CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ruimtelijke onderbouwing BOPA

Raad 19 september 2024, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Bindend advies omgevingsvergunning Zwarteweg 7 't Veld13.456 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Goede Onderbouwing voor een Fysieke Leefomgeving (GoFlo) t.b.v. Buitenplanse omgevingsactiviteit Zwarteweg 7 ’t Veld

Gemeente Hollands Kroon

19 juni 2024

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.4

Aanleiding en doelstelling Leeswijzer

3 6

2

Plangebied

8

2.1 2.2

Ontstaansgeschiedenis en gebiedskenmerken Planbeschrijving

8 10

3

Beleidskader

13

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Algemeen Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

13 13 15 17 21

4

Milieu- en omgevingsaspecten

27

4.1 4.2

Milieu-aspecten Omgevingsaspecten

27 39

5

Economische uitvoerbaarheid

47

5.1 5.2 5.3

Inleiding Beoordeling plan Conclusie

48 48 48

6

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49

6.1 6.2

Overleg Procedure

49 49

Bijlage 1. Verkennend bodemonderzoek Zwarteweg 7 ’t Veld, VLAM Bodemadvies, 17 juni 2024 Bijlage 2. Verslag informeren buren, mevr. S. Slijkerman, 11 juni 2024

1 1.1

Inleiding Aanleiding en doelstelling Aan de Zwarteweg 7 t Veld staat een woning op een vrije brede kavel. Er bestaat hierdoor de mogelijkheid een woning toe te voegen zonder dat dit afbreuk doet aan het straat- en bebouwingsbeeld. De ritmiek wordt er zelfs door versterkt. Men beoogt de woning als sociale huurwoning te realiseren. Er bestaan geen ruimtelijke bezwaren tegen de ontwikkeling en met een woning wordt een bescheiden bijdrage geleverd aan het oplossen van de grote woningbehoefte. Het plan is wel in strijd met het omgevingsplan. Nu het om een ruimtelijk gewenst initiatief gaat, kan worden meegewerkt aan het plan. In dit geval is dit mogelijk door gebruik te maken af te wijken met een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). De juridische grondslag voor de BOPA is de vergunningplicht in artikel 5.1 lid 1 onder a jo. art. 5.2 Omgevingswet en artikel 5:21, tweede lid, onder b. Omgevingswet. Daar wordt bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.

In de begripsbepalingen van de Omgevingswet staat wat een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is: Buitenplanse omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende: a.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of b.een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan; Toepassing van dit artikel vereist dat gemotiveerd wordt waarom het plan passend is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, Bkl). Het gaat om een Goede Onderbouwing voor een Fysieke Leefomgeving (GoFlo). Daar voorziet dit document in. Het gaat in dit geval alleen om (een vergunning voor de) buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de activiteit bouwen wordt later aangevraagd.

1.2

Plangebied Het plangebied omvat een deel van het perceel Zwarteweg 7 in ’t Veld, dat kadastraal bekend staat NDP02-E-139 (Niedorp). De nieuwe woning met tuin/erf zal kadastraal worden afgesplitst. Het dorp ligt even ten zuiden van Schagen, in de gemeente Hollands Kroon.

3

Plangebied uitgezoomd

Plangebied ingezoomd 4

1.3

Geldend omgevingsplan Ter plaatse geldt primair het (tijdelijk) omgevingsplan bestemmingsplan ‘Veld, Oude Niedorp en Zijdewind - de Weel, vastgesteld op 27 juni 2013. Het perceel heeft de bestemming Gemengd met bouwvlak, doch ter plaatse van de geplande nieuwbouw ligt geen bouwvlak.

Uitsnede geldend bestemmingsplan De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: • wonen, al dan niet in combinatie met: • aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, mits: o niet meer dan 1/3 van het totale oppervlak van de (bedrijfs)woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 75 m², voor de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf wordt gebruikt; o alleen activiteiten worden uitgevoerd die niet meldingplichtig zijn in het kader van de milieuwetgeving en die genoemd zijn in bijlage 1 bij deze regels, dan wel naar aard en invloed daarmee gelijk te stellen zijn; o geen overwegende hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu; o geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; o het niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen, noodzakelijk maken; o er geen reclame-uitingen groter dan 0,5 m² bij of aan de woning worden geplaatst, met een maximum aantal van 1, onder de voorwaarde dat deze niet verlicht mag zijn; o degene die het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf uitoefent, tevens de gebruiker van de woning is; o er geen activiteiten ten aanzien van een horecabedrijf of een seksinrichting worden uitgeoefend; o er geen detailhandel plaatsvindt,

anders dan onderschikte detailhandel; o er geen buitenopslag ten behoeve van het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf plaatsvindt; • het hobbymatig gebruik voor bed & breakfast voor maximaal 4 personen, met dien verstande dat:

