CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

2 toelichting en regels

Raad 19 oktober 2023, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik31.827 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.10 Verkeer en parkeren Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op het inzichtelijk maken van de verkeersstromen en het beoordelen van het verkeerskundig functioneren. Voorliggend plan heeft betrekking op de realisatie van een onderstation. Er zijn structureel geen personen aanwezig. Er vinden slechts periodiek onderhoudswerkzaamheden plaats. De ontsluiting van het perceel vindt net als in de huidige situatie plaats op de Zuiderdijkweg. Deze ontsluiting wijzigt niet tengevolge van het planvoornemen. Omdat er enkel sprake is van periodiek onderhoud heeft de functiewijziging geen invloed op de verkeerintensiteit van de Zuiderdijkweg. Er is geen sprake van een verkeersaantrekkende

29

bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik

werking. Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid. Het planvoornemen zorgt niet voor structureel extra parkeerbehoefte. Ten tijde van het periodiek onderhoud kan gebruik gemaakt worden van de aanwezige parkeermogelijkheden op het terrein.

4.11 Duurzaamheid Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema's: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw. Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Bij de ontwikkeling van een nieuw gebouw is het uitgangspunt om zoveel mogelijk duurzaam te bouwen. Gemeente Hollands Kroon heeft zich in het gemeentelijk duurzaamheidsprogramma uitgesproken voor een energiezuinige en duurzame bebouwde omgeving. De gestelde doelen daarbij zijn o.a.: energiebesparing; toepassing van duurzame energie; energieneutraal en klimaatbestendig. Het planvoornemen heeft betrekking op de transitie naar verdere modernisering en verduurzaming van de energievoorziening. Het planvoornemen past binnen de duurzaamheidsuitgangspunten van de gemeente.

4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling De m.e.r.-beoordeling houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage) en anderzijds de hiervoor beschreven onderzoeken. Het aanpassen of realiseren van een onderstation is geen activiteit die is genoemd in de C of D-lijsten van het Besluit m.e.r.. Er is geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling voor het plan nodig. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarom niet aan de orde. Gelet op de kenmerken van het project zullen ook geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Eén en ander blijkt tevens uit dit hoofdstuk waarbij uitgebreid is ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten.

30

bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Toelichting op het juridische systeem

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke ontwikkeling juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en geeft uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de systematiek en leeswijzer bij de verbeelding en regels en de handhaafbaarheid.

5.2

Planprocedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de planprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden:

31

bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik

Terinzageleggingsfase Het ontwerpbestemmingsplan wordt na aankondiging in het gemeenteblad en de website www.officielebekendmakingen.nl voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend. Vaststellingsfase Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste twaalf weken vast. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt en wordt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage gelegd. Dit gebeurd als volgt: Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het college het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging zes weken na vaststelling. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit uiterlijk twee weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk twee weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.

Uiterlijk zes weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Indien geen beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan is ingediend, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.

5.3

Regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken: 1.

2.

3.

4.

In de Inleidende regels zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. In de Bestemmingsregels zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. In paragraaf 5.2.2 volgt in het kort een nadere toelichting op de bestemmingen. In de Algemene regels staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen voor enige flexibiliteit van het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht, zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. Tenslotte bevat het bestemmingsplan nog Overgangs- en slotregels. Dit betreft artikelen onder het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en de slotregel.

Hoofdstuk 1: Inleidende regels BEGRIPPEN In dit artikel worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Een deel van deze begrippen is voorgeschreven in de SVBP2012. WIJZE VAN METEN De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is voor een belangrijk deel

32

bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik

voorgeschreven in de SVBP2012. Deze regels zijn overgenomen in artikel 2 van dit bestemmingsplan. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In deze paragraaf zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitbepalingen opgenomen. De toekenning van bestemmingen tot een bepaald perceel is gebaseerd op het gewenste gebruik en een verantwoorde inpassing. Het plan kent de enkelbestemming 'Bedrijf - Nutsvoorzieningen' en de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering'. BEDRIJF - NUTSVOORZIENINGEN In de enkelbestemming 'Bedrijf - Nutsvoorzieningen' worden bouwregels gesteld voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Tevens zijn er nadere eisen en specifieke gebruiksregels opgesteld. WATERSTAAT- WATERKERING In de dubbelbestemming 'Waterstaat- Waterkering' worden bouwregels gesteld. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is gelegd op de beschermingszone langs de primaire waterkeringen. In dit geval geldt dat bouwwerken binnen deze bestemming slechts mogen worden opgericht, indien de belangen van de waterkering dat toelaten. Hoofdstuk 3: Algemene regels Hoofdstuk 3 van de bestemmingsregels omvatten de algemene regels.

De algemene regels gelden in het algemeen voor het gehele bestemmingsplan en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden altijd in een apart hoofdstuk opgenomen. ARTIKEL 6 - ANTI-DUBBELTELREGEL De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan. ARTIKEL 6 - ALGEMENE BOUWREGELS In de algemene bouwregels is de regeling parkeren van het bestemmingsplan opgenomen. ARTIKEL 7 - ALGEMENE GEBRUIKSREGELS In de algemene gebruiksregels is geregeld welk gebruik in ieder geval tot strijdig gebruik met de in het plan opgenomen bestemmingen wordt gerekend. Ook zijn hier regels opgenomen omtrent het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid. ARTIKEL 8- ALGEMENE AANDUIDINGSREGELS Aanvullend op de (algemene) bouwregels gelden bijzondere bouwbepalingen die met een aanduiding in de geometrische plaatsbepaling zijn weergegeven, waaronder de aanduidingen 'luchtvaartverkeerszonelaagvlieggebied' en 'vrijwaringszone - radar'.

ARTIKEL 9 - ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren. ARITKEL 10 - ALGEMENE PROCEDUREREGELS

33

bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik

Dit artikel regelt de procedure die burgemeester en wethouders dienen te volgen indien toepassing wordt gegeven aan de in dit plan opgenomen afwijkingsregels. ARTIKEL 11 - OVERIGE REGELS In de overige regels is omschreven dat verwijzingen naar wettelijke regelingen gelezen moeten worden zoals deze luiden op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels ARTIKEL 11 EN 12: OVERGANGSRECHT EN SLOTREGELS Overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012 zijn de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen van de regels opgenomen.

34

bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder grondexploitatie als een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 Bro aangegeven. Hieruit blijkt dat het planvoornemen van deze ruimtelijke onderbouwing niet als bouwplan wordt aangemerkt. Een gebouw dat met ten minste 1.000 m2 bruto vloeroppervlakte wordt uitgebreid, wordt wel als bouwplan aangemerkt. Het voorliggende planvoornemen is echter dusdanig beperkt dat derhalve niet van een bouwplan kan worden gesproken. Er hoeft daarom geen exploitatieplan in het kader van de Grondexploitatiewet als onderdeel van de Wro te worden opgesteld. De kosten voor de bouw, alsook de kosten voor de noodzakelijke onderzoeken, worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten voor de gemeente betreffen de gebruikelijke kosten voor de planbegeleiding. Deze kunnen worden gedekt uit de legesheffing. Initiatiefnemer van het planvoornemen is een private partij. De kosten voor realisatie van het planvoornemen komen voor rekening van de initiatiefnemer. Door het vaststellen van het bestemmingsplan is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het projectgebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend.

