CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Toelichting bestemmingsplan Waardpolderhoofdweg 27

Raad 23 november 2023, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Bestemmingsplan Waardpolderhoofdweg 27 Wieringerwaard12.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting

Waardpolderhoofdweg 27 Gemeente Hollands Kroon

5 juli 2023

INHOUD TOELICHTING

1

1.1 1.2

Inleiding

3

1.3 1.4

Aanleiding en doelstelling Plangebied 3 Geldend planologisch regime Leeswijzer

2

Bestaande en toekomstige situatie

6

3

Beleidskader

10

4

Milieu- en omgevingsaspecten

20

5

Juridische planbeschrijving

36

6

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

38

2.1 2.2

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

4.1 4.2 4.3

5.1 5.2

6.1 6.2

3 3 3 4

Bestaande situatie Het plan

Algemeen Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

Inleiding Milieu-aspecten Omgevingsaspecten

Planonderdelen De bestemmingen

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6 8

10 10 12 14 15

20 20 31

36 37

38 38

Bijlagen 1. Verkennend bodemonderzoek Waardpolderhoofdweg 27, Grondslag, 26 juli 2022 2. Quick scan natuur Waardpolderhoofdweg 27, SAB, 25 juli 2022

1 1.1

Inleiding Aanleiding en doelstelling Aan de Waardpolderhoofdweg 27 in de gemeente Hollands Kroon bevindt zich een verouderde woning. Het wordt gezien de bouwkundige status niet haalbaar geacht de woning te moderniseren / isoleren, zodat deze voldoet aan de huidige regelgeving en eisen op het gebied van wooncomfort. Het plan is daarom opgevat deze te slopen en een nieuwe terug te bouwen meer naar achter op het perceel. Dit levert een aantal ruimtelijke voordelen op; zo zal er minder geluidoverlast vanwege de straat zijn, kan de voortuin dienen als waterafvoer en ontstaat een veilige buffer voor spelende kinderen ten opzichte van de straat. Bovendien komt de rooilijn meer in lijn te liggen met andere woningen in dit gebied. Wel is het plan in strijd met het geldende bestemmingsplan. Om in een adequate nieuwe planologisch-juridische situatie te voorzien, is het gewenst het bestemmingsplan te herzien. In dit verband wordt een strook grond, dat thans nog is bestemd als wonen, ook meegenomen en agrarisch bestemd. Dit document vormt daarvan de toelichting, dat verder bestaat uit regels en een verbeelding.

1.2

Plangebied Het plangebied bevindt zich aan de Waardpolderhoofdweg 27 in de Wieringerwaard. Het dorp Wieringerwaard ligt ten noordwesten en even oosten loopt het Waardkanaal.

(globale) ligging plangebied

1.3

Geldend planologisch regime Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Buitengebied Anna Paulowna 6 van de voormalige gemeente Anna Paulowna, vastgesteld op 19 januari 2009. Het perceel heeft hier deels een bestemming Wonen, deels een bestemming Agrarische doeleinden 1. Voor het gehele plangebied geldt voorts een dubbelbestemming Archeologisch waardevol gebied III.

3

Uitsnede geldend bestemmingsplan De huidige woning ligt binnen het deel met de bestemming Woondoeleinden. Een deel hiervan zal als voortuin in gebruik genomen worden bij de nieuwe woning. Dat is in overeenstemming met de bestemming. Een deel (zie hoofdstuk 2) zal als agrarisch in gebruik genomen worden, hetgeen in strijd is. De nieuwe woning wordt voorts gerealiseerd op gronden met de bestemming agrarische doeleinden I. De op de plankaart voor "agrarische doeleinden I" aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering met een ondergeschikte tak van niet grondgebonden agrarische bedrijfsvoering met een maximale oppervlakte van 250 m2. Een reguliere woning past niet binnen deze bestemming. Bovendien mag hier niet gebouwd worden, nu er geen bouwvlak is opgenomen. De ‘archeologische dubbelbestemming’ is opgenomen om eventueel aanwezige archeologische relicten te beschermen. Bij grondroerende werkzaamheden moet onderzocht worden of deze aanwezig zijn. Er is echter een uitzondering opgenomen voor werkzaamheden tot 2.500 m2. De geplande ingreep blijft daar ruimschoots onder, zodat deze dubbelbestemming geen strijd oplevert. Naast dit bestemmingsplan geldt ook een parapluplan Parkeren en Wonen.

Dit plan is in zoverre relevant, dat hierin geregeld wordt dat een ontwikkeling moet voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Zie verder hoofdstuk 4.

1.4

Leeswijzer In hoofdstuk 2 is een omschrijving gegeven van de huidige situatie, de omgeving van het plangebied en de beoogde ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod waarin de relevante beleidsplannen die de verschillende overheden hebben opgesteld, wordt beschreven. De sectorale aspecten ten behoeve van het aantonen van de uitvoerbaarheid van het plan worden in hoofdstuk 4 behandeld. In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de aspecten verkeer en verkeerslawaai, milieu, waterhuishouding, ecologie en archeologie beschreven. In hoofdstuk 5 wordt kort een toelichting gegeven op de gekozen planvorm en de juridische regeling, zoals deze op de verbeelding en in de regels is opgenomen. In hoofdstuk 6 ten slotte wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

4

5

2 2.1

Bestaande en toekomstige situatie Bestaande situatie De planlocatie ligt binnen de polder Wieringerwaard, dat in 1610 werd ingepolderd. Het gebied van het Wieringermeer wordt bewoond vanaf 2600 voor Christus. Na de vele stormen die rond de 12e eeuw woedden werd het gebied echter onbewoonbaar. Nadat het gebied in 1610 weer was gewonnen door inpoldering raakte het weer bevolkt. In het noorden ontstond er langzaam bewoning in kernen. Zo ontstond langzaam een lintdorp dat van de sluis uit 1621 aan de Slikkerdijk tot aan de sloot, De Kolk, liep. Dit dorp kreeg dezelfde naam als de polder.

