9.1 Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Molenvaart 243 Anna Paulowna
Gemeente Hollands Kroon Toelichting 7 december 2020
Planstatus: Ontwerp Planid: NL.IMRO.1911.BPBG2006hz036-on01
Inhoud: Toelichting + bijlagen Regels Verbeelding
Toelichting Inhoud: 1.
2.
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1
Huidige situatie........................................................................................................................ 4
1.2
Toekomstige situatie ............................................................................................................... 4
Geldende planologische situatie ..................................................................................................... 5 2.1
3.
4.
Bestemmingsplan .................................................................................................................... 5
Planbeschrijving............................................................................................................................... 6 3.1
Bestaande situatie ................................................................................................................... 6
3.2
Planomgeving .......................................................................................................................... 6
3.3
Verkeer en Parkeren................................................................................................................ 7
Beleid ............................................................................................................................................... 8 4.1
Rijksbeleid................................................................................................................................ 8
4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ................................................................ 8
4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ..................................................... 8
4.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking ............................................................................ 8
4.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................... 9
4.2.1
Omgevingsvisie NH 2050 ................................................................................................. 9
4.2.2
Omgevingsverordening NH2020 ..................................................................................... 9
4.3
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 10
4.3.1 5.
6.
Cultuurhistorische en archeologische belangen ........................................................................... 11 5.1
Cultuurhistorie....................................................................................................................... 11
5.2
Archeologie............................................................................................................................ 11
Watertoets .................................................................................................................................... 12 6.1
7.
Omgevingsvisie ‘Ruimte voor elkaar’ ............................................................................ 10
Water ..................................................................................................................................... 12
6.1.1
Europese Kaderrichtlijn Water....................................................................................... 12
6.1.2
Waterplan 2010-2015 ................................................................................................... 12
6.1.3
Waterprogramma ......................................................................................................... 12
6.1.4
Water in het plan/Watertoets ....................................................................................... 12
Milieu- en omgevingsaspecten...................................................................................................... 14
8.
7.1
Natuur.................................................................................................................................... 14
7.2
Bodem ................................................................................................................................... 14
7.3
Geluid .................................................................................................................................... 15
7.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 16
7.5
Externe veiligheid .................................................................................................................. 16
7.6
Kabels en leidingen................................................................................................................ 17
7.7
Bedrijven en milieuzonering.................................................................................................. 17
7.8
Duurzaamheid ....................................................................................................................... 18
Juridische aspecten ....................................................................................................................... 19 8.1
Algemeen............................................................................................................................... 19
8.2
Verbeelding ........................................................................................................................... 19
8.3
Planregels .............................................................................................................................. 19
8.3.1
Hoofdstuk 1 Inleidende regels ....................................................................................... 19
8.3.2
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels ................................................................................... 20
8.3.3
Hoofdstuk 3 Slotregel .................................................................................................... 20
8.4 9.
Handhaafbaarheid ................................................................................................................. 20
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................... 21 9.1
Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 21
9.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................... 21
Bijlagen: Bijlage 1:
Watertoets
Bijlage 2:
Verkennend bodemonderzoek
1.
Inleiding
1.1
Huidige situatie
Op het perceel aan de Molenvaart 243 in Anna Paulowna is een voormalig schilders- en glaszetbedrijf gevestigd waarvan de bedrijfsvoering is gestaakt. De bedrijfswoning is evenwijdig aan de Molenvaart gelegen op een afstand van circa 10 meter vanuit de weg. Aan de zuidzijde van de weg is een voetpad gerealiseerd, terwijl aan de noordzijde een grote waterloop langs het plangebied stroomt. Deze waterloop heeft dezelfde naam als de weg, namelijk Molenvaart. Aan de achterzijde van de woning zijn diverse bedrijfsgebouwen op het perceel aanwezig. De bebouwing rondom het plangebied bestaat voornamelijk uit particuliere woningen en een aantal winkels.
