1. toelichting TAM IMRO Wieringerwaardweg 1
Tekst van het document
Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat er een verbetering plaatsvindt ten opzichte van de huidige situatie, omdat de nieuwe woning verder van het agrarische bedrijf komt te staan, waardoor er een verbetering voor de gezondheid plaatsvindt. Gewasbeschermingsmiddelen Op omliggende agrarische percelen kan gebruik gemaakt worden van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Voor het waarborgen van een effectief en veilig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gelden tal van (wettelijke) regels, deze zijn voornamelijk gericht op het beschermen van (oppervlakte)water, consumenten, agrariërs en hun werknemers. Beleidsmatig is er ook steeds meer aandacht voor omwonenden en (niet-beroepsmatige) passanten. Deze groepen worden echter (nog) niet expliciet beschermd via de wetgeving. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag mensen verblijven of samenkomen. Een woning met tuin wordt als zodanig aangemerkt. Het telen van bollen kent vanuit de VNG-publicatie geen specifieke richtafstanden voor milieuzonering. Wel bestaat jurisprudentie waarin qua richtafstand wordt aangesloten op de richtafstand voor het telen van fruit. De 50 meter afstand is een afstand die in jurisprudentie niet onredelijk geacht wordt.2 Dit neemt niet
2
Onder andere de uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1698
Pagina 26 van 40
weg dat de raad een kortere afstand in een bepaalde situatie toereikend kan achten om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. De toekomstige locatie van de woning wordt omringd door agrarische percelen, met uitzondering van de oostelijke zijde. Deze omringende percelen zijn in eigendom van (familie van) de initiatiefnemer. Zij zijn reeds op de hoogte gebracht van mogelijke maatregelen die getroffen moeten worden met betrekking tot gewasbeschermingsmiddelen en gaan hiermee akkoord. 4.7.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Geluid 4.8.1 Wettelijk kader Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. De instructieregels uit artikel 5.74 en 5.75 Bkl richten zich op het toelaten van windturbines of windparken voor het opwekken van elektriciteit op een locatie via een omgevingsplan, omgevingsplanactiviteit of projectbesluit. Ook voorzien ze in het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een windturbine of windpark die al bestaan. 4.8.2 Toetsing wegverkeerslawaai Met de realisatie van de nieuwe woning wordt er een geluidsgevoelig gebouw verplaatst. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidsbron op een geluidsgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort.
In de omgeving van de planlocatie liggen de Wieringerwaardweg (doodlopende eigen weg), Waardweg (60 km/u), Waardpolderhoofdweg (60 km/u) en de Nieuwesluizerweg (80 km/u). Om te bepalen wat het effect is van wegverkeerslawaai op de gevels van de nieuwe woning, is akoestisch onderzoek uitgevoerd door M+P raadgevende ingenieurs B.V. De volledige rapportage is als bijlage II bij de toelichting opgenomen. Uit het uitgevoerde onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woning ten hoogste Lden= 49 dB bedraagt en daarmee voldoet aan de standaardwaarde (L den = 53 dB) voor het wegverkeerslawaai van gemeentelijke wegen bij nieuw te bouwen woningen. 4.8.3 Conclusie wegverkeerslawaai Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8.4 Toetsing lawaai door windturbines In 2016 is door Bosch & van Rijn een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het windpark Waardpolder, waarbij de geluidsemissie van de windturbines ter plaatse van nabijgelegen geluidsgevoelige bestemmingen is getoetst. De volledige rapportage is als bijlage III bij de toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat bij alle woningen van derden voldaan wordt aan de Lnight-geluidsnorm en Ldengeluidsnorm. Voor de Wieringerwaardweg 1 en 2 zijn licht hogere geluidsniveaus berekend ten opzichte van de grenswaarden.
Deze woningen hebben een functie in het kader van het beheer en onderhoud van het windpark. Door de verplaatsing van de woning komt deze buiten de Lden = 47 dB contour te staan en zal de geluidsbelasting op de woning van de windturbines afnemen (Figuur 18).
