1. Wieringerwerf Campus de Terp (ontwerp) - toelichting.pdf
Tekst van het document
Omdat voor het merendeel van de bebouwing binnen de strook tussen de A7 en de Terpstraat / Terpweg dan nog steeds sprake is van een geluidbelasting hoger dan 53 dB, is onderzocht wat het effect van maatregelen in de overdracht is.
32
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
De gemeente heeft er voor gekozen om een nieuw geluidsscherm te realiseren. Het nieuwe geluidscherm maakt deel uit van het geluidplan bij Wieringerwerf van gemeente Hollands Kroon, opgesteld door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Hierover vindt reeds overleg plaats met Rijkswaterstaat. Op 28 mei 2021 heeft Rijkswaterstaat aangegeven, mits voldaan kan worden aan de voorwaarden, in te kunnen stemmen met het realiseren van een geluidsscherm . Dit wordt momenteel verder uigewerkt. Ontwikkeling gemeentelijke wegen (paragraaf 5.1) Uit het onderzoek met betrekking tot gemeentelijke wegen komt de volgende conclusie. Door het realiseren van een scholencluster aan De Terp zal er meer verkeer in de richting van De Terp gegenereerd worden. Het effect daarvan op de geluidbelasting varieert van 0,6 dB tot maximaal 1,1 dB. De toename is voor een deel toe te kennen aan de autonome groei (circa 0,4 dB). Gesteld kan worden dat er sprake is van verwaarloosbare toename van de geluidbelasting en daarmee als niet-significant is aan te merken. Vanuit akoestisch oogpunt is er geen belemmering voor het verplaatsen van de basisscholen naar De Terp. Conclusie Met het realiseren van een geluidsscherm wordt het bestemmingsplan niet belemmerd vanuit het aspect geluid.
4.6
Luchtkwaliteit
Het plan dient te voldoen aan regels voor luchtkwaliteit. Aangetoond moet worden dat er geen normen worden overschreden. Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De eerste verlenging liep tot en met 31 december 2016. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft het NSL voor een tweede maal verlengd, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Besluit tweede verlenging NSL is per 1 januari 2017 in werking getreden. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. PM10 en PM2,5 hangen overigens sterk samen. De fractie PM2,5 is onderdeel van het PM10 . Wanneer de luchtkwaliteit aan de PM10 normen voldoet wordt ook aan de PM2,5 normen voldaan. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor NO2 of PM10 bijdragen, wat overeenkomt met 1,2 ìg/m3 (Grenswaarde in 2018 is 1.610 auto's dan wel 130 vrachtwagens per weekdagetmaal).
33
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
Op basis van de parkeerbehoefte is de verkeersgeneratie berekend. In de ochtendspits zijn er richting De Terp 13 verplaatsingen door het personeel en 165 verplaatsingen als gevolg van het brengen van de leerlingen. Deze laatste groep verlaat het gebied ook weer tijdens de ochtendspits. Tijdens de middagspits geldt hetzelfde. In totaal is er sprake van 356 mvt/etm. Aan de Badweg bevindt zich op dit moment Zwembad De Terp. Deze functie blijft in de toekomst behouden. Nabij het zwembad zijn de drie scholen gepland. Naast de komst van drie scholen moet de nieuwe locatie ook ruimte gaan bieden aan andere functies. Het gaat onder meer om de volgende functies: Kinderdagverblijf Peuterspeelzaal Buitenschoolse opvang Deze functies hebben logischerwijs verkeersbewegingen tot gevolg. In paragraaf 4.9 is ingegaan op de verkeersaspecten samenhangend met nieuwe functies in het plangebied besproken. Een significante verandering in het aantal verkeersbewegingen van en naar de in het plangebied door de herstructurering van deze functies is niet te verwachten. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat de nieuwe functies leiden tot een extra verkeersgeneratie van meer dan 1610 voertuigbewegingen.
Aangezien het een beperkt inbreidingsplan omvat, kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip “niet in betekende mate” valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit. Daarnaast blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van het RIVM dat de luchtkwaliteit ter plaatse goed is; er worden geen grenswaarden overschreden (PM10, PM2,5 of NO2). Uitvoering van voorliggend bestemmingsplan wordt niet door de wettelijke eisen wat betreft luchtkwaliteit belemmerd. Conclusie Dit bestemmingsplan wordt niet door wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd.
