14.1 Ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
4.12
Duurzaamheid
Door bij de opstelling van een bestemmingsplan al rekening te houden met het aspect duurzaamheid, kan al in een vroeg stadium van een planontwikkeling worden bewerkstelligd dat de mogelijkheden voor efficiënt gebruik van energie en de inzet van nieuwe energiebronnen kunnen worden benut. Pagina 25 van 52
Milieu- en omgevingsaspecten
Betekenis voor het project Het is de ambitie om in de nieuwe wijk mogelijkheden te scheppen voor een blijvend duurzame wijk. Duurzaamheid zal op verschillende aspecten ruimschoots aandacht krijgen. Duurzame voorzieningen die getroffen worden op stedenbouwkundig niveau bestaan onder andere uit de aanleg van een wadi en toepassing van waterdoorlatende verharding bij de openbare parkeerplaatsen en toepassing van een groot oppervlak aan openbaar groen. Duurzame mogelijkheden op het niveau van de woningen; Goede isolatie, luchtdichtheid en ventilatie; Toepassing zonnepanelen; Hemelwater wordt afgekoppeld; Toepassing warmtepomp; Duurzame materialen (baksteen, FSC hout) en herbruikbare materialen hebben de voorkeur; In de gevels nestkasten verwerken, sommige daken voorzien van mussenpannen
4.13
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
In Nederland is het verplicht om de effecten op het milieu volwaardig onderdeel te laten zijn van de voorbereiding en de besluitvorming over ruimtelijke plannen. Daarvoor is in de Wet milieubeheer de methodiek van de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is niet direct m.e.r. beoordelingsplichtig op basis van het onderdeel ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Echter, omdat de voorgenomen ontwikkeling wel valt onder de noemer van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling verplicht. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). Betekenis voor het project In onderstaande tabel worden de mogelijke milieueffecten behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit en de plaats van de activiteit. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van de activiteit.
Hierbij wordt gekeken of er mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen ontstaan en of er mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten Gebruik natuurlijke hulpbronnen Productie afvalstoffen Verontreiniging en hinder
Toets De onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op circa 1,5 hectare en de bouw van 29 woningen. Het project blijft ver onder de drempelwaarde van 100 hectare en 2.000 woningen. Geen Voor de bouw worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal (beton, hout, grond). Enkel relevant tijdens de bouw Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouw- en sloopwerkzaamheden. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn echter niet aan de orde, hetgeen blijkt uit de natuurtoets en de uitgevoerde Aerius-berekening.
Pagina 26 van 52
Milieu- en omgevingsaspecten
Ten aanzien van de toekomstige gebruiksfase kan op basis van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken worden geconcludeerd dat er geen onevenredige verontreiniging en hinder zullen optreden. Zie voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk
Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Toets Grasland/braakliggend en deels gronddepot. Door middel van flora- en faunaonderzoek is beoordeeld of sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied. Met inachtneming van de zorgplicht kan het plan worden uitgevoerd zonder significant negatieve effecten op de flora en fauna.
Kenmerken van het potentiële effect Criteria Toets Bereik van het effect (geografische De potentiële negatieve effecten zijn beperkt en uitzone en grootte van de getroffen sluitend lokaal van aard. Daarnaast is een tijdelijk efbevolking) fect gedurende de aanlegfase mogelijk. Gelet op de aard van de omgeving, waarbij gevoelige, waardevolle en woongebieden niet binnen het bereik van de potentiële effecten gelegen zijn, is het bereik van het potentiële effect zeer beperkt te noemen. Grensoverschrijdende karakter van Geen het effect Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige negatieve effecten voor de omgeving is geen sprake
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
De bouwfase levert tijdelijke effecten op. Na de bouwfase verdwijnen deze effecten. In de gebruiksfase treedt een permanent effect op ten aanzien van verkeer. De effecten van verkeer op de luchtkwaliteit en geluid zijn beperkt.