Ligging in Hollands Kroon
1.2
Locatie
Bron: Google Maps
Toekomstige situatie
Op het perceel aan de Molenvaart 243 zal geen bedrijf worden voortgezet. Het plan betreft het voornemen om de bedrijfsbestemming van het perceel te wijzigen naar wonen. Door de bestemming van het perceel te wijzigen wordt het voor potentiële kopers mogelijk om woonachtig te zijn op het perceel overeenkomstig de voorwaarden in het bestemmingsplan.
4
2.
Geldende planologische situatie
2.1
Bestemmingsplan
De wijziging naar een woonbestemming is in strijd met de bestemming ‘Bedrijf’ die het perceel heeft gekregen in het bestemmingsplan “Anna Paulowna”. Het bestemmingsplan “Anna Paulowna” is op 27 juni 2013 door de gemeenteraad van Hollands Kroon vastgesteld.
Verbeelding vigerend bestemmingsplan
Legenda
Bron: Gemeente Hollands Kroon
Om de bestemming van het perceel te wijzigen is het doorlopen van een afzonderlijke planologische procedure noodzakelijk. Conclusie: In het bestemmingsplan wordt aangetoond dat aan de voorwaarden voor een bestemmingswijziging wordt voldaan. Het betreft een (postzegel)bestemmingsplan voor deze locatie.
5
3.
Planbeschrijving
3.1
Bestaande situatie
Op het perceel aan de Molenvaart 243 is de voormalige bedrijfswoning op ruime afstand vanaf de weg gelegen. Tussen de woning en de weg loopt nog een voetpad. Aan de achterzijde van het perceel zijn drie bedrijfsgebouwen aanwezig met veel verharding eromheen. Op het perceel is weinig groen aangeplant. Het perceel wordt ontsloten op de Molenvaart via een brede uitrit aan de linkerzijde en een smalle uitrit (voetgangers) aan de rechterzijde van de woning.
3.2
Planomgeving
Het perceel aan de Molenvaart 243 is gelegen binnen de Anna Paulownapolder langs één van de hoofdverbindingen in deze polder. De Molenvaart vormt een belangrijke verbinding tussen Anna Paulowna en Breezand. De Anna Paulownapolder is een vlak, agrarisch gebied, dat gekenmerkt wordt door een grote mate van openheid en hoofdzakelijk in gebruik is als bollenland. Het enige reliëf in het landschap wordt gevormd door de Balgzanddijk en dwars door het gebied loopt de spoorlijn Alkmaar-Den Helder. Diverse wegen doorsnijden de polder, zoals de Molenvaart, Zandvaart en Middenweg en zijn zeer herkenbaar in het landschap. De polder is slechts spaarzaam bebouwd en beplant. Alleen binnen de kernen Breezand en Anna Paulowna is de bebouwing geconcentreerd. De Waddenzee is aangewezen als Natura 2000 gebied. De oevers langs het Balgkanaal en het Kruiszwin maken onderdeel uit de Ecologische Hoofdstructuur en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
6
3.3
Verkeer en Parkeren
De Molenvaart speelt een belangrijke rol voor het ontsluiten van de kernen van Anna Paulowna en Breezand, maar ook voor het landbouw- en bestemmingsverkeer. De toegestane snelheid bedraagt buiten de bebouwde kom 60 kilometer per uur en binnen de bebouwde kom 50 kilometer per uur. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de woning zal gemiddeld 2 tot 8 keer per dag bedragen. In vergelijking met het voormalige bedrijf zullen de verkeersbewegingen afnemen. De bestaande uitritten blijven gehandhaafd en leveren vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid of verkeersbelasting geen enkel probleem op. Het zicht op de weg is goed en de uitritten zijn voldoende breed. Het perceel aan de Molenvaart 243 is groot genoeg om auto’s op eigen terrein te parkeren. Per woning wordt een norm (CROW) van maximaal 2,8 parkeerplaatsen gehanteerd, maar op het perceel is ruimte voor meer parkeerplaatsen. In het facetbestemmingsplan ‘Parkeren en wonen’ is een parkeerregeling opgenomen voor de gehele gemeente Hollands Kroon. Dit plan geeft regels op het gebied van parkeren en de omschrijving ‘Wonen’ voor alle gemeentelijke bestemmings-/wijzigingsplannen. Het plan komt als het ware als een laag over de bestemmings-/wijzigingsplannen heen te liggen.
