1 Toelichting en regels.pdf
Tekst van het document
Gegeven de interesse is gekeken welke percelen aanvullend kunnen worden benut voor plaatsing van grote datacenters. Op het bedrijventerrein Venster-West kan een datacenter zich al vestigen, maar de ruimte daarvoor is beperkt. Middels dit bestemmingsplan wordt het ruimtelijk kader geschapen waarmee een groot datacenter zich aldaar optimaal kan vestigen. 4.3 Locatiekeuze Het voornemen is om in het plangebied ruimte te bieden voor de bouw van datacenters. Daarbij spelen de volgende vestigingsfactoren een rol: • Datacenters zijn grootverbruikers van energie. Op de locatie is al een unieke energieinfrastructuur beschikbaar voor de grootschalige glastuinbouw en duurzame energieopwekking waarop een datacenter goed kan aansluiten. De leveringszekerheid van energie voor datacenters is op meerdere manieren te borgen. • De locatie is met glasvezel verbindingen aangesloten op een van de belangrijkste internetknooppunten de Amsterdam Internet Exchange. Op de locatie is glasvezel infrastructuur al beschikbaar. • De ruimte en verkavelingsstructuur op de locatie is zeer geschikt voor grotere datacenters die een bouwvlak van 20 (of meer) hectare oppervlak vragen. • De betreffende percelen kunnen na bestemmen relatief snel bouwrijp worden ingericht voor de gefaseerde realisatie van een groter datacenter. Voor de bouwfase zijn basisvoorzieningen al aanwezig.
• De plaatsing van datacenters is een impuls voor één van de doelstellingen voor de locatieontwikkeling en wel de aansporing door gemeente en regio om ook hightech bedrijvigheid aan te trekken. • Datacenters kunnen op de locatie Agriport A7 restwarmte en CO2-uitwisselen met bestaande grootschalige glastuinbouwbedrijven zodat verduurzaming van beide activiteiten een reële optie is. • De locatie ligt op relatief beperkte afstand van Amsterdam en de Randstad. Voor internationaal georiënteerde bedrijven is de nabijheid van één van de vier grootste luchthavens van Europa een belangrijke plus. De nabijheid van de Randstad en woonkernen in de regio betekent dat voor bouw en beheer van datacenters ook voldoende capaciteit en gekwalificeerd personeel beschikbaar is. • Agriport is een goede locatie voor de (glas)teelt van groenteproducten. Het gematigde klimaat is optimaal voor de teelt van diverse voedingsproducten ten opzichte van andere locaties in Nederland en Europa. Deze condities zijn ook zeer geschikt gebleken voor het realiseren van energie-efficiënte datacenters. • De locatie is zeer geschikt voor de inpassing van duurzame energie. De kop van NoordHolland is een gebied met veel wind. De zonintensiteit en het aantal zonne-uren zijn relatief hoog. De bodem onder de locatie is geschikt voor o.a. warmte-/koudeopslag, hoge temperatuur warmteopslag en aardwarmtewinning.
Op de locatie is dan ook vergunning verleend voor dit gebruik van de bodem en is een warmtenet al gerealiseerd. Daarnaast kan de zoetwatervoorziening voor functies als glastuinbouw en
26 (56)
datacenters op meerdere manieren worden geborgd met drink-, hemel-, grond- en oppervlaktewater. De geschiktheid van bovengenoemde factoren is al bevestigd door de komst van het eerste twee datacenters en de concrete interesse van internationale koplopers op het gebied van ICT dienstverlening. 4.4 Ruimtelijke en functionele structuur Voor realisatie van een datacenter is een aantal aspecten belangrijk. De locatie moet voldoende ruimte bieden om alle functies goed te kunnen plaatsen en de veiligheid van de opslag optimaal te borgen. Een datacenter moet een goede en betrouwbare elektriciteitsvoorziening hebben. Ook is een betrouwbare en snelle verbinding voor dataverkeer, middels een meervoudige glasvezelinfrastructuur, noodzakelijk. Daarnaast is het van belang dat de energie-efficiency zo hoog mogelijk kan zijn en dat dus ook de restwarmte kan worden hergebruikt. Deze aspecten zijn binnen Agriport A7 aanwezig. Hiervoor is vooral ondergrondse infrastructuur noodzakelijk en deze infrastructuur heeft geen effect op de landschappelijke inpassing. Een datacenter bestaat uit rechthoekige gebouwen voornamelijk gevuld met computers, waarop digitale informatie wordt opgeslagen en verwerkt.
Om te kunnen voorzien in elektriciteit zijn transformatievoorzieningen vereist; de elektriciteit die efficiënt op hoogspanning wordt getransporteerd via het landelijke moet worden omgezet in laagspanning voor de computers. Voor stroomstoringen worden back-up voorzieningen geplaatst in de vorm van batterijen en noodstroomgeneratoren. Voor het personeel, werkzaam op het datacenter, worden ontvangsten kantoorruimtes voorzien. Als er zich een datacenter vestigt op het terrein, dan zal deze naar verwachting kiezen voor een schaalbaar bedrijf. Dat betekent dat een bedrijf meerdere bouwfasen heeft en in zo’n bouwfase telkens panden plaatst met computers en de benodigde voorzieningen. Het is voor een datacenter van belang om een grote bedrijfszekerheid te garanderen. Veiligheid in het proces, maar ook op en rond het terrein, spelen daarbij een belangrijke rol. De bedrijven zullen daarom naar verwachting kiezen voor niet opvallende bebouwing met voldoende afstand tot de openbare weg. Voor bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken wordt een bouwhoogte van 15 meter aangehouden. Daar waar dit aanvaardbaar landschappelijk en ruimtelijk ordeningstechnisch kan worden ingepast kan hiervan binnen de kaders van het plan worden afgeweken. Deze opzet sluit aan bij de opzet van het bestaande bedrijventerrein Venster-West.
Op het dak van gebouwen kunnen technische installaties geplaatst worden, zoals koelinstallaties en ventilatieschachten. Rond het datacenter kan, binnen de omkadering van de waterstructuur aanvullend een hekwerk worden geplaatst met een maximale hoogte van 2,5 meter (en onder voorwaarden 4 meter) als extra buffer om de beveiliging van gevoelige bedrijfsprocessen te borgen. 4.5 Landschappelijke inpassing De werklocatie Agriport ligt in de zuidoosthoek van de Wieringermeerpolder. Deze plek is aangewezen voor de werklocatie door de provincie Noord-Holland en de gemeente Hollands Kroon (voorheen gemeente Wieringermeer) in diverse ruimtelijke beleidsplannen. Zoals verwoord in hoofdstuk 3 is als logische uitbreiding van de werklocatie Agriport een uitbreiding beschreven in de ‘Omgevingsvisie Hollands Kroon’ in de richting waarin dit plan voorziet. Voor de werklocatie Agriport zijn diverse documenten opgesteld voor de landschappelijke inpassing van alle functies. Voor de eerste fase van de ontwikkeling en de uitbreidingslocatie Agriport 2 zijn beeldkwaliteitsplannen en welstandsnota’s opgesteld. Naar behoefte is dit aangevuld voor specifieke bouwplannen, bijvoorbeeld voor datacenters. Voor het opstellen van deze plannen is de ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie’ van provincie Noord-Holland gebruikt.