4.7
Water
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen waarin is aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate er gevolgen zijn voor de waterhuishouding. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Er worden gesprekken gevoerd met het HHNK over de wateraspecten die van belang zijn bij dit planvoornemen. Op basis van de uitkomsten van deze gesprekken zal te zijner tijd de benodigde watertoes worden doorlopen. Vooralsnog wordt er van uitgegaan dat er sprake is van een afname van verhard oppervlak. Conclusie Op basis van het voorgaande wordt de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet belemmerd door het aspect water.
34
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
4.8
Hinder van bedrijven
Bedrijven of andere milieubelastende bedrijvigheid in de directe omgeving van woningen of andere milieugevoelige gebieden kunnen daar (milieu)hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van voldoende afstand tussen bedrijven en woningen noodzakelijk. Er dient te worden aangetoond dat het planvoornemen geen belemmering vormt voor nabijgelegen functies. Om te bepalen of aan dat criterium kan worden voldaan heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) uitgegeven. Daarin zijn richtafstanden opgenomen per bedrijfscategorie. Wanneer de afstand tussen een bedrijf en een gevoelig object groter of gelijk is aan de richtafstand die bij de betreffende bedrijfscategorie hoort, is dat een goede aanwijzing dat er geen sprake is van onevenredige bedrijfshinder. De publicatie van de VNG is niet bindend maar is enkel een hulpmiddel. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.
Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. In de genoemde VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk of rustig buitengebied’ wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, et cetera). Onderzoek Het planvoornemen maakt een campus mogelijk in het plangebied. Campus de Terp moet een ontmoetingsplaats worden voor jong en oud en biedt plaats aan scholen, kinderopvang, welzijn, zwem-, binnen-, en buitensporten. De bedoeling is om een nieuw kindcentrum, zwembad, sporthal, buitenvoorzieningen en kleinschalige horeca in de vorm van een paviljoen te realiseren.
Al deze functies zijn in te delen in milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter (in alle gevallen voor het aspect geluid). De sportvelden en ijsbaan zijn in te delen in milieucategorie 3.1 (veldsportcomplex met verlichting), met een richtafstand van 50 m (eveneens op basis van geluid). Tussen de verschillende functies op de campus kan sprake zijn van functionele en technische binding zoals voor de bebouwing aan de zuidzijde voor zwembad, sporthal en school. Gezien de onderlinge samenhang van deze onderdelen van de campus kunnen ze gezien worden als één inrichting (zoals bedoeld in de Wet milieubeheer) en is er dan geen sprake is van aan te houden onderlinge hinderafstanden. Aan de genoemde richtafstand van 30 of 50 meter kan bij de inpassing van functies worden voldaan. De functies nabij De Terp, waaronder de locatie voor de school liggen op meer dan 100 meter vanaf omliggende woonbebouwing. Voor het overige wordt de bestaande situatie in dit plan geactualiseerd. Aan de andere kant zullen de activiteiten op de omliggende bedrijventerreinen niet worden belemmerd. Activiteiten op het terrein aan de oostzijde zijn beperkt tot milieucategorie 2 en op de Stek is milieuzonering opgenomen voor de woning op de gemeentewerf. Naar aanleiding van bovenstaande kan worden gesteld dat de functies in het plangebied zodanig in het
35
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
plangebied zijn gelegen dat enerzijds de omgeving hiervan geen onaanvaardbare (geluid)hinder ondervindt of in activiteiten wordt belemmerd en anderzijds een voldoende woon- en leefklimaat kan worden geborgd voor hindergevoelige functies in het plangebied. Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt het planvoornemen niet door het aspect bedrijfshinder belemmerd.