7
4.
Beleid
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de "kapstok" voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De Structuurvisie is op 13 maart 2012 in werking getreden. Bekijk hier het document
Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040, die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen tot aan 2040. Het Rijk zet het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): ▪ het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland; ▪ het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; ▪ het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Conclusie: Voor het plan heeft de SVIR geen directe consequenties. 4.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Bij het vaststellen van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met het Barro, inclusief de wijzigingen. Bekijk hier het document
Conclusie: De in het Barro opgenomen regelingen hebben geen consequenties voor het voorliggende bestemmingsplan. 4.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. De ladder is opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het is een verplichte motivering die moet worden opgenomen bij ieder plan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling telt slechts de functiewijziging van een bestaande woning. Daarmee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (NSO) en hoeft deze ontwikkeling niet te worden getoetst worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 8
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie NH 2050
Op 19 november 2018 is door Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Bekijk hier het document
De hoofdambitie binnen deze visie is om de leefomgeving af te stemmen op de economische groei. Er wordt uitgegaan van de sturingsfilosofie ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Belangrijk hierbij zijn de ambities voor: • een gezonde- en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving; • het faciliteren van ruimtelijke ontwikkelingen onder voorwaarde van behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit; • volledig klimaatneutraal in 2050, gebaseerd op een maximale inzet of opwekking van hernieuwbare energie. De planlocatie is gelegen in het gebied Noord-Holland-Noord. In de Omgevingsvisie staat vermeld dat dit gebied beschikt over bijzondere eigen kenmerken en kwaliteiten. Zoals (meer) rust, ruimte, groen, natuur en (gezonde) lucht. Die kwaliteiten zijn het waard om te koesteren. Niet alleen voor de inwoners van die gebieden zelf, maar ook voor de inwoners in het drukke zuidelijke deel van de provincie die op zijn tijd een meer landelijke omgeving willen bezoeken. Om daar rust en ruimte te kunnen ervaren of een ander type woonmilieu te zoeken. Om deze kwaliteiten te waarborgen is dynamiek en ontwikkeling in NoordHolland Noord nodig. Verstedelijking nabij knooppunten van openbaar vervoer en in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen komt daarvoor het meest in aanmerking.
Door de bestemmingswijziging naar wonen vindt er een toekomstgerichte ontwikkeling op het perceel plaats. Door de wijziging kan er gewoond worden overeenkomstig de voorwaarden in het bestemmingsplan. Bovendien zal het woon- en leefklimaat van de omringende woningen door de bestemmingswijziging worden verbeterd, omdat er geen bedrijf meer kan worden gevestigd op het perceel. Conclusie: Het wijzigen van de bestemming naar wonen is in overeenstemming met het provinciaal beleid. 4.2.2
Omgevingsverordening NH2020
De Omgevingsverordening is vastgesteld op 22 oktober 2020 door Provinciale Staten en is in werking getreden per 16 november 2020. De verordening schrijft voor waaraan de inhoud van (gemeentelijke) ruimtelijke plannen, zoals de voorliggende ruimtelijke onderbouwing, moet voldoen. In artikel 6.4 van de Omgevingsverordening staat aangegeven dat een ruimtelijk plan kan voorzien in een kleinschalige ontwikkeling, niet zijnde een kleinschalige woningbouwontwikkeling indien: a. de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar een stedelijke functie is toegestaan; b. het toegestane bebouwd oppervlak niet wordt vergroot; 9
