2 regels.pdf
Tekst van het document
BESTEMMINGSREGELS
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1. plan het bestemmingsplan Dorpsstraat 38 Oude Niedorp van de gemeente Hollands Kroon; 2. bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1911.BPKomZwdWOnthz03-on01 met de bijbehorende regels en bijlagen; 3. aan-huis-verbonden beroep of bedrijf: een in bijlage 1 genoemd dienstverlenend beroep of bedrijf, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 4. aanbouw: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 5. aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 6. aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 7. achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw; 8.
afhankelijke woonruimte: woonruimte die een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is; 9. bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 10. bebouwingspercentage: een in het plan aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouw- dan wel bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 11. bed & breakfast: een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als aan de woonfunctie ondergeschikte toeristisch recreatieve activiteit. Onder bed & breakfast wordt
niet verstaan overnachting in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid; 12. bedrijf: een onderneming waarin doorgaans met economisch oogmerk goederen worden vervaardigd, bewerkt, verwerkt en/of opgeslagen; 13. bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 14. beperkt kwetsbaar object: een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden; 15. beroeps- c.q. bedrijfsoppervlakte: de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 16. bestaand: ten aanzien van andere bouwwerken of gebruik: het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, krachtens een bouwvergunning/omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een vrijstelling op grond van de WRO, een ontheffing op basis van de Wro of een afwijkingsprocedure op basis van de Wabo; 17. bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 18. bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 19.
bijbehorend bouwwerk: aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; 20. bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 21. bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 22. bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 23. bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 24. bouwperceelsgrens: een grens van een bouwperceel; 25. bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 26. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 27. dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 28. dakkapel: een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst: a. dakkapellen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met gesloten zijwanden; b. dakkapellen hebben een maximale hoogte van 1,75 m; c. de afstand tussen de onderkant van de dakkapel en de dakvoet ligt tussen de 0,5 en 1 m; d. de afstand tussen de bovenkant van de dakkapel en de daknok is 0,5 m of meer; e. de afstand tussen de zijkanten van de dakkapel en de zijranden van het dak is 0,5 m of meer; f. de breedte van de dakkapel beslaat ten hoogste 2/3 van de breedte van het dakvlak; g.
dakkapellen zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduidingen “specifieke bouwaanduiding – stolp” en “karakteristiek”; 29. dakoverstek: een dak over een ruimte bij een gebouw, welke ruimte niet zodanig door wanden is omgeven, dat deze ruimte als deel uitmakend van het gebouw is aan te merken; 30. detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 31. dienstverlenend bedrijf: een bedrijf waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kunstgalerieën en expositieruimten, de beoefening van scheppende kunst en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting; 32. dienstverlening: het verlenen van economische en maatschappelijke diensten door dienstverlenende bedrijven;
33. druiplijn: de horizontale snijlijn van het oplopende dakvlak met het daaronder gelegen buitenwerkse gevelvlak; dit betekent dat in voorkomende gevallen de druiplijn wordt bepaald overeenkomstig het hieronder staande:
34. erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en het bestemmingsplan deze die inrichting niet verbiedt; 35. gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 36. geluidzoneringsplichtige inrichting: een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld; 37. hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 38. horecabedrijf: een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie; 39.
horecabedrijf categorie 1: een complementair horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van (niet of licht alcoholhoudende) dranken en eenvoudige etenswaren aan bezoekers van andere functies, met name functies als centrumvoorzieningen en dagrecreatie, zoals een automatiek, broodjeszaak, cafetaria, croissanterie, koffiebar, lunchroom, ijssalon, petit-restaurant, snackbar, snack-kiosk, tearoom, traiteur en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf; 40. horecabedrijf categorie 2: een horecabedrijf met een in het algemeen hoge bezoekersfrequentie gedurende de avond, dat voornamelijk is gericht op het verstrekken van maaltijden en/of (alcoholische) dranken, zoals een bar, (grand)café, eetcafé, restaurant, café-restaurant en/of een naar de aard en invloed op de omgeving
daarmee gelijk te stellen horecabedrijf, al dan niet in combinatie met logiesvertrekking of een zalencentrum; 41. horecabedrijf categorie 3: een horecabedrijf, dat voornamelijk is gericht op het ‘s avonds en/of ‘s nachts verstrekken van (alcoholische) dranken en waar tevens gelegenheid wordt geboden tot dansen of vergelijkbaar vermaak, zoals een bar-dancing, discotheek, nachtclub en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf; 42. horecabedrijf categorie 4: een horecabedrijf, dat in hoofdzaak is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies, zoals een hotel, motel, pension en/of een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met een restaurant of een café-restaurant; 43. kampeermiddel: een mobiel en/of demontabel kampeermiddel en/of vast kampeermiddel dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 44. karakteristiek pand: pand dat van waarde is op grond van de uitwendige hoofdvorm, bepaald door dakvorm, goothoogte, nokhoogte, nokrichting, dakhelling, gevelindeling en karakteristieke elementen; 45.
