dat de termen deelgebied B2 en B3 komen uit het gebiedsplan. Formeel heeft deze aanduiding geen status. Wij hanteren het begrip “naastgelegen gebied ten noorden van B1”. Het watersysteem in het naastgelegen gebied ten noorden van B1 is momenteel al afgescheiden van het watersysteem in deelgebied B1. In de plantoelichting is beschreven dat dit wordt gehandhaafd als deelgebied B1 wordt ontwikkeld voor een nieuwe functie. Zie bijlage 9 van de bestemmingsplantoelichting. Door o.a. deze fysieke scheiding is er geen overlast te verwachten als gevolg van de ontwikkelingen op B1. Overige gebieden en de functie of bestemming daarvan vallen buiten de reikwijdte van het voorliggende voorstel voor deelgebied B1. Het bevoegd gezag op het gebied van de waterhuishouding is het HHNK. De watertoets die hoort bij het bestemmingsplan (bijlage 9) geeft inzicht in de effecten op de waterhuishouding van deelgebied B1.

In de keur van het HHNK zijn uitgangspunten opgenomen over hoe om te gaan met oppervlaktewater. 4. Hoe kan de gemeente onze afwatering garanderen als wij klem komen te zitten in een plangebied met ons akkerbouwbedrijf? Ons perceel ligt met het maaiveld meer dan 60 cm lager dan de rest van de percelen in het waterpeilvak. En als laagstgelegen perceel aan de hoogste kant van het waterpeilvak. Zoals hierboven beschreven is het watersysteem voor deelgebied B1 op dit moment al gescheiden van het naastgelegen gebied ten noorden van B1, waarin een akkerbouwbedrijf is gevestigd. De huidige afwatering daarvan blijft gehandhaafd en wijzigt niet door ontwikkeling van deelgebied B1. H Het HHNK is het primair bevoegd gezag voor bescherming van de waterhuishoudkundige belangen. In de watertoets is omschreven wat de effecten kunnen zijn en hoe dit opgevangen kan worden. In dit geval is dus beschreven dat de huidige afscheiding van deelgebied B1 en deelgebied B2 (akkerbouwpercelen) daarvoor voldoet.

Pagina

20/24

5. Hoe kan het zijn dat er een geluidsgezoneerd industrieterrein wordt gevestigd op zeer korte afstand naast onze woning, met ruim baan voor bedrijven die wat milieuhinder betreft worden bestempeld als zeer zware industrie. Alle woningen zijn opgekocht. En dit zou een goed woonklimaat garanderen voor ons? Wij hoeven dus niet verplaatst te worden? Rond het bedrijventerrein ligt een geluidszone. Op de grens van deze zone mag de geluidsbelasting niet meer dan 50 dB(A) zijn. Deze grens ligt op de perceelsgrens en niet over de (bedrijfs)woning van het akkerbouwbedrijf. Dat beschermt de bewoners. Een geluidsniveau van 50 dB(A) is te vergelijken met het geluidsniveau van een normaal gesprek. Hiermee is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

6. Hoe kan het college een geluidsonderzoek door Peutz laten uitvoeren met een bouwhoogte van 15 meter terwijl er 20 meter bouwhoogte is bepaald in de planregels? Zoals vermeld in het geluidsonderzoek (bijlage 4 van de bestemmingsplan toelichting) is rekening gehouden met een verwachte bouwhoogte van max. 15 m. waarbij is vermeld dat de gebouwen van de datacenters met name van belang zijn als afschermende en reflecterende objecten. Langs de plangrens is de bouwhoogte in het plan beperkt tot 15 meter. De bouwhoogte kan gering hoger zijn (tot 20 meter) op een deel van het perceel zoals aangegeven op de verbeelding bij het plan. Het deel waarop een hogere bouwhoogte mogelijk is, ligt op enige afstand van de plangrens. Navraag bij de

Pagina

21/24

opsteller van het onderzoek leert eveneens dat het aanhouden van een hogere maximale bouwhoogte een verwaarloosbare invloed heeft op de uitkomsten van het onderzoek. Op basis van bovenstaande zijn we van mening dat het geluidsonderzoek goed onderbouwd en representatief is. Voor de duidelijkheid geven we mee dat in de uitvoeringsfase de geluidssituatie nogmaals wordt getoetst op basis van een concreet bouwplan. 7. Hoe kan het college een absolute bovengrens van geluidsnorm van 50db waarborgen terwijl er in de toelichting aangegeven wordt dat 60 db aanvaardbaar is? Hierdoor voorziet het college meteen al in de mogelijkheid dat een bedrijf van de milieucategorie 4.1 en 4.2 een omgevingsvergunning kan krijgen om zich er te vestigen Deze aanname is niet correct. Bij recht is niet milieucategorie 4.1 of 4.2 mogelijk, dat is categorie 3.2. Milieucategorie 4.1 of 4.2 is pas mogelijk na een afwijkingsbesluit van het college. Dit is een zelfstandig voor bezwaar vatbaar besluit. Als een dergelijk besluit al wordt genomen, worden de belangen van de betreffende omwonenden ook gewogen. Het toestaan van categorie 4.1 of 4.2 activiteiten is een maatwerkbesluit. Deelgebied B1 is een zeer groot gebied. In dit gebied is het goed mogelijk om zwaardere bedrijven/activiteiten te kunnen vestigen zonder te veel geluid bij de omwonenden te veroorzaken (bijvoorbeeld meer richting het Venster).