c. het aantal burgerwoningen niet toeneemt.; Het betreft hier een bestemmingswijziging van bedrijf naar wonen. De wijziging vindt plaats op een perceel met een stedelijke functie, het bebouwd oppervlak wordt niet vergroot en het aantal woningen neemt niet toe. De bestaande bedrijfswoning wordt gewijzigd naar een burgerwoning. Conclusie: Het is mogelijk om binnen de regels van de Provinciale Omgevingsverordening het plan te ontwikkelen.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Omgevingsvisie ‘Ruimte voor elkaar’
De omgevingsvisie is een integrale visie en een helder fundament voor het beleid van de gemeente Hollands Kroon en de uitvoering ervan voor de periode tot 2030. Hoofdrichtingen van de beleidskeuzes voor de onderwerpen zijn: - de ruimtelijke kwaliteit en diversiteit van het landschap en de dorpen onderbouwd ontwikkelen, verbeteren en transformeren; - binnen ruimtelijke plannen dient de initiatiefnemer zelf zorg te dragen voor landschappelijk inpassing; - leegstand moet worden tegengegaan, omdat dat vervelende neveneffecten kan opleveren voor de leefbaarheid en kwaliteit van het gebied. Een van de opties is herbestemming. Hoe om te gaan met het overschot aan waardevolle en minder waardevolle bebouwing in de toekomst, is een strategisch vraagstuk. Er moeten keuze gemaakt worden, aangezien het op termijn onmogelijk zal zijn ieder pand een nieuwe bestemming te geven; - duurzaamheid is leidend en een verbindend principe. Voor woningbouw geldt in het bijzonder dat er behoefte is aan sturen in tijd van robuuste veranderingen. Om deze reden worden kaders gesteld die moeten zorgen voor heldere keuzes en tegelijkertijd flexibiliteit, zodat bijsturen mogelijk is waar nodig. Het bijgestelde woningbouwprogramma getuigt daarvan. Andere tijden vragen niet alleen om een andere rol van de overheid, maar ook om meer burgerkracht.
Hierdoor ontstaat er ook een andere woningbehoefte in het bijzonder in relatie tot zorg. Gemeente Hollands Kroon staat voor een gezonde woningvoorraad. De focus wordt gelegd op kwaliteit in plaats van kwantiteit. Belangrijk om op te merken is dat de gemeente Hollands Kroon het standpunt heeft dat bij een functiewijziging naar wonen de hoeveelheid erfbebouwing die op een perceel staat, behouden mag blijven en niet in overeenstemming gebracht dient te worden met de bijgebouwenregeling (of vertaling daarvan in ruimtelijke plannen voor de bestemming wonen). Door een bestemmingswijziging naar wonen vindt er een toekomstgerichte ontwikkeling plaats op het perceel wat een positief effect heeft op het leefklimaat rond het plangebied en het leegstand van voormalige bedrijfsgebouwen wordt voorkomen. Conclusie: Het plan is in overeenstemming met deze visie. 10
5.
Cultuurhistorische en archeologische belangen
5.1
Cultuurhistorie
Net als de gehele Noordkop heeft de omgeving van Anna Paulowna lange tijd onder invloed gestaan van de zee. Belangrijk bij de ontwikkeling van het gebied zijn de periodes waar in de zeespiegel rees en daalde. Tijdens de laatste zeespiegelrijzing is een uitgebreid geulenstelsel tot ontwikkeling gekomen en de hoofdgeul hiervan was het Oude Veer. Korte tijd na de grootste uitbreiding van de getijdengeulen zijn zavelige- en kleiige afzettingen bedekt met een pakket zand. Deze zandafzetting heeft de zandbodem van het westelijke deel van de Anna Paulownapolder gevormd. Vermoedelijk vestigden zich in de Romeinse tijd en de vroege Middeleeuwen de eerste bewoners. De invloed van de zee was op dat moment gering zodat men zonder speciale voorzieningen kon wonen. Na deze periode steeg de zeespiegel weer en konden de inwoners zich slechts handhaven op de hoogstgelegen gronden op een terp. Aan de ontwikkeling van terpen komt een einde als een begin wordt gemaakt met de aanleg van zeewerende dijken. De Anna Paulownapolder is drooggelegd in 1846. In de polders werd de situering van de bebouwing bepaald door de wijze van verkavelen. De verkaveling wordt gekenmerkt door een wegpatroon van rechte parallel aan elkaar gelegen wegen die op een hoofdas uitkomen. Tussen de wegen ligt steeds een belangrijke tochtsloot.