27 (56)
Door de gemeente is in december 2013 de Welstandsnota Hollands Kroon vastgesteld. Ook dit beleidskader is bij het opstellen gebruikt om voor dit plan met betrokkenen de landschappelijke inpassing te verkennen. Daarvoor is ook gekeken naar de beleving van het plan vanuit de omgeving en de ontstaansgeschiedenis en structuur van het bestaande landschap. Vertrekpunt bij het maken van eerdere plannen en de verkenning voor onderhavige ontwikkeling was bovenstaand kader en de laatste versie van de ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie’. De uitkomst van de verkenning is uitgewerkt in het ‘Beeldkwaliteitsplan Agriport A7 Deelgebied B1’ (hierna BKP). Voor een beschrijving van het beleidskader, de beoogde inpassing van een datacenter in deelgebied B1 en een impressie van het streefbeeld hiervoor wordt verwezen naar het BKP opgenomen in de bijlage. Op basis van dit BKP, en daarover ontvangen/verwerkte vooroverlegreacties van o.a. de ‘Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling’ (zie voor het advies van de commissie de website van provincie Noord-Holland), zijn belangrijke elementen voor de inpassing (zoals de aan te houden afstanden, bouwhoogtes e.d.) geborgd in onderhavig bestemmingsplan (in de planregels, bijlage 2 van de planregels en de verbeelding). Gemeente zal een bouwvergunningsaanvraag voor datacenters daarmee toetsen aan o.a.
deze regels, waarin dus de belangrijke elementen voor de inpassing, die volgen uit het BKP, zijn opgenomen.
28 (56)
5
Milieu- en omgevingsaspecten
5.1 Algemeen De gevolgen voor het milieu en de omgeving zijn een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dat verband moet bij de afweging over de uitvoerbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen worden onderzocht welke milieu- en omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Dit hoofdstuk beschrijft per milieu- en omgevingsaspect wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn. Er is daarbij rekening gehouden met een gefaseerde ontwikkeling en mitigerende maatregelen om hinder voor mens en milieu te beperken. Beschikbare onderzoeken In het kader van de ontwikkeling van de locatie Agriport 2 is een groot aantal milieu- en omgevingsaspecten al getoetst in de reeds doorlopen procedures. Voor het bestaande bedrijventerrein Venster West is de ’MER Agriport A7’ opgesteld5. Voor de ontwikkeling van de uitbreidingslocatie Agriport 2 is de ‘MER Uitbreiding Agriport A7’ opgesteld6. In deze laatste MER is het deelgebied ten westen van de rijksweg A7 binnen de uitbreidingslocatie Agriport 2 opgenomen als deelgebied B. De omvang van deelgebied B is tevens aangegeven in figuur 2 van deze plantoelichting. In 2007/2008 is voor onder andere de aspecten water, bodem en archeologie voor percelen binnen deelgebied B onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is o.a.
uitgevoerd omdat delen van deelgebied B kunnen worden benut voor de waterhuishouding voor ontwikkeling van de werklocatie ten oosten van de rijksweg A7. Bij de voorbereiding van onderhavig plan is bovengenoemd onderzoek waar nodig geactualiseerd. Gelijktijdig met de actualisatie is tevens het gebruik van deelgebied B voor nieuwe functies, specifiek de functie datacenter, beoordeeld. Bij de voorbereiding van onderhavig plan was nog niet bekend welk deel van deelgebied B benut zou kunnen en moeten worden voor uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Venster West voor nieuwe functies zoals de vestiging van (grote) datacenters. Om deze redenen zijn ten behoeve van de milieueffectrapportage en de onderbouwing van het bestemmingsplan een aantal milieu- en omgevingsaspecten beoordeeld voor een gefaseerde ontwikkeling van heel deelgebied B (waar nodig in samenhang met milieu- en omgevingsaspecten van de bestaande locatie). Bij de gefaseerde ontwikkeling was als eerste stap aangenomen een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Venster West met het aanliggende perceel, deelgebied B1 voor grote datacenters. Zover relevant zijn in de onderzoeken de effecten per ontwikkelingsfase beschreven.
Deze beoordelingswijze is aangehouden en beschreven in de onderzoeken opgenomen in de bijlagen voor de milieu- en omgevingsaspecten; aardkundige waarden en archeologie, natuur, bodem en ondergrond, water en klimaatadaptie, landbouw, luchtkwaliteit, externe veiligheid en lichthinder. Voor de milieu- en omgevingsaspecten geluid, verkeer en vervoer en de overige omgevingsaspecten zijn de onderzoeken gericht op ontwikkeling van alleen deelgebied B1 als uitbreiding van het aangrenzende bedrijventerrein Venster West voor datacenters. Uitgangspunten Uitgangspunten voor de beoordelingen zijn dat wordt verwacht dat circa 4-5 FTE per ha (bruto) werkgelegenheid wordt gecreëerd op een datacenter. Parkeerruimte, wegen voor ontsluiting, onderhoud en toezicht alsmede accommodatie voor personeel zijn onderdeel van het datacenter. Bij een datacenter worden installaties geplaatst voor de (nood)stroom voorziening en voor koeling. De omvang van deze installaties is momenteel nog niet bepaald. In de beoordeling is uitgegaan van ‘worst-case’ maximale invulling van deze voorzieningen. Daarbij is aangenomen dat de binnen het ontwikkelingsgebied gelegen objecten onderdeel kunnen worden van het plan en is een fasering van het plan beschreven. Tevens zijn effecten voor enkele buiten het gebied gelegen objecten, zoals boerderijen en woningen, beschreven.
5 6
Zie o.a. https://www.commissiemer.nl/adviezen/1505 Zie o.a. https://www.commissiemer.nl/adviezen/2009
29 (56)
Voor een uitgebreide beschrijving van de relevante wetgeving en beleidskaders per aspect wordt verwezen naar de m.e.r. beoordelingsnotitie en de voor de thema’s opgestelde beoordelingen opgenomen in de bijlagen van de toelichting. In navolgende paragrafen wordt eerst ingegaan op het instrument milieueffectrapportage en milieuzonering. Daarna worden de resultaten van de beoordelingen van de verschillende milieuen omgevingsaspecten beschreven in relatie tot het voornemen waarvoor onderhavig plan is opgesteld. 5.2 Toetsing m.e.r.-plicht De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor dit plan is een ‘Aanmeldingsnotitie voor de m.e.r.beoordeling’ opgesteld. In de notitie is een beoordeling van de m.e.r.-plicht opgenomen. De aanmeldingsnotitie is opgesteld door de initiatiefnemer. Met de aanmeldingsnotitie vraagt de initiatiefnemer aan bevoegd gezag om te beoordelen of een milieueffectrapport opgesteld moet worden en levert zij voor dit besluit de benodigde informatie aan. Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan beslist de gemeente of voor het plan een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Deze stap is geregeld in de artikelen 7.17, 7.18 en 7.19 van de Wet milieubeheer.
Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing rekening met de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn ‘betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. In de Aanmeldingsnotitie is beschreven dat een m.e.r.-beoordeling voor het plan nodig is (categorie 11.3 van bijlage D Besluit m.e.r.). Voor de ontwikkeling is een m.e.r. beoordeling uitgevoerd, conform de inhoudelijke en procedurele formele vereisten voor een m.e.rbeoordelingsplichtig besluit over het bestemmingsplan. Er zijn geen andere bijzondere omstandigheden die de opstelling van een plan of project milieueffectrapport vereisen. In de notitie worden mogelijk gevolgen voor het milieu en mitigerende maatregelen beschreven. Er is geconcludeerd dat noch de locatie, noch de omgeving, noch de inrichting en gebruik van het plangebied voor datacenters, aanleiding geven om de (milieu-)effecten in een uitgebreide milieueffectrapportage af te wegen. De gemeente heeft beslist dat er geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. De procedure is wettelijk vastgelegd in paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm). Het besluit en de bijbehorende stukken worden gelijktijdig met (of voorafgaand aan) het ter visie leggen van het ontwerpwijzigingsplan ter inzage gelegd. De aanmeldingsnotitie voor de m.e.r.-beoordeling is opgenomen in de bijlagen bij deze plantoelichting.
5.3 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende activiteit het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Hollands Kroon de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBIcode gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie.
De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte
30 (56)
van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Dit omgevingstype is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een ander omgevingstype is 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies: direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Binnen gemengd gebied is het mogelijk om gemotiveerd voor één of meer milieuaspecten een kleinere afstand aan te houden dan wordt geadviseerd voor een rustige woonwijk. Een geadviseerde afstand van 30 meter kan dan bijvoorbeeld worden gecorrigeerd tot 10 meter en een geadviseerde afstand van 100 meter tot 50 meter. Uitzondering op het verlagen van de richtafstanden vormt het aspect gevaar: de richtafstand voor dit milieuaspect wordt niet verlaagd. Toepassing In de VNG-uitgave is een datacenter ingedeeld in milieucategorie 2 (SBI-code 72) met een richtafstand van 30 meter. Deze richtafstand is gebaseerd op de mogelijke geluidshinder en is een richtwaarde voor de afstand van datacenters tot woningen (in een rustige woonomgeving). In de VNG-uitgave is aangegeven dat een datacenter geen hinder geeft voor de aspecten stof en geur en er ook geen veiligheidsafstand hoeft te worden aangehouden tussen het datacenter en omliggende woningen.
Op het huidige bedrijventerrein Venster West, waarvan het noordelijke gedeelte deel zal uitmaken van het plangebied, zijn nu activiteiten tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan en kunnen, onder voorwaarden met betrekking tot de effecten, ook activiteiten met een milieucategorie 4.1 worden toegestaan. Op de nabijgelegen glastuinbouwlocatie zijn activiteiten toegestaan tot en met milieucategorie 4.1. Een groter datacenter kan specifieke kenmerken en vestigingseisen hebben die in de VNGuitgave niet zijn beschouwd. Op een groter datacenter zijn passende voorzieningen vereist voor de energievoorziening of koeling. Deze voorzieningen kunnen betekenen dat de richtafstand voor geluidshinder meer is dan 30 meter. De contour van de 50 dB(A) etmaalwaarde kan bij een groter datacenter op een afstand van circa 100-200 meter buiten de inrichtingsgrens liggen (afhankelijk van plaatsing geluidsbronnen en afscherming). In overeenstemming met de VNG systematiek geldt bij een dergelijke richtafstand milieucategorie 4.1 - 4.2 (voor woningen in een gemengd gebied). Voor onderhavige ontwikkeling kan uitgegaan worden van een gemengd gebied. Er is namelijk sprake van functiemenging en/of bestaande hinder van de rijksweg A7. Uit de VNG-uitgave blijkt dat ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan worden beschouwd als gemengd gebied.
Er is een beperkt aantal geluidgevoelige bestemmingen en objecten binnen een afstand van 300 meter van het plangebied (zie tevens m.e.r. beoordeling). Om het ontwikkelingsgebied zal een geluidszone worden bestemd met een breedte van circa 200-300 meter. Deze afstand sluit aan bij de richtafstand die aangehouden wordt voor geluidshinder bij een milieucategorie 4.2. Op deze wijze is in het plan voorzien dat de geluidhinder van activiteiten in het plangebied worden beperkt. Met deze ordening is geborgd dat voor deze aspecten er in principe geen belemmering is voor het gebruik van het plangebied voor datacenters.
31 (56)
5.4 Aardkundige waarden en archeologie Zoals in paragraaf 5.1. beschreven was in 2007/2008 als onderzoek uitgevoerd voor heel deelgebied B voor aardkundige waarden en archeologie. Dit onderzoek is uitgevoerd in kader van de MER Uitbreiding Agriport A7. De uitkomsten zijn verwerkt in het vigerende bestemmingsplan en de betreffende regels voor bescherming van deze waarden zijn onverkort overgenomen in onherhavig bestemmingsplan. Bij de voorbereiding van onderhavig bestemmingsplan is de actuele status voor dit aspect hieronder samengevat. De provincie Noord-Holland heeft een kaart vastgesteld, waarop gebieden zijn aangegeven met (mogelijk) aardkundige waarden. Deze informatie is momenteel opgenomen in een kaart behorende bij de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan ligt deels in een gebied dat door provincie is aangewezen als aardkundig waardevol gebied. Het betreft de kreeksystemen Wieringermeer-zuid en oost, bestaande uit een ingewikkeld patroon van inversiekreekruggen en kommen. De aardkundige waarde van het systeem is gewaardeerd. Soortgelijke systemen komen ook elders in Nederland voor en zijn matig zeldzaam. De vormen zijn tamelijk gaaf en matig kenmerkend. Er is genetische en ruimtelijke samenhang. De kreeksystemen hebben wetenschappelijke waarde.
Het afgraven of egaliseren van de kreekruggen leidt tot aantasting van de aardkundige waarde. De aardkundige waarde ligt in het zuidelijke gedeelte van deelgebied B waarvan het aangrenzende bedrijventerrein Venster West is bestemd voor nieuwe functies waaronder datacenters.
Figuur 6: Uitsnede kaart aardkundige waarden (bron: PRV Noord Holland). Met de rode contour is indicatief deelgebied B aangegeven.
32 (56)
Uit bureauonderzoek in 2008 bleek dat het uitbereidingsgebied Agriport 2 een zekere archeologische verwachtingswaarde heeft7. Ten behoeve van het opstellen van de vigerende bestemmingsplannen is destijds archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten zijn in deze bestemmingsplannen regels opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden. In onderhavig bestemmingsplan wordt hier op aangesloten. Voor realisatie van water of een datacenter zullen grondroerende activiteiten vereist zijn. De omvang en impact van deze werkzaamheden zijn thans nog niet bekend. Indien getoetst aan beleid van gemeente aanvullend inventariserend veldonderzoek vereist is zal dit conform het daarvoor opgestelde protocol8 uitgevoerd worden. Gegeven de archeologische verwachtingswaarde, gegeven dat sinds de start van de ontwikkeling Agriport bij uitgevoerde onderzoeken en werkzaamheden geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen, is er geen aanleiding te verwachten dat het aspect archeologie een belemmering zal vormen voor realisatie van datacenters in deelgebied B. Het bestemmingsplan voorziet in een juridische borging van de archeologische bescherming. 5.5 Bodem en ondergrond Relevant kader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt zijn voor de beoogde functie.