Diegenen die schade lijden omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt. Afspraken over de mogelijke kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de planschade zijn in de tussen initiatiefnemer en gemeente overeengekomen anterieure overeenkomst opgenomen. De huidige coalitie van de gemeente Hollands Kroon werkt volgens het principe van brede welvaart. Naast materiële welvaart gaat het ook om zaken als gezondheid, onderwijs, milieu en leefomgeving, sociale cohesie, persoonlijke ontplooiing en (on)veiligheid. Liander werkt iedere dag aan een energievoorziening die iedereen onder gelijke condities toegang geeft tot betrouwbare, betaalbare en duurzame energie. Om dat voor elkaar te krijgen, is het belangrijk om de veiligheid, kwaliteit en capaciteit van de netten op orde te houden. De netinfrastructuur moet nu en in de toekomst aan de capaciteitsbehoefte van de klanten voldoen. Het nieuwe onderstation is nodig om in de toekomst te kunnen voorzien in de vraag naar elektrisch vermogen in de omgeving. Dit is van belang voor een stabiel en goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk. Gelet hierop draagt het initiatief bij aan de brede welvaart.

Voorgaande betekent dat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.

35

bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorbereiden van het ontwerpbestemmingsplan bestaat uit het opstellen van de toelichting, de regels en het tekenen van de verbeelding (de plankaart). In deze fase worden meestal ook de benodigde onderzoeken uitgevoerd. Nadat het ontwerpbestemmingsplan ambtelijk is getoetst en akkoord bevonden, beslist het college uiteindelijk of het plan ter inzage gelegd mag worden. Dit is een wettelijk verplichte stap. Het bestemmingsplan wordt daarnaast ook voor overleg aangeboden aan de reguliere bestuurlijke overlegpartners. Te zijner tijd worden binnengekomen reacties in deze paragraaf vermeld. Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende een termijn van 6 weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze termijn worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen tegen het voorgenomen besluit. Nadat de ingekomen zienswijzen zijn beantwoord, stelt de gemeenteraad vast. Na publicatie van het vastgestelde bestemmingsplan start de beroepstermijn van zes weken. Het vaststellingsbesluit staat open voor beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Overleg omgeving In december 2022 is een informatiebrief verstuurd naar de omwonenden. In deze brief is onder andere de het nut- en noodzaak, wat er gaat gebeuren en hoe het nieuwe elektriciteitsstation er uit komt te zien toegelicht.

Daarnaast is aangekaart dat een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is om de bouw van het nieuwe station planologisch mogelijk te maken. Hierbij is aangegeven dat de aangeschreven personen wederom bericht krijgen zodra het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Daarnaast is ter informatie de stadsraad Medemblik en Volkstuinvereniging De Zaaier op de hoogte gesteld van de beoogde plannen. Er is vooralsnog geen reactie binnen gekomen op de verstuurde berichtgeving. Vooroverleg Op basis van het concept-ontwerp van voorliggend bestemmingsplan is vooroverleg gevoerd met de volgende overleginstanties: Gemeente Medemblik; Provincie Noord-Holland; Tennet; Liander; Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). De gemeente Medemblik heeft een inhoudelijke reactie gegeven. Aan de opmerkingen van de gemeente Medemblik is tegemoet gekomen door in paragraaf 2.2 nader in te gaan op het planvoornemen van de gemeente Medemblik om het bestaande parkeerterrein op de gronden gelegen tussen de Zuiderdijkweg, de N240 en de Westfriese Omringdijk uit te breiden en de samenhang van deze ontwikkeling met het onderstation. Het HHNK heeft ook een inhoudelijke reactie gegeven. Paragraaf 4.9 is aangevuld waar nodig. Hiermee is tegemoet gekomen aan de gemaakte opmerkingen. De Provincie Noord-Holland en Liander hebben geen inhoudelijke reactie gegeven en van Tennet is geen reactie ontvangen.

Tot slot is het bestemmingsplan beoordeeld door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Het bestemmingsplan is op ondergeschikte onderdelen gewijzigd naar aanleiding van deze reacties. De overlegreacties van de gemeente Medemblik en het HHNK zijn als bijgevoegd.

36

bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik

Bijlagen bij de toelichting

37

bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik

38

bestemmingsplan Onderstation Zuiderdijkweg Medemblik

Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek

39

OPGESTELD VOOR: QIRION B.V. // OPGESTELD DOOR: STANTEC BV

Verkennend- en nulsituatie bodemonderzoek Zuiderdijkweg te Hollands Kroon

REFERENTIE: M22B0133 9-6-2022

Verkennend- en nulsituatie bodemonderzoek Zuiderdijkweg te Hollands Kroon

In opdracht van: Qirion B.V. Opgesteld door: Evelien Brand Marco Bont Projectnummer: M22B0133 Documentnaam: m22b0133.r01 Datum: 9 juni 2022

2001 + 2002 Versie

Vrijgegeven door

m22b0133.r01

Eric Rheiter

Postadres Postbus 270 2600 AG DELFT T 015 7511600

Bezoekadres Poortweg 4D 2612 PA DELFT www.stantec.com/nl

Paraaf

Datum 9 juni 2022

KVK Haaglanden 27 18 43 23 BNP Paribas 22 76 53 920 IBAN NL75BNPA0227653920 BIC BNPANL2A Stantec BV is ISO 9001:2015, ISO 14001:2015, ISO 45001:2018 en VCA** gecertificeerd

Het is niet toegestaan de inhoud en/of vorm van door Stantec opgestelde rapportages aan te passen

Inhoudsopgave 1.0 Inleiding 1.1 Doel van het onderzoek 1.2 Referentiekader 1.3 Betrouwbaarheid

1 1 1 2

2.0 Vooronderzoek 2.1 Beschrijving van de locatie 2.2 Historische gegevens 2.3 Voorgaande onderzoeken 2.4 Regionale bodemopbouw en geohydrologie 2.5 Locatie-inspectie 2.6 Hypothese en onderzoeksstrategie

3 3 3 4 4 5 5

3.0 Veldwerk en chemische analyses 3.1 Kwaliteit 3.2 Algemene onderzoeksstrategie en werkwijze 3.3 Resultaten veldwerk 3.4 Afwijkingen uitvoeringsplan 3.5 Analysestrategie 3.6 Chemische analyses

6 6 6 7 8 9 10

4.0 Bespreking onderzoeksresultaten 4.1 Toetsing analyseresultaten 4.2 Bespreking analyseresultaten Wet bodembescherming 4.3 Bespreking Indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit 4.4 Veiligheidsklasse conform de CROW 400

11 11 12 13 14

5.0 Conclusies en aanbevelingen

15

Bronvermeldingen

16

Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 5: Bijlage 6:

Overzichtskaart (1:25.000) Situatietekening (1:500) Verklarende woordenlijst Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Analysecertificaten en gaschromatogrammen Foto’s onderzoekslocatie

Stantec | m22b0133.r01

1.0

INLEIDING

Op 13 april 2022 is door Qirion B.V. aan Stantec B.V. opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Zuiderdijkweg te Hollands Kroon (bijlagen 1 en 2). De aanleiding van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bouw van een 20/10 kV onderstation aan de Zuiderdijkweg te Hollands Kroon en de aankoop van de onderzoekslocatie.