Het landschapsbeeld wordt in sterke mate bepaald door de lintbebouwingen langs de polderwegen. De bebouwing is een mix van woonhuizen en bedrijfsgebouwen, variërend in omvang en materiaalgebruik. Erfbeplanting is summier aanwezig en is ondergeschikt aan de bebouwing. De zandgrond aan de westkant van de Anna Paulownapolder bleek in beginsel niet geschikt voor agrarisch gebruik, maar in de 20e eeuw ontwikkelde hier de bollenteelt. Het gebied is uitgegroeid tot het grootste aaneengesloten bollengebied van Nederland. Conclusie: Op het perceel Molenvaart 243 blijft de situatie ongewijzigd en er zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig die door de bestemmingswijziging worden aangetast.
5.2
Archeologie
Het plangebied is gelegen binnen de Anna Paulownapolder die in 1846 is drooggelegd. Sinds de bedijking en de verkaveling van de polder is de grond in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. Voor het gebied rond Anna Paulowna is gezien de geringe kans op het aantreffen van archeologische bodemsporen geen archeologisch beschermingsregime aanwezig. Door de bestemmingswijziging zullen eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De bestaande bebouwing blijft gehandhaafd en alleen de bestemming wordt gewijzigd van bedrijf naar wonen. Er vinden geen werkzaamheden plaats op het perceel. Conclusie: De bestemmingswijziging heeft geen negatieve invloed op de archeologische waarden, omdat er geen werkzaamheden plaatsvinden op het perceel.
11
6.
Watertoets
6.1
Water
6.1.1
Europese Kaderrichtlijn Water
Sinds december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. De richtlijn wil het duurzaam gebruik van water bevorderen en de gevolgen van overstroming en droogte beperken. Daarnaast wil de richtlijn de aan watergebonden natuur beschermen en verbeteren met als uitgangspunt een goede ecologische toestand van het water. Bekijk hier het document
Conclusie: Het plan is in overeenstemming met dit beleid. 6.1.2
Waterplan 2010-2015
Provinciale Staten hebben op 16 november 2009 het provinciaal Waterplan 2010-2015 vastgesteld. Het beschrijft de kaders voor waterbeheer in Noord-Holland. Binnen deze kaders gaan waterschappen en gemeenten maatregelen treffen om ons te beschermen tegen wateroverlast en om de waterkwaliteit te verbeteren. Het opstellen van een waterplan is een wettelijke taak van de provincie. Bekijk hier het document
Conclusie: Het plan is in overeenstemming met dit beleid. 6.1.3
Waterprogramma
In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) verbindt Hoogheemraadschap Noorderkwartier (HHNK) de bouwstenen met de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap. Ze brengen een prioritering aan en geven aan hoe ze in de bouwstenen willen participeren. De benodigde samenwerking werken we uit en leggen we vast in afspraken. Bekijk hier het document
6.1.4
Water in het plan/Watertoets
Naast het Waterprogramma beschikt HHNK over een verordening, de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterlopen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de waterlopen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Doordat het plan niet in de nabijheid van waterlopen of waterkeringen is gelegen, is het niet nodig om een watervergunning aan te vragen. Via de Digitale Watertoets is aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) gevraagd een reactie te geven op het plan aan de Molenvaart 243 in Anna Paulowna (bijlage 1). 12
In dit advies staan de maatregelen opgenomen die HHNK adviseert om wateroverlast te voorkomen en het water in de sloten schoon te houden. Op basis van de door de aanvrager ingevoerde gegevens heeft HHNK aangegeven dat het er geen waterschapsbelang is. Verharding en compenserende maatregelen Uit de gegevens blijkt dat er geen sprake is van een toename van verharding, zodat er geen compenserende maatregelen hoeven te worden getroffen. Het betreft alleen een bestemmingswijziging van het perceel. Waterkwaliteit Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd en worden geloosd op de waterlopen. Tenslotte wordt wel geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen, zoals zink, lood en koper zoveel mogelijk te voorkomen.