Pagina 27 van 40
Figuur 18 | Jaargemiddelde geluidsbelasting bij woningen rondom windpark Waardpolder, met de locatie van de nieuwe woning bij de blauwe stip (Bron: Windpark Waardpolder, akoestisch onderzoek – Bosch & van Rijn).
4.8.5 Conclusie lawaai door windturbines Het aspect lawaai door windturbines vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Luchtkwaliteit 4.9.1 Wettelijk kader Om schade aan de volksgezondheid te beperken, moet de kwaliteit van de lucht voldoen aan Europese normen. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging als als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. 2. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.
In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.9.2 Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een woning. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën die vallen onder NIBM zoals in artikel 5.54 Bkl. De realisatie van de nieuwe woning draagt daarom niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Desondanks is de NIBM-tool ingevuld. De NIBM-tool is ingevuld voor een gemiddelde verkeersgeneratie van een worstcase schatting van 9 voertuigbewegingen voor zowel de aanleg als de gebruiksfase (Figuur 19). Voor het jaar van planrealisatie is 2024 genomen en voor het aandeel van
Pagina 28 van 40
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022
vrachtverkeer is een klein percentage meegenomen, gezien tijdens de bouwwerkzaamheden aanen afrijdend verkeer nodig is voor o.a. materieel.
Jaar van planrealisatie
2024
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
9
Aandeel vrachtverkeer
1,0%
NO2 in μg/m
3
0,01
PM10 in μg/m
3
0,00
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 19 | Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit (Bron: GCN2022 NIBM-tool)
4.9.3 Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van dit plan.
4.10 Geur 4.10.1 Wettelijk kader De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: • Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. Conform artikel 5.92 lid 2 van het Bkl moet de geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vindt. Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan waarden, waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder geurgevoelige objecten.
De nieuwe woning dient aangemerkt te worden als geurgevoelig object in het kader van de beoordeling van het aspect geur. 4.10.2 Toetsing Aan de Wieringerwaardweg 2 ten westzuidwesten van de planlocatie is planologisch een agrarisch bedrijf3 met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering toegestaan. Op deze locatie worden in de huidige situatie dieren (koeien) gehouden. In het omgevingsplan van de gemeente Hollands Kroon zijn toetsingscriteria opgenomen voor het aspect geur. Artikel 22.103 van het Omgevingsplan toont dat de richtafstand vanaf de gevel van een dierenverblijf tot een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom 25 meter bedraagt. De richtafstand vanaf het emissiepunt van het dierenverblijf tot een geurgevoelige functie bedraagt 50 meter, zoals beschreven in Artikel 22.101. De definitie van een agrarisch bedrijf is een bedrijf in de vorm van een akkerbouwbedrijf, tuinbouwbedrijf of dierenhouderijbedrijf, dan wel in de vorm van een combinatie daarvan (NL.IMRO.1911.BPBG2006hz037-va01); 3
Pagina 29 van 40
Artikel 22.114 stelt dat het opslaan van vaste mest dient te voldoen aan een richtafstand van 50 meter tot het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom. De afstand van de gevel van de nieuwe geurgevoelige functie is ca. 50 meter, dus zal het bedrijf geen hinder veroorzaken voor de beoogde woning aan de Wieringerwaardweg 1. Op het terrein gelegen aan de Wieringerwaardweg 2 is geen mestopslag aanwezig, waardoor de richtafstanden uit Artikel 22.114 niet van toepassing zijn. Verder zijn er geen veehouderijen in de omgeving van de planlocatie gesitueerd. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de verbetering van de situatie ten opzichte van waar de huidige woning staat. De afstand van de woning tot het agrarisch bedrijf verdubbelt, dus er is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat. 4.10.3 Conclusie Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er is zelfs sprake van een verbetering op het aspect geur ten opzichte van de huidige locatie van de woning.
