1. GoFlo
Tekst van het document
geëgaliseerd. De planlocatie is in het verleden al bewerkt en geëgaliseerd en is een privéparkeerterrein aangelegd. De verwachting is dan ook dat door de bouw van twee woningen op de planlocatie eventuele geomorfologische waarden niet worden geschaad. Voor de cultuurhistorische waarden geldt dat er geen wijzigingen worden aangebracht aan de bestaande verkaveling of het slotenpatroon. Dit betekent dat de bestaande cultuurhistorische waarden zijn gewaarborgd. In paragraaf 4.3.3 is aangetoond dat de bouw van de nieuwe woningen passend is binnen het landschap en de kernkwaliteiten behouden blijven. Conclusie: Het onderdeel archeologie, cultuurhistorie en landschap staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.13 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89, onder i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89, onder k Bkl, artikel IIIa, onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Dit is de reden dat door Vlam Bodemadvies op 22 augustus 2023 een verkennend bodemonderzoek is aangeleverd (bijlage 5). Uit dit onderzoek blijkt dat: • de hypothese onverdachte locatie formeel verworpen moet worden. In de bovengrond is een licht verhoogd gehalte aan kwik aangetoond.
In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond; • in het grondwater geen verhoogde concentraties aan de geanalyseerde parameters zijn aangetoond; • ter plaatse van de gedempte sloten geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters zijn aangetoond; • indien getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit de grond indicatief voldoet aan bodemkwaliteitsklasse altijd toepasbaar (boven- en ondergrond). Conform de CROW400 zijn bij eventuele graafwerkzaamheden geen aanvullende veiligheidsmaatregelen van toepassing; • onderzoek naar PFAS in de bodem niet is meegenomen in dit onderzoek. Indien bij eventuele graafwerkzaamheden grond vrijkomt dit niet op de locatie kan worden hergebruikt wordt geadviseerd om aanvullend een partijkeuring inclusief PFAS uit te voeren; • op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk is. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen nieuwbouw. Conclusie: Het onderdeel bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg. 27
5.14 Weging van waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor de ontwikkeling van het plan is een wateradvies gevraagd bij Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (bijlage 6). Verharding Bij de ontwikkeling van het plan worden twee woningen aan de planlocatie toegevoegd en er wordt een extra uitrit aangelegd. Op de locatie van de bestaande uitrit met parkeerplaatsen is in de huidige situatie al een grote oppervlakte erfverharding aangebracht. Volgens beleid van HHNK dient bij een verhardingstoename van meer dan 800 m² compenserende waterberging te worden gerealiseerd. De verwachting is dat niet meer dan 800 m² aan verharding wordt toegevoegd bij de ontwikkeling van het plan. Bij de bouw van de woningen wordt namelijk de bestaande erfverharding verwijderd. Dit betreft een oppervlakte van circa 400 m². De woningen worden geplaatst op een bouwvlak van circa 570 m².
In een ‘worst-case’ scenario wanneer het gehele bouwvlak volgebouwd zou mogen worden, betreft dit een totale oppervlakte van 1140 m². Wanneer daar de oppervlakte van de te verwijderen verharding wordt afgetrokken, is er geen sprake van een verhardingstoename van meer dan 800 m². Het is overigens niet toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan om de bouwpercelen vol te bouwen. Dit betekent dat bij de ontwikkeling van het plan niet meer dan 800 m² van het perceel wordt verhard en geen compensatiewater hoeft te worden gerealiseerd. Voor de verharding van de uitrit en parkeerplaatsen wordt een open verharding toegepast met een onderliggend zandbed, zodat hemelwater in de bodem infiltreert en niet versneld wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Op de planlocatie is sprake van een klimaatadaptieve inrichting. Waterkwaliteit Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd en worden geloosd op de waterlopen. Tenslotte wordt wel geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen, zoals zink, lood en koper zoveel mogelijk te voorkomen. Hemelwater en huishoudelijk afvalwater dienen gescheiden te worden aangeboden.
Voor de aansluiting van de woningen op de riolering wordt contact gezocht met de rioolbeheerder, in dit geval de gemeente Hollands Kroon. Conclusie: Bij de ontwikkeling van het plan wordt het waterbelang niet geschaad.
28
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt uitgegaan van de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt (tijdelijk omgevingsplan). De ontwikkeling van het plan betreft een particulier initiatief. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan worden vastgelegd. Wordt een omgevingsvergunning verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt? Zo ja, in dat geval is artikel 4.5 Awb van toepassing. In de overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is bepaald dat eventuele nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer zal komen.
29
7.
Belangenafweging en conclusie
7.1
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Met andere woorden is er – na een zorgvuldige belangenafweging – met het toestaan van de activiteit nog steeds sprake van een evenwichtige toedeling? Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de ontwikkeling van het plan op beide planlocaties, zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten nader onderzocht en afgewogen.
7.2
Participatie
De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie. Daarmee kunnen overheden namelijk op tijd belangen, meningen en creativiteit op tafel krijgen. De wet zegt over participatie: het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. In de Omgevingsregeling is een aanvraagvereiste participatie opgenomen. De initiatiefnemer moet aangeven of en zo ja, hoe hij aan participatie heeft gedaan. En wat de resultaten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Over de ontwikkeling van het plan heeft overleg plaatsgevonden met de eigenaar van de naastgelegen agrarische percelen (overeenkomst mee gesloten), eigenaar camping De Rietkraag en de overige omwonenden. Hieruit is gebleken dat men akkoord gaat met de ontwikkeling van het plan. Door één van de buren is een zienswijze ingediend, maar dit berustte op een misverstand over een ontsluitingsweg die niet gerealiseerd wordt. Verder zijn er geen vragen/zienswijzen naar voren gekomen.
7.3
Vaststellingsprocedure
De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. Op de verleende omgevingsvergunning kan bezwaar ingediend worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. 30
7.4
Conclusie
Op de planlocatie een toekomstgerichte ontwikkeling plaats. Met het toevoegen twee woningen aan het bestaande woningareaal wordt tegemoetgekomen aan een grote behoefte op de woningmarkt. Dit is een gewenste ontwikkeling. De woningen worden gerealiseerd in de dorpskern van Zijdewind, dicht bij de vele voorzieningen van dorpskernen als ’t Veld en Waarland. Een groei van het aantal inwoners zorgt er mede voor dat deze voorzieningen in de toekomst in stand kunnen worden gehouden. Door de nieuwe woningen aan te laten sluiten bij het bestaande bebouwingslint is er sprake van een versterking van het lint, terwijl tegelijkertijd de ruimtelijke kwaliteit is gewaarborgd. De planlocatie wordt landschappelijk groen ingepast met behulp van een transparante boomsingel van knotwilgen en groene hagen, waardoor zowel de groene inpassing als het doorzicht is gewaarborgd. Voor de ontwikkeling van het plan zijn de aspecten voor de fysieke leefomgeving en het milieu beschouwd en hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.
31