13
7.
Milieu- en omgevingsaspecten
7.1
Natuur
De Wet Natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. In het kader van de Wet Natuurbescherming kunnen de volgende stappen worden onderscheiden voor het toetsen van een plangebied: a. vaststellen of sprake is van beschermde gebieden in of nabij het plangebied; b. vaststellen of de ruimtelijke ontwikkeling effect heeft op natuur. Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 4 kilometer van de Waddenzee (Natura 2000 gebied). Het plangebied heeft geen belangrijke ecologische relaties met het beschermde gebied in het kader van Natura 2000. De oevers langs het Balgzandkanaal en het Kruiszwin maken onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In tegenstelling tot Natura-2000 gebieden heeft NNN heeft geen externe werking. Aangezien het alleen een bestemmingswijziging van een perceel betreft zal de uitvoering van het plan geen negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudings-doelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Soortenbescherming De huidige bebouwing blijft gehandhaafd en op het perceel rondom de bebouwing wordt niets gewijzigd. Op het perceel is veel bebouwing en verharding gerealiseerd en er is weinig groen aanwezig. Er zal geen aantasting van waardevolle flora en fauna plaatsvinden. Het betreft alleen een bestemmingswijziging van het perceel van bedrijf naar wonen.
In de nabijheid van het plangebied wordt geen waardevolle flora en fauna aangetroffen. Het perceel is gelegen langs de Molenvaart in Anna Paulowna en de agrarische percelen ter plaatse zijn in gebruik voor de bollenteelt. Wanneer er in de toekomst wijzigingen worden aangebracht bijvoorbeeld door de sloop van bedrijfsgebouwen en nieuwbouw op het perceel dient wel een verkennend onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaats te vinden. Conclusie: Gelet op de aard en de omvang van het plan is een inventarisatie op grond van de Wet Natuurbescherming niet nodig.
7.2
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is een onderzoek noodzakelijk naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In dit geval wijzigt de bestemming van bedrijf naar wonen en daarom is door Vlam Bodemadvies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 2). Uit het onderzoek blijkt dat:
14
•
•
•
• • • • •
in de zintuiglijk schone zandige en kleiige bovengrond zijn overschrijdingen van de achtergrondwaarden aangetoond voor kwik, lood, zink, minerale olie en PAK. In de zintuiglijk schone kleiige ondergrond is molybdeen in een lichte verhoging ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetoond. in het grondwater uit peilbuis PB01 ter plaatse van de voormalige sanering/tank overschrijden de concentraties aan barium, molybdeen en xylenen de betreffende streefwaarden. In het grondwater uit peilbuis PB08 op het achterterrein zijn lichte verhogingen aan barium en molybdeen gemeten ten opzichte van de streefwaarden. in de puinhoudende bovengrond op het achterterrein is zintuiglijk geen asbest waargenomen. Analytisch is 0,7 mg/kg d.s. asbest in de fijne fractie gemeten. Dit gehalte overschrijdt niet de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. Er is geen nader onderzoek naar asbest noodzakelijk. in het aanwezige asfaltpad is 18 mg/kg PAK (VROM 10) of 28 mg/kg PAK (EPA 16) gemeten. Indien het asfalt wordt verwijderd kan het als niet-teerhoudend worden afgevoerd naar een asfaltinstallatie voor warm hergebruik. in de grond en in het grondwater zijn geen gehalten aangetoond die de toetsingswaarden voor nader onderzoek overschrijden. Voor nader onderzoek bestaat geen aanleiding.
er is voor wat betreft de kwaliteit van de bodem geen sprake van belemmeringen voor de bestemmingswijziging van de locatie van bedrijf naar wonen. gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventuele lokale verontreinigingen niet zijn ontdekt. mogelijk dient er bij nieuwbouwactiviteiten grond van de locatie te worden afgevoerd. Dit rapport is niet geschikt om een uitspraak te doen over de hergebruiksmogelijkheden van deze grond. Hiervoor dient een onderzoek te worden uitgevoerd zoals omschreven in het Besluit Bodemkwaliteit. Hergebruik van de vrijkomende grond (zonder bijmengingen) op de onderzoekslocatie is wel mogelijk zonder verder bodemonderzoek uit te voeren.