Kaart Jacob van Deventer, 1558 De provincie rekent de polder in de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie tot het aadijkingenlandschap. De opeenvolgende aandijkingen zijn duidelijk herkenbaar in het landschap. Ze werden als eenheid ontworpen, waren geometrisch van opzet en kregen ieder hun eigen maatvoering en structuur. De Wieringerwaard werd met enige grandeur ingericht, met indrukwekkende boerderijen, molens en vaarten. Omdat de hoofdwegen deels op de kreekruggen werden aangelegd, ontstonden soms schuine doorsnijdingen van het orthogonale verkavelingspatroon. Op andere plekken volgden de wegen juist de orthogonale polderverkaveling. Op de kruispunten van kanalen en wegen en langs vaarten in de aandijkingen ontstonden kruisdorpen.

Historische atlas Wieringerwaard 6

Aandijkingenlandschap, uitsnede Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De Wieringerwaard heeft een strokenverkaveling aan de geknikte lanen en linten. In de belangrijkste as, de Noord Zijperweg/Sluizerweg is een dubbele weg gecombineerd met een vaart, beplanting en herenboerderijen. Hoewel er in deze polder nooit een ruilverkaveling heeft plaatsgevonden is er van de oorspronkelijke verkavelingsstructuren veel verloren gegaan. De openheid is een belangrijke karakteristiek en in de Wieringerwaard heeft deze een langgerekte vorm, begrensd door de lange polderlinten. De Waardpolderhoofdweg is één van de agrarische linten, is noord-zuid georienteerd en vormt een verbindingsweg naar Kolhorn. Het wegprofiel is smal en wordt door een slootje begeleid. Het functionele beeld is agrarisch, met overwegend akkerbouw, maar ook woningen komen voor. Agrarische percelen worden afgewisseld met weidse open gebieden, met af en toe bosschages.

Impressies omgeving plangebied

7

Agrarische percelen bestaan uit een bedrijfswoning met daarachter de bedrijfsgebouwen. Deze zijn hoofdzakelijk functioneel vormgegeven. De bedrijfswoningen deels ook traditioneel, architectuur, positie en afstand tot de weg verschilt. Aan de Waardpolderhoofdweg 27 bevindt zich een reguliere woning, bestaande uit één bouwlaag met kap. De woning staat vrij dicht op de weg, is van relatief geringe oppervlakte en inhoud en is in bouwkundig opzicht verouderd.

Impressies Waardpolderhoofdweg 27

2.2

Het plan De wens bestaat om ter plaatse een modern wooncomfort te realiseren, waarbij voldaan wordt aan de staande regelgeving met betrekking tot duurzaamheid, isolatie, e.d. Dat valt in de huidige situatie slechts met een zeer grote financiele ingreep te realiseren, die niet in verhouding staat tot het geringe volume van het bestaande pand. De wens is daarom de bestaande woning te slopen en er een nieuwe voor terug te bouwen. Deze kan dan vervolgens meteen wat verder van de weg worden gepositioneerd, hetgeen in stedenbouwkundig opzicht ‘verzachtend’ werkt, en tegelijk de situatie voor wat betreft wegverkeerslawaai en trillingshinder vanwege (zwaar) agrarisch verkeer verbetert. Ook kan een veilige buffer tussen erf/tuin en de weg worden gerealiseerd en het hemelwater (komend van de hoger gelegen weg) op een betere manier worden afgevoerd. De woning wordt vormgegeven als schuurwoning en is afgedekt met een zadeldak met de nokrichting haaks op de weg, bestaande uit één bouwlaag met kap. Daarbij past de woning bij de schaal en landelijk karakter. Met het naar achter rooien van de woning wordt meer aangesloten bij de overwegende rooilijn in dit gebied, zie afbeelding hierna. Ten opzichte van het naast gelegen bedrijf verspringt de woning iets, waarmee benadrukt wordt dat het om een separaat ensemble gaat.

Het gaat gelet op bovenstaande om een ruimtelijk en stedenbouwkundig gewenst plan. Daarom kan medewerking worden verleend, in dit geval door het bestemmingsplan te herzien, zodat niet de mogelijkheid voor de herbouw van een in dat geval 2e woning op de huidige plek ontstaat. Nu er geen nieuw ruimtebeslag plaatsvindt, is van aantasting van openheid geen sprake. Ook de in de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie benoemde kwaliteiten van de Wieringerwaard worden niet aangetast.

8

In navolgend hoofdstukken wordt getoetst aan ruimtelijk relevant beleid van diverse overheden en in het hoofdstuk aan milieu-en omgevingsaspecten.

Rooilijnen (links) en situatieschets nieuwe situatie, Taats architecten en bouwkundigen

Impressies gevels, Taats architecten en bouwkundigen

9

3 3.1

Beleidskader Algemeen Planologische besluitvorming dient te passen binnen de ruimtelijke kaders die ontworpen worden op alle verschillende overheidsniveaus. Ter verkenning van de beleidsruimte wordt daarom in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevante) beleid weergegeven.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. De NOVI vervangt vanaf dat moment de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3.

sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemt in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna.