karakteristieke elementen: elementen aan een pand, zoals windveren, makelaars, raamluiken, pannenspiegel (stolpboerderij), schoorsteen, dakkapel, kroonlijst, dakgoot, typerende detaillering van hout- en metselwerk; 46. longeercirkel: ruimte in de vorm van een cirkel, waarin een paard onder begeleiding specifieke training kan worden gegeven; 47. maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen. Hieronder wordt in ieder geval begrepen een dorpshuis en biljartvereniging; 48. mantelzorg: het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband; 49. mobiel kampeermiddel: een tent, tentwagen, kampeerauto, toercaravan of enig ander onderkomen met de bedoeling deze tijdelijk te plaatsen op een kampeerterrein;
50. ondergeschikte detailhandel: detailhandelsactiviteiten die aan te merken zijn als rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van een niet-detailhandelsbedrijf en daaraan in bedrijfseconomisch en ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn; 51. ondergeschikte horeca: horeca-activiteiten die aan te merken zijn als rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van een niet-horecabedrijf en daaraan in bedrijfseconomisch en ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn; 52. onderkomens: voor verblijf geschikte – al dan niet aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken – voertuigen, vaartuigen, arken, toercaravans, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken, alsook tenten; 53. opslag: de opslag van goederen, met uitzondering van brand- en explosiegevaarlijke goederen; 54. overkapping: elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand; 55. paardenbak: een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony’s en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen; 56. peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: • de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b.
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: • de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij aanvang van de bouw; c. indien op het water wordt gebouwd: • het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil); 57. permanente bewoning: bewoning van een verblijf als hoofdverblijf; 58. recreatieve bewoning: bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie, waarbij hoofdverblijf elders wordt gehouden; 59. risicovolle inrichting: een inrichting, bij welke op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;
60. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 61. stolp: een boerderijtype met oorspronkelijk wonen, werken en stallen onder één piramidevormig dak, met als kern een houten vierkante constructie (gebint) waarop een houten kapconstructie van sparren/sporen; 62. trainingsmolen: ruimte in de vorm van een cirkel, waar meerdere paarden tegelijk kunnen stappen, draven of galopperen door aansturing via een computergestuurde bedieningskast; 63. uitbouw: een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 64.
vast kampeermiddel: een stacaravan, trekkershut of ander recreatief verblijf op een kampeerterrein, welke naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en al dan niet direct steun vindt in of op de grond (plaatsgebonden) en daardoor als bouwwerk is aan te merken; 65. voorerfgebied: erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 66. voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt; 67. webwinkel/internetverkoop: de uitoefening van detailhandel, zonder de uitstalling te verkoop, waarbij de goederen uitsluitend worden verkocht door middel van een schriftelijke en/of elektronische opdracht en die niet ter plaatse aan de koper ter hand wordt gesteld; 68. :Wonen bewonen van een woning door één afzonderlijke huishouding 69. woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming, al dan niet noodzakelijk is.
Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ondergrondse bebouwing wordt niet meegerekend bij het bepalen van de inhoud. 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS
Artikel 3 Maatschappelijk 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; met de daarbij behorende: b. groenvoorzieningen; c. openbare nutsvoorzieningen; d. speelvoorzieningen; e. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; f. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; g. waterlopen en waterpartijen.
3.2 Bouwregels a. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen gelden de volgende regels: 1. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; 2. de maximale goot- en bouwhoogte mag niet meer dan 4,5 meter respectievelijk 8,5 meter bedragen; 3. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens dient ten minste 3 m te bedragen, dan wel ten minste de bestaande afstand, indien deze minder is. b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van gebouwen mag niet meer dan 1 m bedragen; 2. de bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten een bouwvlak mag niet meer dan 3 m bedragen.
3.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en bebouwingsbeeld; • de milieusituatie; • het uitzicht van woningen van derden; • de verkeersveiligheid; • de woonsituatie, nadere eisen stellen aan de plaats van bebouwing.