5

o

• • • • •

deze functie uitsluitend in de bestaande (bedrijfs)woning en/of de bestaande bijbehorende bouwwerken mag worden uitgeoefend; o er geen eigen kookgelegenheid is toegestaan; o permanente bewoning niet is toegestaan; o geen overwegende hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu; o geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; o het niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen noodzakelijk maken; o het parkeren op eigen erf plaatsvindt, dienstverlening; maatschappelijke voorzieningen; bedrijven uit categorie 1 en 2 uit de bij deze regels als bijlage 3 opgenomen Staat van bedrijven; opslag binnen bebouwing; het hobbymatig houden van vee (waaronder paarden);

met de daarbij behorende: • groenvoorzieningen; • openbare nutsvoorzieningen; • speelvoorzieningen; • verkeers- en verblijfsvoorzieningen; • voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; • waterlopen en waterpartijen. In de bouwregels is geregeld dat hoofdgebouwen alleen in een bouwvlak mogen worden gerealiseerd. Nu daar geen sprake van is, ontstaat er strijd met het bestemmingsplan. Tevens geldt een Parapluplan Parkeren en Wonen (vastgesteld 27 september 2018), waarin onder meer is geregeld dat het begrip wonen is toegevoegd aan het primaire bestemmingsplan waarmee beoogd is dat maximaal het bestaande aantal woningen is toegestaan. Dit artikel levert dus (mogelijk) dus ook strijd op. Ook is in dit plan geregeld er dat er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein moeten komen. Er komen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, zie hoofdstuk 2. Tot slot gelden ook de omgevingsplannen facetplan-logies (vastgesteld 16 september 2021) en Gedeeltelijke herziening bijgebouwenregeling in diverse omgevingsplannen van Hollands Kroon (vastgesteld 5 maart 2015). Deze plannen hebben geen relevantie voor het plan dat voorligt en zijn daarom buiten beschouwing gelaten.

1.4

Leeswijzer Deze onderbouwing is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van

6

het plan. De onderbouwing besluit met een hoofdstuk over de economische haalbaarheid en daarna wordt de wijze waarop de participatie is vormgegeven beschreven.

7

2

Plangebied In het volgende hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Allereerst komt in het kort de ontstaansgeschiedenis aan bod. Daarna volgt een beschrijving van het plan, waarna de ruimtelijke overweging volgt.

2.1

Ontstaansgeschiedenis en gebiedskenmerken De planlocatie ligt in het dorp ’t Veld, binnen West-Friesland. Vanaf de 11e eeuw begon men met de aanleg van de Westfriese Omringdijk. Aanleg van dijk beschermde West-Friesland tegen de zee. De dijk werd gebouwd met behulp van duizenden palen, enorme hoeveelheden zeewier en met veelal vlakbij afgegraven grond. In de twaalfde eeuw, na totstandkoming van de Omringdijk, was West-Friesland eigenlijk een bedijkt eiland. De nederzettingen zijn in de loop van de tijd uitgegroeid tot dorpen en steden. De Westfriese Omringdijk is in 1320 een gesloten geheel geworden.

Kaart Jacob van Deventer, 1558 De provincie Noord-Holland schaart West-Friesland qua landschapstype in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie onder ‘oud zeekleilandschap’; Nieuwe Niedorp en Oude Niedorp zijn dijkdorpen. Doordat het gebied is ontgonnen als veengebied, kent het ook de ruimtelijke karakteristieken van een veengebied, met langgerekte lintdorpen, een regelmatige, opstrekkende verkaveling en veel sloten, vaarten en tochten om het water af te voeren/op te slaan. Met name voormalige kreeklopen, waren aantrekkelijke woonplaatsen in het gebied. In het oostelijke deel van West-Friesland, woonde men hoofdzakelijk op de flanken van deze kreekruggen. Vanaf de middeleeuwen ontstonden hier lange dorpslinten. De eerste ontginningen zijn meestal vanaf waterlopen uitgevoerd. Vanuit deze nederzettingen werd het land aan weerszijde ontgonnen, door loodrecht op de bewoningslinten stroken te graven. Deze langgerekte lintdorpen in het open Westfriese land zijn dan ook één van de kernkwaliteiten van het landschap. Voor de openheid geldt als kernkwaliteit: − Kleinschalige zeekleipolders. − Half-open landschap, overwegend vlak met tuinbouw, gras- en bouwland. − Kreekruggen (West-Friesland), ontgonnen veenvlakte, oude en jonge zeeklei en terpen

8

−

Mate van openheid: landschap met een half-open karakter.

Het dorpsDNA van dijkdorpen bestaat onder meer er uit dat: 1. de weg of dijk de ruimtelijke structuurdrager is; 2. de bebouwing is georiënteerd op de structuurdrager en er 3. rafelige dorpsranden zijn (er is dus een zachte overgang dorp –landschap). De kernen in dit gebied zijn ontstaan als agrarische nederzettingen. De ontginning van het gebied vond plaats vanaf de terpen, langs ontginningsassen haaks op de dijk. Langs deze ontginningsassen ontwikkelde zich lintbebouwing. De linten werden onderling verbonden door de (aanvankelijk) onbebouwde wegen haaks op de lintbebouwing. Uiteindelijk raakten deze wegen ook voor een deel bebouwd. Het plangebied is gelegen in het dorp ‘t Veld. De eerste bebouwing kwam langs het Rijderdijkje dat de eerste bewoners beschermde tegen het water. Later is dat water ingepolderd, zoals de Leyerpolder, de Tjaddinxpolder en de polder Ooster- en Westerkoggen. Er voerde eind 1700 geen behoorlijke weg naar het oude kerkgebouw in 't Veld, dat gesitueerd was op de plek, waar ook de huidige kerk staat. Kerkgangers moesten het bereiken via een modderpad, dat vanaf de Weel leidde door het land tot achter de boerderij Rijderstraat 20 en vervolgens over het Rijderdijkje, dat uit kwam bij een boerderij vanwaar een pad liep naar de kerk. In 1818 werd de eerste verharde weg aangelegd, de Rijdersstraat, tot aan de kerk.