Gezien de te verwachten effecten zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Nadere analyse in een MER/m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
4.14
Conclusie milieu- en omgevingsfactoren
Uit bovenstaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat er vanuit de verschillende milieuen omgevingsaspecten geen belemmeringen bestaan voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling in het plangebied.
Pagina 27 van 52
Juridische planbeschrijving
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
5.2
Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen van de gronden aan. Deze bestemmingen corresponderen met de artikelen in de regels, zoals beschreven in paragraaf 5.3. Op de verbeelding staan de symbolen en maatvoeringen waarbij in de planregels is opgenomen wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn.
5.3
Planregels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit zijn de inleidende bepalingen van de regels en hier komen de onderstaande artikelen in voor. Artikel 1: Begrippen Dit artikel geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot. Artikel 2: Wijze van meten Het tweede artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Er is in dit bestemmingsplan uitsluitend sprake van eindbestemmingen, op basis waarvan een omgevingsvergunning voor bouwen kan worden verleend. Per artikel wordt aangegeven voor welk gebruik de gronden zijn bestemd in de bestemmingsomschrijving en wat er mag worden gebouwd, in de bouwregels. Vervolgens zijn in sommige gevallen afwijkingsmogelijkheden gegeven van de bouwregels. In sommige artikelen worden specifieke gebruiksregels gegeven, waar de functies zoals genoemd in de bestemmingsomschrijving nader worden bepaald. Ook Pagina 28 van 52
Juridische planbeschrijving
hier kan in sommige gevallen weer vanaf worden afgeweken, wat onder het lid ‘afwijken van de gebruiksregels’ is bepaald. Hieronder zijn de bestemmingsregels per artikel toegelicht. Artikel 3: Groen De hoofdgroenstructuur is als ‘Groen’ bestemd. Met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet binnen deze bestemming worden gebouwd. Wegen en straten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’. Artikel 4: Verkeer De hoofdverkeerstructuur in het plangebied is als ‘Verkeer’ bestemd. Op deze gronden mogen alleen gebouwen ten behoeve van wegen en openbare nutsvoorzieningen gebouwd worden. Artikel 5: Water De hoofdwaterstructuur binnen plangebied heeft de bestemming Water. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor waterlopen en waterhuishouding. Tevens zijn groenvoorzieningen binnen de bestemming mogelijk. Artikel 6: Wonen Er is gekozen voor een flexibele planregeling binnen de woonbestemming. De exacte locaties en begrenzingen voor bebouwing binnen de bestemming liggen niet vast. Dit biedt de mogelijkheid om de definitieve bouwplannen binnen de geboden ruimte aan te passen, waar dit nodig is. Hoofdgebouwen dienen te worden gerealiseerd binnen het bouwvlak. Op de gronden met de bestemming Wonen zijn rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen toegestaan.
De maximale bouwhoogte bedraagt 11 meter, de maximale goothoogte 6 meter. Het maximum aantal woningen per bestemmingsvlak is op de verbeelding weergegeven. Naast het wonen, zijn de gronden met deze bestemming bedoeld voor wegen en straten, parkeren, water en groen. In de woningen is het mogelijk om naast de woonfunctie, een beroep of bedrijf aan huis uit te oefenen. De regels hiervoor zijn in de specifieke gebruiksregels in hetzelfde artikel opgenomen. Naast de hoofdgebouwen zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) in het achtererfgebied toegestaan met uitzondering van de gronden met de specifieke bouwaanduiding ‘geen bijbehorende bouwwerken’. Deze uitsluiting voor bijbehorende bouwwerken is opgenomen uit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit. Ter plaatse van de rijwoningen mag wel een aangebouwde berging van maximaal 11 m² gerealiseerd worden aan de voorzijde van de woning. Artikel 7: Waarde – Archeologie In de dubbelbestemming Waarde – Archeologie zijn regels opgenomen ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in de ondergrond. Hoofdstuk 3 Algemene regels Deze artikelen bevatten algemene regels die op de bestemmingen van toepassing zijn. De diverse artikelen zullen hieronder kort worden toegelicht.