4.11 Bodem 4.11.1 Wettelijk kader Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in de planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. 4.11.2 Toetsing Ten behoeve van de bouw van de nieuwe woning op perceel ANA01-O-2829, heeft Prommenz Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage IV bij de toelichting opgenomen. Uit het verkennend bodemonderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: • De kleiige bovengrond is niet tot hooguit licht verontreinigd met kwik, molybdeen, DDD (som) en DDE (som); • De kleiige ondergrond is licht verontreinigd met kobalt, kwik, molybdeen, nikkel en DDE (som); • Het grondwater is ten hoogste licht verontreinigd met nikkel; • In de bovengrond zijn geen overschrijdingen van PFAS aangetroffen; • De resultaten vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek en eveneens geen belemmeringen voor de nieuwbouw.
4.11.3 Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12 Verkeer en parkeren 4.12.1 Wettelijk kader Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ook aangetoond worden dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast dienen er voldoende parkeerplaatsen voor de functies van de beoogde ontwikkeling aanwezig te zijn. De ‘Parkeerregels Hollands Kroon 2018’ hanteert de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Voor deze locatie is het gemiddelde kencijfer voor ‘Buitengebied’ en ‘niet stedelijk’ van toepassing. 4.12.2 Verkeer De projectlocatie is aan de zuidzijde ontsloten via de Wieringerwaardweg, een eigen doodlopende weg. De Wieringerwaardweg sluit aan op de Waardpolderhoofdweg, een doorgaande 60 km/u weg. Als gevolg van de nieuwe woning, is er geen sprake van een verandering in het aantal verkeersbewegingen, omdat de huidige woning gesloopt wordt. Het gebruik in de bestaande situatie en de nieuwe situatie kennen geen verschil in verkeersaantrekkende werking. Desondanks is er een berekening gemaakt op basis van het gemiddelde van de kengetallen uit de CROW-publicatie 381 (tabel 2). Tabel 2: Verkeersgeneratie huidig en toekomstig gebruik Woningtype Verkeersgeneratie per woning
Aantal
Totaal verkeersgeneratie
Pagina 30 van 40
Huidig gebruik Koop, huis, vrijstaand Toekomstig gebruik Koop, huis, vrijstaand
8,2
1
8,2
8,2
1
8,2
Op basis van bovenstaande gegevens worden er in totaal maximaal 9 verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag. Er is daarbij geen sprake van extra verkeersbewegingen per etmaal ten opzichte van de huidige situatie. De omliggende infrastructuur ondervindt dus geen hinder ten gevolge van de ontwikkeling. 4.12.3 Parkeren Ten behoeve van de borging van parkeernormen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen heeft de gemeente Hollands Kroon op 4 oktober 2018 het ‘Bestemmingsplan Parkeren en Wonen’ vastgesteld. Hierin is vastgelegd dat een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk slechts wordt verleend indien in, op, of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk hoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen in de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018'. Voor de parkeerregels zijn kengetallen uit de CROW-publicatie 381 gebruikt. Hieronder is de parkeerbehoefte conform de gemiddelde gemeentelijke normen opgenomen voor het plan (tabel 3). Tabel 3: Parkeerbehoefte huidig en toekomstig gebruik Woningtype Parkeernorm per woning Huidig gebruik Koop, huis, vrijstaand 2,4 Toekomstig gebruik Koop, huis, vrijstaand 2,4
Aantal
Totale parkeerbehoefte
1
2,4
1
2,4
Het parkeren ten behoeve van de woning is ingedeeld op eigen terrein. 4.12.4 Conclusie Vanuit verkeerskundige aspecten bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Met de realisatie van parkeerplekken op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeerruimte conform de gemeentelijke parkeernormen. Het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid op de planlocatie. Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.13 Omgevingsveiligheid 4.13.1 Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Paragrafen 5.1.2.2 t/m 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd; het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Het plaatsgebonden risico (PR) risico gaat over de persoonlijke veiligheid van de individuele burger. Dit is de overlijdenskans voor een persoon die op een bepaalde afstand van een inrichting of een transportroute permanent (onbeschermd) aanwezig is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans dat een groep, met een bepaalde grootte, het slachtoffer kan worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Er wordt hierbij getoetst aan de risicokaart, die gevaarlijke inrichtingen, transportroutes en leidingen weergeeft.