Het tweede gedeelte vanaf de kerk naar de Kolonie, te weten de Westerweg, kwam pas in 1868 tot stand. In 1874 legde een veehouder de Zwarteweg aan.

Historische foto linksboven, huidig beeld rechtsboven en foto’s planlocatie onder De Zwarteweg is dus één van de historische wegen van het dorp en is geleidelijk aan weerszijden geheel bebouwd geraakt met hoofdzakelijk vrijstaande woningen. Deze

9

staan in een redelijke vergelijkbare rooilijn en onderlinge afstand. De verschijningsvorm wisselt sterk, het gaat om woningen bestaande uit één of twee bouwlagen met kap, met wisselende kaprichting. Ook twee-onder-één kappers komen voor. Het beeld doet verzorgd, rustig en dorps aan. De woonfunctie domineert.

2.2

Planbeschrijving Zoals aangegeven, bestaat de wens de planologische situatie te wijzigen, in die zin dat de er een woning wordt toegevoegd. Deze wordt gerealiseerd direct grenzend aan de bestaande woning en zal daar qua hoogte en verschijningsvorm op aansluiten. Een aanbouw wordt gesloopt. Het perceel zal worden afgesplitst en circa 10,6 m breed worden bij een oppervlakte van 192 m2. De bestaande woning zal dan staan op een perceel met een breedte van circa 18,8 m en een oppervlakte van 723 m2. De woning krijgt een oppervlakte van 54 m2, een goothoogte van 5 m en een bouwhoogte van 6,7 m. De hoogtes sluiten daarmee goed aan op de omgeving. Op beide percelen is ruimte voor 2 parkeerplaatsen. De woning wordt aangeboden in de sociale huursector, waar veel vraag naar is. Een erfinrichtingsplan is opgesteld teneinde een zorgvuldige inpassing te borgen. Zie navolgende 3d impressies, situatieschets en erfinrichtingsplan.

3d impressies, situatieschets nieuwe situatie, getekend Taats architecten en bouwkundigen

10

Erfinrichtingsplan, getekend Taats architecten en bouwkundigen

Situatie t.o.v. omgeving, Taats architecten en bouwkundigen

11

De woning kan dus goed worden ingepast in het straat- en bebouwingsbeeld; deze wordt er door versterkt. De woonfunctie past in het functionele beeld en er wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte. De afstand tot belendende percelen van de nieuwe woningen is meer dan 2 m (afstand artikel 5.50 Burgerlijk Wetboek om voldoende privacy te garanderen) en er kan ruimschoots voldaan worden aan zowel de lichte als de strenge TNO-norm1. Zodoende is er geen onaanvaardbare schending van de privacy of onaanvaardbare schaduwwerking. Om voornoemde redenen kan medewerking worden verleend. In navolgende hoofdstukken wordt getoetst of het initiatief past binnen het ruimtelijk relevante beleid van diverse overheden. Daarna wordt kort ingegaan op milieu-en omgevingsaspecten.

1 De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 fe-

bruari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

12

3 3.1

Beleidskader Algemeen Planologische besluitvorming dient te passen binnen de ruimtelijke kaders op alle verschillende overheidsniveaus. Ter verkenning van de beleidsruimte wordt daarom in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevante) beleid weergegeven.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemd in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna.

13

Beoordeling en conclusie Er zijn geen Rijksbelangen in het geding, behoudens het belang van de zorgvuldige belangenafweging, zie hiervoor paragraaf 3.2.3. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, bestemmingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Deze onderwerpen worden in het Barro exact ingekaderd en begrensd. Per project worden regels gegeven die gemeenten direct of indirect (via provincies) moeten laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de andere onderwerpen uit het Barro.

Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro.

3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. In artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). (..) 2.Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassingis gegeven aan het tweede lid.

14

Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken (zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4- 201501297/1/R4) blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Een uitbreiding van een bedrijfsgebouw met 400 m² wordt ook niet gezien als geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 23 april 2014; ECLI:NL:RVS:2014:1442 en dat geldt ook voor de uitbreiding van een kantoor met 540 m² (ABRvS 24 augustus 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2319). Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de ABRvS van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de ABRvS van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant.

Uitzondering hierop vormt een ontwikkeling waarvan de aard en impact zodanig substantieel is dat deze aanleiding geeft de ontwikkeling wel als stedelijke ontwikkeling te merken. Een functiewijziging naar een hotel met 160 kamers is daar een voorbeeld van (ECLI:NL:RVS:2016:1064). Beoordeling en conclusie Onderhavig plan betreft één woning. De locatie ligt gezien de ligging bovendien binnen Bestaand Stedelijk Gebied. Dit plan is gezien de jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zodoende kan een toets aan de Ladder achterwege blijven.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten (PS) vastgesteld. In de Omgevingsvisie NH2050 staat een duurzame ontwikkeling van de