Artikel 8: Antidubbeltelregel Op grond van de anti-dubbeltelregel is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Artikel 9: Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning voor bouwen uitsluitend verleend kan worden als in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Artikel 10: Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is aangegeven welk gebruik in ieder geval in strijd is met het bestemmingsplan. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is geborgd dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Pagina 29 van 52
Juridische planbeschrijving
Artikel 11: Algemene afwijkingsregels Deze bepaling geeft de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels ten aanzien van geringe overschrijdingen. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht. Artikel 12: Overgangsregels Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik. Artikel 13: Slotregel Dit artikel geeft de naam van het bestemmingsplan aan.
5.4
Handhaafbaarheid
Een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan is dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar dienen te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de in het plan opgenomen regels. Ten behoeve van een goede handhaving van de regels zijn de volgende factoren van belang: Voldoende kenbaarheid geven aan het plan; Voldoende draagvlak voor het beleid en de regelgeving in het plan; Inzichtelijke en realistische regeling; Handhavingsbeleid.
Pagina 30 van 52
Financiële uitvoerbaarheid
6
Financiële uitvoerbaarheid
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. De maatschappelijke aspecten worden in hoofdstuk 7 toegelicht. In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij het onderhavige plan als bouwplan kan worden aangemerkt. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de ontwikkelaar van het plan. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. De gemeente Hollands Kroon heeft met de ontwikkelaar van het plan, BPD, een exploitatieovereenkomst gesloten. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.
Pagina 31 van 52
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Participatie en vooroverleg
Omwonenden en andere belanghebbenden zijn op 18 maart geïnformeerd over het plan. Tijdens deze digitale bijeenkomst is het plan gepresenteerd en is de gelegenheid geboden om vragen te stellen aan de ontwikkelaar, adviseurs en de gemeente. Na de bijeenkomst is de presentatie en een verslag naar de avond naar de aanwezigen gestuurd. In het verslag zijn de gestelde vragen van reactie voorzien. Ingevolge artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), dienen burgemeester en wethouders overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In verband hiermee wordt het ontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan verschillende instanties. In dit kader is het plan voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) en de provincie Noord-Holland.
7.2
Procedure
Het ontwerpbestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij door een ieder zienswijzen bij de gemeenteraad kunnen worden ingediend. De zienswijzen worden vervolgens bij de besluitvorming in het kader van de vaststelling door de gemeenteraad betrokken. Na een beroepstermijn van zes weken treedt het bestemmingsplan in werking, tenzij conform artikel 8.4 Wro een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat het bestemmingsplan de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk maakt, is de Crisisen Herstelwet van toepassing.
Pagina 32 van 52
REGELS
REGELS
Pagina 33 van 52
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 1.1
Begrippen
plan
het bestemmingsplan ‘Elshof Zuid fase 4’ van de gemeente Hollands Kroon. 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1911.BPElshofZuidfase4-on01 met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aan huis verbonden beroep of bedrijf
een in bijlage 1 genoemd dienstverlenend beroep of bedrijf, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.4
aanbouw
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7
afhankelijke woonruimte
woonruimte die een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is; 1.8
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9
bebouwingspercentage
een in het plan aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouw- dan wel bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.10
bed & breakfast
een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als aan de woonfunctie ondergeschikte toeristisch recreatieve activiteit. Onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid;
Pagina 34 van 52
Hoofdstuk 1
1.11
Inleidende regels
bedrijf
een onderneming waarin doorgaans met economisch oogmerk goederen worden vervaardigd, bewerkt, verwerkt en/of opgeslagen; 1.12
beroeps- c.q. bedrijfsoppervlakte
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.13
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.14
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; 1.16
bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.17
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, als mede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.18
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.19
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.20
