CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

1. GOFLO Het Kippenhok geredigeerd

Raad 18 december 2025, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Raadsvoorstel bindend advies oprichten pluimveebedrijf Oudelanderweg Middenmeer (onder voorbehoud) (afhankelijk van besluit in het oordeelvormende gedeelte)26.491 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

16 

motorcrossterrein een geluidmeting uitgevoerd op de locatie van de meest dichtbijzijnde gevel van de beoogde bedrijfswoning aan de Oudelanderweg ongenummerd. De achtergrondbelasting van geluid, komend van de omliggende wegen, is tevens ook meegenomen. De uitkomsten zijn in de onderstaande figuur 5-6 afgebeeld:

Figuur 5-6: achtergrondgeluid op de Oudelanderweg ongenummerd

Zoals blijkt uit de bovenstaande figuur is het daggemiddelde vastgesteld op 45 dB(A) op de gevel van de bedrijfswoning, zoals benoemd betreft dit het geluid van het motorcrossterrein én de wegen. Bovendien is de maximale geluidbelasting vastgesteld op 58 dB(A) LAmax, waarmee er ruimschoots onder het toegestane maximum zoals bedoeld in tabel 5.56.1 Bkl wordt gebleven. Verder is uit de bovenstaande figuur op te merken dat de bijdrage van het weggeluid (Weg_Dag) een zeer significante bijdrage levert aan de geluidbelasting, hier kan uit worden afgeleid dat het weggeluid het geluid van de motorcross grotendeels overschaduwt. Verder worden er in de aanleg van de motorcrossterrein verscheidene geluidbeperkende maatregelen genomen, zoals geborgd in bijlage 1 van het ontwerpbestemmingsplan. Echter zijn hier veel verschillende opties opgenomen. Zodoende is er voor de realisatie van onderhavig initiatief overleg met de initiatiefnemers van het motorcrossterrein, hiermee worden de specifieke maatregelen ten behoeve van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning afgestemd. Zo wordt een acceptabel geluidniveau geborgd met de toepassing van

 17

een aardewal van 9,5 meter, zoals blijkt uit bijlage 1 van het ontwerpbestemmingsplan Geluidzone motorcrossterrein Middenmeer. Geluid door pluimveehouderij (Oudelanderweg 53) Ten oosten van de nieuwe bedrijfswoning is een pluimveehouderij gevestigd. Ten behoeve van de nieuwe bedrijfswoning dient onderzocht te worden of de nieuwe bedrijfswoning voldoet aan de maximale grenswaarden voor geluid afkomstig van het aangrenzende pluimveebedrijf Voor de oprichting van de bedrijfswoning is een onderzoek industrielawaai opgesteld door G&O cunsult, zie bijlage 6. De conclusie van het rapport luidt als volgt: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde van de vast opgestelde installaties wordt met de representatieve bedrijfssituatie van het naastgelegen bedrijf overschreden ter hoogte van de beoogde bedrijfswoning gedurende de avond- én nachtperiode. Het maximale beoordelingsniveau van 70 dB(A) etmaalwaarde wordt met de representatieve bedrijfssituatie overschreden ter hoogte van de beoogde bedrijfswoning gedurende de nachtperiode. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde betreffende de “Bedrijven en Milieuzonering” wordt met de representatieve bedrijfssituatie van het naastgelegen bedrijf niet overschreden ter hoogte van de beoogde bedrijfswoning.

Het maximale beoordelingsniveau van 70 dB(A) etmaalwaarde wordt met de representatieve bedrijfssituatie overschreden ter hoogte van de beoogde bedrijfswoning gedurende de nachtperiode. Met inachtneming van de maatregelen en opmerkingen genoemd in hoofdstuk 6.2, 6.3 6.4 én 6.5 is ter hoogte van de beoogde bedrijfswoning sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat én wordt de nabij gelegen pluimveehouderij niet in hun mogelijkheden belemmerd. De geluidbelasting bij de beoogde bedrijfswoning heeft bij de oostelijke gevel een dermate hoge geluidsbelasting dat een standaard karakteristieke geluidwering van geveldelen (GA;k) van 20 dB niet afdoende is om een binnenwaarde van 33 dB, volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving, Artikel 4.103, te waarborgen. Zie hoofdstuk 6.3 voor de benodigde gevelwering. Geluid door pluimveehouderij (Oudelanderweg ongenummerd) Verder is het relevant om te beoordelen of de geluidsproductie vanaf de Oudelanderweg ongenummerd voldoet aan de geluidsnormen. Ter beoordeling hiervan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door G&O Consult, deze wordt navolgend uiteengezet. In opdracht van de initiatiefnemer is door G&O Consult een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het bedrijf gelegen aan de Alkmaarseweg ongenummerd te Middenmeer.

Op basis van de inventarisatie van de activiteiten bij de eigenaar is, zover noodzakelijk, een geluidsmodel opgezet waarbij het langtijdgemiddelde geluidsniveau, het maximaal geluidsniveau en de indirecte hinder is beoordeeld.

18 

Het onderzoek heeft als doel het bepalen van de toekomstige geluidsbelasting op omliggende geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen van derden, als gevolg van de aangevraagde bedrijfsactiviteiten. De resultaten zijn vervolgens getoetst aan de gestelde eisen van het omgevingsplan van de gemeente Hollands Kroon. Navolgend zijn de onderzoeksresultaten opgenomen, zie ook bijlage 7: “Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde in de representatieve bedrijfssituatie, van enkel vast opgestelde bronnen, wordt niet overschreden. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde wordt in de representatieve bedrijfssituatie, van het gehele bedrijf tevens niet overschreden. Voor wat betreft het maximaal geluidsniveau, hier wordt op alle rekenpunten voldaan aan de grenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde. Ten tijde van de regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie, afvoer vleeskuikens, vinden overschrijdingen plaats van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter hoogte van de gevels van de omliggende geluidsgevoelige objecten met ten hoogste 6 dB én van het maximaal geluidsniveau met ten hoogste 8 dB. Het pluimveebedrijf aan de Alkmaarseweg ong. te Middenmeer zal zich direct ontsluiten via de Oudelanderweg/Alkmaarseweg naar de Alkmaarseweg (N242). Dit betreft een doorgaande weg met een maximum snelheid van 80 km/uur.