15

fysieke leefomgeving centraal. De leefomgeving is de basis, met een samenleving die wensen en behoeften heeft en de leefomgeving gebruikt voor ruimtelijk- economische ontwikkelingen. De hoofdambitie is gericht op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Ambities Noord-Holland heeft een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. Dit is de hoofdambitie. Als subambities zijn er een aantal opgenomen: 1. Leefomgeving a) Klimaatverandering: Noord-Holland moet voorbereid zijn op klimaatverandering en waterrobuust worden ingericht. b) Gezondheid en veiligheid: De ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond. Gestreefd wordt naar een gezonde leefomgeving, wat inhoudt: een woonwerkomgeving waar je zo min mogelijk wordt blootgesteld aan ongezonde stoffen en veiligheidsrisico’s en die een gezonde levensstijl ondersteunt.

c) Biodiversiteit en natuur: De ambitie is om de biodiversiteit in Noord-Holland te vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt. Dit betekent dat ontwikkelingen zoveel mogelijk natuurinclusief zullen zijn. 2. Gebruik van de leefomgeving a) Economische transitie: De ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. Economische ontwikkelingen dienen qua aard, omvang en vorm aan te sluiten bij de regio of plek. b) Wonen en werken: De ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. c) Mobiliteit: De ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. Clustering van functies is een belangrijk duurzaamheidsprincipe. d) Landschap: De ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. 3. Energietransitie De ambitie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie.

Vijf bewegingen Vanuit de ambities zijn een vijftal bewegingen opgesteld die laten zien hoe Noord-Holland wil omgaan met de opgaven die op onze samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren.

16

1.

2. 3.

4. 5.

Dynamisch schiereiland: Benutten van de unieke ligging, waarbij de kustverdediging voorop staat, waar toeristische- en recreatieve kansen worden benut en waar natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling: De Metropoolregio Amsterdam gaat steeds meer als één stad functioneren en de reikwijdte wordt groter. Sterke kernen, sterke regio's: deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie: het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk- en vitaal landelijke omgeving: het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector.

Beoordeling en conclusie Het plan draagt bij aan de economische vitaliteit van het dorp en draagt bij aan de leniging van de nog altijd grote woningbehoefte. Het initiatief past binnen de Omgevingsvisie. 3.3.2

Omgevingsverordening Noord-Holland 2024 De Provinciale Omgevingsverordening Noord-Holland 2024 is vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland en in werking getreden op 11 januari 2024. Deze verordening bevat regels ter uitvoering van het beleid uit de Omgevingsvisie. In de verordening zijn regels opgenomen ter bescherming van specifieke waarden (zoals natuur, landschappelijke of cultuurhistorische waarden) of ten behoeve van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen. Omgevingsplannen dienen rekening te houden met deze regels. Een aanzienlijk deel van de regels is alleen van toepassing voor het landelijk gebied. Beoordeling en conclusie Er zijn voor het plangebied geen relevante werkingsgebieden van toepassing. Het plan is niet in strijd met de omgevingsverordening.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1

Regionaal Woonakkoord Kop van Noord-Holland 2022-2026 “met het bijhorende afwegingskader (2022) Conform de provinciale Woonagenda 2020-2025 worden maatwerkafspraken op het gebied van wonen in regionale woonakkoorden opgenomen. Met dit convenant beogen partijen een actieve regionale samenwerking woningbouw te continueren ten behoeve van een optimale ruimtelijke ontwikkeling van de woningvoorraad/-markt van de regio Kop van Noord-Holland. Hiervoor maken de partijen afspraken over de woningbouwplannen in programma(‘s) die aansluiten bij de vraag naar nieuwbouwwoningen en woningtypen in de regio Kop van Noord-Holland(verder te noemen de Kop). In dit woonakkoord worden aanvullende afspraken gemaakt, zoals: ambities, (mogelijke) buitenstedelijke locaties en projecten.

17

Bij elke ontwikkeling moet getoetst worden aan bijlage 1 en 2 bij het Woonakkoord: - Bijlage 1: Kwalitatief afwegingskader; - Bijlage 2: Vragentabel kwalitatief afwegingskader. Hierbij geldt: ≠ Kwalitatief hoger scorende woningbouwplannen komen eerder in aanmerking om opgenomen te worden in het regionale programma dan lager scorende woningbouwplannen; ≠ Een regiogemeente (‘vrije regelruimte’) mag aan de hand van een lokale onderbouwing woningbouwplannen: - toevoegen aan; - verplaatsen (in of na); - schrappen uit, het regionale programma, en aanbieden voor de regionale afstemming (en -beoordeling); ≠ Als juist gemotiveerde woningbouwplannen succesvol besproken zijn in de regionale werkgroep en de bestuurlijke instemming (in portefeuillehoudersoverleg ruimte en economie) hebben gekregen, is er sprake van regionale afstemming. Voor Hollands Kroon is tot 2023 een opgave van 650 woningen geformuleerd; tot aan 2030 gaat het om 1674 stuks. Op www.plancapaciteit.nl wordt de woningbouwontwikkeling bijgehouden. Voor Hollands Kroon is tot 2024 aan plannen een capaciteit van 2187 woningen beschikbaar. Dit betreft echter zowel ‘zachte’ als ‘harde’ plannen. Hoewel er voldoende plannen zijn, is er, wanneer sec de harde plancapaciteit wordt beschouwd, op korte termijn een tekort.