10

Beoordeling en conclusie Er zijn geen Rijksbelangen in het geding. 3.2.2

Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd.

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken blijkt dat plannen tot 11 woningen zijn niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4- 201501297/1/R4.

Beoordeling en conclusie Onderhavig plan gaat om het vervanging van één woning. Het gaat dus niet om een stedelijke ontwikkeling; er vindt geen nieuwe ruimtebeslag plaats. Het plan hoeft daarom niet verder getoetst aan de Ladder.

11

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie NH2050 (2018) De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten (PS) vastgesteld. In de Omgevingsvisie NH2050 staat een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving centraal. De leefomgeving is de basis is, met neen samenleving die wensen en behoeften heeft en de leefomgeving gebruikt voor ruimtelijk- economische ontwikkelingen. De hoofdambitie is gericht op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste onderwerpen zijn: 1. Klimaatverandering bedreigt onze leefomgeving; de ambitie is een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland 2. Verbetering van bodem, water- en luchtkwaliteit; de ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving 3. Biodiversiteit; de ambitie luidt deze te vergroten; 4. Economische transitie; ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. 5. Energietransitie; de ambitie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie. 6. Mobiliteit: de ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden 7.

Wonen en Werken: de ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn; 8. Landschap: de ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Het wegnemen van de grote druk op de woningmarkt is één van de opgaven. In Noord-Holland Noord moeten er 20.000 woningen bijkomen tot 2040. Het op peil houden van het voorzieningenniveau in de gehele provincie een andere. Dit initiatief speelt op de eerste opgave in. Daarnaast is er aandacht voor verbetering van het de ruimtelijke kwaliteit. Het initiatief past binnen de Omgevingsvisie.

3.3.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).

12

Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro. 3.3.3

Omgevingsverordening NH2020 (2020) Op 11 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de verordening staan de regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. In de verordening zijn regels opgenomen over onderwerpen in zowel het landelijke als het stedelijke gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Een deel van de regels is alleen van toepassing voor het landelijk gebied. Beoordeling en conclusie Het plan is zoals aangegeven niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. De provincie hanteert voor het begrip stedelijke ontwikkeling namelijk hetzelfde begrip als het Besluit ruimtelijke ordening (zie paragraaf 3.1). Wel ligt de bebouwing in het werkingsgebied landelijk gebied. Wanneer naar de regeling met betrekking tot het werkingsgebied landelijk gebied wordt gekeken, is met name de eerder genoemde Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie van belang. n hoofdstuk 2 is ingegaan op de kernkwaliteiten van de Wieringerwaard zoals benoemd door de provincie en hoe dit plan daar geen afbreuk aan doet. De algemene ambitie die hier geformuleerd is, is om ruimtelijke ontwikkelingen: • bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek • bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en • helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers.

• De ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij: Specifiek wordt genoemd het herkenbaar houden/maken van de verschillen tussen aandijkingen.> Neem binnen het aandijkingenlandschap de specifieke verkavelingsstructuur en openheid per aandijking steeds als uitgangspunt. Situeer eventuele bebouwing aan de linten. Doe dit op een wijze die past bij de opbouw van de specifieke aandijking. > Behoud in de Wieringerwaard de grote openheid en de lange zichtlijnen tussen de linten.

Uitsnede Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie 13

Zodoende is het plan in overeenstemming met de Omgevingsverordening. Zie hiervoor navolgende paragraaf: het initiatief is regionaal afgestemd/ is in overeenstemming met de regionaal gemaakte afspraken.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1

Convenant: Regionale samenwerkingsafspraken woningbouw van de Kop van Noord-Holland 2020-2030 Conform de provinciale Woonagenda 2020-2025 worden maatwerkafspraken op het gebied van wonen in regionale woonakkoorden opgenomen. Met dit convenant beogen partijen een actieve regionale samenwerking woningbouw te continueren ten behoeve van een optimale ruimtelijke ontwikkeling van de woningvoorraad/-markt van de regio Kop van Noord-Holland. Hiervoor maken de partijen afspraken over de woningbouwplannen in programma(‘s) die aansluiten bij de vraag naar nieuwbouwwoningen en woningtypen in de regio Kop van Noord-Holland(verder te noemen de Kop). In dit woonakkoord worden aanvullende afspraken gemaakt, zoals: ambities, (mogelijke) buitenstedelijke locaties en projecten. Bij elke ontwikkeling moet getoetst worden aan bijlage 1 en 2: - Bijlage 1: Kwalitatief afwegingskader; - Bijlage 2: Vragentabel kwalitatief afwegingskader.

Hierbij geldt: ≠ Kwalitatief hoger scorende woningbouwplannen komen eerder in aanmerking om opgenomen te worden in het regionale programma dan lager scorende woningbouwplannen; ≠ Een regiogemeente (‘vrije regelruimte’) mag aan de hand van een lokale onderbouwing woningbouwplannen: - toevoegen aan; - verplaatsen (in of na); - schrappen uit, het regionale programma, en aanbieden voor de regionale afstemming (en -beoordeling); ≠ Als juist gemotiveerde woningbouwplannen succesvol besproken zijn in de regionale werkgroep en de bestuurlijke instemming (in portefeuillehoudersoverleg ruimte en economie) hebben gekregen, is er sprake van regionale afstemming. Voor Hollands Kroon is tot 2023 een opgave van 650 woningen geformuleerd; tot aan 2030 gaat het om 1674 stuks. Op www.plancapaciteit.nl wordt de woningbouwontwikkeling bijgehouden. Voor Hollands Kroon is tot 2024 aan plannen een capaciteit van 2187 woningen beschikbaar. Nu het evenwel gaat om vervanging van een bestaande woning (en het aantal woningen dus niet toeneemt) wordt overwogen dat het convenant niet van toepassing is. Het doorlopen van het afwegingskader bij het convenant (waarbij locatie-aspecten(1), programmatische aspecten (2) en gebouwaspecten (3) een rol sp[elen) is om die reden ook niet aan de orde.

