1. GoFlo Verlaat 24a
Tekst van het document
Voor de omliggende particuliere woningen geldt dat er geen sprake is van een belemmering van de toekomstmogelijkheden, omdat de woonfunctie overeenstemt met de overige woningen in de nabijheid van de planlocatie. Conclusie: De ontwikkeling van het plan heeft geen negatief effect op de milieuzonering van het naastgelegen bedrijf en woningen.
5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op een archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische kaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en cultuurhistorische zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Archeologie West-Friesland heeft voor de gehele gemeente Hollands Kroon een beleidskaart archeologie vervaardigd. Uit deze kaart blijkt dat voor de planlocatie een middelhoge verwachting is op het voorkomen van archeologische waarden. Bij het realiseren van bouwwerken met een oppervlakte van 2.500 m² en een ontgravingsdiepte van meer dan 40 centimeter is het noodzakelijk om een archeologisch onderzoek uit te voeren. Bij de bouw van de nieuwe woning wordt er een bouwwerk toegevoegd met een veel kleinere oppervlakte en de verwachting is dan ook dat er geen archeologische waarden worden geschaad. Voor de cultuurhistorische waarden geldt dat er geen wijzigingen worden aangebracht aan de bestaande verkaveling of het slotenpatroon. Dit betekent dat de bestaande cultuurhistorische waarden zijn gewaarborgd.
In het BKP is aangetoond dat de bouw van de nieuwe woning passend is binnen het landschap en de kernwaarden behouden blijven. Conclusie: Het onderdeel archeologie, cultuurhistorie en landschap staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
27
5.13 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89, onder i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89, onder k Bkl, artikel IIIa, onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Voor de ontwikkeling van de woning is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Uit dit onderzoek blijkt dat: Grond In de bovengrond zijn geen verhogingen aangetoond. In de ondergrond is een lichte verhoging met molybdeen aangetoond. Grondwater In het grondwater zijn geen verhogingen aangetoond. Hergebruik en CROW400 Indien getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de boven- en ondergrond indicatief aan bodemkwaliteitsklasse altijd toepasbaar. Conform de CROW400 zijn geen aanvullende veiligheidsmaatregelen van toepassing indien gegraven wordt in de bodem.
Eindconclusie Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese onverdacht te worden geaccepteerd. Gezien de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. Met onderliggend bodemonderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen nieuwbouw Conclusie: Het onderdeel bodem staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg. Op basis van de beschikbare informatie blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik.
5.14 Weging van waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
28
Voor de ontwikkeling van het plan is een wateradvies gevraagd bij Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (bijlage 6). Verharding Conform het tijdelijke omgevingsplan is het mogelijk om maximaal 270 m² aan bouwwerken aan te brengen (maximale oppervlakte per woning is 120 m² en bijgebouwen is 150 m²). HHNK heeft het beleid dat bij een verhardingstoename van meer dan 800 m² compenserende waterberging moet worden gegraven. Dat is bij dit plan niet aan de orde. Voor de verharding van de uitrit en parkeerplaatsen wordt een open verharding toegepast met een onderliggend zandbed, zodat hemelwater in de bodem infiltreert en niet versneld wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Op de planlocatie is sprake van een klimaatadaptieve inrichting. Waterkwaliteit Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd en worden geloosd op de waterlopen. Tenslotte wordt wel geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen, zoals zink, lood en koper zoveel mogelijk te voorkomen. Hemelwater en huishoudelijk afvalwater dienen gescheiden te worden aangeboden. Voor de aansluiting van de woning op de riolering wordt contact gezocht met de rioolbeheerder, in dit geval de gemeente Hollands Kroon.
Conclusie: Bij de ontwikkeling van het plan wordt het waterbelang niet geschaad.
29
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt uitgegaan van de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt (tijdelijk omgevingsplan). De ontwikkeling van het plan betreft een particulier initiatief. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan worden vastgelegd. Wordt een omgevingsvergunning verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt? Zo ja, in dat geval is artikel 4.5 Awb van toepassing. In de overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is bepaald dat eventuele nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer zal komen.
30
7.
Belangenafweging en conclusie
7.1
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Met andere woorden is er – na een zorgvuldige belangenafweging – met het toestaan van de activiteit nog steeds sprake van een evenwichtige toedeling? Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de ontwikkeling van het plan op beide planlocaties, zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten nader onderzocht en afgewogen.
7.2
Participatie
De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie. Daarmee kunnen overheden namelijk op tijd belangen, meningen en creativiteit op tafel krijgen. De wet zegt over participatie: het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. In de Omgevingsregeling is een aanvraagvereiste participatie opgenomen. De initiatiefnemer moet aangeven of en zo ja, hoe hij aan participatie heeft gedaan. En wat de resultaten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. De initiatiefnemer voor het plan is eigenaar van het bedrijf aan de noordzijde en is woonachtig in de woning op Verlaat 24. Het plan voor de ontwikkeling van de woning is besproken met de bewoners van de naastgelegen woning op Verlaat 26 en 30. Zij hebben aangegeven akkoord te zijn met de realisatie van de woning. De participatieprocedure en de reacties zijn opgenomen in het participatieverslag (bijlage 7).
7.3
Adviesrecht gemeenteraad
De gemeenteraad kan onder de Omgevingswet adviseur zijn voor aanvragen omgevingsvergunning voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit adviesrecht geldt alleen voor aanvragen in gevallen die vooraf door de raad zijn aangewezen als situaties waarover men wenst te adviseren (artikel 4.21 Omgevingsbesluit). Het advies van de gemeenteraad is bindend: bij een negatief advies zal het college van burgemeester en wethouders de vergunning moeten weigeren. De gemeenteraad van Hollands Kroon heeft in een besluit aangegeven dat voor de realisatie van één woning geen bindend advies nodig is.
31
7.4
Vaststellingsprocedure
De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. Op de verleende omgevingsvergunning kan bezwaar ingediend worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.5
Conclusie
Op de planlocatie een toekomstgerichte ontwikkeling plaats. Met het toevoegen van een woning aan het bestaande woningareaal wordt tegemoetgekomen aan een grote de behoefte op de woningmarkt. Dit is een gewenste ontwikkeling. De woning worden gerealiseerd in de dorpskern van het Verlaat, dicht bij de vele voorzieningen van Oude- en Nieuwe Niedorp en Winkel. Een groei van het aantal inwoners zorgt er mede voor dat deze voorzieningen in de toekomst in stand kunnen worden gehouden. Door de nieuwe woning aan te laten sluiten bij het bestaande bebouwingslint is er sprake van een versterking van het lint, terwijl tegelijkertijd de ruimtelijke kwaliteit is gewaarborgd. Voor de ontwikkeling van het plan zijn de aspecten voor de fysieke leefomgeving en het milieu beschouwd en hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.
32