Toepassing De bodemkwaliteit voor de betreffende percelen is in kader van de ontwikkeling Agriport 2 in 2008 getoetst9. Gegeven de uitkomsten van dit onderzoek kon worden gesteld dat de bodemkwaliteit de realisatie van deelgebied B niet belemmerde. Sinds 2008 is het gebruik van deelgebied B voor agrarisch activiteiten niet gewijzigd. Voor de volledigheid is echter een actualisatie van het bodemonderzoek opgesteld (zie bijlagen). Gegeven de uitkomsten van de actualisatie kan worden gesteld dat de bodemkwaliteit de realisatie van deelgebied B niet belemmert. De activiteiten die worden toegestaan met dit plan vormen zelf ook geen risico voor de bodemkwaliteit. Speciale bodembeschermende voorzieningen zijn onder een datacenter niet vereist. Wel kunnen voor ondersteunende voorzieningen, zoals noodgeneratoren (met brandstofopslag) en koelinstallaties (met de opslag van conditioneringsmiddelen) bodem beschermende voorzieningen vereist zijn. Voor het oprichten van een datacenter zal in het kader van het Activiteitenbesluit en/of de omgevingsvergunning aandacht gegeven moeten worden aan deze aspecten (op basis van de Nederlandse Richtlijn Bodem), maar er is geen aanleiding te verwachten dat dit een beperking oplevert voor de realisatie van datacenters op de voorgestelde locatie.
Het gebruik van de bodem en ondergrond wordt voor functies op Agriport zoveel mogelijk integraal benaderd mede gericht op meervoudig duurzaam ruimtegebruik. Grondverzet voor realisatie van waterlopen wordt binnen een gesloten grondbalans gecombineerd met het realiseren van bouwrijpe kavels. Aardkundige waarden zijn naar verwachten gering van omvang (zoals scheepswrakresten) en hiervoor is een beschermingsregime van toepassing. Bermen van wegen vereist voor de verkeersveiligheid, worden ook gebruikt voor ondergrondse kabels en leidingen en zijn daarvoor soms verbreed. Op de locatie wordt de bodem gebruikt voor lage temperatuur warmte en koude opslag alsmede seizoensoverstijgende opslag van regenwater. Dit gebruik door bedrijven wordt verticaal en horizontaal middels een masterplan op elkaar afgestemd. De diepere ondergrond wordt dan weer gebruikt voor hoge temperatuur warmte Bron: Stichting Cultureel erfgoed Noord-Holland, “Bureauonderzoek naar de archeologische waarde van het plangebied Agriport A7 fase II”, 2008 8 Bron: Plan van Aanpak (verkennend) booronderzoek, 2009 9 Bodemonderzoek onderdeel MER Uitbreiding Agriport A7, zie tevens actualisatie onderzoek in de bijlagen van deze toelichting 7
33 (56)
opslag en tevens, op circa 2,3 km diepte, wordt aardwarmte gewonnen. Voor dit gebruik van de bodem zijn milieueffectrapportage procedures doorlopen en zijn vergunningen verleend. Voor onderhavig plan kan, indien dat gewenst of vereist is, gebruik gemaakt worden waarbij dan rekening is te houden met voorgezet gebruik van nabijgelegen akkerbouwgronden. Anderszins, indien een datacenter geen gebruik maakt van deze mogelijkheden belemmerd deze ontwikkeling het huidige gebruik van bodem en ondergrond in de omgeving van het ontwikkelingsgebied ook niet. 5.6
Water
Relevant kader De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument en omvat de gehele procedure van elkaar vroegtijdig informeren, adviseren, gezamenlijk afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten van zowel Rijk, provincies als gemeenten. De resultaten van de watertoets zijn opgenomen in deze waterparagraaf. Toepassing Voor de uitbreiding van de werklocatie Agriport A7 (Agriport 2) is in 2008 een watertoets procedure doorlopen10. Deelgebied B was integraal beoordeeld als onderdeel van het uitbreidingsgebied voor ondersteunende functies zoals waterberging. Voor aanpassingen van de waterhuishouding in deelgebied B is eveneens een waterhuishoudingsplan vastgesteld. Bij de voorbereiding van onderhavig plan is voor deelgebied B nogmaals een watertoetsprocedure doorlopen en een rapportage opgesteld (zie bijlagen). Naast actualisatie van de beoordeling voor gebruik van deelgebied B voor de functie waterberging is beoordeeld wat de gevolgen zijn voor de waterhuishouding als deelgebied B (gefaseerd) wordt ontwikkeld voor uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Venster-West.
Waterhuishouding Voor deelgebied B is rekening te houden met inpassing van waterberging voor de werklocatie en waterberging die vereist is voor uitbreiding van het bedrijventerrein. De uitgangspunten hiervoor en de uitkomsten van de beoordeling zijn beschreven in een zelfstandig leesbare watertoetsrapportage voor deelgebied B (zie bijlagen). Aan de oost- en westzijde van het plangebied worden bestaande sloten waar nodig verbreed zodat de af- en ontwatering van zowel de rijksweg A7 als de Cultuurweg wordt geborgd. Eveneens kan langs de rijksweg A7 aanvullende waterberging worden ingepast. Alle grote waterpartijen op de werklocatie Agriport worden gerealiseerd in combinatie met plas-dras oevers of droge berging waarmee tijdelijke waterberging langs oevers wordt gecombineerd met kansen voor de ontwikkeling van natuurwaarden, verbetering van de waterkwaliteit of meervoudig duurzaam ruimtegebruik. Droge berging wordt waar gewenst/mogelijk toegepast mede om te voorkomen dat grote waterpartijen vogels aantrekken die van negatieve invloed zouden kunnen zijn voor de bestaande akkerbouw in de omgeving (of een gevaar zou kunnen zijn voor verkeer op de rijksweg A7 of zou kunnen resulteren in meer aanrijdingsslachtoffers). Door voldoende watercompensatie te realiseren worden negatieve effecten voor de omgeving zoveel mogelijk voorkomen.
Grondwater en waterkwaliteit Het grondwater in deelgebied B is niet verontreinigd en, behoudens een zoet waterlens op maaiveldniveau, brak. De bodem onder de locatie kan worden gebruikt voor hemelwaterinfiltratie/berging en onttrekking van grondwater voor proceswater of voor opslag van warmte of koude. Voor dit gebruik is een masterplan opgesteld en een milieueffectrapportage procedure doorlopen. Op basis van dit kader kunnen vergunning voor dit bodemgebruik worden verstrekt. 10
Watertoets Agriport A7, fase 2, revisie 07, dd. 11 augustus 2008
34 (56)
Een datacenter zal normaal gesproken geen gebruik hoeven te maken van deze opties maar dit is wel mogelijk. Een datacenter zou bijvoorbeeld restwarmte in de zomer kunnen bufferen voor gebruik in de winter of water opslaan in de winter om te gebruiken voor koelen in de zomer. Voor de hele locatie Agriport is een grondwater monitoring netwerk gerealiseerd waarvan de resultaten in kader van de verleende vergunningen wordt gerapporteerd aan bevoegd gezag. Alleen aan de noordzijde van deelgebied B1 grenst het plangebied aan akkerbouwpercelen. Er is in de huidige situatie al een peilscheiding voorzien. En door de diepte van een nieuwe waterstructuur nabij deze grens te beperken en afstand te houden tot deze percelen worden materiele effecten op de grondwaterstand voorkomen en daarmee ook geen verdroging- of afwateringseffecten voor aanliggende akkerbouwpercelen verwacht. Bij de sanering van boerenerven voor nieuwe functies zullen, zover vereist, plaatselijke bodemen grondwaterverontreinigingen aangepakt worden en dit aspect heeft een licht positief effect op de grondwaterkwaliteit in het plangebied. Dat geldt eveneens als de bemesting in deelgebied B vervalt.