1.1

DOEL VAN HET ONDERZOEK

Het doel van dit onderzoek is: • Inzicht verkrijgen in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de onderhavige locatie en haar omgeving heeft geleid tot verontreiniging van de bodem, om te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen werkzaamheden. • Bepalen van de kwaliteit en hergebruiksmogelijkheden van de te ontgraven grond. • Bepalen van de veiligheidsklassen conform de CROW 400. • Het vaststellen van de nulsituatie (bodem en grondwater) ter plaatse van de toekomstige bodembelastende activiteiten.

1.2

REFERENTIEKADER

De onderzoeksstrategie is afgeleid van de NEN 5740 (bron 1). In overeenstemming met deze norm is voorafgaand aan het veldonderzoek een vooronderzoek uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5725 (bron 2). Het verkennend onderzoek bestond uit vooronderzoek, veldonderzoek, chemische analyses, toetsing en interpretatie. De analyseresultaten voor grond en grondwater zijn getoetst aan de normering zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (bron 6) en de Regeling bodemkwaliteit (bron 7). De in het laboratorium gemeten gehalten zijn omgerekend naar standaard bodem op basis van de gemeten lutum- en organische stofpercentages. In dit rapport wordt de volgende terminologie voor grond gehanteerd: • Kleiner of gelijk aan de achtergrondwaarde (AW) of detectiegrens: geen sprake van een verhoogd gehalte; niet verontreinigd. • Groter dan AW kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (T): licht verhoogd gehalte; licht verontreinigd. Voor de tussenwaarde (T) geldt de volgende berekening: (achtergrondwaarde + interventiewaarde)/2. • Groter dan T, kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (I): matig verhoogd gehalte; matig verontreinigd. • Groter dan I: sterk verhoogd gehalte; sterk verontreinigd.

Stantec | m22b0133.r01 1

De terminologie voor grondwater is als volgt: • Kleiner of gelijk aan de streefwaarde (S) of detectiegrens: geen sprake van een verhoogde concentratie; niet verontreinigd. • Groter dan de streefwaarde (S), kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (T): licht verhoogde concentratie; licht verontreinigd. Voor de tussenwaarde (T) geldt de volgende berekening: (streefwaarde + interventiewaarde)/2. • Groter dan T, kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (I): matig verhoogde concentratie; matig verontreinigd. • Groter dan I: sterk verhoogde concentratie; sterk verontreinigd. De resultaten voor PFAS uit dit onderzoek zijn ook getoetst aan het landelijk ‘Definitieve handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (Geactualiseerde versie van december 2021)’ (bron 9). Daarnaast wordt het gehalte PFAS getoetst aan het regionale beleid van PFAS van de provincie Noord-Holland (bron 10). Ook worden de gemeten gehalte PFAS in dit onderzoek getoetst aan de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV-waarden) PFOS en PFOA in grond. Deze waarden worden toegelicht in de ‘Toelichting op Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater’ (bron 11). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is.

Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. Met de INEV’s wordt bepaald of een bestaande, lokale verontreiniging (mogelijk) moet worden gesaneerd. Dit is pas het geval bij relatief hoge concentraties. De normen uit het landelijk Handelingskader moeten voorkomen dat de bodem op meerdere plekken verontreinigd raakt door het verplaatsen van grond of bagger die verontreinigd is. De betekenis van de streef-, achtergrond-, tussen- en interventiewaarde is opgenomen in de verklarende woordenlijst (bijlage 3.1).

1.3

BETROUWBAARHEID

Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Aan de hand van de uit de bronnen verzamelde informatie is een onderzoeksstrategie afgeleid, waarvan het aannemelijk wordt geacht dat deze representatief is voor de locatie. Er wordt op gewezen dat de geraadpleegde bronnen mogelijk onvolledig zijn of dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Voor elk bodemonderzoek geldt dat het is gebaseerd op een beperkt aantal monsterpunten en analyses. De hiervoor voorgeschreven onderzoeksstrategie geeft een goed beeld van de algemene bodemkwaliteit. Tevens wordt opgemerkt dat een bodemonderzoek een momentopname is. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Indien na het onderzoek op of nabij de locatie (bodembedreigende) activiteiten of calamiteiten plaatsvinden en/of in de omgeving (mobiele) verontreinigingen aanwezig zijn, kan de bodemkwaliteit hierdoor worden beïnvloed. Stantec | m22b0133.r01 2

2.0

VOORONDERZOEK

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het vooronderzoek besproken. Dit resulteert in een hypothese over de mogelijke verontreinigingssituatie op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (bron 2).

2.1

BESCHRIJVING VAN DE LOCATIE

De regionale ligging van de onderzoekslocatie is zichtbaar in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2. Relevante (historische) informatie betreffende aangrenzende percelen is eveneens weergegeven in bijlage 2. Momenteel is de locatie in gebruik als weiland. Ter plaatse van een perceel aan de Zuiderdijkweg te Hollands Kroon wordt een nieuw 10/20 kV onderstation met drie transformatorruimtes gerealiseerd. De werkzaamheden ten behoeve van de bouw van het onderstation vinden plaats tot 2,0 m-mv. De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als gemeente Hollands Kroon, sectie M, nummer 196 en gemeente Wieringermeer, sectie M, nummer 202 (ged.). De oppervlakte van de onderzoekslocatie locatie bedraagt circa 2.200 m2. De drie transformatorruimtes hebben een gezamenlijke oppervlakte van minder dan 100 m2.

2.2

HISTORISCHE GEGEVENS

Er is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • historisch kaartmateriaal; • bodemarchief; • bodemkwaliteitskaart; • vergunningsinformatie; • eerder uitgevoerd onderzoek op de locatie; • terreininspectie.

Historisch kaartmateriaal Op de topografische kaart (bron 13) van Hollands Kroon blijkt dat de locatie omstreeks 1935 is ingepolderd. Vanaf dat moment is de locatie altijd onbebouwd geweest. Het 50 kV station op het naastgelegen perceel is omstreeks 1970 gebouwd.

Bodemarchief Uit het bodemarchief van de gemeente blijkt dat in het verleden op een nabijgelegen locatie een bodemonderzoek is uitgevoerd. In paragraaf 2.3 zijn globaal de betreffende onderzoeksresultaten weergegeven.