3.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en bebouwingsbeeld;
• • • •
de milieusituatie; het uitzicht van woningen van derden; de verkeersveiligheid; de woonsituatie,
bij een omgevingsvergunning afwijken van: a. het bepaalde in lid 3.2, sub a, onder 2 voor een hogere goot- en bouwhoogte, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 6 meter en 12 meter mogen bedragen;
3.5 Specifieke gebruiksregels Als gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving wordt in ieder geval begrepen het gebruik van: a. gebouwen als zelfstandige woning; b. bijbehorende bouwwerken als afhankelijke woonruimte; c. gronden als standplaats voor kampeermiddelen; d. bebouwing voor recreatieve bewoning.
Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met: 1. aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, mits: • niet meer dan 1/3 deel van het totale oppervlak van de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 75 m², voor de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf wordt gebruikt; • alleen activiteiten worden uitgevoerd die niet meldingplichtig zijn in het kader van de milieuwetgeving en die genoemd zijn in bijlage 1 bij deze regels, dan wel naar aard en invloed daarmee gelijk te stellen zijn; • geen overwegende hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu; • geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen, noodzakelijk maken; • er geen reclame-uitingen groter dan 0,5 m² bij of aan de woning worden geplaatst, met een maximum aantal van 1, onder de voorwaarde dat deze niet verlicht mag zijn; • degene die het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf uitoefent, tevens de bewoner van de woning is; • er geen activiteiten ten aanzien van een horecabedrijf of een seksinrichting worden uitgeoefend; • er geen detailhandel plaatsvindt,
anders dan onderschikte detailhandel; • er geen buitenopslag ten behoeve van het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf plaatsvindt; 2. het hobbymatig gebruik voor bed & breakfast voor maximaal 4 personen, met dien verstande dat: • deze functie uitsluitend in de bestaande woning en/of de bestaande bijbehorende bouwwerken mag worden uitgeoefend; • er geen eigen kookgelegenheid is toegestaan; • permanente bewoning niet is toegestaan; • geen overwegende hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu; • geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen noodzakelijk maken; • het parkeren op eigen erf plaatsvindt, en tevens voor: b. bijbehorende bouwwerken bij woningen, met de daarbij behorende:
c. d. e. f. g. h.
tuinen en erven; groenvoorzieningen; openbare nutsvoorzieningen; verkeers- en verblijfsvoorzieningen; water; bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2 Bouwregels a. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: 1. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; 2. de gezamenlijke oppervlakte van een hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan de op grond van het bepaalde onder 1 en de verbeelding toegelaten maximale oppervlakte van het hoofdgebouw, vermeerderd met de in sub c, onder 2 toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken; 3. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan maximaal één woning per bouwvlak, tenzij op de verbeelding een ander aantal is aangegeven. 4. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 4 meter en 10 meter; 5. de dakhelling mag niet minder bedragen dan 50 graden. b. Parkeervoorzieningen Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk of voor het uitbreiden of wijzigen van de functie van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld. c.
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen gelden de volgende regels: 1. bijbehorende bouwwerken dienen op ten minste 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd; 2. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan de op grond van sub a en de verbeelding toegelaten maximale oppervlakte van het hoofdgebouw, vermeerderd met: a. 70 m² bij rijenwoningen, niet zijnde halfvrijstaande woningen; b. 70 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen kleiner dan 500 m²; c. 100 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 500 m²; d. 125 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 750 m²; e. 150 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 1000 m²; f. de bestaande oppervlakte indien deze meer is dan op grond van het bepaalde onder a t/m e is toegestaan; 3. het bebouwingspercentage op een bouwperceel mag ten hoogste 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bedragen, dan wel het bestaande percentage indien deze meer is; 4. de goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde
overkappingen mag ten hoogste 3 meter bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw voor zover het aan- en uitbouwen betreft, dan wel niet meer dan de bestaande goothoogte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen indien deze meer is; 5. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen mag ten hoogste 3 meter bedragen, dan wel de bestaande goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen indien deze meer is; 6. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag ten hoogste 6 meter bedragen, waarbij de bouwhoogte in ieder geval 1 meter lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, dan wel de bestaande bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken indien deze meer is; 7. een dakoverstek mag ten hoogste 0,5 meter bedragen; 8. ondergronds bouwen is niet toegestaan. d. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen gelden de volgende regels: 1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 25 m² per nutsvoorziening; 2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt. e. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevels(s) van het hoofdgebouw, niet meer mag bedragen dan 1 meter; 2. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 10 meter; 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meter. 4.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan, met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en bebouwingsbeeld; • de milieusituatie; • het uitzicht van woningen; • de verkeersveiligheid; • de sociale veiligheid; • de waterhuishouding; • de woonsituatie, nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing. 4.4 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid, mits er vooraf een planschadeovereenkomst wordt ondertekend en geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en bebouwingsbeeld; • de milieusituatie; • het uitzicht van woningen; • de verkeersveiligheid; • de woonsituatie,
•
a. b. c.