Doorgaans moet immers om de vraag te bepalen gekeken worden naar de harde plan-capaciteit versus de behoefte (in sommige gemeenten worden de buitenstedelijke plannen ook niet meegenomen). Dit blijkt uit jurisprudentie, zie hiervoor 201506063/1/R6, alsook uit de meest recente Handreiking bij de Ladder voor Duurzame Verstedelijking van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu: “Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit)”. Weliswaar staat deze Handreiking op een website van een semioverheidsorgaan, infomil, doch expliciet staat aangegeven dat deze Handreiking afkomstig is van het Rijk.

Tot slot staat het in een ‘externe handreiking nut en noodzaak’ van de provincie Noord- Holland zelf ook aangegeven: “Lokaal is er vraag naar 300 woningen. Het harde aanbod is 175 woningen. Om te bepalen of er nog ruimte is voor dit plan, wordt de volgende berekening uitgevoerd: vraag – hard aanbod = resterende ruimte voor

18

woningbouw. In dit geval betreft het 300-175 = 125 woningen. Het plan bedraagt 100 woningen, dus het past binnen de nog resterende lokale kwantitatieve behoefte”. In het Convenant staat in bijlage 4 een overzicht van de harde plannen in Hollands Kroon, tot 2030 zijn dat er 647. Er resteert dus voldoende kwantitatieve ruimte om in woningen toe te voegen. In bijlage 1 bij het Woonakkoord is navolgend schema opgenomen, welke nagelopen dient te worden.

Als onderbouwd in hoofdstuk 2, gaat het om een ruimtelijk en stedenbouwkundig gewenste ontwikkeling; de thema’s landschap en beeldkwaliteit spelen hier niet (het gaat om bestaande bebouwing in bestaand stedelijk gebied); Er is aantoonbaar behoefte aan woningen in de gemeente, waarschijnlijk komen deze terecht in het goedkope tot middeldure segment; In bijlage 1 is zoals aangegeven een afwegingskader opgenomen. Het doel van dit afwegingskader is dat de regio op een zo objectief mogelijke wijze kan beoordelen of er sprake is van een kansrijk of minder kansrijk woningbouwplan. Het bepalen van de score aan de hand van de locatie-aspecten(1), programmatische aspecten (2) en gebouwaspecten (3) gebeurt via een aantal vragen, die hierna worden weergegeven. Daaronder staat steeds in cursief het antwoord voor wat betreft deze locatie. Ja levert 2 punten op, een nee 0. Is de locatie van het initiatief op kaart I gelegen in een geel, lichtgroen of donkergroen postcodegebied? Is de locatie van het initiatief op kaart II gelegen in een geel, lichtgroen of donkergroen kerngebied?De betreffende PDFs waarop dit is afgebeeld zijn slecht leesbaar; ingeschat wordt dat het gebied in geel gebied ligt en de kern in lichtgroen, gemiddeld dus-2x ja Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 5 km van een treinstation?

19

Nee Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 1,7 km van een hoofdverkeersweg? Ja Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 1 km van een grote supermarkt? Nee Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 1 km van een supermarkt/levensmiddelenwinkel? Ja Is er sprake van een klimaatadaptief ontwerp? Ja Is de locatie van het initiatief gelegen in een ‘aandachtsgebied’? Hierbij kan gedacht worden aan de volgende situaties: Locatie waar sprake is van langdurige leegstand met de negatieve gevolgen voor de woonomgeving als gevolg; Langdurig braakliggend terrein; Locatie waar door economische ontwikkelingen werkgelegenheid ontstaat, die een autonome vraag naarwoongelegenheid met zich meebrengt; Et cetera. Nee De volgende vraag is geen vraag die een score oplevert maar bij positieve beantwoording vraagt om een aanvullende onderbouwing/motivatie. Is in een straal van 2,5 kilometer sprake van woningbouwplannen van gelijke grootte? Ja Is de regionale krapte-indicator lager dan 7? De krapte-indicator wordt berekend op basis van de verhouding tussen het aanbod in een bepaald segment en de gerealiseerde vraag in dat segment, dus het aantal verkochte woningen.

Deze indicator is terug te vinden op: https://www.nvm.nl/marktinformatie/marktinformatie De krapte-indicator werd op deze site niet aangetroffen Is zorgvuldig gemotiveerd dat de woningtypologieën van het woningbouwplan aansluiten bij de behoefte van de locatie? Ja Voorziet het woningbouwplan in minimaal 50% levensloopgeschikte woningen? Nee Voorziet het woningbouwplan in minimaal 20% sociale (huur-/koop) woningen? Sociale koopwoning: koopprijs onder het wettelijk maximum van € 200.000 Sociale huurwoning: huurprijs per maand lager dan € 737,14 Ja Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van hergebruik van bestaand

20

vastgoed? Nee Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van flexibele of tijdelijke bouw? Nee Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van bijzondere aandacht voor duurzaamheid? Ja Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van een BREEAM-certificering? Nee Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van bijzondere aandacht voor ‘samenleven’? Nee De totaalscore van een woningbouwplan wordt bepaald door: Totaal beoordeling 1: locatie aspecten 8 Totaal beoordeling 2: programmatische aspecten 8 Totaal beoordeling 3: gebouwaspecten 4 Totaalscore woningbouwplan 20 In het Convenant wordt niet aangegeven wat de betekenis van een score, oftewel wanneer het ‘voldoet’ en wanneer niet. Overwogen wordt daarom dat er voldoende vragen positief zijn beantwoord om te betogen dat sprake is van kwalitatieve behoefte/ ‘kwalitatief hoger scorend plan’. De uitbreiding van de woonleefgemeenschap voorziet zowel kwalitatief als kwantitatief in de geformuleerde behoefte en past daarmee binnen het provinciale, regionale en gemeentelijke beleid.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Omgevingsvisie Hollands Kroon Op 29 november 2016 heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon de Omgevingsvisie Hollands Kroon vastgesteld. De omgevingsvisie is een inspiratie- en koersdocument voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Het doel van deze omgevingsvisie is het uitdagen om initiatieven te nemen en deze te realiseren. De gemeente hanteert het ‘ja, tenzij’ principe, waardoor samen met initiatiefnemers bekeken wordt hoe initiatieven gerealiseerd kunnen worden. Beoordeling Relevant zijn met name de onderwerpen ‘ruimtelijke kwaliteit’, ‘landschappelijke kwaliteit’, en ‘wonen’.