Stantec | m22b0133.r01 3

Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente (bron 12) bevindt de locatie zich in ‘Zone 5: Overige woongebieden / recentere bebouwing, bedrijven en buitengebied’ (0,00-0,50 m-mv) en ‘Zone 2: Overige woongebieden, bedrijven en buitengebied’ (0,50-2,00 m-mv). Dit betekent dat in de bovengrond geen verhoogde gehalten worden verwacht. In de ondergrond kunnen licht verhoogde gehalten PCB worden verwacht. De bovengrond kan op basis van bovenstaande worden ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’. De ondergrond in ‘Industrie’. De zones in het algemeen kennen de bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/Natuur’ (Achtergrondwaarde). Opgemerkt wordt dat voor de onderzoekslocatie ook voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte, een bodemkwaliteitskaart voor de PFAS-verbindingen PFOA en PFOS is vastgesteld. Deze verbindingen komen maximaal licht verhoogd in de grond voor. In het kader van de Wet bodembescherming kan de grond als niet ernstig verontreinigd met PFAS worden beschouwd.

Tankgegevens Uit het tankenbestand van de gemeente komt naar voren dat op de locatie geen ondergrondse en/of bovengrondse tanks aanwezig zijn geweest.

PFAS De deellocaties bevinden zich niet ter plaatse van potentiële bronlocaties van PFAS. Verwacht wordt dat er ter plaatse van alle deellocaties maximaal licht verhoogde gehalten PFAS aanwezig zijn als gevolg van atmosferische depositie, grondroering en uitspoeling van de bovengrond naar de ondergrond.

Asbest Er zijn op en nabij de geplande graafwerkzaamheden geen asbestverdachte activiteiten, dempingen of gegevens over mogelijke sloop van (asbesthoudende) bebouwing bekend. Derhalve is er geen aanleiding asbest op het maaiveld of in de bodem van de graaflocatie te verwachten.

2.3

VOORGAANDE ONDERZOEKEN

In het verleden is nabij de locatie, ter plaatse van het huidige 50 kV-station te Hollands Kroon (Medemblik), bodemonderzoek uitgevoerd door Fugro (kenmerk A-6044/110, d.d. 05-03-1996). Het rapport is niet digitaal beschikbaar. Uit de informatie uit het bodeminformatiesysteem van de omgevingsdienst Noord-Holland Noord blijkt dat er in zowel de grond als het grondwater geen gehalten zijn aangetoond boven respectievelijk de achtergrondwaarde en de streefwaarde.

2.4

REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE

Op regionale schaal is de bodem opgebouwd uit een afwisseling van watervoerende lagen (zand, grind) en waterscheidende lagen (klei, leem, veen). De deklaag bestaat uit Holocene afzettingen (zand, klei en veen). Het hierin aanwezige grondwater vormt het freatische grondwaterpakket. Diepere lagen betreffen Pleistocene afzettingen. Zandlagen hierbinnen vormen het 1e en diepere watervoerende pakketten. Stantec | m22b0133.r01 4

Regionaal gezien stroomt het diepere grondwater van het watervoerend pakket in oostelijke richting. De regionale stromingsrichting van het freatisch grondwater is globaal oostelijk. De verwachte grondwaterstand is <1 m-mv.

2.5

LOCATIE-INSPECTIE

Op 23 mei 2022 is voorafgaand aan het veldwerk een locatie-inspectie uitgevoerd. Er zijn tijdens de inspectie van de locatie geen asbestverdachte fragmenten aangetroffen op het maaiveld of andere bijzonderheden waargenomen. De situatie is ongewijzigd ten opzichte van het vooronderzoek.

2.6

HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE

Op basis van de bovenstaande historische informatie is onderstaande hypothese geformuleerd. Ten behoeve van de uitvoering van het onderzoek is de bijbehorende onderzoeksstrategie gevolgd (bron 1, bijlage b). Gezien de resultaten uit het vooronderzoek en de ligging van de onderzoekslocatie in het buitengebied verwachten we geen noemenswaardige bodembelasting. Voor het bodemonderzoek wordt daarom aangesloten op de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie (ONV) uit de NEN 5740. Er worden maximaal licht verhoogde gehalten verwacht in de bodem gerelateerd aan de algemene bodemkwaliteit van het gebied. Om de nulsituatie vast te stellen ter plaatse van de toekomstige transformatoren, wordt het onderzoek gecombineerd met de strategie NUL uit de NEN 5740. De transformatoren worden als potentieel bodembelastend beschouwd vanwege het gebruik van isolatieolie. Voor het vaststellen van de nulsituatie wordt de verdachte bodemlaag en het grondwater geanalyseerd op minerale olie. Aangezien de graafwerkzaamheden plaatsvinden tot 2,0 m-mv wordt de laag van 2,0 tot 2,5 m-mv als verdachte bodemlaag beschouwd. Er is geen aanleiding om de locatie als asbestverdacht te beschouwen. Daarnaast zijn er geen bronlocaties bekend die mogelijk tot een verontreiniging met PFAS hebben geleid.

Waarschijnlijk is er maximaal sprake van licht verhoogde gehalten te relateren aan atmosferische depositie, grondroering en uitspoeling van de bovengrond naar de ondergrond. Aangezien er vermoedelijk sprake zal zijn van afvoer van grond wordt er onderzoek verricht naar de aanwezigheid van PFAS in de bodem. De bovengrond wordt daarom indicatief onderzocht op de aanwezigheid van PFAS middels een analyse. De ondergrond wordt als onverdacht beschouwd in verband met het ontbreken van verdachte activiteiten en derhalve niet geanalyseerd.

Stantec | m22b0133.r01 5

3.0

VELDWERK EN CHEMISCHE ANALYSES

In dit hoofdstuk worden de kwaliteitseisen uit de beoordelingsrichtlijnen, de gekozen onderzoeksstrategie, de resultaten van het veldwerk en de uitgevoerde chemische analyses besproken.

3.1

KWALITEIT

De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform een gecertificeerd kwaliteitssysteem (ISO 9001:2015, ISO 14001:2015, ISO 45001:2018 en VCA**). Voor dit project is Jochem Reurich van ons kantoor te Oosterhout opgetreden als senior adviseur. Het veldwerk is uitgevoerd onder het procescertificaat van de BRL SIKB 2000: ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’ (bron 3), protocol 2001: ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’ (bron 4) en protocol 2002: ‘Het nemen van grondwatermonsters’) (bron 5).

2001 + 2002

Alle procesonderdelen (uitvoering veldwerk, begeleiding erkend projectleider, overdracht monsters aan laboratorium, en rapportage) worden in principe uitgevoerd door en onder het certificaat van Stantec B.V., voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification B.V. Ons meest recente certificaatnummer kunt u hier vinden: https://www.stantec.com/nl/about/certifications-memberships. Bij de uitvoering van de monsternemingen op 23, 24 en 31 mei 2022 zijn de volgende personen ingezet, betreffende de, voor de BRL SIKB 2000 relevante kritische werkzaamheden: • E. van der Worp en E. van de Kamp (boormeester, persoon is geregistreerd voor het uitvoeren van deze werkzaamheden bij Rijkswaterstaat Leefomgeving). • E. van der Worp (monsternemer grondwater, persoon is geregistreerd voor het uitvoeren van deze werkzaamheden bij Rijkswaterstaat Leefomgeving). Wij verklaren dat de beschreven uitvoering van kritische functies onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd conform de eisen die de BRL daartoe stelt vanuit de Regeling bodemkwaliteit. De kwaliteitsborgingsformulieren zijn opgenomen in bijlage 4.2. Stantec B.V. heeft geen financiële of juridische belangen met betrekking tot het eigendom van de locatie.