Conclusie: Het onderdeel bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
7.3
Geluid
De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, door spoorwegverkeer en/of inrichtingen (industrielawaai) het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet Geluidhinder. Indien nieuwe geluidgevoelige of geluidbelastende functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting op een bepaalde afstand van de geluidgevoelige functie. Door de bestemmingswijziging zal de functie van de woning (milieugevoelige functie) niet wijzigen en is het niet nodig om een akoestisch onderzoek uit te voeren. Conclusie: Het onderdeel geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
15
7.4
Luchtkwaliteit
Luchtkwaliteit is op meerdere gebieden van belang. Zo dient een bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk te maken die in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Het plan betreft alleen een wijzing van de bestemming van bedrijf naar wonen. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is er geen bezwaar voor het wijzigen van de bestemming, omdat de huidige bebouwingssituatie en de functie van de woning gehandhaafd blijft. Bovendien neemt het aantal verkeersbewegingen af door de bestemmingswijziging wat een positief effect heeft op de luchtkwaliteit. Conclusie: Het onderdeel luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
7.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het beleid voor transportmodaliteiten staat beschreven in de Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het beleid met betrekking tot buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) gaat over de kans om op een bepaalde plaats te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1% letaliteitsgrens, ofwel door de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Bij de beoordeling van de verschillende externe veiligheidsaspecten van het plan aan de Molenvaart 243 gaat het om de volgende risicobronnen: bedrijven waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd; vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor; transport van gevaarlijke stoffen door een buisleiding. 16
Nagegaan is welke risicobronnen er in de directe omgeving van het plangebied zijn gesitueerd. Conclusie: a. er zijn in de directe omgeving geen bedrijven aanwezig waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd. b. er bevinden zich geen routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied; c. het plangebied is niet gelegen binnen een invloedsgebied van buisleidingen waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
7.6
Kabels en leidingen
Voor zover bekend bevinden zich binnen het plangebied alleen huisaansluitingen voor gas, water, elektriciteit en datatransport ten behoeve van de aanwezige bebouwing. Er is geen sprake van de aanwezigheid van hoofdtransportleidingen. Bovengronds zijn ervoor zover bekend geen beperkingen. Conclusie: Er zijn geen kabels en leidingen aanwezig die de uitvoering van het plan belemmeren.
7.7
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder meer in het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten. De planologische wijziging voor het perceel Molenvaart 243 kan alleen worden gerealiseerd indien er wordt voldaan aan de milieutechnische bepalingen en de omliggende bedrijven niet wettelijk worden beperkt. De publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In de publicatie zijn richtlijnen opgenomen ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau, teneinde voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten te voorkomen. De VNG zorgt met deze richtlijnen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. Voor het perceel aan de Molenvaart 243 geldt dat het niet noodzakelijk is om een beoordeling van de omliggende bedrijven te maken. De bestemming wordt gewijzigd van bedrijf naar wonen, maar aan de woning zelf wordt niets gewijzigd (is en blijft een woning). De omliggende bedrijven dienen al rekening te houden met de aanwezige woning op het perceel Molenvaart 243 en dit zal na de bestemmingswijziging niet veranderen. Verder zijn er rondom de planlocatie nog particuliere woningen aanwezig. Door de bestemmingswijziging van bedrijf naar wonen zal het woon- en leefklimaat van deze woningen verbeteren.
Conclusie: Door een wijziging van de bestemming zullen de ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen bedrijven en particuliere woningen niet worden belemmerd.
17
7.8
Duurzaamheid
In de Omgevingsvisie van de gemeente Hollands Kroon staat aangegeven dat: • duurzaamheid een leidend en verbindend principe is; • slimme energie de toekomst heeft. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen is het uitgangspunt om zoveel mogelijk duurzaam te bouwen. Bij dit plan betreft het alleen een bestemmingswijziging van het perceel en zal geen nieuwe woning worden ontwikkeld.