Gelet op het beperkt aantal voertuigen dat de inrichting bezoekt mag verondersteld worden dat het verkeer direct opgaat in het heersende verkeersbeeld van de N242. Derhalve is de indirecte hinder niet nader beschouwd in dit onderzoek.” In het bovenstaande citaat wordt gesproken over een regelmatige afwijking, dit betreft de activiteit “afvoer vleeskuikens” in de nachtperiode. Verzocht wordt om deze activiteit te vergunnen als “Regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie” voor ten hoogste 1 keer per week. Op basis van het rapport in bijlage 7 wordt de geluidsituatie als vergunbaar geacht. 5.4.4

Cumulatie

Indien geluidgevoelige bestemmingen geprojecteerd worden in zones van meerdere geluidbronnen, moet rekening worden gehouden met het effect van de gecumuleerde geluidbelasting (art. 110f Wgh). Door de verzoeker dient middels akoestisch onderzoek de gecumuleerde geluidbelasting (Lcum) in beeld te worden gebracht. De gemeente stelt zich op het standpunt dat een gecumuleerde geluidbelasting nog acceptabel is als deze niet meer dan 3 dB hoger is dan de te verlenen hogere waarde. Conform artikel 1.5 van het Besluit geluidhinder kan de gemeente alléén hogere waarden vaststellen indien cumulatie van verschillende geluidsbronnen niet leidt tot onaanvaardbare geluidsbelastingen. Daarbij houdt zij tevens rekening met te treffen maatregelen. In deze berekening is de geluidsbelasting vanaf de wegen en het industrielawaai afkomstig van de pluimveehouderij aan de Oudelanderweg 53 gecombineerd. Het geluid afkomstig van het

 19

motorcrossterrein is hierin niet meegenomen omdat uit het akoestisch onderzoek van het motorcross terrein blijkt dat het weggeluid het geluid van het motorcrossterrein grotendeels overschaduwt. Ook is het geluid afkomstig van het eigen pluimveebedrijf hierin niet meegenomen omdat de bedrijfswoning niet beschermd wordt tegen geluid afkomstig van het bijbehorende bedrijf. De cumulatieberekening van het wegverkeer industrielawaai afkomstig van het naastgelegen pluimveebedrijf is onderdeel van het akoestisch onderzoek voor de nieuwe bedrijfswoning dat is opgesteld door G&O consult, zie bijlage 6. De conclusie van het rapport luidt als volgt: De waarde van de gecumuleerde geluidbelasting (industrielawaai én wegverkeerlawaai) is weergeven in hoofdstuk 5.6 van onderhavig rapport. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de gecumuleerde geluidbelasting (Lcum) ten hoogste 53 dB bedraagt. Voor een agrarische bedrijfswoning is de te verlenen hogere waarden ten hoogste 58 dB, derhalve kan geconcludeerd worden dat de gecumuleerde geluidbelasting de maximale hogere grenswaarde +3 dB niet overschrijdt en de gecumuleerde waarde als acceptabel wordt geacht. Uit de gecumuleerde rekenresultaten blijkt ter plekke nabij gevels van de beoogde woning (tabel 5.6) over het algemeen een redelijk geluidsniveau heerst.

Derhalve kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk woon- en leefklimaat nabij de buitenruimtes. Hierdoor kan worden verondersteld dat het aspect geluid een Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) niet in de weg staat. Op basis van het bovenstaande kan er worden geconcludeerd dat het aspect geluid door activiteiten en wegen geen belemmering vormt voor de realisatie van de bedrijfswoning ter plaatse van de Oudelanderweg ongenummerd (n.t.o.).

BODEMKWALITEIT In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op een bodemgevoelig gebouw. Een bodemgevoelig gebouw wordt in artikel 5.89g van het Bkl beschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Op basis van deze beschrijving valt de te realiseren bedrijfswoning onder een bodemgevoelig gebouw. Onder artikel 5.89i, lid 1, is bepaald dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van deze waarden wordt er rekening gehouden met de interventiewaarden voor de bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA Bal (artikel 5.89j, lid 1, Bkl). Een omgevingsplan kan echter hogere waarden bevatten dan deze waarden, zoals geborgd in artikel 5.89j, tweede lid. Artikel 5.89j, derde lid, bepaalt verder dat de grenswaarde voor de bodemkwaliteit per bodemgevoelige locatie moet worden berekend.

Als in een omgevingsplan is bepaald dat het is verboden om zonder omgevingsvergunning een

20 

bouwwerk te bouwen, worden in het omgevingsplan regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde (zoals bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid) alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Verder bepaalt artikel 5.89ka, tweede lid onder a, dat er een voorafgaand bodemonderzoek, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 Bal, moet worden bijgeleverd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Artikel 5.7a, eerste lid, Bal borgt bovendien dat, bij het verrichten van een activiteit zoals bedoeld in hoofdstuk 3 of 4 Bal, een vooronderzoek bodem moet worden verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen. Het vooronderzoek moet voldoen aan NEN 5725 (artikel 5.7a, lid 2). Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een vooronderzoek bodem conform NEN 5725 uitgevoerd, deze is bijgevoegd in bijlage 8 bij deze GOFLO. Het rapport concludeert het volgende: “De gemeten concentraties vormen geen gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.

Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, onzes inziens, op milieuhygiënische gronden geen beperkingen tegen de voorgenomen realisatie…” Concluderend vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor onderhavig initiatief. TRILLINGEN Onder paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl wordt ingegaan op trillingen. Deze paragraaf is van toepassing op het toelaten van (artikel 5.79 Bkl): a. op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Verder is de paragraaf niet van toepassing op verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen (artikel 5.97, lid d). Voor onderhavig initiatief wordt de bedrijfswoning via artikel 5.80, eerste lid, onder a, als een trillinggevoelig gebouw aangewezen. De bedrijfswoning wordt echter niet beschermd voor de trillingen door de agrarische activiteiten binnen het eigen bedrijf, zo volgt uit artikel 5.84.

Zoals blijkt uit het akoestisch rapport in bijlage 5 is het, gezien de aard van de geluidsbronnen en de afstand van de bronnen tot aan de beoordelingspunten, niet te verwachten dat op de beoordelingspunten sprake zal zijn van trillinghinder of een laagfrequent geluid. Verder wordt met het initiatief voorzien in beperkende maatregelen omtrent lawaai, isolatie, afscherming en trilling-isolatie. De activiteiten worden bovendien waar mogelijk afgeschermd door de aanwezige bebouwing. Het eigen materieel wordt in goede staat onderhouden in verband met de continuïteit van de bedrijfsvoering. Er worden geen installaties voorzien die trillinghinder kunnen veroorzaken.

 21

Concluderend vormt het aspect ‘trillingen’ geen belemmering voor onderhavig initiatief. KABELS EN LEIDINGEN In verband met onder andere graafschade moet er bij bouwprojecten worden vastgesteld of de aanwezigheid van kabels en / of (buis)leidingen risico’s met zich meebrengen. Ook zijn bijvoorbeeld elektriciteitskabels voor het hoog- en middenspanningsnet langs het spoor aangewezen (artikel 9.20 Bal). Om te bepalen of er sprake is van enige belemmering voor onderhavig initiatief, door de aanwezigheid van kabels en leidingen, moet de afstand tot de dichtstbijzijnde kabels en leidingen worden bepaald. In figuur 5-7 op de volgende pagina zijn deze kabels en leidingen ten opzichte van de Oudelanderweg ongenummerd gevisualiseerd. Onderhavig bedrijf is rood omkaderd.