21

Ruimtelijke kwaliteit Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is “ontwikkelen met behoud van identiteit en kwaliteit”. Dat betekent dat wij ons bewust moeten zijn van de karakteristieke eigenschappen van de verschillende landschappen en de dorpen. En dat identiteit en kwaliteiten het vertrekpunt van ruimtelijke plannen is. Dit zet ontwikkelingen niet op slot. Ruimtelijke kwaliteit vraagt voortdurend aandacht. De focus op kwaliteit moet in de werkwijze van gebiedsontwikkeling verankerd zijn. De volgende kerngedachten liggen aan deze werkwijze ten grondslag. − Ruimtelijke kwaliteit is overal en voor iedereen anders, − Ruimtelijke kwaliteit groeit in een cyclisch planproces, − Gebruikers staan centraal, − Rekening houden met de historische context. De gemeente wil de ruimtelijke kwaliteit en diversiteit van het landschap en de dorpen onderbouwd ontwikkelen, verbeteren en indien nodig transformeren. Ambitie De gemeente vindt het van belang dat een initiatief een bijdrage levert aan de identiteit en kwaliteit van de specifieke plek. Kader De gemeente wil de ruimtelijke kwaliteit en diversiteit van ons landschap en de dorpen onderbouwd ontwikkelen, verbeteren en indien nodig transformeren. Algemeen geaccepteerd is de omschrijving van de bouwstenen van ruimtelijke kwaliteit: Ruimtelijke kwaliteit = gebruikswaarde + belevingswaarde + toekomstwaarde.

Landschappelijke kwaliteit De gemeente houdt rekening met de landschappelijke inpassing zoals typische kenmerken van de streek, de ontwikkelingsgeschiedenis, schaal, maat, functionaliteit, ruimtelijke opbouw, samenhang en verschijningsvorm van de directe omgeving en met de inpassing in de wijdere omgeving. Kader In ieder geval gelden deze uitgangspunten: − Hollands Kroon is en blijft een agrarische gemeente wat betekent dat voor het buitengebied het agrarisch belang zwaarwegend is. − Een aantrekkelijk en afwisselend gebied voor recreanten en toeristen. − Landschappelijke verschillen en overgangen worden behouden en waar mogelijk versterkt, cultuurhistorische waarden worden gekoesterd. − Bij maatwerk voor grootschalige projecten (groter dan 2 hectare) kunnen, indien dit voor landschappelijke inpassing wenselijk is, voorschriften worden opgelegd met betrekking tot de erfbeplanting.

Wonen De gemeente gaat voor een gezonde woningvoorraad en verlegt de focus op kwaliteit in plaats van kwantiteit. De eerste stap naar sturing van de woningbouw is gezet in de

22

lokale woonvisie. Hierin is gereageerd op de veranderde woningbehoefte. De tweede stap is het proces om in de Kop van Noord-Holland gezamenlijk te komen tot regionale kwantitatieve en kwalitatieve woningbouw afspraken tot 2020. Vanuit het volle bewustzijn dat het maken van afspraken meer is dan afstemmen alleen. De keuzes die in de woonvisie zijn gemaakt, vormen de input in dat proces. Deze tweede stap is afgerond op 28 oktober 2015.

Kader De lokale woonvisie is deels nader uitgewerkt in het Kwalitatief woningbouwprogramma van de Kop (KwK). Hierdoor vervallen de gestelde kaders voor de lokale regievoorraad (inclusief selectiemodel). De volgende aspecten blijven gelden: − Proeftuin ‘ontslakken’ & ‘flexibele bestemmingsplannen’, − Proeftuin ‘leegkomende locaties’, − Gezamenlijk krachtenbundeling voor goede kwaliteit van woningen, − Bewustwordingscampagne ‘veilig en comfortabel thuis wonen’ voor senioren. En de volgende richtinggevende keuzes: − Van verzorgingsstaat naar zelfredzame burgers naar samen redzaam, − Gaan voor ruimte en betaalbaarheid, − Ruimtelijke kwaliteit centraal, − Facilitair grondbeleid. Kader Ruimte voor kwalitatief hoogwaardig wonen en leven is een speerpunt. Om deze reden creëert de gemeente condities voor goede, gedifferentieerde woon- en leefmilieus. Ambitie De gemeente wil de meest aantrekkelijke woon- en leef gemeente van Noord-Holland Noord worden. Hiervoor wordt er ruimte geboden aan vernieuwend en innovatief bouwen. Daarnaast wordt er uitgegaan van betrokkenheid van bewoners bij de inrichting van de woon- en leefomgeving. De bewustwording van de noodzaak in verandering in denken en doen heeft geresulteerd in een regionale aanpak.