d.
e.
de parkeersituatie ter plaatse en met inachtneming van de hardheidsclausule in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode. 4.2 sub a onder 4 en toestaan dat de goothoogte tussen een aangekapt bijbehorend bouwwerk en het hoofdgebouw ten hoogste 6 meter mag bedragen. 4.2 sub a onder 5 en toestaan dat een andere dakhelling wordt toegepast. 4.2 sub b indien: 1. het voldoen aan deze regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of; 2. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien; 3. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd, 4.2, sub c, onder 6 en toestaan dat de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 8 meter mag bedragen, waarbij de bouwhoogte in ieder geval 1 meter lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, mits de verhoging van de bouwhoogte niet: 1. leidt tot een onevenredige verslechtering van de bezonningssituatie van omliggende percelen; 2.
zorgt voor een onevenredige inbreuk op de privacy bij omliggende percelen; 4.2, sub e onder 1 voor een maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen van 2 meter voor (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw indien de erf- of terreinafscheiding passend is binnen het straat- en bebouwingsbeeld;
4.5 Specifieke gebruiksregels Als gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving wordt in ieder geval begrepen het gebruik dan wel laten gebruiken van: a. bebouwing voor recreatieve bewoning, anders dan in artikel 4.1 lid a onder 2; b. een bijbehorend bouwwerk voor zelfstandige bewoning; c. een bijbehorend bouwwerk als afhankelijke woonruimte. d. een bijbehorend bouwwerk als woonruimte. e. gronden of bouwwerken waarbij de parkeergelegenheid die is vereist en aangelegd op grond van artikel 5.2 onder b niet wordt gerealiseerd of in stand wordt gelaten. 4.6 Afwijken van de gebruiksregels a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid: 1. 4.5, lid c en toestaan dat een bijbehorend bouwwerk tijdelijk als afhankelijke woonruimte wordt gebruikt, met dien verstande dat: a. dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg. Om deze aan te tonen, is een indicering van een onafhankelijke indicatieorganisatie nodig; b. de oppervlakte van de afhankelijke woonruimte maximaal 70 m² bedraagt; c. het parkeren op het eigen erf plaatsvindt; d. binnen 6 maanden na beëindiging van de mantelzorg het gebruik als afhankelijke woonruimte ongedaan wordt gemaakt; 2.
4.5, sub c en toestaan dat naast de in lid 4.2, sub c, onder 2 genoemde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken een tijdelijke (al dan niet aangebouwde) mantelzorgwoning wordt gerealiseerd, met dien verstande dat: a. dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg. Om deze noodzaak aan te tonen, is een indicering van een onafhankelijke
b. c. d. e.
indicatieorganisatie nodig; de oppervlakte van de tijdelijke (al dan niet aangebouwde) mantelzorgwoning maximaal 70 m² bedraagt; het in lid 4.2, sub c, onder 3 genoemde bebouwingspercentage in acht wordt genomen; het parkeren op eigen erf plaatsvindt; binnen 6 maanden na beëindiging van de mantelzorg de tijdelijke (al dan niet aangebouwde) mantelzorgwoning is verwijderd.
b. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning zoals genoemd in sub a, mag er geen onevenredige aantasting plaatsvinden van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en bebouwingsbeeld; • de milieusituatie; • het uitzicht van woningen; • de verkeersveiligheid; • de woonsituatie.
Artikel 5 Waarde - archeologie 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – archeologie’ aangewezen gronden zijn aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere voor die gronden aangewezen bestemming(en), mede bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden.
5.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde in de aangegeven andere bestemmingen mogen in of op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd waarbij grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 80 centimeter onder het maaiveld;
5.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2, mits: a. is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; b. is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel; c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten onevenredig kunnen worden verstoord; 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. een verplichting tot het doen van opgravingen; 3. een verplichting het bouwen te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg; d. alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen te beslissen, vragen Burgemeester en wethouders advies aan een ter zake kundig bureau. Bij een negatief advies wordt de vergunning niet verleend, dan nadat van Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden a. Het is verboden op of in de in lid 5.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden van burgemeester en wethouders, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren indien de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden betrekking hebben op een aanleg dieper dan 80 cm: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe ook worden gerekend ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen, mengen; 2. het aanbrengen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en ander oppervlakteverhardingen; 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, (tele)- communicatie, en/of andere leidingen en drainage en de daarmee verband houdende constructies; 4. het aanleggen, verbreden, verruimen van sloten, vijvers en overige waterpartijen; 5. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen 6. het indrijven van voorwerpen in de bodem.
b. Het verbod als bedoeld in lid 5.4, sub a. is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die: 1. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, waaronder begrepen het vervangen van drainagewerken; 2. die reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan; 3. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. c. Een vergunning als bedoeld sub a, wordt slechts verleend, mits: 1. is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; 2. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, dan wel; 3. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden onevenredig kunnen worden verstoord: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. een verplichting tot het doen van opgravingen; c. een verplichting het bouwen te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. d.
Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden te beslissen, vragen Burgemeester en wethouders advies aan een ter zake kundig bureau. Bij een negatief advies wordt de vergunning niet verleend, dan nadat van Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.
5.5 Wijzigingsbevoegd Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden de bestemming ‘Waarde – Archeologie’ wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 6 ANTI-DUBBELTELREGEL Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 ALGEMENE GEBRUIKSREGELS 7.1 Parkeervoorzieningen Een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van de functie van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld.
7.2 Afwijkingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1 indien: a. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien; c. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd; onder de voorwaarde dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en met inachtneming van de hardheidsclausule in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode.
7.3 Strijdig gebruik Tot een gebruik in strijd met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijvingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen: • het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van seksinrichtingen; • het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van risicovolle inrichtingen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding “verkooppunt motorbrandstoffen met lpg”; • het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van geluidzoneringsplichtige inrichtingen; • het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; • het gebruik van gronden en bebouwing voor de stalling en/of opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen.
Artikel 8 ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS 8.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; • het straat- en bebouwingsbeeld; • de milieusituatie; • het uitzicht van woningen van derden; • de verkeersveiligheid; • de woonsituatie, bij een omgevingsvergunning afwijken van het in het plan bepaalde voor: a. het bouwen van een deel van een hoofdgebouw buiten een bouwvlak, indien het voorgaande planologische regime deze uitbreiding mogelijk maakte, met dien verstande dat deze afwijkingsmogelijkheid uitsluitend kan worden toegepast binnen 5 jaar na onherroepelijk worden van dit plan; b. de op de verbeelding aangeduide en/of in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, uitsluitend indien dit om constructieve redenen noodzakelijk is; c. het bepaalde in het plan en toestaan dat het beloop of profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling of het beloop van vaarwegen in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft; d. het bepaalde in het plan en toestaan dat bestemmings- of bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; e. het bepaalde in het plan en toestaan dat antennemasten worden gebouwd met een hoogte van ten hoogste 40 m; f.
het bepaalde in het plan en toestaan dat wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, toiletgebouwtjes, en naar de aard daaraan gelijk te stellen gebouwtjes en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits: • de inhoud per gebouwtje niet meer dan 100 m³ bedraagt; • de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 15 m bedraagt.
HOOFDSTUK 4
OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Artikel 9
OVERGANGSRECHT
9.1
Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
9.2
Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 10
SLOTREGEL
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Dorpsstraat 38 Oude Niedorp”.
Bijlage 1: Lijst aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven Aan huis verbonden beroepen Accountant Belastingconsulent Psycholoog Lesgevend beroep Hypotheekadviseur Juridisch adviseur Assurantiebemiddelaar Verloskundige Logopedist Gerechtsdeurwaarder Diëtiste Organisatieadviseur Homeopaat Paragnost Architect Tekenbureau Grafisch ontwerper Kunstschilder Beeldhouwer Therapeut Raadgevend ingenieur Makelaar Huisarts Tandarts Dierenarts Notaris Advocaat Orthodontist Acupuncturist Fysiotherapeut Redacteur Tolk Tuinarchitect
Aan huis verbonden bedrijven Lijstenmaker Ateliers voor kunst Schoorsteenveger Glazenwasser Schoonmaker Kapsalon Pedicure Manicure Horlogemaker Fietsenmaker Timmerman Fotograaf Pottenbakker Reisbureau (kleinschalig) Hoedenmaker Naaister Nagelstudio Autorijschool Metselaar Stukadoor Loodgieter Elektricien Koeriersdienst Schilder Schoonheidsspecialist Bloemschikker Computerservice TV/radio reparateur Web design Binderij Vervaardigen van sierraden Webwinkel (zonder toonbankfunctie)
Deze lijst is niet limitatief. Voor beide categorieën geldt dan wel een naar de aard daarmee gelijk te stellen beroeps-/bedrijfsmatige activiteit, dat, met behoud van de woonfunctie (zie toetsingscriteria) kan worden uitgeoefend in een hoofdgebouw en/of een bijbehorend bouwwerk bestemd voor woondoeleinden.