Figuur 5-7: buisleidingen en kabels rondom het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving); rood vlak = indicatief plangebied

De buisleidingen op deze kaart zijn weergegeven vanuit Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Het REV is bedoeld om burgers en bedrijven informatie te bieden, zodat zij zich een beeld kunnen vormen van de risico’s van activiteiten met externe veiligheidsrisico’s in hun omgeving. Naast het bieden van informatie aan derden is het register van belang voor een deugdelijke besluitvorming over vooral omgevingsvergunningen en omgevingsplannen. Voor graafwerkzaamheden geldt de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon). Voor onderhavig initiatief zullen er geen graafwerkzaamheden plaatsvinden bij de buisleiding, derhalve is de Wibon niet van toepassing. Zoals blijkt uit de bovenstaande figuur 5-7, ligt het plangebied in het aandachtsgebied en het risicocontour van de buisleiding in het oosten. De gemeente kan ter plaatse (van een deel) van het aandachtsgebied een voorschriftengebied aanwijzen in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. In het omgevingsplan is geen voorschriftengebied

22 

aangewezen. Het risicocontour is primair relevant voor het aanleggen van buisleidingen, en is zodoende niet relevant voor onderhavig initiatief. De beoogde ontwikkeling ligt op zodanig grote afstand van de buisleidingen dat er voor het aspect (buis)leidingen geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Zoals blijkt uit bovenstaande kaart in figuur 5-7, zijn er geen kabels in de buurt van het plangebied. Kabels en leidingen hinderen onderhavig plan concluderend niet. EXTERNE VEILIGHEID Met de invoering van de Omgevingswet is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ingetrokken, omdat de inhoud van dit besluit is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen is gebaseerd op artikel 5.1 van de Wet milieubeheer, welke onder de Omgevingswet eveneens vervalt. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid opgenomen, die moeten worden opgenomen in een bestemmingsplan en moeten worden meegenomen bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning. In het stelsel van de Omgevingswet komen deze milieukwaliteitseisen terug als instructieregels over externe veiligheid. Deze zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Eén van de centrale doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de fysieke leefomgeving, waar het gaat om het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het Rijk gebruikt verschillende beleidsinstrumenten om omgevingsveiligheid te borgen, zo staan de algemene Rijksregels omtrent externe veiligheid in het Bal als het gaat om regels voor burgers en bedrijven en het Bkl als het gaat om instructie- en beoordelingsregels voor overheden. Dit volgt onder meer uit artikel 2.28 in juncto artikel 2.24 van de Wet. Paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de regels voor externe veiligheid. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Voor het plaatsgebonden risico van een activiteit geldt een grenswaarde van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 Bkl). Hier wordt, conform artikel 5.8 eerste lid Bkl, aan voldaan door het in acht nemen van de afstanden voor de activiteiten, aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van bijlage VII van het Bkl.

Hiervoor moet eerst worden bepaald welke omliggende activiteiten relevant zijn voor het plaatsgebonden risico aan de Oudelanderweg ongenummerd te Middenmeer. De facetten voor externe veiligheid in de omgeving zijn gevisualiseerd in de onderstaande figuur 5-8. De beoogde bedrijfslocatie is rood omlijnd.

 23

LEGENDA:

Figuur 5-8: externe veiligheid in de omgeving van het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving); rood vlak = indicatief plangebied

Zoals blijkt uit de bovenstaande figuur 5-8, zijn er, naast de reeds besproken contouren en aandachtsgebieden van de buisleiding, geen relevante facetten voor externe veiligheid aanwezig in het plangebied. De aanwezige aardgasbuisleidingen zorgen er wel voor dat het plan in het aandachtsgebied van deze buisleidingen ligt. Het bijbehorend incident scenario is een fakkelbrand met de hogedruk aardgasbuisleiding, waarbij de hittestraling zo hoog is dat één of meerdere stallen in brand gaan. Het scenario secundaire brand houdt in dat de hittestraling zo hoog is dat de brandweer niet kan inzetten. Pas nadat de fakkelbrand kleiner is geworden door de afnemende druk in de buisleiding, ontstaat de mogelijkheid voor inzet van de brandweer. Voor bevorderen van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn aanvullende maatregelen nodig die risicogericht en daarmee niet wettelijk verplichtend. Initiatiefnemer gaat samen met de gemeente en de veiligheidsregio het gesprek aan over de mogelijke scenario’s, risico’s en de risico verlagende maatregelen. De situatie voor het beperkt kwetsbare gebouw, zijnde de bedrijfswoning, op de bedrijfslocatie is acceptabel op basis van paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl. In de omgeving zijn verscheidene windturbines aanwezig met een risicocontour van een plaatsgebonden risico van 10-6.

Ten oosten van het bedrijf ligt een opslagtank voor propaan en een opstelplaats voor een voertuig, beiden voorzien van een risicocontour van PR 10-6. Deze liggen op zodanig grote afstand dat deze onderhavig initiatief niet belemmeren. Naast het plaatsgebonden risico is het groepsrisico ook relevant. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval. Dit geldt voor kwetsbare gebouwen en locaties binnen een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. De gemeente

24 

moet in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico, zo volgt uit artikel 5.15 Bkl. Zoals geborgd in artikel 5.15, lid 2, onder b, waarborgt het omgevingsplan bij een kwetsbaar object dat dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de hervestiging van een pluimveehouderij met ondersteunende activiteiten en voorzieningen. De ontwikkeling voorziet ook in de realisatie van milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s (opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines), zoals genoemd in bijlage VII van het Bkl. Binnen de bedrijfslocatie zullen de volgende opslagvoorzieningen aanwezig zijn: ➢ Dieselolietank (volgens PGS 30): 2.000 L ➢ Propaangastank (incl. inhoud volgens PGS 19): 10.000 L ➢ Opslag afgewerkte olie in vat in lekbak: 200 L ➢ Opslag zuur in IBC: 3.000 L (3x) Wat betreft de bovengenoemde voorzieningen worden de afstanden aangehouden zoals bedoeld in bijlage VII Bkl en hoofdstuk 4 Bal. Hiermee wordt onder meer voldaan aan paragraaf 5.1.2.2 van het Bkl, ingaande op de veiligheid rond opslag van gevaarlijke stoffen.