Verder is gebleken uit de monitoring door Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 11 dat de langjarige trend, in het betrokken poldervak, van verzoeting van grond- en oppervlaktewater nauwelijks beïnvloed wordt door de verharding. Anderszins is er door de verharding ook nog geen merkbare afname van de nutriëntenuitspoeling geconstateerd. Dat betekent dat anno 2019 de effecten voor het grondwater (nog steeds) als neutraal kunnen worden beoordeeld. Afvalwater en transport Uitgangspunt voor de inrichting van bedrijfsterrein is een 100% gescheiden rioolsysteem. Op het bestaande bedrijventerrein Venster-West is een aansluiting op de vuilwaterriolering beschikbaar. Deze voorzieningen zijn aangesloten op een centrale ontvangstput en doorvoerpompstation aangelegd aan de Oostlanderweg. Met dit pompstation wordt afvalwater van de hele werklocatie Agriport afgevoerd naar RWZI Wervershoof. De vuilwaterriolering van nieuwe functies op het bestaande bedrijventerrein Venster-West en de uitbreiding daarvan zullen worden aangesloten op deze infrastructuur. Het vuilwater van de functie datacenter is voornamelijk huishoudelijk afvalwater en de capaciteit is dusdanig gering dat dit met de bestaande infrastructuur kan worden afgevoerd. Afhankelijk van het type datacenter kan er ook koelwaterspui vrijkomen.
Indien dit een discontinue stroom op warme dagen van een luchtgekoeld datacenter betreft, is de kwantiteit en kwaliteit dusdanig dat in principe op oppervlaktewater kan worden geloosd. Indien het een watergekoeld datacenter en/of een datacenter met een eigen waterbereiding (om de inname van water te beperken) betreft, kan maatwerk vereist zijn om te bepalen of dit op oppervlaktewater kan worden geloosd dan wel nabehandeling vereist. Voor een dergelijke lozing zal een bedrijf een watervergunning moeten aanvragen. Schoon hemelwater en schoon proceswater (zoals condensaat van rookgasafvoeren) van een datacenter kan direct worden afgevoerd op het oppervlaktewater. Tevens kan licht verontreinigd hemelwater van bijvoorbeeld parkeerterrein of onderhoudswegen op een datacenter via de berm of via een olie/bezinkselafscheider worden afgevoerd op het oppervlaktewater. Er is daarmee geen negatief effect voor dit aspect te verwachten. Zodra de bestemmingsplan procedure voldoende gevorderd is, zal voor de waterhuishouding in het ontwikkelingsgebied een waterhuishoudingsplan worden opgesteld. In dit plan zal de te realiseren waterhuishouding worden uitgewerkt op basis van de watertoetsrapportage. Het plan zal voor aanvragen van de vereiste watervergunningen ter goedkeuring worden voorgelegd aan de waterbeheerder.
11
Zie http://hnk-water.nl.
35 (56)
5.7
Klimaatadaptatie
Relevant kader In 2008 was er voor de uitbreidingslocatie Agriport 2 nog geen kader voor het beoordelen van klimaatadaptatie. In de bepaling van de watercompensatie was bijvoorbeeld al wel een opslag aangehouden voor toename van de regenintensiteit tengevolge van klimaat ontwikkelingen. Ten aanzien van klimaat-/overstromingsrobuust ontwikkelen geldt momenteel dat in artikel 8a van de PRV Noord-Holland is bepaald dat bij voorbereiding van een bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden gehouden met de risico’s van en bij overstroming en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen of te beperken. Met het concept ‘meerlaagse waterveiligheid’ kan beoordeeld worden welke waterveiligheidsmaatregelen maatschappelijk aanvullend het meest effectief zijn op het gebied van 1. preventie, 2. ruimtelijke inrichting en/of 3. crisisbeheersing. Op deze wijze kan tevens invulling worden gegeven aan een beoordeling van het aspect waterveiligheid c.q. overstromingsrobuust inrichten voor een nieuwe ontwikkeling. Toepassing Voor toetsing van bovenstaand kader is een beoordeling opgesteld die is opgenomen in de bijlagen van de plantoelichting. De werklocatie Agriport A7 (inclusief het plangebied voor uitbreiding van de locatie) ligt in een lager gelegen deel van Nederland, de Wieringermeerpolder.
De keuze de werklocatie Agriport A7 te ontwikkelen in de zuidoosthoek van de Wieringermeerpolder is gemaakt samen met de regiopartners en provincie en is een gegeven. De locatie is aangewezen door Rijk, Provincie, regio en gemeente voor de functies agribusiness, logistiek, (duurzame) energie en grote datacenters. De contouren voor de werklocatie zijn aangeduid in o.a. de Omgevingsvisie van gemeente samen de uitbreidingsrichting van het bestaande bedrijventerrein Venster-West. De Nederlandse normen voor waterveiligheid zijn streng, de kans op overstroming is klein, maar niet geheel uit te sluiten. Dit geldt ook voor de waterkering rond de Wieringermeerpolder waarbij mede kan worden betrokken dat recent onderhoud aan deze kering is uitgevoerd en voldoet aan de normen. Het overstromingsrisico voor de Wieringermeerpolder, en daarmee de werklocatie Agriport A7, wordt in hoofdzaak bepaald door dijkring 12, specifiek normtraject 12-2, de dijk langs het IJsselmeer. Voor dit traject zal bij de beoogde uitbreiding van de werklocatie voor de vestiging van datacenters het slachtofferrisico niet materieel wijzigen gegeven o.a. de afstand van de werklocatie tot de IJsselmeerdijk, gegeven dat bij het stellen van normen het groepsrisico in de polder niet maatgevend is en anderszins met de werkgelegenheid op de werklocatie rekening is gehouden.
Eveneens is bij het stellen van de normen rekening gehouden met een voldoende ruime inschatting van de economische schade bij een overstroming in de dijkring en heeft de nieuwe ontwikkeling ook hierop geen materiele invloed. Er is om deze reden bij de voorziene uitbreiding van de werklocatie ook geen toename van het overstromingsrisico te verwachten met een materieel effect voor de gekozen normen. De werklocatie Agriport heeft zich kwalitatief bewezen voor de vestiging van grotere datacenters. Rijk, provincie, regio en gemeente ondersteunen de ontwikkeling. Juist op deze locatie is synergie mogelijk om de oorzaak van klimaatverandering te beperken. De versterking van de IJsselmeerdijk is in 2015 afgerond en bestand om de komende 50 jaar een voldoende hoog beschermingsniveau te bieden. In de bestemmingsplannen van gemeente Hollands Kroon zijn reserveringszones opgenomen, zodat mogelijk toekomstige aanpassing van de dijkring niet wordt belemmerd. Op basis van de nieuwe normen zal in de komende jaren gekeken worden welke aanvullende maatregelen en voorzieningen kunnen worden getroffen om het overstromingsrisico verder te voorkomen of te beperken. In meerdere studies zijn slimme maatregelen met beperkte kosten beschreven om het huidige beschermingsniveau te versterken. Agriport A7 levert bijdragen hieraan o.a.