14

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Omgevingsvisie Hollands Kroon Op 29 november 2016 heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon de Omgevingsvisie Hollands Kroon vastgesteld. De omgevingsvisie is een inspiratie- en koersdocument voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Het doel van deze omgevingsvisie is het uitdagen om initiatieven te nemen en deze te realiseren. De gemeente hanteert het ‘ja, tenzij’ principe, waardoor samen met initiatiefnemers bekeken wordt hoe initiatieven gerealiseerd kunnen worden. Beoordeling Relevant zijn met name de onderwerpen ‘ruimtelijke kwaliteit’ en ‘wonen’. Ruimtelijke kwaliteit Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is “ontwikkelen met behoud van identiteit en kwaliteit”. Dat betekent dat wij ons bewust moeten zijn van de karakteristieke eigenschappen van de verschillende landschappen en de dorpen. En dat identiteit en kwaliteiten het vertrekpunt van ruimtelijke plannen is. Dit zet ontwikkelingen niet op slot. Ruimtelijke kwaliteit vraagt voortdurend aandacht. De focus op kwaliteit moet in de werkwijze van gebiedsontwikkeling verankerd zijn. De volgende kerngedachten liggen aan deze werkwijze ten grondslag. − Ruimtelijke kwaliteit is overal en voor iedereen anders, − Ruimtelijke kwaliteit groeit in een cyclisch planproces, − Gebruikers staan centraal, − Rekening houden met de historische context.

De gemeente wil de ruimtelijke kwaliteit en diversiteit van het landschap en de dorpen onderbouwd ontwikkelen, verbeteren en indien nodig transformeren. Ambitie De gemeente vindt het van belang dat een initiatief een bijdrage levert aan de identiteit en kwaliteit van de specifieke plek. Kader De gemeente wil de ruimtelijke kwaliteit en diversiteit van ons landschap en de dorpen onderbouwd ontwikkelen, verbeteren en indien nodig transformeren. Algemeen geaccepteerd is de omschrijving van de bouwstenen van ruimtelijke kwaliteit: Ruimtelijke kwaliteit = gebruikswaarde + belevingswaarde + toekomstwaarde. Ambitie Om bij maatwerk optimaal in te kunnen spelen op initiatieven en de ruimtelijke kwaliteit van deze initiatieven te borgen en mogelijk te optimaliseren wordt in deze omgevingsvisie de werking en toepassing van ateliers beschreven.

15

Wonen De gemeente gaat voor een gezonde woningvoorraad en verlegt de focus op kwaliteit in plaats van kwantiteit. De eerste stap naar sturing van de woningbouw is gezet in de lokale woonvisie. Hierin is gereageerd op de veranderde woningbehoefte. De tweede stap is het proces om in de Kop van Noord-Holland gezamenlijk te komen tot regionale kwantitatieve en kwalitatieve woningbouw afspraken tot 2020. Vanuit het volle bewustzijn dat het maken van afspraken meer is dan afstemmen alleen. De keuzes die in de woonvisie zijn gemaakt, vormen de input in dat proces. Deze tweede stap is afgerond op 28 oktober 2015.

Kader Ruimte voor kwalitatief hoogwaardig wonen en leven is een speerpunt. Om deze reden creëert de gemeente condities voor goede, gedifferentieerde woon- en leefmilieus. Ambitie De gemeente wil de meest aantrekkelijke woon- en leef gemeente van Noord-Holland Noord worden. Hiervoor wordt er ruimte geboden aan vernieuwend en innovatief bouwen. Daarnaast wordt er uitgegaan van betrokkenheid van bewoners bij de inrichting van de woon- en leefomgeving. De bewustwording van de noodzaak in verandering in denken en doen heeft geresulteerd in een regionale aanpak.

Ambitie Niet krimp, maar groei is de toekomst voor Hollands Kroon. De inzet voor regionaal overleg over het Kwalitatief woningbouwprogramma van de Kop (KwK) vanaf 2020 is een substantiële groei van het aantal inwoners tot circa 55.000 in 2030. Binnen de Kop van Noord-Holland werken de gemeenten samen in De Kop Werkt. Havenontwikkeling, Aansluiting Onderwijs Arbeidsmarkt en Toeristische Ontwikkeling zijn daarbij de speerpunten. De samenhang er tussen is uitgewerkt in een Regionaal Ambitiedocument. Hierin is ook aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving. De

16

provincie wil hier via het deelprogramma Groen in De Kop substantieel in mee-investeren. Conclusie Het voorliggende plan versterkt de ruimtelijke kwaliteit. Het plan past voorts in de omgevingsvisie, daar het een typisch voorbeeld is van faciliteren van lokale initiatieven. Bovendien wordt een bijdrage geleverd aan modernisering van de woonvoorraad. Het plan past dus binnen de Omgevingsvisie.