De bedrijfslocatie wordt dan ook voorzien van de relevante aandachtsgebieden en de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar wordt in acht genomen. Voor onderhavig initiatief is advies ingewilligd van de brandweer en de veiligheidsregio NHN en zijn afspraken gemaakt over de goede beperking van risico’s. Er wordt rekening gehouden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, maar ook om deze te beperken en te bestrijden. Op basis van het voorgaande kan er worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde situatie. NATUURBESCHERMING De natuurbescherming bestaat uit twee onderdelen, namelijk de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. Sinds 1 januari 2024 is de omgevingswet in werking getreden. Onder de omgevingswet is sprake van een vergunningplicht voor de ‘Natura 2000-activiteit’ (een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied) en een ‘Flora- & Fauna activiteit’ (een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten). Inhoudelijke gezien zijn er weinig wijzigingen ten opzichte van het oude recht. Procedureel is er wel een wijziging doorgevoerd, er is geen sprake meer van onlosmakelijke samenhang tussen verschillende vergunningplichtige activiteiten.

“In de Omgevingswet is de eis voor één aanvraag voor onlosmakelijk samenhangende activiteiten losgelaten (…). Onder de Omgevingswet is de aanvrager er dus zelf verantwoordelijk voor dat hij voor alle activiteiten die hij verricht beschikt over de vereiste vergunningen. Bovendien rust op grond van artikel 3:19 van de Awb op het bevoegd gezag

 25

de inspanningsverplichting om een aanvrager in kennis te stellen van eventuele andere op aanvraag te nemen besluiten die ook nodig zijn met het oog op de activiteiten die hij wil verrichten” (ingekort citaat uit Aanvullingsbesluit Natuur (3.3)). Voor de BOPA moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en hiervoor moet o.a. zijn voldaan aan rijks- en provinciale instructieregels (art. 8.0a, lid 2 en 8.0b-e Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). In hoofdstuk 5 van het Bkl staan geen instructieregels over natuur en in de Omgevingsverordening zijn deze ook niet opgenomen. Derhalve is het niet noodzakelijk om in de BOPA uit te werken of aan de voorwaarden voor een eventuele vergunning ‘Natura 2000-activiteit’ of Flora- & Fauna activiteit’ wordt voldaan, dit dient namelijk expliciet beoordeeld te worden bij de desbetreffende separate aanvraag. Procedurele wijziging onder de Omgevingswet Inhoudelijk gezien zijn er in de overgang naar de Omgevingswet weinig wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het oude recht. Procedureel is er echter wel een significante wijziging doorgevoerd: er is namelijk niet langer sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen verschillende vergunningplichtige activiteiten. Dit blijkt onder meer uit de toelichting bij de Wet (p.

162): “[…] het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wabo [is] niet overgenomen in de Omgevingswet. Procedureel wordt hiermee een aanzienlijke vereenvoudiging bewerkstelligd, waarbij een procedurele faseringsvariant geheel overbodig is. Het vervallen van het vereiste heeft geen ongewenste gevolgen. Een handeling is namelijk verboden zolang niet voor alle activiteiten die daar onlosmakelijk deel van uitmaken, een vergunning is verleend. Om bij overtreding te kunnen handhaven, is het vereiste van onlosmakelijke samenhang dus niet nodig. Een aanvrager is er zelf verantwoordelijk voor dat hij voor alle activiteiten die hij verricht beschikt over de vereiste vergunningen.” …alsmede uit de Nota van Toelichting Aanvullingsbesluit Natuur (p. 460): “In de Omgevingswet is de eis voor één aanvraag voor onlosmakelijk samenhangende activiteiten losgelaten […] Onder de Omgevingswet is de aanvrager er dus zelf verantwoordelijk voor dat hij voor alle activiteiten die hij verricht beschikt over de vereiste vergunningen. Bovendien rust op grond van artikel 3:20 van de Awb op het bevoegd gezag de inspanningsverplichting om een aanvrager in kennis te stellen van eventuele andere op aanvraag te nemen besluiten die ook nodig zijn met het oog op de activiteiten die hij wil verrichten” (ingekort citaat uit Aanvullingsbesluit Natuur, p. 460 ).

Op basis van het bovenstaande is de natuurvergunning niet onlosmakelijk verbonden aan onderhavige procedure. Voor de procedure afwijken regels omgevingsplan (BOPA-procedure) moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) en hiervoor moet o.a. zijn voldaan aan Rijks- en provinciale instructieregels (art. 8.0a, lid 2 en 8.0b-e Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). In hoofdstuk 5 van het Bkl staan echter geen instructieregels over natuur en in de Omgevingsverordening zijn deze ook niet opgenomen. Derhalve is het niet noodzakelijk om in de BOPA uit te werken of aan de voorwaarden voor een eventuele vergunning Natura 2000-activiteit of Flora- & Fauna activiteit wordt voldaan – dit dient namelijk expliciet beoordeeld te worden bij de desbetreffende separate aanvraag. Het is dus ook niet noodzakelijk dat de vergunning Natura 2000activiteit of Flora- & Fauna activiteit verleend is voordat de vergunning afwijken regels omgevingsplan

26 

verleend kan worden. In het kader van de vergunning afwijken regels omgevingsplan (BOPAprocedure) is het echter wel noodzakelijk om in te gaan op de uitvoerbaarheid. Uitvoerbaarheidstoets BOPA in relatie tot de Natura 2000-toets (vergunning ‘Natura 2000-activiteit’) Uit de rechtspraak van de Afdeling2 volgt dat bij een omgevingsvergunning afwijken regels omgevingsplan de natuurtoets in beginsel pas aan de orde komt in de procedure over de natuurvergunning, en niet in de procedure over de omgevingsvergunning afwijken regels omgevingsplan. Uit deze rechtspraak volgt ook dat burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan mogen verlenen indien en voor zover burgemeester en wethouders op voorhand in redelijkheid moeten onderkennen dat het gebiedsbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat3. Gezien de formulering van de Afdeling (‘op voorhand'; ‘in redelijkheid') is het niet vereist dat burgemeester en wethouders een uitgebreide inhoudelijke beoordeling te verrichten. Echter, in de Nota van Toelichting bij het Omgevingsbesluit staat over de uitvoerbaarheidstoets dat op het bevoegd gezag niet de taak rust om ten tijde van de vaststelling van een omgevingsplan aannemelijk te maken dat een toegedeelde functie ook daadwerkelijk zal worden verwezenlijkt.

Het gaat er alleen om dat ten tijde van de vaststelling van het omgevingsplan bezien wordt of een functie kán worden verwezenlijkt. Dat is dus minder verstrekkend dan dat de daadwerkelijke verwezenlijking van de functie op voorhand aannemelijk moet worden gemaakt4. De uitvoerbaarheid onder de Ow is niet strenger dan het oude recht. Uit het bovenstaande blijkt dat, enkel wanneer een activiteit op voorhand onuitvoerbaar is en een functie niet kán worden verwezenlijkt, de vergunning afwijken regels omgevingsplan (BOPAprocedure) geweigerd mag worden. Naast de BOPA-procedure is ook een procedure voor de natuuractiviteit aangevraagd. Dit betreft een opzichzelfstaande separate aanvraag. Onderdeel van deze natuurprocedure is een voortoets, een passende beoordeling inclusief extern salderen en een additionaliteitstoets. Uit de bijbehorende berekening (extern salderen) blijkt dat er op stikstofgevoelige gebieden geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j (voorkeursvariant). De berekening is bijgevoegd in bijlage 9. Doordat sprake is van een separate natuuraanvraag en de aanvraag bestaat uit een voortoets, passende beoordeling met extern salderen met een effect van 0,00 mol/ha/j en een additionaliteitstoets is er zicht op het verkrijgen van een natuurvergunning waardoor het initiatief niet op voorhand onuitvoerbaar is en er sprake is van Etfal voor het aspect stikstof.