3.2

ALGEMENE ONDERZOEKSSTRATEGIE EN WERKWIJZE

De gehanteerde onderzoeksstrategie is gebaseerd op de in hoofdstuk 2 gestelde hypothese. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van alle uitgevoerde veldwerkzaamheden en de analyses van grond en grondwater. In de hierop volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de veldwerkzaamheden en de chemische analyses.

Stantec | m22b0133.r01 6

Tabel 1: Overzicht uitvoerings- en analyseplan Aanleiding Veldwerk Analyses Diepte boringen (m-mv) Aantal Waarvan met Grond/verhardingen Grondwater boringen/proefgaten peilbuis A. Algemene bodemkwaliteit (ONV-NL) 0,0-0,5 m-mv 9 NEN-grond1 (3x) NEN-grondwater2 (1x) 3 0,0-2,0 m-mv 2 PFAS-grond (1x) Lozingsparameters5 0,0-3,0 m-mv 1 1 (1x) B. Nulsituatie toekomstige transformatoren (NUL) 0,0-3,0 m-mv 36 16 Minerale olie4 (1x) Combi met A Totaal5 13 1 1 NEN-grond: lutum- en organische stofpercentage, negen metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie (fractie C10-C40), som PAK (10), som PCB (7); 2 NEN-grondwater: negen metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen (som), styreen en naftaleen), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie; 3 PFAS-grond: organisch stofpercentage, PFAS (30 stoffen) conform advieslijst 12 juli 2019; 4 Minerale olie: organische stofpercentage, minerale olie (fractie C10-C40); 5 Lozingsparameters: ijzer-totaal, ijzer 2+, chloride en onopgeloste bestanddelen. 6 waar mogelijk worden de boringen van de verschillende onderzoeksstrategieën gecombineerd.

De boorlocaties zijn weergegeven in bijlage 2. De boringen zijn gelijkmatig over de locatie verspreid geplaatst dan wel geplaatst op basis van de toekomstige bodembelasting.

3.3

RESULTATEN VELDWERK

Het veldwerk is uitgevoerd op 23 en 24 mei 2022. Voor aanvang van de boorwerkzaamheden is de locatie visueel geïnspecteerd. Op het maaiveld van het terrein zijn geen verontreinigingen of asbestverdachte materialen waargenomen. In bijlage 4 zijn de gedetailleerde boorbeschrijvingen weergegeven met de bodemopbouw, de diepten waarop grondmonsters zijn genomen en de diepten waarop eventuele peilfilters geplaatst zijn. De zintuiglijke waarnemingen en eventuele afwijkingen zijn eveneens in deze bijlage weergegeven.

Bodemopbouw De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal als volgt: De bovengrond bestaat ter plaatse van het westelijke terreindeel uit zand. Onder deze zandlaag wordt vanaf 0,5 à 2,0 m-mv een kleilaag aangetoond. Ter plaatse van het oostelijke terreindeel wordt de kleilaag aangetroffen vanaf het maaiveld. Vanaf 2,5 m-mv is plaatselijk een veenlaag aanwezig. In de bovengrond van boringen A-B01, A-B04 en A-B05 zijn bijmengingen met baksteen en/of plastic aangetroffen. In boring B-B02 zijn in de bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m-mv resten baksteen aangetroffen. In de bodemlaag van 1,0 tot 1,5 m-mv zijn ter plaatse van boring A-B03 laagjes slib aanwezig. Deze laagjes slib kunnen mogelijk wijzen op de aanwezigheid van een voormalige sloot.

Stantec | m22b0133.r01 7

Visueel zijn in het opgegraven en opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdachte materialen waargenomen. Van het bodemmateriaal is maximaal per halve meter en/of per bodemlaag een monster genomen.

Grondwater Voor de bemonstering van het grondwater is boring B-B02 afgewerkt met een peilbuis. Conform NEN 5740 is de bovenzijde van het peilfilter circa 0,5 m beneden de grondwaterstand geplaatst. Het grondwater is bemonsterd op 31 mei 2022. Bij de grondwaterbemonstering is het grondwater waargenomen op een diepte van circa 0,75 m-mv. Tijdens de bemonstering zijn aan het grondwater geen afwijkingen waargenomen. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (Ec) en de aanwezigheid van niet-opgeloste deeltjes (troebelheid) van het grondwater zijn tijdens de monstername in het veld bepaald. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel. De meetwaarden geven geen aanleiding de analysestrategie te wijzigen. Tabel 2: Veldmetingen grondwater Peilbuis

Filter (m-mv)

GWS (m-mv)

Temp. (0C)

pH

Ec (µS/cm)

Troebelheid (NTU)

B-B02

2,00-3,00

0,75

14

6,8

2.360

170

Op basis van de gemeten Ec is sprake van brak (400 µS/cm <Ec <2.800 µS/cm) grondwater. Op basis van de beschikbare gegevens kan geen eenduidige stromingsrichting van het freatische grondwater worden vastgesteld. Opgemerkt wordt dat de stromingsrichting van het freatisch grondwater beïnvloed kan zijn door bijvoorbeeld getijden, drainage, kabels en leidingen e.d. De troebelheid van grondwater heeft een natuurlijke waarde in een zandpakket van 0-10 NTU. Deze kan afwijken wanneer er sprake is van een meer siltig samengestelde bodem. Vooral in klei- en veengronden (slechtlopende peilbuizen) komt het in de praktijk veelvuldig voor ondanks dat de gestelde vereisten voor plaatsing van peilbuizen en bemonstering van grondwater zijn gevolgd, de NTU waarden afwijken. Tijdens de monstername van het grondwater is in peilbuis B-B02 een NTU van > 10 gemeten. Peilbuis B-B02 staat in een klei/veen pakket. Wij zien dit niet als een afwijking op de BRL SIKB 2000 en houden hiermee rekening met de interpretatie van de meetresultaten.

3.4

AFWIJKINGEN UITVOERINGSPLAN

De werkzaamheden zijn grotendeels uitgevoerd conform het in tabel 1 opgenomen boor- en uitvoeringsplan. Naar aanleiding van de resultaten van het veldwerkzaamheden en de aangetoonde bodemvreemde bijmengingen zijn drie aanvullende analyses ingezet om de algemene bodemkwaliteit te bepalen (zie paragraaf 3.5 analysestrategie).