3.5.1

Woonvisie Hollands Kroon, 2020 Met de woonvisie heeft de gemeenteraad de ambities op het gebied van wonen vastgelegd. Door vaststelling van de woonvisie geeft de gemeenteraad het college kaders om de woonvisie uit te voeren en bijvoorbeeld prestatieafspraken met de woningcorporaties en de huurdersorganisaties te maken. Hollands Kroon moet een aantrekkelijke woongemeente voor onze inwoners blijven, dat willen we. Hiervoor staan uitgangspunten en kaders in deze woonvisie. We staan voor een gezonde woningvoorraad en zien groei als de toekomst voor Hollands Kroon. Een woningvoorraad die past bij de behoefte en klimaatbestendig is, met een groene inrichting die bijdraagt aan de gezondheid en het welzijn van onze inwoners. We sturen op doelgroepen en richten ons actief op jongeren, starters en ouderen. We doen dit voor een betere balans van verschillende woningtypen op de woningmarkt. Het uitgangspunt is dat de gemeente een actieve faciliterende rol heeft. We zetten in op nieuwe initiatieven denk hierbij aan geclusterde of flexibele woonvormen. Kenmerkend hiervoor is ons ‘ja, tenzij’ principe. Er zijn drie uitgangspunten: 1. Focus op bouwen 2. Focus op starters en jongeren 3. Focus op ouderen. Relevant is met name punt 1, onder andere wordt hier aandacht gevraagd voor duurzaamheid. Duurzaamheid speelt een grote rol bij woningbouw en bij de bestaande woningvoorraad.

Slechts 28% van de woningen in Hollands Kroon beschikt over een geldig energielabel. Voor nieuwbouw geldt het BENG-principe (Bijna Energieneutraal Bouwen). In het Programma Duurzaamheid 2020-2022 zijn de kaders uitgewerkt hoe om te gaan met de bestaande bouw. Woningbouwplannen moeten voorts klimaatadaptief ontworpen zijn. Denk hierbij aan ontwerpprincipes die leiden tot minder wateroverlast en hittestress, minder nadelige gevolgen van langdurige droogte en bodemdaling of het efficiënter gebruik van grondstoffen, materialen en brandstoffen. We gaan voor een snellere toevoeging van woningen aan de woningvoorraad om in de behoefte te voorzien. Nieuwbouw moet de leefbaarheid en het voorzieningenniveau versterken in onze kernen. Iedereen moet goed kunnen wonen in Hollands Kroon. Ook de mensen met een kleinere beurs. Daarom zetten we in op kortere wachttijden voor sociale huurwoningen en voldoende aanbod van betaalbare

17

koopwoningen. Er zijn genoeg woningbouwplannen in onze gemeente, maar de ontwikkeling daarvan gaat nog te langzaam waardoor er te weinig gebouwd wordt. Het aantal woningen kan nog toe- of afnemen. De ambitie is om voor minimaal circa 900 woningen aan zachte plannen te ontwikkelen, zodat de totale planvoorraad voldoende is om in de woonbehoefte te voorzien. Bij grotere plannen (vanaf 40 woningen), wordt de volgende verdeling nagestreefd:

Beoordeling en conclusie De nieuwe woning wordt gasloos gebouwd en volgens de regels met betrekking tot duurzaamheid die gelden (o.a. BENG). Dit terwijl de huidige woning slecht geïsoleerd is. Bovendien krijgt de tuin een groen karakter en wordt een strook daarnaast agrarisch bestemd, zodat een bijdrage wordt geleverd aan bevorderen infiltrerend vermogen/ tegengaan hittestress. Daarmee past de ontwikkeling binnen de Woonvisie. 3.5.2

Welstandsnota Hollands Kroon Op 23 december 2013 heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon de Welstandsnota Hollands Kroon vastgesteld. In deze nota is aangegeven welke welstandsregels binnen de gemeente gelden. Het welstandsbeleid is bedoeld om de balans tussen ruimtelijke kwaliteit van de gemeente en de doelstelling van minder regels goed onderbouwd te borgen. Beoordeling en conclusie Het voorliggende plangebied ligt in welstandsluw gebied. Dit betekent dat een licht preventief welstandtoezicht geldt. De initiatiefnemer is zelf grotendeels verantwoordelijk voor de uiterlijke verschijningsvorm van het bouw- of verbouwplan. Het plan moet wel voldoen aan de planologische toetsing en bouwtechnische toetsing. De woning zal moeten voldoen binnen het beleid zoals opgenomen in de Welstandsnota Hollands Kroon. Op voorhand zijn hier geen belemmeringen te verwachten.

18

Uitsnede kaart Welstandsgebieden uit de welstandsnota met globale aanduiding locatie (rode cirkel)

19

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming ende Wet geluidhinder vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen.

4.2

Milieu-aspecten

4.2.1

Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Algemeen In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Beoordeling Het plan voorziet in de planologische toevoeging van één woning. Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 1. Uit verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In dit plan neemt het verhard oppervlak niet toe ten opzichte van de bestaande situatie en mede gezien de binnenstedelijke ligging en de geringe planomvang is geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject) en daarom is geen vormvrije m.e.r beoordeling noodzakelijk. M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Een M.e.r plicht kan ook ontstaan vanwege de Wet natuurbescherming. Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen

1 ECLI:NL:RVS:2022:2394

20

worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Nu het plangebied niet is gelegen binnen beschermd natuurgebied en er ook geen effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van enig Natura 2000-gebied (zie meer in detail paragraaf 4.3.1), ontstaat er ook geen M.e.r plicht als gevolg van de Wet natuurbescherming.