18
8.
Juridische aspecten
8.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van initiatief juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het wijzigingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het wijzigingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de systematiek en leeswijzer bij de verbeelding en regels en de handhaafbaarheid.
8.2
Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemming van de gronden aan. Tevens wordt met functieaanduidingen de gebruiksmogelijkheden nader gespecificeerd. In de planregels staat per bestemming en aanduiding vastgelegd wat de beperkingen en mogelijkheden van de gronden met de bestemming, zoals aangegeven op de verbeelding, zijn.
8.3
Planregels
In dit bestemmingsplan komt de volgende bestemming voor: • Wonen Binnen de regels is zowel sprake van positieve bestemmingen, als van een globale eindbestemming met uitwerkingsplicht. Een positieve bestemming geeft een directe bouwtitel. Voor de gronden waarvoor een uitwerkingsplicht geldt moet, voordat een bouwvergunning kan worden verleend, het plan worden uitgewerkt conform artikel 3.6 Wro. De bouwvergunning wordt verleend indien deze voldoet aan het gestelde in de Woningwet. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels van het wijzigingsplan zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. 8.3.1
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Dit zijn de inleidende bepalingen van de regels.
19
Artikel 1: Begrippen Geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot. 8.3.2
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Deze artikelen bevatten de regels welke direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. De regels van het bestemmingsplan “Anna Paulowna” zijn van toepassing op het plan, met dien verstande dat, uitsluitend ten behoeve van het wijzigingsplan, tevens de in het wijzigingsplan vervatte regels van toepassing zijn. 8.3.3
Hoofdstuk 3 Slotregel
Dit artikel geeft de naam en datum van het bestemmingsplan aan.
8.4
Handhaafbaarheid
Een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een wijzigingsplan, dus ook bij de ontwikkeling van het wijzigingsplan “Molenvaart 243 Anna Paulowna”, is dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar dienen te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Bij de totstandkoming van het wijzigingsplan “Molenvaart 243 Anna Paulowna“ is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de in het plan opgenomen regels. Ten behoeve van een goede handhaving van de regels zijn de volgende factoren van belang: • • • •
voldoende kenbaarheid geven aan het plan; voldoende draagvlak voor het beleid en de regelgeving in het plan; inzichtelijke en realistische regeling; handhavingsbeleid.
20
9.
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
9.1
Economische uitvoerbaarheid
Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met afdeling 6.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat regels voor het verhaal van exploitatiekosten. De verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan (artikel 6.2, lid 1 Wro) bestaat alleen ten aanzien van gronden waarop een in artikel 6.2.1 Bro aangewezen bouwplan is voorgenomen en alleen voor zover het kostensoorten betreft die in artikelen 6.2.3 en 6.2.4 zijn aangewezen. Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de planologische procedure. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, om in het geval van grondexploitatie door derden, diverse eisen en regels gesteld kunnen worden. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan worden vastgelegd, inclusief kostenverhaal. Deze overeenkomst wordt aangemerkt als anterieure overeenkomst. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform Wro te worden opgesteld.
In de overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer wordt ook bepaald dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer zal komen.
9.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Dit bestemmingsplan is opgezet conform de structuurbepalingen van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen en is daardoor gemakkelijk te lezen. Daardoor is ook de handhaafbaarheid gemakkelijk vorm te geven: de regels zijn eenduidig zodat rechtsgelijkheid en -zekerheid zo groot mogelijk is. Op basis van de Wro zijn belangrijke overgangsbepalingen en strafbepalingen wettelijk vastgelegd waardoor op die manier de handhaafbaarheid vanuit dit bestemmingsplan goed is geregeld. 9.2.1
Overleg belanghebbenden
Het plan is besproken met de omgeving en er zijn geen bezwaren naar voren gekomen. Het bestemmingsplan ligt gedurende zes weken ter inzage, zodat belanghebbenden de mogelijkheid wordt geboden om een zienswijze in te dienen.
21