door de medewerking aan een pilotproject voor de ontwikkeling van achteroevers. Voor de Wieringermeerpolder lijken aanvullende maatregelen in de ruimtelijke inrichting, zoals compartimentering of verhoogde aanleg, niet voor
36 (56)
de hand liggend (tenzij het functies betreft nabij een dijk). Er is ruimte op objectniveau om aanvullende maatregelen te treffen indien men dat nodig acht. Tevens kan van meerwaarde zijn de crisis- en rampenbeheersing op locatie- en objectniveau te optimaliseren en dan naast het overstromingsrisico ook andere mogelijke risico’s te betrekken. Dergelijk maatregelen kunnen in overleg met de betreffende instanties door de bedrijven worden uitgewerkt in kader van bijvoorbeeld een bouwplan of bedrijfshulpverleningsplan. 5.8
Natuur en biodiversiteit
Relevant kader In het kader van de Wet natuurbescherming moet voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen worden onderzocht of er sprake is van effecten van de voorgenomen werkzaamheden op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden. De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming. Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS), Natura 2000-gebieden, natuurreservaten en andere in bestemmingsplannen aangeduide natuurgebieden. De soortbescherming valt net als Natura2000 onder de Wet Natuurbescherming, die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Toepassing Voor de uitbreidingslocatie Agriport 2 is in 2008 natuuronderzoek uitgevoerd. Ook in jaren daarna zijn voor ontwikkelingen quick scans uitgevoerd voor herziening van bestemmingsplannen of werkzaamheden. Deze informatie is aangeleverd aan Bureau Waardenburg met het verzoek in deelgebied B ook nader bureauonderzoek uit te voeren gebruik makend van actuele gegevens en dit aan te vullen met veldonderzoek. Tevens is informatie aangeleverd voor dit onderzoek over de effecten van uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Venster-West voor vestiging van grote datacenters.
De rapportage van Bureau Waardenburg is opgenomen in de bijlagen van deze plantoelichting. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op grote afstand van het dichtstbijzijnde natuurgebied, het IJsselmeer. Andere natuurwaarden (zoals weidevogelgebieden e.d.) liggen op dusdanige afstand dat negatieve effecten voor deze natuurwaarden op voorhand zijn uit te sluiten. Gegeven de beperkte milieucontouren en emissies van een datacenter zijn effecten van datacenters in deelgebied B uit te sluiten voor deze natuurwaarden, behoudens de stikstofemissie die een grotere reikwijdte kan hebben. Daarbij is betrokken dat de lichtemissie van datacenters zeer beperkt vergeleken met de functie glastuinbouw en er geen toename te verwachten is van de (in)directe lichtemissie uit het plangebied op de grens van het IJsselmeer. De beperking van lichthinder (ook tijdens de bouw) wordt verder geborgd door wettelijke eisen. Voor de stikstof emissie/depositie is bij de voorbereiding van het plan een berekening gemaakt om aan te tonen dat geen stikstof depositie drempelwaarden voor Natura 2000 gebieden worden overschreden door activiteiten die dit plan mogelijk maakt. Gegeven dat sinds mei 2019 drempelwaarden, gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof, niet meer als basis voor toestemmingen van activiteiten mogen worden gebruikt, is aanvullend een beoordeling opgesteld (zie bijlagen plantoelichting).
De uitkomst van de beoordeling geeft aan dat de stikstofemissie voor de functie datacenter in het plangebied niet resulteert in een significant negatief effect voor de instandhoudingsdoelstellingen (door stikstofdepositie) van Natura 2000 gebieden. Soortenbescherming De natuurwaarde op of nabij de percelen is beperkt, aangezien deze percelen intensief zijn/worden gebruikt voor de landbouw. Natuuronderzoek, uitgevoerd voor deze locatie in 2007 en 2017/2018, heeft uitgewezen dat op het betreffende perceel geen bijzondere natuurwaarde aanwezig was.
37 (56)
Het gebied wordt niet gebruikt door beschermde soorten uitgezonderd o.a. vleermuizen en uilen. Er zijn geen vaste- rust of verblijfsplaatsen van vleermuizen in deelgebied B waargenomen, behoudens één woning aan de Cultuurweg ten noorden van deelgebied B1. Wel zijn in deelgebied B1 tijdelijke (zomer-/paar-) verblijfplaatsen waargenomen van o.a. ruige dwergvleermuis (Cultuurweg 9). En er staan door de uilenwerkgroep geplaatste uilennestkasten bij de boerderijen. Deze nestkasten zullen door de werkgroep worden verplaatst naar een andere geschikte locatie in de polder. Voor vleermuizen is de Westfriesche vaart en de beplanting langs de vaart van belang en deze wordt behouden. Er wordt niet verwacht dat geluid of licht verstorend zal zijn voor vleermuizen (zie tevens aanvullende beoordeling bijlagen plantoelichting). Kap van bomen of sloop van panden in het plangebied voor de nieuwe functie kan vanuit het oogpunt van de natuurwaarde zonder aanvullende voorwaarden plaatsvinden dan wel om rekening te houden met de waargenomen natuurwaarden kan en zal hiermee rekening worden gehouden (en indien vereist ontheffing aangevraagd worden). Er verdwijnt geen foerageergebied voor vleermuizen, want boomgroepen van belang voor vleermuizen worden gehandhaafd en waar mogelijk worden landschappelijke lijnen waarlangs kan worden gefoerageerd versterkt.
In het plan is beplanting en water opgenomen en dit biedt nieuwe kansen voor o.a. deze natuurwaarde. De vele kilometers eco-oever op de werklocatie zijn een licht positief effect voor de lokale natuurwaarden. In recente jaren zijn nabij de locatie ook een aantal relevante flora en fauna scans uitgevoerd 12. De resultaten van deze inventarisaties geven ook geen aanleiding bovenvermeld beeld aan te passen. De gunstige staat van instandhouding van de aangetroffen natuurwaarde zal gegeven bovenstaande niet in gevaar komen. Dit betekent dat ook uit dit oogpunt het aspect ecologie geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan oplevert. Biodiversiteit Biodiversiteit is een veelomvattend begrip dat verwijst naar alle verscheidenheid aan leven binnen soorten, tussen soorten en tussen de ecosystemen waartoe ze behoren. In het huidige grondgebruik, voornamelijk akkerbouw, is de biodiversiteit van plant en dier in het plangebied eenzijdig. Door bebouwing in een gebied toe te voegen zal natuurlijk ecosysteem verdwijnen. Door het aanleggen van watercompensatie en beplanting om de werklocatie heen, wordt wel ecosysteem terug gebracht, hoewel misschien beperkt, maar wel van verschillende planten en voor verschillende dieren.