Conclusie Het aspect Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.2.2

Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering.

Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

21

Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie.

Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5

Deze gaat uit van een “rustige woonwijk”. In zogenaamde “gemengde gebieden” echter kan gemotiveerd een kleinere afstand van milieugevoelige functies (wonen) tot overlast veroorzakende gebieden worden aangehouden. Het idee is dat een rustige woonwijk een hoger beschermingsniveau verdient dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In een gemengd gebied komt matige tot sterke functiemenging voor. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook agrarische linten kunnen als gemengd gebied worden beschouwd. Een indicatie van richtafstanden bij verschillend bedrijfstypes voor gemengde gebieden is weergegeven in onderstaande tabel. Uitgangspunt is dat steeds één stapje lager kan worden aangehouden wat betreft afstand. Richtafstand 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 150 m 300 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5

In beginsel dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, er dient tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is 2. Blijkens meerdere jurisprudentie mag echter ook uitgegaan

2 ECLI:NL:RVS:2014:1173

22

worden van de representatieve mogelijkheden van het bestemmingsplan 3. De maximale mogelijkheden worden dan bepaald door de huidige, feitelijke situatie. Zo kan van het bestaand gebruik blijkens een uitspraak van de Raad van State worden uitgegaan als verandering van het bestaand agrarisch gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk dat de raad in redelijkheid geen rekening heeft hoeven houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden 4. In deze uitspraak van de Raad van State er sprake is van een melkveehouderij, ten behoeve waarvan recent nog een nieuwe ligboxenstal is gebouwd, en geen concreet voornemen kenbaar is gemaakt om de veehouderij te staken of de bedrijfsvoering ervan ingrijpend te wijzigen. Dit oordeel is in lijn met de uitspraak ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, r.o. 36.2. Daarmee wordt dus het huidig gebruik bepalend. Er wordt uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Ook wordt gewezen op een uitspraak van 4 april 2012, ABRS 4 april 2012, nr. 201004316/1/R1 welke betrekking op een nieuw te realiseren bedrijventerrein. De Afdeling overweegt dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek uit is gegaan van een invulling van het bedrijventerrein met bedrijven in milieucategorie 3.1 en 3.2.

Zij is van oordeel dat niet tevens rekening hoefde te worden gehouden met bedrijven in milieucategorie 4.1. Weliswaar kunnen volgens de Afdeling met ontheffing categorie 4.1-bedrijven op Distriport worden gerealiseerd, maar kunnen tevens bedrijven in een lagere milieucategorie dan 3.1 worden gevestigd. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden als uitgangspunt is genomen. Beoordeling In de eerste plaats wordt getoetst of de nieuwe functie past in de omgeving. Voorliggend plan ziet op de vervanging van een woning. Voornoemde VNG publicatie gaat evenwel om nieuwe situaties, niet om bestaande. Dat houdt in dat vanuit ruimtelijke ordening noch vanuit milieuregelgeving er een noodzaak tot het verrichten van (beschouwend) onderzoek bestaat. Daarbij wordt tevens in ogenschouw genomen dat de afstand van de woning tot enig (agrarisch) bedrijf niet toeneemt. Wanneer desalniettemin naar de huidig en toekomstige situatie gekeken worden, dan is meest relevant het agrarisch bedrijf Maatschap Spaans, gevestigd aan de Waardpolderhoofdweg 29. Het gaat om een bedrijf dat zich richt op de teelt van aardappels en overige wortel- en knolgewassen, alsook teelt van granen. Met het oog op gewasbescherming worden gewasbeschermingsmiddelen gespoten.

De kleinste afstand van gevel nieuwe woning tot grens bouwvlak bedraagt circa 32 m. Er bestaan geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen akkerbouw en nabijgelegen woningen en daarbij behorende tuinen en andere gevoelige functies. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer opgenomen in haar uitspraak van 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8308, wordt een afstand van 50 m tussen gevoelige 3 ABRS 26 september 2012, nr. 201206937/1/R1 en 20120693/2/R1, r.o. 4.2. en Vz. ABRS 5

november 2010, nr. 201007744/2/R1, r.o. 2.7.5 4 ECLI:NL:RVS:2018:3131

23

functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk geacht. Hierbij wordt gemeten vanaf de bestemmingsgrens: vanaf de bestemming die het telen van bollen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk maakt tot aan de grens van de bestemming die de woning(en) mogelijk maakt. Dit betekent dat ook tot tuinen een richtafstand moet worden aangehouden. Dit brengt echter niet met zich dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn, indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Bovendien gaat deze jurisprudentie over de fruitteelt, waar sprake is van een wezenlijk andere manier van spuiten, deze vindt veel frequenter vaak, kent meer drift en er wordt gebruik gemaakt van agressievere stoffen. In bepaalde gevallen kan dus met een geringere afstand worden volstaan. Uit jurisprudentie (onder meer in de uitspraak van 30 maart 2016 in zaak nr. 201402301/3/R3) blijkt dat het aanhouden van een kortere afstand dan de richtafstand zorgvuldig moet worden onderzocht en goed moet worden onderbouwd. Daarbij gaat het om het aspect gezondheid/woon- en leefklimaat en om de milieuruimte voor agrarische bedrijvigheid waarmee zij hun bedrijfsactiviteiten kunnen uitoefenen.