4.9
Verkeersaspecten
Verkeerseffecten Voor iedere ruimtelijke ontwikkeling geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). Specifiek voor de verkeersaspecten van de herstructurering is het ‘Verkeersplan Wieringerwerf’ (Bijlage 10) opgesteld. Dit Verkeersplan geeft een helder overzicht en vormt de basis voor een optimale balans tussen verkeersveilig, leefbaar en bereikbaar Wieringerwerf. Vervolgens zijn verkeerskundige maatregelen met elkaar vergeleken. Hiermee is een basis gelegd voor een goede, veilige verkeersafwikkeling in Wieringerwerf in de toekomst. In 2018 is de Verkeersnotitie Wieringerwerf (Bijlage 11) opgesteld. In deze notitie is beschreven welke verkeerseffecten de diverse toekomstige ontwikkelingen hebben. Uit de beoordeling kan geconcludeerd worden dat de toekomstige ontwikkelingen voor veranderingen zorgen in de verkeersstromen in Wieringerwerf, zowel in intensiteiten als in routes. Uit capaciteitsberekeningen per kruispunt en het dynamisch verkeersmodel blijkt dat de verkeersafwikkeling op alle kruispunten ook in de toekomst goed blijft.
Op piekmomenten kunnen soms wachtrijen ontstaan bij een kruispunt, maar die wachtrijen lossen weer snel op. Als ontsluiting van het nieuwe scholencluster bij De Terp voldoet de bestaande route via de Badweg en de Terpweg. Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid is het gewenst om het kruispunt Badweg-Terpweg te voorzien van een middeneiland. Aanvullend is het wenselijk om een tweede ontsluiting van De Terp te realiseren aan de zijde van de Dorsmolen. In het ‘Verkeersplan Wieringerwerf’ is opgenomen dat bij de wegen in en om het centrum van Wieringerwerf aandacht moet zijn voor een veilig en prettig verblijfsklimaat. Door alleen een ontsluiting van De Terp te maken aan de Terpweg, gaat veel extra verkeer gebruik maken van de Terpstraat, Professor Granpré Molièrestraat en Dokter Tamsmalaan. Dit gaat ten koste van de leefbaarheid en veiligheid in deze straten. Overeenkomstig het advies wordt een tweede ontsluiting gerealiseerd aan de Dorpsmolen zodat er een goede spreiding van de verkeersstromen ontstaat. Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen belemmeringen. Parkeren Omdat het plangebied nog geheel moet worden ontwikkeld en er voldoende ruimte is voor de ontwikkeling, kan rekening worden gehouden met de geldende parkeernormen.
Er is dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat er een tekort aan parkeerruimte zou ontstaan als gevolg van de in het plan te generen parkeerbehoefte. Bij de realisatie van de campus worden de benodigde parkeerplaatsen gerealiseerd waarbij 60 parkeerplaatsen overigens alleen beschikbaar moeten zijn op de momenten dat de leerlingen naar school gebracht worden en weer opgehaald worden. Het planvoornemen voorziet in het realiseren van 150 parkeerplaatsen. Alle benodigde parkeerplaatsen kunnen op eigen terrein worden gerealiseerd.
36
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
Conclusie Vanuit het aspect verkeersaspecten is het bestemmingsplan uitvoerbaar.
4.10 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een plan-m.e.r. is een in de Wet milieubeheer (Wm) vastgelegde procedure waarmee voor de m.e.r.-(beoordelings)plichtige onderdelen van een ruimtelijk plan de milieugevolgen op basis van een zekere bandbreedte worden beoordeeld. Op die manier krijgt milieu een volwaardige rol in de afweging van belangen. De drempelwaarden waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Op het planvoornemen is de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkeling, D11.2 uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., van toepassing. D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Deze drempelwaarde wordt met de ontwikkeling uit dit bestemmingsplan niet overschreden. Conform het gewijzigde Besluit m.e.r. dient voor activiteiten die wel in de D-lijst zijn opgenomen, maar niet aan de daar genoemde drempelwaarden voldoen, een toets aan 'Bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten' te worden uitgevoerd, een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Aard, omvang en ligging zijn begrippen die bij deze beoordeling centraal staan. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet in de meeste gevallen worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie (artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r.). Dit is niet het geval wanneer het bevoegd gezag tevens degene is die de activiteit onderneemt. In onderstaande tabel worden de mogelijke milieueffecten behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit en de plaats van de activiteit. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Hierbij wordt gekeken of er mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen ontstaan en of er mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen. Criteria
Beschrijving van mogelijke effecten
Hoofdthema 1: Kenmerken van het project De omvang van het project.