Stantec | m22b0133.r01 8

3.5

ANALYSESTRATEGIE

Onderstaande tabel geeft, voor de verschillende aanleidingen, de geselecteerde monsters weer met de bijbehorende zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde analyses. Tabel 3: Analysestrategie Code Samengesteld uit Bodemtype Zintuiglijke Analyses (meng)monster boringen (traject waarnemingen Grond Grondwater diepte (m-mv) m-mv) Algemene kwaliteit grond (ONV-NL) A-MM01 (0,0-0,5) A-B01 (0,0-0,5) Zand Resten tot brokken NEN-grond1 A-B04 (0,0-0,5) baksteen, resten A-B05 (0,0-0,5) plastic A-MM02 (0,0-0,5) A-B06 (0,0-0,5) Klei NEN-grond1 A-B07 (0,0-0,5) A-B08 (0,0-0,5) A-B09 (0,0-0,5) A-B10 (0,0-0,5) A-MM03 (0,5-1,5) A-B03 (0,5-1,0) Zand NEN-grond1 B-B01 (1,0-1,5) B-B02 (1,0-1,5) A-MM04 (0,5-2,5) A-B03 (1,5-2,0) Klei NEN-grond1 B-B01 (2,0-2,5) B-B02 (2,0-2,5) BB03 (0,5-1,0) A-B03-3 (1,0-1,5) A-B03 (1,0-1,5) Zand Laagjes slib NEN-grond1 1 B-B02-2 (0,5-1,0) B-B02 (0,5-1,0) Zand Resten baksteen NEN-grond MMPFAS (0,0-0,5) A-B02 (0,0-0,5) Zand PFAS3 A-B03 (0,0-0,5) B-B01 (0,0-0,5) B-B02 (0,0-0,5) B-B03 (0,0-0,5) Algemene kwaliteit grondwater (ONV-NL) B-B02-1-1 (2,0-3,0) NEN-grondwater² + Lozingsparameters Nulsituatie toekomstige transformatoren (NUL) B-MM01 (2,0-2,5) B-B01 (2,0- 2,5) Klei Minerale olie B-B02 (2,0- 2,5) B-B03 (2,0- 2,5) 1 NEN-grond: lutum- en organische stofpercentage, negen metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie

(fractie C10-C40), som PAK (10), som PCB (7); 2 NEN-grondwater: negen metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen (som), styreen en naftaleen), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie; 3 PFAS-grond: organisch stofpercentage, PFAS (30 stoffen) conform advieslijst 12 juli 2019; 4 Minerale olie: organische stofpercentage, minerale olie (fractie C10-C40); 5 Lozingsparameters: ijzer-totaal, ijzer 2+, chloride en onopgeloste bestanddelen.

Stantec | m22b0133.r01 9

3.6

CHEMISCHE ANALYSES

De analyseresultaten met de bijbehorende toetsingswaarden en een verklarende woordenlijst zijn opgenomen in bijlage 3. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 5. De chemische analyses zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam (RvA geaccrediteerd). De analyses zijn uitgevoerd conform het AS3000 protocol. In het analysecertificaat is een opmerking opgenomen voor de analyse op minerale olie in monsters A-MM04, A-B03-3 en B-B02-2. De periode tussen monsterneming en het in behandeling nemen in het laboratorium was groter dan de conserveringstermijn. Dit heeft mogelijk de representativiteit van het monster beïnvloed. Aangezien geen verhoogde gehalten minerale olie zijn aangetoond wordt geen invloed op het gerapporteerd resultaat verwacht.

Stantec | m22b0133.r01 10

4.0

BESPREKING ONDERZOEKSRESULTATEN

In dit hoofdstuk wordt de verontreinigingssituatie beschreven op basis van de onderzoeksresultaten. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten getoetst aan de in hoofdstuk 2 geformuleerde hypothese.

4.1

TOETSING ANALYSERESULTATEN

Grond In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de resultaten van de indicatieve toetsing aan de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de Regeling bodemkwaliteit en het Besluit bodemkwaliteit (bron 8) conform het generieke beleid (landelijke beleid). Tevens wordt de, op basis van de indicatieve toetsing Besluit bodemkwaliteit bepaalde, voorlopige veiligheidsklasse weergegeven. Tabel 4: (Indicatieve) toetsing analyseresultaten aan de Circulaire bodemsanering 2013 en de Regeling/het Besluit bodemkwaliteit Analysemonster (cm-mv)

Boringen

Toetsing Wbb >AW >T

>I

Toetsing Bbk

ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400)

-

-

-

AW

Basishygiëne

kwik, zink -

-

-

AW AW

Basishygiëne Basishygiëne

-

-

AW AW AW

Basishygiëne Basishygiëne Basishygiëne

-

-

-

AW

Basishygiëne

Algemene bodemkwaliteit A-MM01 (0-50)

A-B01, A-B04, A-B05

A-MM02 (0-50)

A-B06, A-B07, A-B08, A-B09, A-B10 A-MM03 (50-150) A-B03, B-B01, B-B02 A-MM04 (50-250) A-B03, B-B01, B-B02, B-B03 A-B03-3 (100-150) A-B03 B-B02-2 (50-100) B-B02 Nulsituatie bodemonderzoek B-MM01 (200-250) B-B01, B-B02, B-B03 Toelichting: AW: Bodemkwaliteitsklasse AW. Wonen: Bodemkwaliteitsklasse Wonen. Industrie: Bodemkwaliteitsklasse Industrie. NIET: Niet toepasbaar.

Grondwater In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de resultaten van de indicatieve toetsing aan de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Tevens wordt de voorlopige veiligheidsklasse weergegeven. Tabel 5: (Indicatieve) toetsing analyseresultaten aan de Circulaire bodemsanering 2013 (grondwater) Analysemonster Boringen (m-mv)

Toetsing Wbb >AW

>T

>I

B-B02 (2,0-3,0)

barium, Cl

-

-

B-B02

ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400)

Stantec | m22b0133.r01 11

Basishygiëne

In aanvulling op het ARVO-grondwaterpakket zijn tevens de lozingsparameters bepaald voor peilbuis B-B02. In tabel 6 is een overzicht van de gemeten waarden weergegeven, samen met de lozingsnormen voor het oppervlaktewater (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier) en het vuilwaterriool (Provincie Noord Holland). Tabel 6: Lozen van grondwater bij ontwatering (art. 3.2 Besluit lozen buiten inrichtingen) Normen

Peilbuizen

Stoffen

Oppervlaktewater

Hemelwaterriool

Vuilwaterriool

B-B02

onopgeloste bestanddelen

50 mg/l

50 mg/l

300 mg/l

60 mg/l

ijzer totaal

-

5 mg/l

-

1 mg/l

Uit de analyseresultaten blijkt dat de gemeten concentraties van onopgeloste bestandsdelen de gestelde normen overschrijden.