“zorgvuldig, locatiespecifiek onderzoek’ houdt evenwel niet automatisch in dat er een berekening gemaakt moet worden. Het onderzoek kan ook kwalitatief, dus in beschouwende zin, plaatsvinden. Het gaat hier zoals aangegeven om akkerbouw. De akkerbouw kent een lagere waarde aan neerslag kent dan fruitteelt. Bij de gewassen wordt intensief, maar neerwaarts gespoten. Deze spuittechniek (naar beneden spuiten) zorgt voor beduidend minder drift in de lucht dan opwaartse of zijwaartse machinale bespuitingen. De teler maakt gebruik van driftreducerende spuitdoppen met een driftreductie van ten minste 90% (er wordt gebruk gemaakt van spuitdop Lechler ID-120-03 POM met een maximale spuitdruk van 3 bar). Tevens houd de teler zich aan de algemene regels zoals vermeld in het Activiteitenbesluit (gebruik kantdoppen, teeltvrije zones, spuitboom hoogte <50 cm, etc.). De regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn de afgelopen jaren aangescherpt. Hierbij is van belang dat in artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75% (ten opzicht van een vastgelegde referentietechniek). Uit artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit volgt daarnaast een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s.

De overheersende windrichting gedurende het groeiseizoen is Zuid-West. Hiermee wordt de kans tot drift naar gevoelige functies (wonen) zeer nihil. In 2019 is door het RIVM een onderzoek gepubliceerd 5 met betrekking tot blootstelling aan bestrijdingsmiddelen en mogelijke risico’s op gezondheid. Het onderzoek focust zich op bollenteelt, dat vergelijkbaar is omdat ook hier neerwaarts wordt gespoten in plaats van opwaarts zoals in de fruitteelt. Omdat de wind tijdens de bespuitingen niet gericht was op de huizen van omwonenden, werd in het veldonderzoek geen bijdrage via drift tijdens de bespuitingen waargenomen. Dit laatste is ook goed gebruik bij telers. Er wordt vrijwel altijd gelet op de 5 Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke

Gezondheidseffecten, RIVM, 2019 24

windrichting bij bespuitingen. Het is namelijk ook in het belang van de teler dat de gespoten middelen op de gewassen terechtkomen, in het gebied van het gewas blijven en niet van het gebied afwaaien (behalve gezondheidsredenen ook vanwege de hoge kosten van arbeid (loonwerk) en kosten van gewasbeschermingsmiddelen). Telers kiezen bij voorkeur dus een spuitmoment waarbij de wind van de woningen af staat. Van de onderzochte bestrijdingsmiddelen overschreden de gemeten gehalten in de lucht of urine geen risicogrenzen. Maar volgens het RIVM moeten eventuele gezondheidsrisico’s van omwonenden voor alle gebruikte bestrijdingsmiddelen preciezer worden ingeschat: er is dus nader onderzoek nodig. De Gezondheidsraad gaf in 2014 enkele praktische adviezen voor omwonenden om de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen via drift en stof te beperken: • schoenen uitdoen bij binnenkomst; • groenten, kruiden en fruit goed wassen; en • tijdens en kort na de bespuiting van een aangrenzend perceel de ramen sluiten en niet in de tuin verblijven. Een jaar eerder had ook de landbouwsector een aantal aanbevelingen gedaan om de blootstelling te beperken: • omwonenden tijdig informeren; • spuiten als de wind van de omwonenden af staat. Op dit moment zijn er dus geen gezondheidsrisico’s bekend, noch is er wet- en regelgeving, bijvoorbeeld omtrent het aanhouden van een afstand.

De vraag is dan of het voorzorgsprincipe gehanteerd zou moeten worden, inhoudende dat er geen woningen gerealiseerd mogen worden naast teeltgrond, zolang er nog geen definitieve zekerheid is omtrent de gezondheidsrisico’s. Overwogen wordt allereerst nogmaals dat dit dan alleen zou gaan om nieuwe situaties, en niet om bestaande, zoals in onderhavig geval. Er mag immers al gewoond worden, slechts de plek van de woning verandert, waarbij de afstand tot teeltgrond niet kleiner wordt (in feite zelfs iets groter, namelijk 4 meter, waar het 1 m was). Recent is een uitspraak gedaan door de Raad van State die ingaat op het vraagstuk van het voorzorgsprincipe 6 in relatie tot vermeende gezondheidsrisico’s. uit eerdere uitspraken bleek dat bij ruimtelijke besluiten het voorzorgsbeginsel geldt als er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat dit risico’s van enige significantie met zich mee brengt voor het milieu of de volksgezondheid, maar er geen volledige wetenschappelijke zekerheid bestaat over de aard en omvang van de risico’s. Zo’n gegronde reden wordt alleen aangenomen als er deugdelijk onderzoek is waaruit een voldoende oorzakelijk verband volgt tussen de activiteiten en de gevreesde risico’s.

als een dergelijk verband niet aannemelijk wordt gemaakt, dan is er ok bij een ruimtelijk besluit geen reden om de activiteit uit voorzorg te weigeren, zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:504. In voornoemd geval was een dergelijk verband ook niet aanwezig (het ging om de uitbreiding van een geitenhouderij) en daarom is het voorzorgsbeginsel volgens de afdeling niet van toepassing en mocht de omgevingsvergunning worden verleend. Onderhavige situatie is 1 op 1 vergelijkbaar en het plan kan daarom worden vastgesteld. Bij het ontbreken van normstelling is het uitvoeren van onderzoek