Op basis hiervan dient geconcludeerd te worden dat de gewenste ontwikkeling in het kader van de Natura-2000 activiteit uitvoerbaar is en dat de BOPA-procedure voor het aspect gebiedsbescherming vergunbaar is.

2

AbRS 4 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3689. Deze uitspraak gaat over het stalsysteem met de code E5.11 Dit stalsysteem is onder de Omgevingswet omgenummerd naar HE5.8 3 AbRS 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3034, r.o. 21.2; AbRS 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2225, r.o. 8.1 4 Stb. 2018, 290, p. 106.

 27

5.9.1

Soortenbescherming

Voor het onderdeel ‘Flora- & Fauna activiteit’ wordt geen aanvraag ingediend omdat hiervoor geen vergunning noodzakelijk is. Op basis van de uitgevoerde Quickscan Flora & Fauna, zie bijlage 10, heeft onderhavig initiatief geen effect op beschermende dieren en planten. De conclusie van de Quickscan Flora & Fauna luidt als volgt: “Voor de conclusies aangaande soorten verwijzen wij naar onderstaande tabel [zie tabel 5 in bijlage 8]. Voor de activiteit is geen Omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit (voorheen ontheffing Wet natuurbescherming) nodig mits men rekening houdt met het broedseizoen. Wij adviseren wel om deze conclusie (het rapport) door het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning (Gemeente Hollands Kroon) te laten bevestigen. Eventueel kunt u het ook nog ter beoordeling aan de provincie voorleggen.” Conclusie Natuur Netwerk Nederland (NNN) “Er zijn geen effecten op de NNN-gebieden te verwachten” Conclusie Omgevingswet Natura 2000-activiteit “Er zijn geen effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten. We adviseren om deze conclusies ook aan het bevoegd gezag ter beoordeling voor te leggen.” NATUUR NETWERK NEDERLAND (NNN) De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is in 1990 in het leven geroepen om de achteruitgang van de natuur in Nederland een halt toe te roepen.

De EHS wordt gedefinieerd als ‘het samenhangend netwerk van in (inter)nationaal opzicht belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen’. Uit deze definitie wordt duidelijk welk doel de EHS moet dienen, namelijk: het duurzaam behouden van ecosystemen die in nationaal of zelfs internationaal opzicht belangrijk zijn. Het middel om dat doel te bereiken is het tot stand brengen van een samenhangend netwerk van natuurgebieden met daartussen ecologische verbindingen. In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid de naam Natuur Netwerk Nederland (NNN) gaat gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur. De provincie Noord-Holland staat voor de taak om het NNN in 2027 af te ronden. Het netwerk beslaat 56.400 hectare. Dat is zo’n 15% van het oppervlak van de provincie. Daarvan is ruim 93% inmiddels ingericht. Provincie en vele maatschappelijke en private partners werken nu aan de resterende 4.400 hectare. Dat doen zij op drie manieren:  Het vergroten van de hoeveelheid natuur in het Natuurnetwerk met 4.700 hectare door de al in 1990 aangewezen gronden voor 2027 om te vormen naar natuur.  Het versterken van de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden, met name de bijzondere Natura 2000-gebieden;  Het verbinden van de natuurgebieden via natuurbruggen, natuurstroken, bermen en watergangen.

28 

NNN-gebieden worden beschermd wanneer zij tevens zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving of wanneer in het gebied een activiteit wordt opgericht of uitgebreid. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt binnen het NNN het ‘nee, tenzij’-principe. Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten het netwerk kan dit aantasting geven van de ecologische waarden binnen het NNN. Dit is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling een negatief effect heeft op de waarden van het NNN vanwege geluid, licht of betreding. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld, ook schaduwwerking, windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een natuurgebied – waardoor migratie niet langer mogelijk is – kan negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden. In de omgeving van het plangebied zijn enkele natuurgebieden van het NNN gelegen, deze zijn gevisualiseerd in navolgende figuur 5-9. Het meest nabijgelegen NNN-gebied, op een afstand van ca. 1,6 kilometer, betreft de Weel- en Braakpolder, Kolk van Dussen en omgeving. Ten westen van het plangebied ligt verder het gebied Schagerwad en reservaten rond Kolhorn.

Figuur 5-9: NNN-gebieden nabij het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving); rood vlak = plangebied

Zoals blijkt uit de kaart in figuur 5-9, vindt onderhavige ontwikkelingen buiten de voorgenoemde NNN-gebieden plaats en ontstaat er door het initiatief ook geen versnippering van het samenhangende natuurnetwerk. Hiermee wordt migratie van soorten niet gehinderd. De conclusie uit de Quickscan Flora & Fauna, zie bijlage 8, is dan ook dat effecten op het NNN zijn uitgesloten. Op basis van het voorgaande kan er worden geconcludeerd dat onderhavig initiatief niet wordt belemmerd door het Natuur Netwerk Nederland.

 29

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 5.11.1

Archeologie

De Erfgoedwet uit 2016 bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor het behoud en het beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau, zoals die in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het laatstgenoemde gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor Rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. Gemeente Hollands Kroon heeft een archeologische beleidskaart opgesteld waarin de archeologische verwachtingswaarden worden aangegeven voor het grondgebied van de gemeente, alsmede de daarbij horende beleidsregels. In de navolgende figuur 5-10 is de planlocatie weergegeven binnen de archeologische beleidskaart.

In 2021 is Archeologie West-Friesland gestart met het actualiseren van de beleidskaart van 2013 en heeft dit in 2022 afgerond. De archeologische beleidskaart voor de gemeente Hollands Kroon vormt de nadere onderbouwing van de in de gemeente aanwezige en te verwachten archeologische waarden en geeft hier een vlakdekkend inzicht in.