Aan de opgenomen milieucategorieën zijn richtafstanden gekoppeld. Het is ook goed mogelijk om door middel van technische oplossingen de geluidproductie te beperken. Dan is een bedrijf op papier voor de richtafstanden nog een 4.1 of 4.2 bedrijf. Maar door specifieke maatregelen, die vervolgens in een geluidmodel worden getoetst, kan worden aangetoond dat de feitelijke afstand qua geluid minder dan de richtafstand kan zijn. Dan kunnen deze bedrijven dichter bij de woning komen, zonder dat een slechtere geluidsituatie ontstaat. Het primaire uitgangspunt is dat het perceel met de bedrijfswoning buiten de geluidszone is gehouden en daarmee is geborgd dat de geluidbelasting beperkt blijft tot 50 dB(A). 8. Hoe kan het college aanvaarden dat het feitelijke bouwblok 140 meter van de erfgrens van bewoning is gelegen met een bouwhoogte van 20 meter? Voor deze milieucategorie 4.1 en 4.2 moet het volgens het geluidsonderzoek van Peutz een afstand zijn van 400 meter. Zoals eerder aangegeven is milieucategorie 4.1 of 4.2 niet bij recht toegestaan. Als dit wel wordt toegestaan dan is de geluidsnorm zonder hogere waarde besluit nog steeds 50 dB(A).

Pagina

22/24

9. Worden bestaande woningen en gebouwen binnen het bestemmingsplangebied B1 behouden of niet? Het gaat om twee (2) bedrijfswoningen en schuren van twee bedrijven. Deze worden weg bestemd. De verwachting is dat deze opstallen verdwijnen. Wij schrijven hierbij expliciet ‘verwachten’ omdat we in Nederland werken met het systeem van toelatingsplanologie. 10. Hoe kan de gemeente het toe staan dat in alle leegstaande woningen om onze woning heen arbeidsmigranten worden ondergebracht zonder vergunningsaanvraag? Wij hebben hierop niet kunnen reageren als naaste bewoners. Als er arbeidsmigranten in omliggende woningen worden gehuisvest zonder vergunning dan is dat mogelijk niet toegestaan. Wij schrijven hier ‘mogelijk’ omdat het ook kan gaan om een huishouden en dan is het wel toegestaan. Belanghebbenden kunnen een handhavingsverzoek indienen. Maar dit onderwerp staat los van de ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan voor B1. 11. Is het beleid van de gemeente echt zo dat wij onze zorg in de toekomst moeten blijven uiten dmv zienswijzen bij elke omgevingsvergunning binnen dit bestemmingsplan B1 met de plannen die de gemeente nu schetst? De omgevingsvisie is door middel van een uitgebreid participatietraject tot stand gekomen en door de raad vastgesteld. De Wro geeft ruimte aan belanghebbenden om te reageren op ruimtelijke ontwikkelingen en vergunningen.

Als er vergunningen of plannen ter inzage liggen waar belanghebbenden zich niet in kunnen vinden, dan is het belangrijk om zienswijzen in te dienen. Daarnaast is het altijd mogelijk om zorgen te uiten door in gesprek te gaan met de gemeente. Vragen gesteld door fractie ChristenUnie In 2017 is er een LER uitgevoerd voor deelgebied B1 wat het effect voor de landbouw is als dit gebied bestemming datacenters krijgt. In de nota van zienswijze wordt hier regelmatig naar verwezen. Nu in 2021 weten we dat er zouten worden toe gevoegd aan het water wat verneveld wordt voor koeling. Ook weten wij inmiddels dat er grote aggregaten (voor test) regelmatig lang moeten draaien op diesel. En weten we dat de restwarmte niet hergebruikt wordt maar gewoon zijn weg naar buiten vindt. Hier is in de LER geen rekening mee gehouden. Mede ook omdat dit toen nog niet bekend was. Is er bekent wat de effecten zijn op de omgeving van de boven genoemde feiten. Dit geld dan met name voor de bomensingel langs het kanaal, het kanaal en ook voor de akkerbouwbedrijven die zich binnen een straal van 1km om het gebied bevinden.

Pagina

23/24

1. Hoe ziet men Middenmeer als leefbaar dorp als deelgebied b1 bestemd wordt voor datacenters? Als Deelgebied B1 deze bestemming krijgt is dit dorp ingesloten in industrieterrein. Voor de volledigheid, de grens van deelgebied B1 ligt op 2 km van Middenmeer. De effecten van het bestemmingsplan deelgebied B1 zijn zorgvuldig in kaart gebracht. Op basis hiervan concludeert het college dat de ontwikkeling past binnen een goede ruimtelijke ordening. In uw toelichting benoemt u een aantal onderwerpen (brandstof, koelwater, restwarmte) waar ook politieke vragen over zijn gesteld. Wij verwijzen graag naar de beantwoording van die vragen.

Pagina

24/24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=9a0beb15-f139-449a-8220-4338cea79003