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel. 1.21
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.22
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.22
dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.23
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
Pagina 35 van 52
Hoofdstuk 1
1.24
Inleidende regels
druiplijn
de horizontale snijlijn van het oplopende dakvlak met het daaronder gelegen buitenwerkse gevelvlak; dit betekent dat in voorkomende gevallen de druiplijn wordt bepaald overeenkomstig het hieronder staande:
1.25
erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.26
gebouw
elk gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is 1.27
hoofdgebouw
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is 1.28
horeca
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf, waaronder een bed & breakfast, discotheek, feestzaal en partyboerderij. 1.29
kampeermiddel
een mobiel en/of demontabel kampeermiddel en/of vast kampeermiddel dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.30
ondergeschikte detailhandel
detailhandelsactiviteiten die aan te merken zijn als rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van een niet-detailhandelsbedrijf en daaraan in bedrijfseconomisch en ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn. 1.31
onderkomens
voor verblijf geschikte – al dan niet aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken – voertuigen, vaartuigen, arken, toercaravans, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken, alsook tenten;
Pagina 36 van 52
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
1.32 overkapping elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand. 1.33
peil
1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij aanvang van de bouw; 3. indien op het water wordt gebouwd: Het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil). 1.34
permanente bewoning
bewoning van een verblijf als hoofdverblijf; 1.35
uitbouw
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.36
voorgevel
de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt. 1.37
wonen
bewonen van een woning door één afzonderlijke huishouding; 1.38
woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming, al dan niet noodzakelijk is.
Pagina 37 van 52
Hoofdstuk 1
Artikel 2
Inleidende regels
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. De goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald door de hoogte van de goot aan de lage zijde van het dak. 2.2
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.3
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. De bouwhoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald door de hoogte van de hoge zijde van het dak. 2.4
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.5
de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.6
de horizontale diepte van een gebouw:
de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd. 2.7
de oppervlakte van een overkapping:
tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. 2.8
meten:
bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de (digitale) verbeelding
Pagina 38 van 52
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 3.1
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen, bermen, beplanting en plantsoenen; b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’ voor wegen en straten; c. paden; d. speelvoorzieningen; e. nutsvoorzieningen; f. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; g. bruggen en andere kunstwerken ten behoeve van het kruisen van water. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 6 meter mag bedragen.
Pagina 39 van 52
Hoofdstuk 2
Artikel 4 4.1
Bestemmingsregels
Verkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen en woonstraten; b. voet- en fietspaden; met de daarbij behorende: c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. speelvoorzieningen; f. openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; g. water; h. bruggen en andere kunstwerken ten behoeve van het kruisen van water. 4.2
Bouwregels
4.2.1 Algemeen Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van wegen en openbare nutsvoorzieningen gelden de volgende regels: a. de inhoud per gebouw mag niet meer bedragen dan 50 m³; b. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 3 meter. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer bedragen dan 2,5 meter.
Pagina 40 van 52
Hoofdstuk 2
Artikel 5 5.1
Bestemmingsregels
Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. waterberging; b. waterhuishouding; c. waterlopen en waterwegen; d. keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen, dammen en steigers. met de daarbij behorende: e. oeverstroken en kaden; f. bruggen, dammen en duikers 5.2
Bouwregels
5.2.1
Algemeen
In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. 5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van een brug bedraagt maximaal 3 meter, gemeten vanaf de onderkant van de brug; b. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 5 meter. 5.2.3 Specifieke gebruiksregels Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden als ligplaats voor woonschepen; b. het gebruiken en of laten gebruiken van gronden als standplaats voor kampeermiddelen; c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen.