Figuur 5-10: archeologische beleidskaart (bron: Kaart Archeologisch gebied, gemeente Hollands Kroon); rood vlak = plangebied (indicatief)

30 

Zoals blijkt uit de bovenstaande figuur 5-10, ligt het plangebied binnen een middelhoge verwachting: 2.500 m2 en 40 cm diep. De toelichting bij de beleidskaart stelt het volgende over deze verwachtingswaarde: “Gebieden met een middelhoge verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen. De grenzen van deze gebieden zijn overgenomen van de beleidskaart uit 2013, welke zijn gebaseerd op de IKAW. Het vervaardigen van een gedetailleerder verwachtingsmodel is op basis van geo(morfo)logische, bodemkundige en archeologische gegevens nog niet goed mogelijk. Bij beoogde ingrepen zal in eerste instantie een quickscan vervaardigd worden waarbij de archeologische verwachting nader wordt gespecificeerd voor een specifiek plangebied.” (Toelichting Beleidskaart Archeologie gemeente Hollands Kroon, 1 juni 2022) Er is een onderzoek naar de archeologische verwachtingswaarden in het plangebied uitgezet door MUG Ingenieursbureau b.v. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen van het archeologisch onderzoek overgenomen, het rapport is tevens bijgevoegd in bijlage 11: “Conclusie: Samenvattend blijkt uit de boringen dat het grootste deel van het onderzoeksgebied gekenmerkt wordt door slappe ongerijpe kleiafzettingen, deels op een ondergrond van matig grof zand. Deze afzettingen zijn kenmerkend voor geulen en meerbodems.

In de boringen 7, 9, en 10 komen op een diepte van circa 1 meter siltige zanden voor die kenmerkend zijn voor oeverwalafzettingen. In de boringen 33 t/m 35 lopen deze sedimenten door tot aan het maaiveld. Binnen deze oeverwalsedimenten kunnen archeologische resten verwacht worden. In de boringen zijn echter geen archeologische indicatoren aangetroffen. De kans dat zich binnen het onderzoeksgebied een archeologische vindplaats bevindt is daardoor nihil. De vragen uit de inleiding kunnen als volgt beantwoord worden: 1. Wat is de geomorfologische en bodemkundige situatie in de onderzoekslocatie? Is er sprake van inversieruggen in de ondergrond? Binnen het onderzoeksgebied is op twee plaatsen sprake van mogelijke oeverwallen. Binnen de rest van het onderzoeksgebied bestaat de ondergrond uit slappe niet gerijpte kalkrijke klei. 2. Is er sprake van een intact bodemprofiel? Zijn er in dit verband kansrijke en kansarme zones aan te wijzen? De bodemopbouw is intact. De zones met mogelijke oeverwallen behoren tot de kansrijke gebieden. In de boringen zijn echter geen archeologische indicatoren of vegetatiehorizonten aangetroffen. 3. Zijn er archeologisch indicatoren aanwezig? In de boringen zijn geen archeologisch indicatoren aangetroffen.

Aanbeveling: Gezien de uitkomsten van het booronderzoek, waarbij geen indicaties voor archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen, bevelen wij aan om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het onderzoeksgebied vrij te geven voor de geplande ingrepen. Dit betreft een aanbeveling, het selectiebesluit hierover is te allen tijde voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze gemeente Hollands Kroon.

 31

Mocht men tijdens de uitvoering van het grondwerk onverhoopt alsnog op archeologische resten stuiten dan dient de bevoegde overheid, de gemeente Hollands Kroon, hiervan meteen op de hoogte gebracht te worden.” Op basis van de bovenstaande conclusies en aanbeveling kan er worden geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief. 5.11.2

Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

Cultuurhistorisch beleid Noord-Holland Mede dankzij de grote variëteit aan landschappen, dorpen en bijbehorende cultuurhistorie is NoordHolland een aantrekkelijk gebied om te wonen, werken en recreëren. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De rijke historie is onder andere terug te vinden in de West-Friese Omringdijk en de Stelling van Amsterdam. De Provincie Noord-Holland heeft een Leidraad Landschap en Cultuurhistorie gemaakt voor het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap. Noord-Holland is verdeeld in verschillende gebieden. Deze worden ensembles genoemd. Elk ensemble heeft een beschrijving van de ontstaansgeschiedenis en de belangrijkste kernwaarden van dat gebied waar we rekening mee moeten houden. Binnen gemeente Hollandse Kroon zijn er 3 ensembles:  Wieringen – Wieringermeer;  Koegras – Annapaulownapolder;  West-Friesland-Midden. Het Leidraad is verankerd in artikel 15 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening, zodoende moet de gemeente ook toetsen aan dit beleid. In toevoeging tot het Leidraad zijn er in Noord-Holland ook 32 gebieden aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Dit zijn landschappen met bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier, waar extra zuinig mee wordt omgegaan. In gemeente Hollands Kroon zijn er de volgende BPL’s:  Wieringen;  Oude Veer;  Schagen.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden moet er rekening mee worden gehouden dat het gebied extra bescherming krijgt. De ontwikkelingen mogen geen aantasting zijn van de kernkwaliteiten. Volgens de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is het plangebied gelegen binnen het ensemble Wieringen – Wieringermeer. Het plangebied ligt niet binnen een BPL. Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Het Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vond bij de vaststelling haar juridische gronding in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV), artikel 15, echter is deze sinds de inwerkingtreding van

32 

de Omgevingswet per 1 januari 2024 niet langer in werking. In de Omgevingsverordening NH2022 vindt het Leidraad Landschap en Cultuurhistorie haar doorwerking in paragraaf 6.6.2 Ruimtelijke Toepassing in Landelijk Gebied. Zo stelt het bijbehorende artikel 6.70, eerste lid, het volgende: “Artikel 6.70 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied 1. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied Landelijk gebied, wordt in het omgevingsplan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.” Op basis van het voorgaande artikel moet er rekening worden gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes van het ensemble, alsmede de toepasselijke provinciale structuren. ‘Rekening houden met’ betekent juridisch gezien dat de betrokken aspecten een verzwaarde status hebben in de belangenafweging. Er kan gemotiveerd van worden afgeweken.

Bij de ontwikkelprincipes zijn ook ‘kansen’ opgenomen, deze zijn bedoeld ter inspiratie. Ook de ontstaansgeschiedenis en de beschrijving van de drie kernwaarden dienen ter inspiratie te worden betrokken in de uitwerking van de plannen. Juridisch gezien betekent dit ‘betrekken bij’ dat aan deze aspecten aandacht moet worden gegeven, maar dat er geen sprake is van een verzwaarde juridische status van deze aspecten. Zoals benoemd in artikel 6.70, lid 1, onder a, van de provinciale verordening, moet er rekening worden gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes van het ensemble en de provinciale structuren. Het plangebied is gelegen binnen het ensemble Wieringen – Wieringermeer, als Kernwaarden worden onder andere de openheid van de polder in relatie tot de ruimtelijke dragers bebouwingslint, bomenlanen en dijken benoemd. Als handvaten voor de ontwikkeling van het ensemble Wieringen – Wieringermeer wordt nagestreefd het randen van de Wieringermeer te versterken tot landschappelijke, recreatieve zones. Verder zijn er verscheidene provinciale structuren uiteengezet in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, voor onderhavig initiatief wordt er rekening gehouden met de structuur (agrarische) erven.