PFAS In de onderstaande tabellen wordt een overzicht gegeven van de resultaten van de toetsing van PFAS aan het handelingskader PFAS en de Wet bodembescherming. Tevens wordt de voorlopige veiligheidsklasse weergegeven. Tabel 7: Toetsingen PFAS aan het Handelingskader (d.d. december 2021) en Wet bodembescherming. Analysemonster (cm-mv)

Boringen

MMPFAS (0-50)

A-B02, A-B03, B-B01, B-B02, B-B03

Toetsing Bbk Landelijk Handelingskader Landbouw/ Natuur

Toetsing Wbb Landelijk Niet verontreinigd

ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400) Basishygiëne

Toelichting: Landbouw/ natuur: Bodemkwaliteitsklasse Landbouw/ natuur; Wonen/ industrie: Bodemkwaliteitsklasse Wonen/ industrie; NIET: Niet toepasbaar. Tabel 8: Toetsingen PFAS aan regionaal beleid Noord-Holland. Analysemonster (cm-mv) MMPFAS (0-50)

Boringen A-B02, A-B03, B-B01, B-B02, B-B03

Toetsing Wbb Regionaal beleid Niet verontreinigd

ARBO Veiligheidsklasse (CROW 400) Basishygiëne

Toelichting: Landbouw/ natuur: Bodemkwaliteitsklasse Landbouw/ natuur (vrij toepasbaar); Wonen/ industrie: Bodemkwaliteitsklasse Wonen/ industrie; NIET: Niet toepasbaar.

4.2

BESPREKING ANALYSERESULTATEN WET BODEMBESCHERMING

Grond In de zandige/kleiige bovengrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In de zandige ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In de kleiige ondergrond zijn licht verhoogde gehalten kwik en zink gemeten. De herkomst van deze verhoogde gehalten is onbekend. Mogelijk is sprake van verhoogde achtergrondwaarden. Stantec | m22b0133.r01 12

Grondwater In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium en chloride gemeten. De herkomst van deze verontreinigingen is onbekend. Mogelijk is sprake van verhoogde achtergrondwaarden. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde concentraties ten opzichte van de streefwaarden en/of detectiegrenzen gemeten. Een verhoogde troebelheid (> 10 NTU) kan invloed hebben op het meetresultaat. Bij een te hoge troebelheid kan een overschatting van het meetresultaat voor organische verbindingen (minerale olie, vluchtige (aromatische en gechloreerde) koolwaterstoffen, PAK en PCB) plaatsvinden. Er kan daardoor ten onrechte vastgesteld worden dat sprake is van een grondwaterverontreiniging. In het grondwater afkomstig uit peilbuis B-B02 is een NTU van 170 aangetoond. Uit de analyseresultaten blijkt dat er geen van de organische verbindingen in concentraties groter dan de streefwaarde(n) zijn aangetoond. De verhoogde troebelheid heeft geen invloed op de eindconclusie.

Toetsing hypothese Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de in paragraaf 2.6 opgestelde hypothese aanvaard. De licht verhoogde gehalten kunnen worden beschouwd als (verhoogde) achtergrondwaarden en vormen echter geen aanleiding de onderzoeksstrategie te herzien. De locatie wordt geschikt geacht voor de huidige c.q. gewenste bestemming.

4.3

BESPREKING INDICATIEVE TOETSING BESLUIT BODEMKWALITEIT

De analyseresultaten van de geanalyseerde grond(meng)monster(s) zijn indicatief getoetst aan de, normwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bron 7) behorende bij het Besluit bodemkwaliteit (bron 8). De in het laboratorium gemeten gehalten zijn hierbij omgerekend naar standaard bodem op basis van de gemeten lutum- en organische stofpercentages. De uitwerking van deze (indicatieve) toetsing is opgenomen in bijlage 3. Het betreft hier een indicatieve toetsing conform het generieke beleid (landelijke beleid). Bij gebiedsspecifiek beleid dient te worden getoetst aan het door het bevoegd gezag vastgestelde lokale bodembeleid (bodembeheernota, bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart) met lokale maximale waarden en eventueel aanvullende specifieke eisen ten aanzien van grondverzet. Over het algemeen kan de vrijkomende boven- en ondergrond worden ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’.

Toelichting hergebruik grond (milieuhygiënische verklaring) Voor een definitieve vaststelling van de bodemkwaliteitsklasse is in veel gevallen een partijkeuring conform AP04 vereist. Een dergelijke keuring onderscheidt zich van het onderhavige onderzoek door een intensievere bemonstering, een aangepaste monstervoorbehandeling in het laboratorium, zowel monstername als analyse in duplo en in enkele gevallen uitloogonderzoek.

Stantec | m22b0133.r01 13

4.4

VEILIGHEIDSKLASSE CONFORM DE CROW 400

Met behulp van de berekeningsmodule van CROW-publicatie 400 zijn de gehalten van de monsters getoetst aan de betreffende veiligheidseisen. Hieruit volgt dat op basis van de CROW 400 geldt dat gewerkt kan worden volgens veiligheidsklasse ‘Basishygiëne’. Op basis van deze veiligheidsklasse dienen de juiste aanvullende maatregelen genomen te worden gedurende werkzaamheden in de grond. Voor de bijbehorende veiligheidsvoorzieningen, metingen en maatregelen wordt verwezen naar de betreffende publicaties van het CROW.

Stantec | m22b0133.r01 14

5.0

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies getrokken:

Conclusies •

• •

• •

• •

De bovengrond bestaat ter plaatse van het westelijke terreindeel uit zand. Onder deze zandlaag wordt vanaf 0,5 à 2,0 m-mv een kleilaag aangetoond. Ter plaatse van het oostelijke terreindeel wordt de kleilaag aangetroffen vanaf het maaiveld. Vanaf 2,5 m-mv is plaatselijk een veenlaag aanwezig. Aan het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Visueel is in het opgeboorde materiaal geen asbest waargenomen. In de bovengrond van boringen A-B01, A-B04 en A-B05 zijn bijmengingen met baksteen en/of plastic aangetroffen. In boring B-B02 zijn in de bodemlaag van 0,5 tot 1,0 m-mv resten baksteen aangetroffen. In de bodemlaag van 1,0 tot 1,5 m-mv zijn ter plaatse van boring A-B03 laagjes slib aanwezig. Deze laagjes slib kunnen mogelijk wijzen op de aanwezigheid van een voormalige sloot. In de zandige/kleiige bovengrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In de zandige ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. In de kleiige ondergrond zijn licht verhoogde gehalten kwik en zink gemeten. De herkomst van deze verhoogde gehalten is onbekend. Mogelijk is sprake van verhoogde achtergrondwaarden. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium en chloride gemeten. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de locatie in milieuhygiënisch opzicht geschikt geacht voor de huidige en toekomstige bestemming. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Aanbevelingen • •

Het verdient altijd aanbeveling om tijdens grondwerkzaamheden alert te zijn op een eventuele onvoorziene verontreiniging van de bodem. Indien vrijkomende grond elders wordt hergebruikt kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen.

Stantec | m22b0133.r01 15

BRONVERMELDINGEN 1.