4.13.2 Toetsing In de omgeving van de planlocatie zijn een aantal risicovolle activiteiten en/ of functies aanwezig (Figuur 20). Ten zuidwesten van de planlocatie staan een aantal windturbines, maar de nieuwe woning komt niet binnen de PR 10-6 contour. De nieuwe woning komt zelfs verder van de PR 10-6 contour van de windturbines te staan dan in de huidige situatie. Langs de Nieuwesluizerweg ligt een buisleiding van GasUnie met een PR 10-8 contour. Daarnaast geldt er vanwege deze buisleiding ook een brandaandachtsgebied van ca. 140 meter om de buisleiding. De nieuwe woning valt buiten deze
Pagina 31 van 40
risicocontouren. In de nabije omgeving van de planlocatie zijn er geen transportroutes van gevaarlijke stoffen.
Figuur 20 | Uitsnede risicokaart met plangebied binnen de rode cirkel (Bron: Atlasleefomgeving)
4.13.3 Conclusie In de omgeving van de planlocatie ligt een buisleiding en staan een aantal windturbines. De nieuwe woning valt buiten de invloedsferen van deze risicovolle activiteiten/ functies, dus deze hoeven in het kader van omgevingsveiligheid niet beschouwd te worden. Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.14 Natuur 4.14.1 Wettelijk kader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld. Flora- en Fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als ‘activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit: in Nederland voor ruim 160 gebieden.
Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse
Pagina 32 van 40
vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; 4.14.2 Toetsing flora & fauna Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Smit Groenadvies B.V. een quickscan flora & fauna uitgevoerd ter plaatse van de huidige woning. De volledige rapportage is als bijlage V bij de toelichting opgenomen.
Uit de quickscan flora & fauna is het volgende gebleken: • Ter plaatse van de huidige woning zijn potentiële verblijfplaatsen aanwezig voor kleine en grote gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone- en ruige dwergvleermuis en de laatvlieger; • De huidige woning en direct aangrenzende omgeving is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels en voor vogels met jaarrond beschermde nesten als de huismus en (gier)zwaluw, maar vogels met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht; • Er dient rekening gehouden te worden met broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. De huidige woning bevat geschikt verblijf- en broedgebied voor vogels zonder jaarrond beschermde nesten. Nesten in de naastgelegen bomen worden mogelijk verstoord door trillingen, licht en/ of geluid als gevolg van de geplande werkzaamheden; • Er dient aanvullend onderzoek gedaan te worden naar kleine en grote gebouwbewonende vleermuizen volgende landelijk geldende protocollen. Aan de hand van het aanvullende onderzoek wordt bepaald of de werkzaamheden ontheffingsplichtig zijn; • Voor vogels zonder jaarrond beschermde nesten is het advies om werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren.
Als binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden door een ecologische deskundige gecontroleerd te worden of broedende vogels aanwezig zijn binnen de planlocatie; • De zorgplicht dient altijd in acht genomen te worden. Op basis van de uitkomsten van de quickscan is een aanvullend soortenonderzoek uitgevoerd naar de soorten zoals hierboven genoemd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage VI bij de toelichting. Ten behoeve van de sloop van de huidige woning is door Smit Groenadvies B.V. een quickscan flora & fauna uitgevoerd ter plaatse van de bestaande woning. De volledige rapportage is als bijlage VII bij de toelichting opgenomen. Uit de quickscan flora & fauna is het volgende gebleken: • De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten, omdat de te slopen woning over gaten (onder dakrand) en spleten (ventilatieroosters, rondom dakkapel, onder loodslab) beschikt welke kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. Aanvullend onderzoek is nodig. • In de omgeving van de projectlocatie zijn een aantal lijnvormige elementen aanwezig welke mogelijk dienen als foerageer- en vliegroute voor vleermuizen, zoals watergangen en boomlijnen.