Tevens geeft de ’Quickscan biodiversiteit’ aan dat de bij de uitwerking van de ontwikkeling er kansen zijn de biodiversiteit te verbeteren door bijvoorbeeld waar mogelijk open bestrating toe te passen, groen daken (entreegebouw) of vleermuisvriendelijke verlichting (buitenzijde plangebied). Deze aspecten kunnen in de uitvoeringsfase van het plan worden betrokken. 5.9 Landbouw De locatie waar de vestiging van een datacenter wordt mogelijk gemaakt is in de huidige situatie in hoofdzaak in gebruik voor de reguliere landbouw. Op het meest zuidelijk perceel was een melkveehouderij actief en de gronden in het deelgebied zijn in hoofdzaak in gebruik voor akkerbouw. Conform artikel 27 van de provinciale ruimtelijke verordening is voor de (gefaseerde) ontwikkeling van deelgebied B een Landbouweffectrapport (LER) opgesteld (zie bijlagen). Op basis van de LER kan worden gesteld dat ontwikkeling van de betrokken gronden aan de Cultuurweg geen belangrijk negatief effect zal hebben voor de landbouw in de omgeving van het plangebied c.q. de regio. In de referentiesituatie is er een beperkt aantal milieugevoelige objecten in het plangebied. De ziektedruk die uitgaat van het huidige gebruik voor de landbouw kan nabijgelegen percelen belasten. De emissie van het plangebied is gerelateerd aan het huidige gebruik en wordt in 12
Zie o.a. Natuurtoets Windpark Wieringermeer, Bureau Waardenburg BV, 30 juni 2014 (onderdeel MER Windpark Wieringermeer) en Quickscan ecologie t.b.v. Inpassingsplan t.b.v. Netuitbreiding kop van Noord-Holland, Arcadis, 5 februari 2016
38 (56)
hoofdzaak bepaald door de bemesting van de percelen (en voorheen ook het houden van melkvee). Voor de verplaatsing van landbouwbedrijven zijn binnen de regio alternatieve bedrijfslocaties beschikbaar. De melkveehouderij die was gevestigd in deelgebied B1 is inmiddels verplaatst. Door de voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein voor de functie datacenter worden geen nieuwe milieugevoelige functies toegevoegd waarvoor aannemelijk is dat die de ontwikkelingsruimte voor lokale landbouw negatief beïnvloedt. In de omgeving van het plangebied zijn ook geen risicovolle (landbouw)inrichtingen gevestigd en bestaande landbouwbedrijven worden ook voor dit aspect niet beperkt in de ontwikkelingsmogelijkheden gegeven o.a. de afstand van de bouwpercelen tot het plangebied. De ziektedruk die uitgaat van deelgebied B zal afnemen door het staken van de bestaande landbouwfunctie. De ontwikkeling van een datacenter op de werklocatie zal een positief effect kunnen hebben voor de regionale economische structuur en digitale infrastructuur in de regio en biedt kansen voor de verdere verduurzaming van de glastuinbouw. 5.10 Stof, geur en luchtkwaliteit Voor mogelijke effecten op de luchtkwaliteit is door Witteveen en Bos een onderzoek uitgevoerd, zie bijlagen. Zoals in paragraaf 5.3 al beschreven geeft een datacenter geen hinder voor de aspecten stof en geur.
Daarmee is er geen negatief effect te verwachten voor deze luchtkwaliteitsaspecten. Voor beschrijving van effecten op de luchtkwaliteit is de verkeersaantrekkende werking van een datacenter beoordeeld en de emissie indien tijdelijk noodstroomvoorzieningen moeten worden ingeschakeld. De effecten zijn ‘worst case’ beoordeeld voor heel deelgebied B, in samenhang met de emissies op de werklocatie en getoetst aan de normen gesteld in de Wet luchtkwaliteit. Het gebied is momenteel in agrarisch gebruik en ligt naast de werklocatie Agriport. Andere toekomstige ontwikkelingen in de polder zijn voor de beoordeling van luchtkwaliteit niet relevant. In de bestaande achtergrondsituatie zijn de bestaande en geprojecteerd activiteiten op de werklocatie Agriport betrokken. De invloed op de luchtkwaliteit was in het MER Uitbreiding Agriport A7 in de zin van de ‘Wet luchtkwaliteit’ te categoriseren als “een verslechtering in betekenende mate”. Dit betekent dat de maximale bijdrage van de voorgenomen activiteit meer bedraagt dan 1 % van de grenswaarde. De bijdrage aan de jaargemiddelde NO2-concentraties was 1,5 μg NO2/m3. Uit de berekeningsresultaten uitgevoerd in 2008 bleek echter tevens dat voor alle onderzochte situaties en peiljaren ruim aan de grenswaarden voor stikstof (NO2) en fijnstof (PM10) werd voldaan.
Indien de uitkomsten worden getoetst aan de grenswaarden die momenteel van kracht zijn, geldt dit nog steeds. Voor de component PM2,5 geldt dat vanaf het 1 januari 2015 een jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3 van kracht is geworden. Uit onderzoek van het RIVM komt naar voren dat er in het algemeen een vaste concentratieverhouding bestaat tussen PM10 en PM2,5. Dit maakt dat wanneer aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan tegelijkertijd ook aan de grenswaarde voor PM2,5 zal worden voldaan. Op basis van dit gegeven is geen aanleiding gezien voor de component PM2,5 nader onderzoek uit te voeren of nader te beoordelen. Gegeven bovenvermelde achtergrondsituatie voor de werklocatie is de invloed op de luchtkwaliteit getoetst voor gebruik van deelgebied B als uitbreidingsgebied van het bestaande bedrijventerrein Venster-West specifiek voor de functie datacenter. Daarbij is de emissie van verkeer betrokken en is meegewogen dat de verkeersgeneratie op de bestaande werklocatie Agriport minder is dan verwacht en daarmee de emissie ten gevolge van het wegverkeer van de werklocatie lager is dan in 2008 beoordeeld. Eveneens worden de kassen op de locatie Agriport inmiddels voor een deel verwarmd met duurzame aardwarmte. Voor de emissies beoordeeld in 2008 was ‘worst case’ uitgegaan van een kasverwarming op aardgasstook in combinatie met bio-olie.
Nu een duurzamere energiemix wordt toegepast is het effect op de luchtkwaliteit minder dan in 2008 aanvaardbaar geacht, maar dit verduurzamingseffect is niet meegewogen bij de beoordeling van de emissies voor deelgebied B. Emissies op de uitbreiding zijn van het verkeer van/naar een datacenter en van noodstroom-
39 (56)
installaties. De invloed van de emissies van het verkeer zijn beperkt zoals hierboven al besproken. De noodstroom-installaties hebben alleen een emissie tijdens testen en als het landelijke hoogspanningsnet uitvalt. De extra emissies voor een representatieve ‘worst case’ ingeschatte bedrijfsvoering voor datacenters in deelgebied B zijn in samenhang met de emissies van de werklocatie beoordeeld. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de onderzochte situatie leidt tot een beperkte concentratiebijdrage van de luchtkwaliteit in de omgeving. Ter hoogte van de grens van de ontsluitingsroute en omliggende woningen (meest nabije toetspunten waarbij sprake is van significante blootstelling) is de bijdrage voor NO 2 ‘in betekenende mate’. Op alle toetspunten blijven de concentraties NO 2, PM10 en PM2.5 ruim onder de desbetreffende grenswaarden. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, eerste lid onder a van de Wet milieubeheer en is er geen belemmering voor realisatie van datacenters in het delegebied. 5.11
Externe veiligheid
Relevant kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi), worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd: • Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt; • Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De oriëntatie-waarde geeft hierbij een indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt, afhankelijk van de ontwikkeling, een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Toepassing Voor het thema externe veiligheid is de externe veiligheidssituatie beoordeeld vanwege de verwerking, opslag en productie van gevaarlijke stoffen in inrichtingen en vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Tevens zijn inrichtingen beschouwd die een gevaarlijke situatie met zich mee kunnen brengen, anders dan door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. In de bijlagen van deze plantoelichting zijn de beoordelingen opgenomen. Na raadpleging van de actuele gegevens13 zijn er geen risicovolle activiteiten/inrichtingen in de omgeving van het perceel gerealiseerd of geprojecteerd. Er worden ook geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt door het plan. Een datacenter is geen risicovolle activiteit. De kantoren en andere verblijfsruimten op een datacenter kunnen wel een (beperkt) kwetsbaar object zijn, maar omdat er geen risicovolle bestaande of geprojecteerde activiteiten in de omgeving van het plan zijn, is dit geen belemmering voor bestaande of geprojecteerde activiteiten in de omgeving van het plangebied.