NEN 5740:2009+A1:2016 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 april 2016. 2. NEN 5725:2017 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, Nederlands Normalisatie-instituut, 1 oktober 2017. 3. BRL SIKB 2000, ‘Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 4. Protocol 2001, ‘Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 5. Protocol 2002, ‘Het nemen van grondwatermonsters’, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, versie 6.0, 1 februari 2018. 6. Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant nummer 16675, 27 juni 2013. 7. Regeling bodemkwaliteit, regeling van 13 december 2007, houdende regels voor de uitvoering van de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr. 247, 20 december 2007 en bijbehorende wijzigingen en besluiten. 8. Besluit bodemkwaliteit, besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem, Staatscourant nr.

469., 3 december 2007 en bijbehorende wijzigingen/besluiten. 9. Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 13 december 2021. 10. Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland houdende regels omtrent de Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2019, 21 november 2019. 11. Toelichting op Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) PFAS voor grond en grondwater, RIVM, 20200302v10, 5 maart 2020. 12. Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen, Lievense CSO, 16M1158, november 2020. 13. Topotijdreis, https://www.topotijdreis.nl/

Stantec | m22b0133.r01 16

Bijlagen Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 5: Bijlage 6:

Overzichtskaart (1:25.000) Situatietekening (1:500) Verklarende woordenlijst Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Analysecertificaten en gaschromatogrammen Foto’s onderzoekslocatie

Bijlage 1: Overzichtskaart (1:25.000)

Verkennend bodem- en nulsituatie bodemonderzoek Zuiderdijkweg Medemblik Overzichtstekening Legenda

J )

Projectlocatie

0

250

J )

500

750

1.000 m

Datum: Schaal: Status:

±

1-6-2022 1:25.000 Definitief

Projectnummer: M22B0133 Formaat: A4 landscape Tekenaar: NIKO

N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M22\M22B0133

Opdrachtgever: Qirion B.V.

Bijlage 2: Situatietekening (1:500)

Verkennend bodem- en nulsituatie bodemonderzoek Zuiderdijkweg Medemblik Situatietekening Legenda

! (

Boring tot 2,0 m-mv

0 #

Boring tot 3,0 m-mv Projectgebied

A-B09

B-B03

! (

A-B08

A-B02

B-B02

<

ú8ú

! (

A-B03

0 #

A-B07

0

B-B01

! (

! (

D

A-B10

! (

D

Boring tot 0,5 m-mv

Toekomstige transformatorcellen

A-B01

0 #

! (

eg

! (

! (

Peilbuis tot 3,5 m-mv

4

8

12

16

20 m

A-B06

A-B04

! (

A-B05

±

Opdrachtgever:

Qirion B.V.

Datum: Schaal: Status:

1-6-2022 1:500 Definitief

Projectnummer: Formaat: Tekenaar:

M22B0133 A3 landscape NIKO

N:\GIS\06_projecten\Boorplannen en Vopak\M22\M22B0133

ijkw

<

Zu

rd id e

ú8ú

Bijlage 3.1: Verklarende woordenlijst

VERKLARENDE WOORDENLIJST Een grond- en/of grondwaterverontreiniging kan veroorzaakt worden door verschillende parameters. Soms betreft het stoffen die van nature in de bodem voorkomen. In andere gevallen is er sprake van milieuvreemde stoffen. Om een indicatie te krijgen van een eventuele grond(water)verontreiniging worden analyses uitgevoerd op verschillende parameters.

Toetsingskader Sinds oktober 2008 zijn in het kader van de Wet bodembescherming de streefwaarden (grondwater) en interventiewaarden (grond en grondwater) van kracht en daarmee het toetsingskader voor beoordeling van de kwaliteit van grond en grondwater. Daarnaast gelden voor de toepassing van grond de (landelijke) achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit.

Achtergrondwaarde (grond) De Achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde is duurzaam geschikt voor elk bodemgebruik en wordt aangeduid als schone of niet verontreinigde grond.

Streefwaarde (grondwater) Als de streefwaarde wordt overschreden is er sprake van bodemverontreiniging. Voor de stoffen die van nature voorkomen, komt de streefwaarde overeen met het zogenaamde ‘gemiddelde achtergrondgehalte’. Voor stoffen die niet van nature in de bodem voorkomen is de streefwaarde gelijkgesteld aan de aantoonbaarheidsgrens van de huidige analysetechnieken, ook wel ‘detectiegrens’ genoemd.

Tussenwaarde Deze waarde geeft de milieukwaliteit aan, waarbij er sprake is van verhoogde, maar in het algemeen niet potentieel onaanvaardbare, risico's voor mens en milieu. Het betreft een rekenkundig gemiddelde van de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) en de Interventiewaarde, dat niet rechtstreeks aan een specifiek risiconiveau is gekoppeld. Overschrijding van deze waarde heeft slechts een indicatieve functie, namelijk het aangeven van de noodzaak om een nader onderzoek naar de kwaliteit van de bodem uit te voeren. Grond of grondwater die de tussenwaarde wel maar niet de interventiewaarde overschrijdt, wordt aangeduid als matig verontreinigd.

Interventiewaarde De interventiewaarde is de waarde die aangeeft bij welke concentratie sprake kan zijn van een dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem voor plant, mens en dier.

Toetsingswaarden asbest Voor asbest in grond geldt alleen een interventiewaarde c.q. restconcentratienorm. Deze norm is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. asbest (gewogen). De Interventiewaarde voor asbest is gebaseerd op het verwaarloosbaar risiconiveau (VR). Grond met een gehalte aan asbest (gewogen) lager dan de Interventiewaarde mag hierdoor als niet verontreinigd worden aangemerkt. Het gewogen gehalte aan asbest wordt berekend door het gehalte aan serpentijn asbest te vermeerderen met tienmaal het gehalte aan amfibool asbest.

Geval van ernstige bodemverontreiniging Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde en de verontreiniging is ontstaan voor 1987. Asbest is uitgezonderd van dit volumecriterium.

BRL SIKB 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek Alleen bedrijven die door het Ministerie van I en M zijn erkend mogen veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek verzorgen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Zij zijn ook de enigen die voor deze activiteit het keurmerk ‘Kwaliteitswaarborging bodembeheer SIKB' mogen voeren. Bedrijven met een erkenning staan vermeld op de lijst met erkende veldwerkers bij milieuhygiënisch bodemonderzoek op de website van Rijkswaterstaat Leefomgeving (www.rwsleefomgeving.nl).

Besluit bodemkwaliteit Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Volgens dit besluit kan per gemeente een beleid worden gevoerd, waarin rekening gehouden is met lokale omstandigheden. Per gemeente dient voor toepassing gecontroleerd te worden of er sprake is van gebiedsspecifiek beleid of dat de generieke normen van het besluit van toepassing zijn. Voor de ontvangende bodem dient de bodemkwaliteit te zijn vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden afgeleid van een vastgestelde bodemkwaliteitskaart. Als geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld moet met bodemonderzoek de kwaliteit van de ontvangende bodem worden vastgesteld. Een dergelijk onderzoek dient tenminste te worden uitgevoerd volgens een onderzoeksstrategie uit de NEN 5740.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=56759268-4d83-4a9f-be08-1638d4449f1c