De opzet en inpassing van het erf zijn afgestemd op het omringende (historische) landschap, verder is in paragraaf 3.1 en de bijbehorende bijlage 2 naar voren gekomen dat er rekening wordt gehouden met de bij de provinciale structuur horende ambities en ontwikkelprincipes:  bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek;  bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid; en  helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. In het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 2) staat onder andere het volgende:

 33

Het door groenstructuren omzoomde driehoekig gebied ten westen van het plangebied sluit niet aan bij de omvang, de maat en schaal van de ruimtes die in de Wieringermeer gevormd worden door de leidende groenstructuren. Het tegenover deze driehoek gelegen plangebied vormt samen met het aanliggende buurerf een voor de Wieringermeer ongebruikelijke cluster van bebouwde erven. Het afwijkende karakter van de ten westen en oosten van de N242 gebieden sluit echter aan bij de ligging; het verleent identiteit aan de zuidwestelijke entrée van de Wieringermeer. Met het bovenstaande wordt er tevens invulling gegeven aan artikel 6.70, lid 1, onder b en c. Er kan worden geconcludeerd dat onderhavig initiatief rekening houdt met de cultuurhistorische landschapswaarden, behorend bij het toepasselijke ensemble en provinciale structuur. Op basis van het voorgaande kan er bovendien worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. WATER In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze rekening wordt gehouden met het aspect water en de relevante watersystemen. In paragraaf 4.2 van deze GOFLO is er reeds ingegaan op het Rijksbeleid voor water en de waterschapsverordening. Navolgend zal er worden ingegaan op hoe het planspecifieke watermanagement wordt uitgewerkt op basis van het beleid van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK).

5.12.1

Weging van Waterbelang

Bij het vaststellen van omgevingsplannen moet er rekening worden gehouden met de waterbelangen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. De weging van het waterbelang (voorheen: watertoets) geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor onderhavig plan is op 23 september 2024 een digitale watertoets doorlopen. De samenvatting is opgenomen als bijlage 12 bij deze GOFLO. Op het plan is de normale watertoetsprocedure van toepassing. Binnen het plangebied is sprake van een substantiële toename van bebouwing en/of verharding als gevolg van de gewenste ontwikkelingen. Momenteel is de locatie namelijk nog onbebouwd. Door deze toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met mogelijke wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename, moeten er in het desbetreffende peilgebied compenserende maatregelen getroffen worden in de vorm van extra waterberging en/of infiltratie van hemelwater in de bodem.

De verandering van het klimaat heeft gevolgen voor de veiligheid, de economie en de gezondheid van inwoners, hevige buien veroorzaken bijvoorbeeld schade en overlast. Langdurige droge periodes veroorzaken daarbij hittestress, met name in stedelijke gebieden. Een slim ingerichte ruimtelijke inrichting helpt deze steeds vaker voorkomende weersextremen het hoofd te bieden. Het uitgangspunt hierbij is om water lokaal op te slaan tijdens (extreme) buien, zodat het vervolgens gebruikt kan worden in droge perioden. Voorbeelden van maatregelen die hierbij helpen zijn wadi's,

34 

waterdoorlatende verharding op bijvoorbeeld parkeervakken, waterbergende wegen en opslag in infiltratiekratten. 5.12.2

Hydrologisch neutraal ontwikkelen

Door een toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via het rioolstelsel. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met mogelijke wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename, moeten er in het desbetreffende peilgebied compenserende maatregelen getroffen worden in de vorm van extra waterberging en/of infiltratie van hemelwater in de bodem. Bij een verhardingstoename van meer dan 2.000 m2 berekent het hoogheemraadschap aan de hand van diverse plangebiedkenmerken een specifiek compensatiepercentage. Uitgangspunt is dat de compensatie wordt gerealiseerd binnen het plangebied. De gewenste realisatie van de nieuwbouw op de locatie leidt tot een toename van verhard oppervlak met 37.385 m2, de verhardingstoename is gevisualiseerd in de navolgende figuur 5-11:

Figuur 5-11: verhardingstoename

 35

Artikel 2.73 van de Waterschapsverordening wijst het aanbrengen van meer dan 2.000 m2 aan als omgevingsvergunningplichtig. Voor het aanbrengen van verhard oppervlak met een maximum van 2.000 m2 gelden algemene regels, de relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in deze gevallen voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Artikel 2.74 borgt dat, als er sprake is van een verhardingstoename van meer dan 2.000 m2, er niet hoeft te worden voldaan aan artikelen 2.3, 2.75 en 2.76, welke respectievelijk ingaan op de algemene zorgplicht, de informatieplicht en de compensatie van verhard oppervlak. Artikel 2.77 geeft het hoogheemraadschap echter de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Deze maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de specifieke zorgplicht van artikel 2.3 en over de algemene regels voor watercompensatie in artikel 2.76. Aangezien er met onderhavig initiatief sprake is van een toename van boven de 2.000 m2, is een maatwerkberekening ontvangen van het Hoogreemraadschap: worden maatwerkvoorschriften verkregen van het hoogheemraadschap. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is contact geweest met HHNK, met betrekking tot de maatwerkvoorschriften is het volgende aangegeven: “Door de grote toename aan verharding zal het hemelwater versneld worden afgevoerd naar het aanwezige watersysteem.

Om ongewenste peilstijging te voorkomen, is het noodzakelijk om hiervoor water compenserende maatregelen te treffen. Aangezien er sprake is van een grotere toename aan verharding dan 2.000m2, is er sprake van een maatwerkberekening. Voor de watercompensatie dient rekening gehouden te worden met een bergingscapaciteit van 70mm. Dus als er sprake is van een toename van bijvoorbeeld 20.000m2 dan geldt hiervoor een bergingscapaciteit van 1.400m3 (20.000m2 * 0,07). Van deze berekening kan gebruik worden gemaakt op het moment dat er voorzien wordt in waterberging middels andere vormen van berging dan in open water. Op het moment dat er voorzien wordt in open water als compensatie, dan kan gebruik worden gemaakt van een percentage van 15% en geldt een oppervlakte aan open water van 3.000m2 (20.000m2 * 0,15).” Watercompensatie zal plaats vinden in open water. Dit resulteert in een te realiseren compenserend open wateroppervlakte van (37.385m2 * 0,15=) 5.607,75 m2. Initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied twee sloten te verbreden en een nieuwe te sloot te graven. Op basis van de Legger Wateren 2024 is betreft de verbreding een secundaire watergang (code: OAF-Q-66415) met een diepte van 1,4 m ten opzichte van het maaiveld. Verder is de bovenbreedte van de secundaire watergang 3 meter.