Pagina 41 van 52
Hoofdstuk 2
Artikel 6
6.1
Bestemmingsregels
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met: 1. aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, mits: niet meer dan 1/3 van het totale oppervlak van de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 75 m², voor de uitoefening van het aan-huisverbonden beroep of bedrijf wordt gebruikt; alleen activiteiten worden uitgevoerd die niet meldingplichtig zijn in het kader van de milieuwetgeving en die genoemd zijn in bijlage 1 bij deze regels, dan wel naar aard en invloed daarmee gelijk te stellen zijn; geen overwegende hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu; geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen noodzakelijk maken; er geen reclame-uitingen groter dan 0,5 m² bij of aan de woning worden geplaatst, met een maximum aantal van 1, onder de voorwaarde dat deze niet verlicht mag zijn; degene die het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf uitoefent, tevens de gebruiker van de woning is; er geen activiteiten ten aanzien van een horecabedrijf of een seksinrichting worden uitgeoefend; er geen detailhandel plaatsvindt, anders dan onderschikte detailhandel; er geen buitenopslag ten behoeve van het
aan-huis-verbonden beroep of bedrijf plaatsvindt; 2. het hobbymatig gebruik voor bed & breakfast voor maximaal 4 personen, met dien verstande dat: deze functie uitsluitend in de bestaande woning en/of de bestaande bijbehorende bouwwerken mag worden uitgeoefend; er geen eigen kookgelegenheid is toegestaan; permanente bewoning niet is toegestaan; geen overwegende hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu; geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen noodzakelijk maken; het parkeren op eigen erf plaatsvindt; met de daarbij behorende: b. tuinen, erven en terreinen; c. wegen en paden; d. groenvoorzieningen; e. openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; f. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. water. 6.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 6.2.1
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
Pagina 42 van 52
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
b. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen en rijwoningen; c. het maximum aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is weergegeven; d. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 6 meter; e. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 11 meter; f. de maximale oppervlakte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 120 m2. 6.2.2
Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding ‘geen bijbehorende bouwwerken’. b. bijbehorende bouwwerken dienen op ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd; c. in afwijking van het bepaalde onder b, mag 1 uitbouw vóór de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels: 1. de diepte van de uitbouw mag ten hoogste 1,5 m bedragen; 2. de breedte van de uitbouw mag ten hoogste 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw bedragen; 3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd; d. in afwijking van het bepaalde onder b. mag bij rijwoningen per hoofdgebouw 1 aangebouwd bijgebouw vóór de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd met een maximale oppervlakte van maximaal 11 m²; e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan de op grond van het bepaalde in lid 6.2.1 onder f toegelaten maximale oppervlakte van het hoofdgebouw, vermeerderd met: 1. 70 m² bij rijenwoningen, niet zijnde halfvrijstaande woningen; 2.
70 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen kleiner dan 500 m² 3. 100 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 500 m²; 4. 125 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 750 m²; 5. 150 m² bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen op bouwpercelen groter dan 1000 m²; f. het bebouwingspercentage op een bouwperceel mag ten hoogste 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bedragen; g. de goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen mag ten hoogste 3 m bedragen dan wel de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd, voor zover het aan- en uitbouwen betreft, dan wel niet meer dan de bestaande goothoogte van aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen indien deze meer bedraagt; h. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen mag ten hoogste 3 m bedragen; i. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 6 m bedragen, waarbij de bouwhoogte in ieder geval 1 m lager is dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw; j. een dakoverstek mag ten hoogste 0,5 m bedragen; k. ondergronds bouwen is niet toegestaan. 6.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevels van gebouwen mag niet meer bedragen dan 1 meter; b. de bouwhoogte van overige erf- en perceelsafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 6 meter; d. bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn niet toegestaan ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding ‘geen bijbehorende bouwwerken’, met uitzondering van een vlonder. Pagina 43 van 52
Hoofdstuk 2
6.3
Bestemmingsregels
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld; de milieusituatie; het uitzicht van woningen; de verkeersveiligheid; de woonsituatie, afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.2 lid e en toestaan dat naast de in artikel 6.2 lid e genoemde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken een tijdelijke (al dan niet aangebouwde) mantelzorgwoning wordt gerealiseerd, mits: 1. dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg. Om deze noodzaak aan te tonen, is een indicering van een onafhankelijke indicatieorganisatie nodig; 2. de oppervlakte van de tijdelijke (al dan niet aangebouwde) mantelzorgwoning maximaal 70 m² bedraagt; 3. het in artikel artikel 6.2.2 lid f genoemde bebouwingspercentage in acht wordt genomen; 4. het parkeren op eigen erf plaatsvindt; 5. binnen 6 maanden na beëindiging van de mantelzorg de tijdelijke (al dan niet aangebouwde) mantelzorgwoning is verwijderd. 6.4