Het plangebied is circa 21 hectare groot en voorziet in de bouw van een kindcentrum, zwembad, sporthal, en kleinschalige horeca in de vorm van een paviljoen te realiseren. Het project blijft ver onder de drempelwaarde van 100 hectare en 2.000 woningen.
De cumulatie met andere projecten.
Geen
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
Voor de bouw worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal (beton, hout, grond).
De productie van afvalstoffen.
Enkel relevant tijdens de bouw
37
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
Verontreiniging en hinder.
Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouw- en sloopwerkzaamheden. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn echter niet aan de orde, hetgeen blijkt uit de natuurtoets en de uitgevoerde Aerius-berekening. Ten aanzien van de toekomstige gebruiksfase kan op basis van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken worden geconcludeerd dat er geen onevenredige verontreiniging en hinder zullen optreden. Zie voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk
Het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering.
Binnen en nabij het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen waarvan de plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied over het plangebied gesitueerd is. Daarnaast is geen sprake van transportroutes met vervoer van gevaarlijke stoffen die van invloed zijn op het plangebied. Met het planvoornemen worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.
Hoofdthema 2: Plaats van het project Het bestaande grondgebruik
Park, groen en maatschappelijke functies.
Relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied.
Door middel van flora- en faunaonderzoek is beoordeeld of sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied. Met inachtneming van de zorgplicht kan het plan worden uitgevoerd zonder significant negatieve effecten op de flora en fauna.
Hoofdthema 3: Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografische De potentiële negatieve effecten zijn beperkt en uitsluitend lokaal van zone en grootte van de getroffen aard. Daarnaast is een tijdelijk effect gedurende de aanlegfase bevolking) mogelijk. Gelet op de aard van de omgeving, waarbij gevoelige, waardevolle en woongebieden niet binnen het bereik van de potentiële effecten gelegen zijn, is het bereik van het potentiële effect zeer beperkt te noemen. Het grensoverschrijdende karakter Geen van het effect. De waarschijnlijkheid van het effect.
Van onevenredige negatieve effecten voor de omgeving is geen sprake
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
De bouwfase levert tijdelijke effecten op. Na de bouwfase verdwijnen deze effecten. In de gebruiksfase treedt een permanent effect op ten aanzien van verkeer. De effecten van verkeer op de luchtkwaliteit en geluid zijn beperkt.
Gezien de te verwachten effecten kan worden geconcludeerd dat het gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldigheid waarmee het plan kan worden ingepast en gerealiseerd, is uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen met zich mee zal brengen voor het milieu. Omdat er geen sprake is van relevante effecten, zijn er geen redenen gezien die het doorlopen van een m.e.r.- procedure zinvol maken. Nadere analyse in een MER/m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
38
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Toelichting op het juridische systeem
In de voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke en functionele situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de bestemmingen (de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden) toegelicht en wordt aangegeven hoe de uitgangspunten hun juridische vertaling in het eigenlijke plan hebben gekregen. De bepalingen die betrekking hebben op de te onderscheiden bestemmingen zijn vastgelegd in de regels en op de verbeelding. Het bestemmingsplan geeft aan voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal raadpleegbaar bestemmingsplan. Het digitale plan verschaft de burger 'online' informatie over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale plannen zijn per 01-01-2010 verplicht op grond van de Wro. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend.
Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is de digitale versie bepalend qua vormgeving en inhoud.
5.2
Bestemmingsplanprocedure
In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Voorbereidingsfase De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro haar voornemen (vaak als een concept- dan wel voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ingekomen reacties worden voor zover noodzakelijk verwerkt in de regels en verbeelding. Daarnaast kan een voorontwerpplan in de inspraak worden gebracht om belangstellenden de mogelijkheid te bieden om op het plan te reageren. Hiervoor is in geval van voorliggend plan niet gekozen. Terinzageleggingsfase Het ontwerpbestemmingsplan wordt na aankondiging in de Staatscourant, huis-aan-huis en de website www.officielebekendmakingen.nl voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend. Vaststellingsfase Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast.
Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Dit gebeurd als volgt: Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad
39
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Belanghebbenden zijn diegenen die tegen het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze hebben ingediend en diegenen die hebben aangetoond in redelijkheid niet in de mogelijkheid zijn geweest om een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Indien geen beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan is ingediend, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.