Er zijn voldoende alternatieven aanwezig in de omgeving, waardoor de aanwezige vliegroutes en foerageergebieden als niet-essentieel worden beschouwd. • Mogelijk gebruiken vogels jaarrond beschermde nesten als rust- broed of foerageergebied waardoor negatief effect als gevolg van de werkzaamheden niet op voorhand valt uit te sluiten. Het slopen van het de bestaande woning leidt mogelijk tot het vernietigen van broedplaatsen. In de nabije omgeving zijn bomen gevonden die geschikt zijn als broedplaats. Indien aanwezig ondervinden vogels mogelijk verstoring door trillingen en geluid als gevolg van de werkzaamheden. Uit het aanvullend onderzoek is gebleken dat vleermuizen zijn vastgesteld bij de te slopen woning. Door de voorgenomen ontwikkeling gaan verblijfplaatsen verloren. Er is een ontheffing van de Wet natuurbescherming bij de omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN) verkregen. Alternatieve verblijfplaatsen zijn gerealiseerd. Daarnaast geldt ten allen tijde de zorgplicht.
Pagina 33 van 40
De locatie van de nieuwe woning wordt intensief gebruikt voor landbouw, en er zijn geen gebouwen aanwezig met dakranden, geen bomen of groenstructuren waar soorten gebruik van kunnen maken, dus kan aangenomen worden dat beschermde soorten geen gebruikmaken van de nieuwe locatie. 4.14.3 Toetsing stikstofdepositie De Natura 2000-gebieden zijn aangewezen voor de bescherming van enkele stikstofgevoelige habitats. Ontwikkelingen dragen mogelijk bij aan een toename van stikstofemissie en daarmee van extra stikstofdepositie op de stikstofgevoelige habitats. De gemeente Hollands Kroon heeft vuistregels met betrekking tot de berekening van stikstof vastgelegd. Ook wel de gebiedsgerichte aanpak genoemd. Hierbij wordt in een kaart (Figuur 21) weergegeven voor welke gebieden in principe geen stikstofberekening noodzakelijk is indien er maximaal 11 woningen gebouwd wonen, voor particulieren, uitgevoerd door een aannemer die werkt met STAGE-IV of nieuwer materieel.
Figuur 21 | Uitsnede ‘Stikstofdepositie woningbouw ODNHN’ (Bron: Stikstofdepositie woningbouw ODNHN)
4.14.4 Conclusie De ontwikkeling betreft een enkele woning die gerealiseerd wordt door particulieren. De aannemer werkt enkel met STAGE-IV of nieuwer materieel: een stikstofberekening niet benodigd. Daarnaast vormt het aspect flora & fauna vanuit zowel gebieds- als soortenbescherming geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Door de bosschages met de verkeersbestemming een groenbestemming te geven worden de aanwezige natuurwaarden beschermd.
4.15 Weging van het waterbelang 4.15.1 Wettelijk kader In de waterparagraaf komen de relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in de planlocatie. De planlocatie ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer in de planlocatie. Tevens is het hoogheemraadschap in het kader van het vooroverleg betrokken bij het tot stand komen van ruimtelijke plannen. 4.15.2 Toetsing Ten behoeve van het wijzigen van het omgevingsplan is het HHNK geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). Op basis van de ingevoerde gegevens wordt geconcludeerd dat de korte procedure doorlopen dient te worden. Er kan worden volstaan met een standaard wateradvies van het waterschap zoals hieronder aangegeven. De watertoets is opgenomen als bijlage VII bij de toelichting.