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, in strijd met de woonfunctie, wordt in ieder geval aangemerkt: a. het gebruik van een woning voor recreatieve bewoning, met uitzondering van bestaande recreatieve bewoning; b. het gebruik van een bijbehorend bouwwerk voor zelfstandige bewoning; c. het gebruik van een bijbehorend bouwwerk als afhankelijke woonruimte. 6.5
Afwijken van de specifieke gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld; de milieusituatie; het uitzicht van woningen; de verkeersveiligheid; de woonsituatie, afwijken van het bepaalde in artikel 6.4 lid c en toestaan dat een bijbehorend bouwwerk tijdelijk als afhankelijke woonruimte wordt gebruikt, mits: a. dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg. Om deze aan te tonen, is een indicering van een onafhankelijke indicatieorganisatie nodig; b. de oppervlakte van de afhankelijke woonruimte maximaal 70 m² bedraagt; c. het parkeren op het eigen erf plaatsvindt; d. binnen 6 maanden na beëindiging van de mantelzorg het gebruik als afhankelijke woonruimte ongedaan wordt gemaakt.
Pagina 44 van 52
Hoofdstuk 2
Artikel 7 7.1
Bestemmingsregels
Waarde – Archeologie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. 7.2
Bouwregels
In afwijking van het bepaalde in de aangegeven andere bestemmingen mogen in of op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met niet meer dan 50 m² wordt uitgebreid; b. bouwwerken ter vervanging van bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met meer dan 50 m² wordt uitgebreid, maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld; c. bouwwerken met een oppervlakte van 50 m² of minder; d. bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 50 m² maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 0,50 m onder het maaiveld. 7.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2, mits: a. is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; b. is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel; c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten onevenredig kunnen worden verstoord; 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2.
een verplichting tot het doen van opgravingen; 3. een verplichting het bouwen te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. d. Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen te beslissen, vragen Burgemeester en wethouders advies aan een ter zake kundig bureau. Bij een negatief advies wordt de vergunning niet verleend, dan nadat van Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar is ontvangen. 7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden op of in de in lid 7.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren indien de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden betrekking hebben op een gebied met een oppervlakte groter dan 50 m² en een aanleg dieper dan 50 cm: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe ook worden gerekend ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen, mengen; 2. het aanbrengen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; 3.
het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, (tele)- communicatie, en/of andere leidingen en drainage en de daarmee verband houdende constructies; 4. het aanleggen, verbreden, verruimen van sloten, vijvers en overige waterpartijen; 5. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; 6. het indrijven van voorwerpen in de bodem. b. Het verbod als bedoeld in lid 7.4, sub a, is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die: 1. die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, waaronder begrepen het vervangen van drainagewerken; 2. die reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
Pagina 45 van 52
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
3. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. c. Een vergunning als bedoeld in lid 7.4, sub a, wordt slechts verleend, mits: 1. is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; 2. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, dan wel; 3. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden onevenredig kunnen worden verstoord: een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; een verplichting tot het doen van opgravingen; een verplichting het bouwen te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. g. Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden te beslissen, vragen Burgemeester en wethouders advies aan een ter zake kundig bureau. Bij een negatief advies wordt de vergunning niet verleend, dan nadat van Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.
7.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen in die zin dat aan de gronden de bestemming 'Waarde - Archeologie' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
Pagina 46 van 52
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 8
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Pagina 47 van 52
Hoofdstuk 3
Artikel 9
9.1
Algemene regels
Algemene bouwregels
Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, dakoverstekken, funderingen, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt en de oppervlakte niet meer dan 6 m²; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt. 9.2
Parkeren
9.2.1 Parkeervoorzieningen Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de Nota Parkeernormen 2020. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de gewijzigde regels. 9.2.2 Laden en lossen Indien sprake is van een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende mate in ruimte voor het laden of lossen van goederen is voorzien. Of sprake is van voldoende ruimte voor het laden en lossen van goederen wordt bepaald aan de hand van de normen, zoals opgenomen in het ASVV 2012 (uitgave van het CROW), met inbegrip van eventuele wijzigingen van het ASVV gedurende de planperiode. 9.2.3 Afwijkingsbevoegdheid a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2.1 indien: 1. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2.
op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien; 3. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd; onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse. b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2.2 indien: 1. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. op andere geschikte wijze in de nodige laad- en losvoorzieningen wordt voorzien; onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse.