6 ECLI:NL:RVS:2022:556

25

voorts niet doeltreffend en mede gezien bovenstaande dient daar van worden afgezien. Gelet op bovenstaande, wordt primair gemotiveerd de conclusie getrokken dat de aanwezigheid van de akkerbouwvelden rondom het plangebied, geen belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat en daarmee uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Secundair kan in dit specifieke geval goed voldaan worden aan voornoemde aanbevelingen van de Gezondheidsraad en de landbouwsector, o.a. omtrent informeren van het moment van spuiten, nu het betreffend bedrijf in eigendom is van de bewoner van no. 27. Om blootstelling te voorkomen, wordt een werende haag geplaatst van 1,5 m hoog en 1,5 m breed die jaarrond groen blijft. Het realiseren en in stand houden hiervan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. In de tweede plaats moet worden bepaald of de omgeving de nieuwe functie toelaat. Richtinggevend hierin zijn de indicatieve onderzoekszones zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Van een woning gaat evenwel geen hinder uit. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.2.3

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpgtankstation en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen. Wet- en regelgeving Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is van toepassing op onder meer hoofdtransportleidingen voor aardgas.

Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren.

26

De Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stellen dat bij ruimtelijke besluiten waarbij de vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten in de nabijheid van een weg, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) moet worden beschouwd. Nieuw in het Bevt ten opzichte van de huidige situatie is het begrip Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Dit begrip heeft betrekking op de kans dat een tankwagen met brandbare vloeistof als gevolg van een calamiteit lek raakt, waardoor brandbare vloeistof vrij komt en vlam vat. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten.

Op basis van art 5, 1e lid van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan (lees: afwijkingsbesluit ex art. 2.12, lid 1 onder a sub 2 Wabo waar in dit geval sprake van is) de grenswaarde (voor het PR) in acht te nemen. Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde. Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt. Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is.

Het GR wordt berekend binnen het invloedsgebied dat ligt tussen de risicobron en lijn waar 1% letaliteit optreedt. Als oriëntatiewaarde geldt de in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde “norm” voor het GR, namelijk: 1 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 2 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers; 3 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers; 4 enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm). Een verantwoording van het GR kan achterwege blijven indien:

27

b het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of c 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden. Beoordeling en conclusie Het plan voorziet in een uitbreiding van mogelijkheden voor mensen de locato permanent te verblijven. Het groepsrisico wijzigt dus niet. Het plan is voorts niet gelegen binnen de 10-6 contour van gevaarlijke inrichtingen of transportroutes gevaarlijke stoffen. Er zijn daarom geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid.

Uitsnede Atlas voor de Leefomgeving

4.2.4

Bodem De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen / Waboprocedures regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: − er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; − het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan/BUS-melding; − er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.

Wet bodembescherming (Wbb) Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet

28

Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)). Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen

en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Grond wordt in Nederland als volgt ingedeeld:

Beoordeling en conclusie Er is gelet hierop bodemonderzoek verricht 7. De gestelde hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht is niet bevestigd. Er zijn lichte verhogingen aangetoond aan molybdeen en PAK in grond, en molybdeen en koper in grondwater. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd. Het aspect bodem vormt zodoende geen belemmering voor het bestemmingsplan. 4.2.5

Geluid Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) moet wegverkeerslawaai in beschouwing worden genomen. De omvang van een zone is afhankelijk van het aantal rijstroken van de weg en de typering van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Volgens de Wet geluidhinder geldt voor wegen met 1 of 2 rijstroken een (onderzoeks)zone van 200 meter. Voor wegen bestaande uit 3 of meer rijstroken is de onderzoekszone 350 meter. Wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur zijn volgens de Wet geluidhinder niet onderzoeksplichtig. 7 Verkennend bodemonderzoek Waardpolderhoofdweg 27, Grondslag, 26 juli 2022

29

De grenswaarden zijn onder andere afhankelijk van de geluidsbron (weg- of railverkeer), de ligging van de geluidsgevoelige bebouwing (stedelijk of buitenstedelijk gebied) en het type geluidsgevoelige bebouwing. In de onderstaande tabel zijn voor woningen de voorkeursgrenswaarden en de meest voorkomende hoogste toelaatbare geluidsbelastingen uit de Wgh voor wegverkeer weergeven.

Wegverkeer Stedelijk gebied Voorkeursgrenswaarde Hoogste toelaatbare geluidsbelasting

48 dB (art. 82) 63 dB (art. 83 lid 2)

Buitenstedelijk gebied Voorkeursgrenswaarde Hoogst toelaatbare geluidsbelasting

48 dB (art. 82) 53 dB (art. 83 lid 1)

Overzicht van de grenswaarden uit de Wgh en het Bgh

Binnenstedelijk is het gebied binnen de bebouwde kom. Buitenstedelijk is het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied waar de zone van een autoweg of autosnelweg ligt. Op grond van artikel 82 van de Wgh bedraagt de voorkeursgrens-waarde 48 dB op de gevel van een geluidsgevoelige bestemming. Artikel 83 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om voor nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde vast te stellen. Bij een bestaande weg mag voor bestemmingen in buitenstedelijk gebied een hogere waarde van maximaal 53 dB worden vastgesteld, in binnenstedelijk gebied is deze waarde maximaal 63 dB. Beoordeling en conclusie Het plan voorziet in de vervanging van een geluidgevoelige functie, een woning. Er wordt dus niet voorzien in een nieuwe geprojecteerde geluidgevoelige functie, als bedoeld in de Wet geluidhinder. 4.2.6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=e1a696e4-c1d9-4d29-9630-4b168daa619b