De watergang wordt over een lengte van 370 meter met 7 meter verbreed, in totaal 2.590 m2 De tweede verbreding betreft een deel van tertiaire watergang (code: OAF-M-1120). Deze sloot heeft een bovenbreedte van 2 meter. De watergang wordt over een lengte van 144 meter met 3 meter verbreed, in totaal 432 m2. Verder wordt de tertiaire watergang (code: OAF-M-1120) middels een nieuw te graven wateroppervlak verbonden met de te verbreden secundaire watergang (code: OAF-Q-66415). Deze verbindende watergang wordt over een lengte van 102 meter aangelegd met een breedte van 12 meter, in totaal 1.224 m2.

36 

De te verbreden sloten en de nieuw te graven sloot zijn weergegeven op de situatietekening in bijlage 1. Met deze watercompensatie is sprake van in totaal 4.246 m2. Dit is nog 1.362 m2 te weinig. Het is door de noodzakelijke landschappelijk inpassing niet mogelijk om de resterende watercompensatie binnen het plangebied te realiseren. De voorkeur van de initiatiefnemer betreft het verbreden van het overige deel van de secundaire watergang (code: OAF-Q-66415) wat buiten het plangebied is gelegen. Van deze watergang is 370 meter buiten het plangebied gelegen. Om te voldoen aan de benodigde compensatie is het noodzakelijk om het overige deel te verbreden met 3,70 meter, dit is totaal 1.369 m2. De verdere uitwerking van de watercompensatie wordt in samenspraak met het Hoogheemraadschap verder uitgewerkt. De noodzakelijke vergunning wordt separaat aangevraagd bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Op basis van het voorgaande wordt er voor onderhavig initiatief voldaan aan de voorschriften omtrent water.

 37

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE (MER) In deze paragraaf komt aan de orde of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. De MERplicht kan worden afgeleid uit paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit (Ob). Uit artikel 11.6 Ob volgt dat de aanwijzing van MER-(beoordelings)plichtige projecten in Bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt beschreven. Kolom 1 van Bijlage V Ob geeft de omschrijving van het project, bij A1 is dat 'Installaties voor intensieve veehouderij'. Worden de drempels genoemd in kolom 2 overschreden, dan geldt een directe MER-plicht. Valt het project onder de genoemde drempels in kolom 2, dan gelden de vereisten in kolom 3 en moet er een MER-beoordeling worden opgesteld. In kolom 4 van categorie A1 staat het besluit waar de mer-verplichtingen voor gelden, zijnde 'de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit'. Dat wil zeggen dat bij deze vergunning de mer-verplichtingen uit kolom 2 en/of 3 van toepassing zijn, bij andere te nemen besluiten dus niet. Onderhavige GOFLO is onderdeel van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA,) dit is geen omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. De BOPA staat bij categorie A1 niet in kolom 4 en derhalve hoeft er voor de BOPA geen mer(beoordeling) te worden opgesteld.

De mer-verplichting geldt enkel voor de vergunning voor de milieubelastende activiteit.

38 

UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De gronden waarop de gewenste ontwikkelingen plaatsvinden, zijn in eigendom van initiatiefnemer. De realisatie vindt plaats voor rekening en risico van initiatiefnemer en kent derhalve geen financiële consequenties voor de gemeente. De ontwikkelingskosten worden geheel door initiatiefnemer gedragen. De kosten welke verbonden zijn aan het doorlopen van de noodzakelijke procedures worden verhaald op de initiatiefnemer op basis van de legesverordening. Het is voor de initiatiefnemer verboden om bouwactiviteiten te verrichten zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald (artikel 13.12 Ow). De rechtspersoon waarvan het bestuursorgaan een orgaan is, kan met degene die kosten is verschuldigd een overeenkomst aangaan over kostenverhaal, zo volgt uit artikel 13.13, lid 1, Ow. Bij de overeenkomst kan worden bepaald dat de betaling geheel of gedeeltelijk na aanvang van de activiteit plaatsvindt, mits aan de overeenkomst voorwaarden worden verbonden over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling. In dat geval geldt het verbod, bedoeld in artikel 13.12, niet. Bij toepassing van het voorgaande geldt het publiekrechtelijk kostenverhaal niet (artikel 13.13, derde lid, Ow). Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Mogelijke nadeelcompensatie is eveneens voor rekening van initiatiefnemer.

Overigens is het niet de verwachting dat er sprake is van nadeelcompensatie. De verplaatsing van het bedrijf naar de Oudelanderweg ongenummerd zorgt namelijk niet voor een beperking van de activiteiten uitgevoerd door (agrarische) bedrijven en het woon- en leefklimaat van burgerwoningen in de omgeving. Bovendien is het aantal omwonenden relatief beperkt. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.2.1

Participatie

In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning om bij de aanvraag aan te geven:  of de aanvrager aan participatie heeft gedaan;  zo ja: hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. Participatie door de initiatiefnemer bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning is vanuit centrale regelgeving dus vrijwillig. Het doel van artikel 7.4 Or is om initiatiefnemers te stimuleren om na te denken over participatie. Echter kan er op decentraal niveau wel beleid worden vastgesteld voor participatie. Gemeente Hollands Kroon heeft, gelet op het voorstel van het college van B&W van 1 november 2022 en gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de Participatieverordening gemeente Hollands Kroon in werking getreden per 12 januari 2023. In paragraaf 3 van de verordening wordt ingegaan op participatie tussen initiatiefnemer, gemeente, en de omgeving. Artikel 5, derde lid, stelt

 39

dat de initiatiefnemer de participatieprocedure van tevoren moet afstemmen met de gemeente. Vervolgens moet er, zoals volgt uit artikel 5, vierde lid, een eindverslag van de participatie worden bijgeleverd met (a) een overzicht van de gevolgde participatieprocedure; (b) een overzicht van de reacties/ideeën/stemmen die mondeling of schriftelijk zijn gebracht; en (c) een reactie op deze reacties/ideeën/stemmen, waarbij gemotiveerd wordt aangegeven welke punten wel en niet zijn overgenomen in het beleid. In het Aanwijzingsbesluit gevallen verplichte participatie bij aanvraag omgevingsvergunning heeft de gemeenteraad verder een lijst met gevallen van activiteiten waarbij participatie verplicht is opgesteld. Er is sprake van verplichte participatie door de initiatiefnemer als indieningsvereiste bij het aanvragen van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder artikel 5.21 lid 2b Omgevingswet, wanneer het initiatief valt binnen de activiteit vestigen of uitbreiden van intensieve veehouderijen (artikel 1, lid 1). Derhalve is participatie voor onderhavig initiatief verplicht. Het eindverslag van de voldane participatie is bijgevoegd in bijlage 13. 6.2.2

Vooroverleg

Voorliggend plan wordt in het kader van het wettelijke vooroverleg voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, provincie Noord-Holland en de omgevingsdienst. 6.2.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=0776ba94-676d-429b-a033-39e9e17e0d70