23

De gemeente heeft samen met de regiogemeenten (Den Helder, Schagen en Texel) regionale kaders gesteld voor de kwantiteit van woningbouw. Deze kaders volgen uit een kwalitatieve (regionale) benadering en zullen regionaal geactualiseerd worden indien nodig. Gelet op de groeiende werkgelegenheid in de regio, zal vanaf 2020 het Kwalitatief woningbouwprogramma van de Kop (KwK) moeten voorzien in een groeiend woningaanbod. De gemeente Hollands Kroon zal daardoor qua inwonertal groeien en dit komt de leefbaarheid en het voorzieningenaanbod ten goede. Ambitie Niet krimp, maar groei is de toekomst voor Hollands Kroon. De inzet voor regionaal overleg over het Kwalitatief woningbouwprogramma van de Kop (KwK) vanaf 2020 is een substantiële groei van het aantal inwoners tot circa 55.000 in 2030. Binnen de Kop van Noord-Holland werken de gemeenten samen in De Kop Werkt. Havenontwikkeling, Aansluiting Onderwijs Arbeidsmarkt en Toeristische Ontwikkeling zijn daarbij de speerpunten. De samenhang er tussen is uitgewerkt in een Regionaal Ambitiedocument. Hierin is ook aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie wil hier via het deelprogramma Groen in De Kop substantieel in mee-investeren.

Uitwerking De gemeente sluit in het woningbouwbeleid aan bij de uitgangspunten van het ambitiedocument en houden daarbij de mogelijkheid open dat de woningvoorraad gelijke tred houdt bij de regionale ontwikkelingen op het gebied van economie en werkgelegenheid. Hollands Kroon is een plek voor nieuwe woonvormen. In deze woonvormen, die variëren in grootte, zie je combinaties van families die elkaar opzoeken, maar ook willekeurige mensen die elkaar vinden en voor elkaar willen zorgen. Beoordeling en conclusie Het voorliggende plan doet geen afbreuk aan de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten. Tevens gaat het om een typisch voorbeeld van lokaal, relatief klein, zelfstandig ondernemerschap, passend in de omgeving, dat bestendigd wordt. Tevens wordt op bescheiden wijze invulling gegeven aan de woningopgave. Het initiatief past daarmee binnen de Omgevingsvisie. 3.5.2

Parkeerregels Hollands Kroon 2018 In dit beleidsdocument worden parkeerregel gesteld ten aanzien van de benodigde parkeerbehoefte, die in beginsel op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Zoals

24

aangegeven, in paragraaf 1.3, hebben de parkeerregels rechtstreekse juridische werking gekregen via het bestemmingsplan Parkeren en Wonen. Uitgaande van de parkeerregels, kan uitgegaan worden van een parkeernorm van 2parkeerplaatsen per woning. Het plan voldoet zodoende aan de Parkeerregels. 3.5.1

Woonvisie Hollands Kroon (concept, 2024) De (concept) woonvisie rust op vier pijlers. Beschikbaarheid, betaalbaarheid, duurzaamheid en wonen, zorg en welzijn. Het vorig jaar gehouden woonbehoefteonderzoek laat zien dat er naast arbeidsmigranten en landelijke opgaven als statushouders en Oekraïners veel instroom is vanuit de randstad en de grotere gemeenten in de regio. Dat maakt dat Hollands Kroon voor 2030 maar liefst 3200 woningen wil realiseren. Woning en zorg Door de toestroom richting Hollands Kroon, het woningtekort en de stijgende rente kunnen veel inwoners van Hollands Kroon maar moeilijk een woning vinden. Daarnaast zijn er veel senioren die zich oriënteren op een beter bij hun levensfase passende woning. Verder zijn er senioren die op zoek zijn naar een woning die gecombineerd kan worden met het verkrijgen van zorg. De woonvisie wordt daarom ook ingezet als bouwsteen van de nog op te zetten gemeentelijke woonzorgvisie. “Het gaat namelijk ook om de leefbaarheid van dorpen”, aldus Wethouder Mark Versteeg. “Woningen bouwen is niet alleen stenen stapelen, we proberen gemeenschappen te bouwen waarmee ook de faciliteiten in kleine dorpen overeind kunnen blijven.

Oud worden in je eigen dorp hoort daar ook bij, dus moeten we zorgen dat ook daar levensloopbestendige woningen kunnen komen.” Hollands Kroon gaat de nieuwe instrumenten primair inzetten om te zorgen dat woningen betaalbaar blijven en vaker terecht komen bij de beoogde doelgroepen. Dat betekent extra nadruk op het toevoegen van sociale huurwoningen en betaalbare koopwoningen. Als dit wordt overgelaten aan de markt, komt het namelijk niet vanzelfsprekend goed. Het bouwen van meer ruime gezinswoningen, worden wel beter door de markt opgepakt. Ontwikkelaars vragen daarom om minder sturing en aandacht in deze woonvisie, maar blijven wel onderdeel van het bouwprogramma. Beoordeling en conclusie De nieuwe woning geeft invulling aan de wonoingbehoefte en worden gasloos gebouwd en volgens de regels met betrekking tot duurzaamheid die gelden. Er wordt een bijdrage geleverd aan de woningopgave en de woning wordt bovendien betaalbaar. Daarmee past de ontwikkeling binnen de Woonvisie.