Pagina 48 van 52
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 10 Algemene gebruiksregels 10.1
Parkeren
10.1.1 Parkeervoorzieningen Een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van de functie van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de Nota Parkeernormen 2020. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de gewijzigde regels. 10.1.2 Laden en lossen Indien sprake is van een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van de functie van een bouwwerk slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende mate in ruimte voor het laden of lossen van goederen is voorzien. Of sprake is van voldoende ruimte voor het laden en lossen van goederen wordt bepaald aan de hand van de normen, zoals opgenomen in het ASVV 2012 (uitgave van het CROW), met inbegrip van eventuele wijzigingen van het ASVV gedurende de planperiode. 10.1.3 Afwijkingsbevoegdheid a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.1.1 indien: 1.
het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien; 3. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd; onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse. b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.1.2 indien: 1. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of 2. op andere geschikte wijze in de nodige laad- en losvoorzieningen wordt voorzien; onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse. 10.1.4 Strijdig gebruik Tot een gebruik in strijd met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruiken dan wel laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij de parkeergelegenheid die is vereist en aangelegd op grond van artikel 10.1 niet in stand wordt gelaten.
Pagina 49 van 52
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels 11.1
Maten en bouwgrenzen
Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van Hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
Pagina 50 van 52
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht
12.1
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Pagina 51 van 52
Artikel 13
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Elshof Zuid fase 4.
Pagina 52 van 52
B i j l a g e L i j s t
1 :
v a n
a a n - h u i s - v e r b o n d e n b e r o e p e n
e n
b e d r i j v e n
Lijst
van
aanvaardbare
vormen
van
aan -huis-verbonden
beroepen
en
bedrijven. Aan-huis-verbonden beroepen
Aan-huis-verbonden
bedrijven Accountant
Lijstenmaker
Belastingconsulent
Ateliers voor kunst
Psycholoog
Schoorsteenveger
Lesgevend beroep
Glazenwasser
Hypotheekadviseur
Schoonmaker
Juridisch adviseur
Kapsalon
Assurantiebemiddelaar
Pedicure
Verloskundige
Manicure
Logopedist
Horlogemaker
Gerechtsdeurwaarder
Fietsenmaker
Diëtiste
Timmerman
Organisatieadviseur
Fotograaf
Homeopaat
Pottenbakker
Paragnost
Reisbureau (kleinschalig)
Architect
Hoedenmaker
Tekenbureau
Naaister
Grafisch ontwerper
Nagelstudio
Kunstschilder
Autorijschool
Beeldhouwer
Metselaar
Therapeut
Stukadoor
Raadgevend ingenieur
Loodgieter
Makelaar
Elektricien
Huisarts
Koeriersdienst
Tandarts
Schilder
Dierenarts
Schoonheidsspecialist
Notaris
Bloemschikker
Advocaat
Computerservice
Orthodontist
TV/radio reparateur
Acupuncturist
Web design
Fysiotherapeut
Binderij
Redacteur
Vervaardigen van sierraden
Tolk
Webwinkel (zonder toonbankfunctie)
Tuinarchitect Deze lijst is niet limitatief. Voor beide categorieën geldt dan wel een naar de aard daarmee gelijk te stellen beroeps-/bedrijfsmatige activiteit, dat, met behoud van de woonfunctie (zie toetsingscriteria) kan worden uitgeoefend in een hoofdgebouw en/of een bijbehorend bouwwerk bestemd voor woondoeleinden.