13
www.risicokaart.nl, zie tevens bijlagen.
40 (56)
Op basis van het risicoprofiel in en in de omgeving van deelgebied B hoeft voor externe veiligheid er alleen te worden getoetst op het vervoer van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A7. Door AVIV was dit in 2008 beoordeeld voor heel deelgebied B en dit is op basis van de actuele wet- en regelgeving (waaronder het Basisnet) geactualiseerd. Externe veiligheid is geen beperking voor de ontwikkeling van deelgebied B voor uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Venster-West en er is ook geen sprake van een toename van het groepsrisico in het invloedsgebied langs de rijksweg A7. Door AVIV is voor een toename van het groepsrisico nog een beoordeling gemaakt. Gegeven de externe veiligheidssituatie kunnen er op 10 m van de rijksweg A7 in principe functies ontwikkeld worden met een personendichtheid van 40 personen per hectare. Voor een ontwikkelingsplan met bebouwing op grotere afstand en/of een lagere bevolkingsdichtheid is daarmee een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico ook niet vereist. Voor het plan is aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord (VRNHN).
De VRNHN adviseert het volgende: • gevels en installaties, binnen de gevaarzone van 80 m, zo uit te voeren dat er geen gevaar is van instorting/falen; • gevels en installaties in/door gevels, binnen de gevaarzone van 200 m, zo uit te voeren dat er geen kans is op het ontstaan van secundaire brand; • dat de relatie tussen het scenario ‘toxische wolk’ en de buitenruimte beschouwd wordt; • dat het bevoegd gezag en de onderneming bij de uitwerking van plannen voor een datacentrum de hierna genoemde ramptypen mede beschouwt en maatregelen overweegt en/of uitvoert: - overstroming; - extreem weer; - verstoring energie voorziening; - verstoring telecommunicatie en ICT; - verstoring voedselvoorziening; - terrorisme/ernstige (cyber)criminaliteit; • dat de VRNHN bij het indelen en bereikbaar krijgen van de verschillende kavels betrokken wordt; • dat panden aan alle zijden door de brandweer bereikbaar zijn en dat de gebouw constructie (binnen de afstanden van respectievelijk 80 m en 200 m) voorkomt dat brand zich in de constructie- en/of naar binnen verplaatst.
Anders is (secundaire)brand niet bestrijdbaar; • die maatregelen te verwerken in het bouwplan die dat voorkomen en dat bluswater en bereikbaarheid in samenspraak met de brandveiligheidsadviseur van de VRNHN worden gedimensioneerd; • met de VRNHN de getalsmatige gelijktijdige aanwezigheid van personen voor het plangebied te toetsen aan de mogelijkheden van de ambulance hulpverlening; • dat in de bedrijfsnoodplannen tijdens de bouw, rekening gehouden wordt met de gevaren van vervoer van gevaarlijke stoffen over de A7. Bij de verdere uitwerking van het (bouw)plan en het gebruik van het plangebied zal rekening worden gehouden met deze adviezen. Voor de bluswatervoorziening en bereikbaarheid op de werklocatie Agriport is door de voormalige gemeente Wieringermeer het rapport “Bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid” in oktober 2006 vastgesteld. Getoetst aan de “Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van het NVBR is bepaald op welke wijze voldaan dient te worden aan de gestelde eisen voor deze voorzieningen. In de verdere uitwerking van het plan in de vergunningsfase kan dit nader worden vorm gegegeven, waarbij de laatste versie van genoemde handleiding (uitgave 2012) als onderlegger wordt gebruikt en maatregelen worden afgestemd met de brandveiligheidsadviseur van de VRNHN.
41 (56)
5.12
Lichthinder
In 2008 is lichthinder voor de omgeving van de gehele werklocatie beoordeeld. Daarbij was rekening gehouden met de lichtemissie van bedrijventerreinen en het glastuinbouw concentratiegebied binnen de werklocatie. Het destijds beschikbare lichtmodel is toegepast en de uitkomsten zijn getoetst aan richtlijnen voor lichthinder. Voor deelgebied B is dit onderzoek geactualiseerd en is rekening gehouden met uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Venster-West voor grote datacenters in deelgebied B. Het terrein van een datacenter zal worden voorzien van oriëntatieverlichting. Het terrein moet 24/7 toegankelijk zijn voor personeel en voor onderhoud aan ondersteunende voorzieningen. De veiligheid van de dataopslag dient te worden gegarandeerd. Nabij een toegangshek en op strategische locaties zal ‘s nachts verlichting ingeschakeld zijn. De uitstraling van de verlichting naar de omgeving zal worden beperkt door de opstelling van verlichting waar mogelijk te matigen, gebruik te maken van (naar beneden) gericht licht en door verlichting - waar mogelijk van bewegingsmelders te voorzien. De uitstraling van de verlichting op een datacenter naar de omgeving zal worden beperkt door de opstelling van verlichting waar mogelijk te matigen, gebruik te maken van (naar beneden) gericht licht en door verlichting - waar mogelijk - van bewegingsmelders te voorzien.
De directe lichtbeleving voor omwonenden zal worden gereduceerd door bovengenoemde maatregelen en/of door bijvoorbeeld een afschermende groenvoorziening. Ten zuiden en westen van deelgebied B is direct zicht op het plangebied beperkt door o.a. de afscherming van de bestaande groenzoom langs de Westfriesche vaart. De inpassing van groen aan de noordzijde van het gebied kan bijdragen aan het beperken van directe lichthinder. De andere zijden van het plangebied grenzen aan de rijksweg A7 en de bestaande werklocatie Agriport en lichtemissie van het datacenter is voor deze functies geen negatief effect, maar ook aan deze zijden zal de uitstraling van verlichting naar de omgeving worden beperkt middels bovengenoemde maatregelen. Door o.a. DGMR is met de huidige lichtmodellering een onderzoek uitgevoerd (zie bijlagen plantoelichting). De (in)directe lichtbeleving van uitbreiding van het bedrijventerrein zal beperkt zijn tot de nabije omgeving en niet rijken tot het dichtst bijgelegen natuurgebied het IJsselmeer op 4,5 km afstand. Voor de zorgvuldigheid is een toetsing uitgevoerd waarbij de lichtemissie van een datacenter is beoordeeld in samenhang met de lichtemissie van de bestaande delen van werklocatie Agriport. Op de bestaande werklocatie is sprake van lichtemissie als in de glastuinbouw assimilatiebelichting wordt toegepast.
Deze belichting is alleen ingeschakeld in de wintermaanden. Mede om deze reden is de lichtemissie van datacenters in het plangebied beoordeeld in samenhang met de lichtemissie van de glastuinbouw en zelfstandig. In wintermaanden, als er lichtemissie is van de glastuinbouw, levert de lichtemissie van een datacenterterrein geen significante toename van de verlichtingssterkte of (hemel)helderheid in de wijdere omgeving. In de avonden/nachten rond de zomer is er sprake van meer licht in de directe omgeving van het plangebied dan momenteel. De toename van de verlichtingssterkte of (hemel)helderheid is echter beperkt en getoetst aan richtwaarden acceptabel. Op basis van deze toetsing levert het aspect lichthinder geen belemmering op voor realisatie van een datacenter in het plangebied. 5.13