3.5.2

Welstandsnota Hollands Kroon Op 23 december 2013 heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon de Welstandsnota Hollands Kroon vastgesteld. In deze nota is aangegeven welke welstandsregels binnen de gemeente gelden. Het welstandsbeleid is bedoeld om de balans tussen ruimtelijke kwaliteit van de gemeente en de doelstelling van minder regels goed onderbouwd te borgen.

25

Beoordeling en conclusie Het voorliggende plangebied ligt in welstandsvrij gebied. De initiatiefnemer is zelf grotendeels verantwoordelijk voor de uiterlijke verschijningsvorm van het bouw- of verbouwplan. Het plan moet wel voldoen aan de planologische toetsing en bouwtechnische toetsing. Op voorhand zijn daaromtrent geen belemmeringen te verwachten.

Uitsnede kaart Welstandsgebieden uit de welstandsnota met globale aanduiding locatie (rode cirkel)

26

4

Milieu- en omgevingsaspecten

4.1

Milieu-aspecten

4.1.1

Milieueffectrapportage (m.e.r.) Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Beoordeling en conclusie Het plan voorziet in het realiseren van één woning. Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in bijlage V (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt namelijk bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 2.

Uit verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In dit plan neemt het verhard oppervlak niet in grote mate toe ten opzichte van de bestaande situatie (zie paragraaf 2.2) en mede gezien de geringe planomvang is geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject en daarom is geen vormvrije m.e.r beoordeling noodzakelijk. M.e.r.-plicht op grond van natuurbescherming Een M.e.r plicht kan ook ontstaan vanwege wet- en regelgeving omtrent natuurbescherming.

Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden 2 ECLI:NL:RVS:2022:2394

27

(Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Nu het plangebied niet is gelegen binnen beschermd natuurgebied en er ook geen effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van enig Natura 2000-gebied (zie meer in detail paragraaf 4.2.2), ontstaat er ook geen M.e.r plicht als gevolg van regelgeving omtrent natuurbescherming. 4.1.2

Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen c.q. de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering.

Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied).

28

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid is als gemengd gebied te typeren. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Milieucategorie

Richtafstand woonomgeving in meters

Richtafstand gemengd gebied in meters

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

In beginsel dient te worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het omgevingsplan, er dient tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is3. Blijkens meerdere jurisprudentie mag echter ook uitgegaan worden van de representatieve mogelijkheden van het bestemmingsplan 4. De maximale mogelijkheden worden dan bepaald door de huidige, feitelijke situatie. Zo kan van het bestaand gebruik blijkens een uitspraak van de Raad van State worden uitgegaan als verandering van het bestaand agrarisch gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk dat de raad in redelijkheid geen rekening heeft hoeven houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden5. In deze uitspraak van de Raad van State is er sprake van een melkveehouderij, ten behoeve waarvan recent nog een nieuwe ligboxenstal is gebouwd, en geen concreet voornemen kenbaar is gemaakt om de veehouderij te staken of de bedrijfsvoering ervan ingrijpend te wijzigen. Dit oordeel is in lijn met de uitspraak ABRS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, r.o. 36.2.

3 ECLI:NL:RVS:2014:1173 4 ABRS 26 september 2012, nr. 201206937/1/R1 en 20120693/2/R1, r.o. 4.2. en Vz. ABRS 5

november 2010, nr. 201007744/2/R1, r.o. 2.7.5 5 ECLI:NL:RVS:2018:3131

29

Daarmee wordt dus het huidig gebruik bepalend en hoeft niet gekeken te worden naar de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Er wordt uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Ook wordt in dit verband gewezen op een uitspraak van 4 april 2012, ABRS 4 april 2012, nr. 201004316/1/R1 welke betrekking op een nieuw te realiseren bedrijventerrein. De Afdeling overweegt dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek uit is gegaan van een invulling van het bedrijventerrein met bedrijven in milieucategorie 3.1 en 3.2. Zij is van oordeel dat niet tevens rekening hoefde te worden gehouden met bedrijven in milieucategorie 4.1. Weliswaar kunnen volgens de Afdeling met ontheffing categorie 4.1-bedrijven op Distriport worden gerealiseerd, maar kunnen tevens bedrijven in een lagere milieucategorie dan 3.1 worden gevestigd. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitonderzoek een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden als uitgangspunt is genomen.

Uit deze uitspraak tenslotte, volgt ook dat uitgegaan mag worden van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, zijnde de feitelijke situatie in combinatie met concrete plannen, als het gaat om het beoordelen van de geluidseffecten van een bedrijventerrein in relatie tot woningbouwontwikkeling. I.c zijn de geluidseffecten van de feitelijke situatie van enkele bedrijven in milieucategorie 3.1 berekend, terwijl het bestemmingsplan maximaal milieucategorie 3.2 toestaat (ECLI:NL:RVS:2020:717). Beoordeling en conclusie De locatie is gelegen in het dorp ’t Veld, waar de woonfunctie domineert. Het gebied is als rustig te typeren. Er zijn in de omgeving geen hinderveroorzakende functies aanwezig en omgekeerd gaat van een woning geen overlast uit. Het onderwerp bedrijven en milieuzonering werpt geen belemmeringen op. 4.1.3

Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor

30

nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde. Groepsrisico Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt.

Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=ffbddb48-0a6a-4fb0-a324-ed1f051df879