5.3
Regels
De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken: 1.
2.
3.
4.
In de Inleidende regels zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. In de Bestemmingsregels zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. In paragraaf 5.2.2 volgt in het kort een nadere toelichting op de bestemmingen. In de Algemene regels staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene bouw- en gebruiksregels. De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen voor enige flexibiliteit van het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht, zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. Tenslotte bevat het bestemmingsplan nog Overgangs- en slotregels. Dit betreft artikelen onder het overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken en gebruik en de slotregel.
Hoofdstuk 1: Inleidende regels BEGRIPPEN In dit artikel worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Een deel van deze begrippen is voorgeschreven in de SVBP2012. WIJZE VAN METEN De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is voor een belangrijk deel voorgeschreven in de SVBP2012. Deze regels zijn overgenomen in artikel 2 van dit bestemmingsplan. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In deze paragraaf zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welke gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitbepalingen opgenomen. De toekenning van bestemmingen tot een bepaald perceel is gebaseerd op het gewenste gebruik en een verantwoorde inpassing.
40
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
BESTEMMING MAATSCHAPPELIJK De bestemming "Maatschappelijk" is een ruim opgestelde regeling waarbinnen de realisatie van campus de Terp mogelijk wordt gemaakt. De bedoeling is om een nieuw kindcentrum, zwembad, sporthal, buitenvoorzieningen en kleinschalige horeca in de vorm van een paviljoen te realiseren. Verder wordt voorzien in de eigen energiewinning en -opslag. Gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Op de verbeelding is een maximaal bebouwingspercentage opgenomen. De sporthal moet ter plaatse van de aanduiding 'sporthal' worden gebouwd. De maximale bouwhoogte bedraagt 16 meter boven maaiveld. Om een negatieve invloed op de in het plangebied aanwezige vleermuizen te voorkomen (zie paragraaf 4.3.1) is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is aangegeven dat het gebruik vande in de bestemmingsomschrijving genoemde bouwwerken en voorzieningen uitsluitend is toegstaan indien de lichtmasten langs en in de nabijheid van waterpartijen blijvend worden voorzien van strooilicht beperkende armaturen. BESTEMMING VERKEER De straten en wegen rondom het plangebied zijn bestemd als 'Verkeer'. Deze bestemming sluit aan op de verkeersbestemming in het bestemmingsplan Wieringerwerf. Hoofdstuk 3: Algemene regels Hoofdstuk 3 van de bestemmingsregels omvatten de algemene regels.
De algemene regels gelden in het algemeen voor het gehele bestemmingsplan en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden altijd in een apart hoofdstuk opgenomen. ARTIKEL 5 - ANTI-DUBBELTELREGEL De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan. ARTIKEL 6 - ALGEMENE BOUWREGELS In de algemene bouwregels is de regeling parkeren van het bestemmingsplan opgenomen. ARTIKEL 7 - ALGEMENE GEBRUIKSREGELS In de algemene gebruiksregels is geregeld welk gebruik in ieder geval tot strijdig gebruik met de in het plan opgenomen bestemmingen wordt gerekend. ARTIKEL 8 - ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels ARTIKEL 9 EN 10: OVERGANGSRECHT EN SLOTREGELS Overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012 zijn de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen van de regels opgenomen.
41
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
42
bestemmingsplan Wieringerwerf Campus De Terp
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeente Hollands Kroon is zelf opdrachtgever voor voorliggend bestemmingsplan en er is een samenwerkingsovereenkomst tussen gemeente en de exploitanten/gebruikers kindcentrum en het sportcomplex met zwembad om de kosten te dekken. Daarnaast heeft de gemeente de benodigde kredieten beschikbaar gesteld. Dit brengt met zich mee dat de kosten zijn gedekt en de vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven. Op basis van deze overwegingen mag het plan economisch uitvoerbaar worden geacht. Dit betekent dat de uitvoering van het voorliggende plan niet door een onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan wordt voor overleg aangeboden aan de reguliere bestuurlijke overlegpartners. Te zijner tijd worden binnengekomen reacties in deze paragraaf vermeld en zo nodig in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt
43