Pagina 34 van 40
Toename verharding Er is slechts in zeer beperkte mate sprake van een toename in bebouwing en/ of verharding binnen de planlocatie. De toename in verharding heeft een beperkt effect op de waterhuishoudkundige situatie, dus hoeven er geen compenserende maatregelen getroffen te worden. 4.15.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.16 Ontplofbare oorlogsresten 4.16.1 Wettelijk kader Als gevolg van de oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog zijn er in ons land ontplofbare oorlogsresten (OO) achtergebleven. Om diverse redenen (bijvoorbeeld veiligheid en gebiedsontwikkeling) kan de noodzaak ontstaan om deze OO op te sporen en te ruimen. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden de mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving. De gemeente Hollands Kroon heeft geen beleidskaart OO, daarom is de ruimingskaart van BeoBOM geraadpleegd (Figuur 22).
Figuur 22 | Uitsnede ruimingskaart in de omgeving van het plangebied (Bron: BeoBOM ruimingskaart)
4.16.2 Toetsing Ter plaatse van de Wieringerwaardweg 1 zijn er geen ruimingen bekend, slechts een ruiming aan de Nieuwesluizerweg 35a (Figuur 22). Er is geen onderzoek bekend bij de Vereniging voor Explosieven Opsporing (VEO) ter plaatse van het plangebied. Bij grondroerende werkzaamheden dient de algemene zorgplicht ten aanzien van veiligheid en gezondheid in acht genomen te worden. 4.16.3 Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. Initiatiefnemer dient wel ten alle tijden de algemene zorgplicht in acht te nemen.
4.17 Trillingen 4.17.1 Wettelijk kader Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald
Pagina 35 van 40
voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en artikel 5.87 Bkl. 4.17.2 Toetsing Er zijn in de omgeving van de planlocatie geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken, zoals spoorlijnen. Er wordt verondersteld dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. 4.17.3 Conclusie Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Pagina 36 van 40
5.1
Economische uitvoerbaarheid
5.1.1 Financieel economische haalbaarheid In deze toelichting is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het ‘Omgevingsplan gemeente Hollands Kroon’ een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Op basis hiervan kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. 5.1.2 Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. Dit betekent dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. De gemeente heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Het kostenverhaal is hiermee gedekt.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. 5.2.1 Participatie Ten behoeve van de planvorming aan de Wieringerwaardweg 1 is initiatiefnemer langsgeweest bij de bewoners van de Wieringerwaardweg 2 en de Wieringerwaardweg 6 om het plan toe te lichten. De bewoners hebben akkoord gegeven op het plan middels een handtekening onder het opgestelde participatieformulier van initiatiefnemer. Deze formulieren zijn toegevoegd als bijlage VIII. 5.2.2 Zienswijzen Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit wordt op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerpbesluit bij de gemeenteraad naar voren brengen. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van dit wijzigingsbesluit.
Pagina 37 van 40
6.1
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
6.2
Conclusie
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In hoofdstukken 3 en 4 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven. In paragraaf 5.2 wordt beschreven op welke wijze het TAM-omgevingsplan is opgesteld.
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het slopen van een verouderde woning en het realiseren van een nieuwe woning op grotere afstand van het tegenover de huidige woning gelegen bedrijf. De bosschages met de verkeersbestemming ten oosten van de toekomstige woning krijgen een groenbestemming om uitbreiding van de Waardpolderweg te voorkomen. Door de sloop van de verouderde bebouwing en het realiseren van een nieuw woning met de kenmerken van een jaren ’20 woning, wordt de ruimtelijke kwaliteit in het gebied verhoogd. De nieuwe functie past bij de aard van het gebied waar al een mix van woningen en agrarische bedrijvigheid aanwezig is. De impact van de beoogde ontwikkeling op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Pagina 38 van 40
Bijlage I – Tekeningen Bijlage II – Geluidonderzoek verkeerlawaai Bijlage III – Geluidonderzoek windturbines Bijlage IV – Bodemonderzoek Bijlage V – Quickscan Flora & Fauna Bijlage VI – Aanvullend onderzoek vleermuizen Bijlage VII – Watertoets Bijlage VIII – Participatieformulieren
Harmenkaag 11 1741 LA SCHAGEN 0224 – 299346 info@prommenz.nl www.prommenz.nl