CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

1. GoFlo 3 februari 2026

Raad 21 mei 2026, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies Oosterkwelweg 5 Wieringerwerf7.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bestemmingsplan

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Oosterkwelweg 5 Wieringerwerf

Gemeente Hollands Kroon

3 februari 2025

1

Inhoud: 1.

Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1

2.

3.

4.

5.

Aanleiding .............................................................................................................................. 4

Toetsing aan omgevingsplan ........................................................................................................... 5 2.1

Uitgangspunt toetsing............................................................................................................ 5

2.2

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden ............................................................................ 5

2.3

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan ............................................................. 6

2.4

Omgevingsvergunning ........................................................................................................... 7

Huidige situatie en toekomstambitie .............................................................................................. 8 3.1

Huidige situatie – ruimtelijk en functioneel........................................................................... 8

3.2

Toekomstige situatie .............................................................................................................. 9

3.3

Landschappelijke inpassing .................................................................................................. 10

Visie en beleid planlocatie............................................................................................................. 12 4.1

Ruimtelijk beleid .................................................................................................................. 12

4.2

Waterbeleid ......................................................................................................................... 12

4.2.1

Europees beleid ................................................................................................................ 12

4.2.2

Rijksbeleid ........................................................................................................................ 12

4.2.3

Provinciaal beleid ............................................................................................................. 12

4.2.4

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier ............................................................ 13

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ..................................................................................... 14 5.1

Milieueffectrapportage (MER) ............................................................................................. 14

5.2

Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................ 14

5.3

Duurzaamheid en gezondheid ............................................................................................. 15

5.3.1

Gezondheid ...................................................................................................................... 15

5.3.2

Duurzaamheid ................................................................................................................. 15

5.4

Verkeersgeneratie en parkeren ........................................................................................... 15

5.5

Flora en fauna ...................................................................................................................... 16

5.5.1

Gebiedsbescherming........................................................................................................ 16

5.5.2

Soortenbescherming ........................................................................................................ 17

5.6

Luchtkwaliteit....................................................................................................................... 18

5.7

Geluid ................................................................................................................................... 18

5.8

Geur ..................................................................................................................................... 19 2

5.9

6.

5.9.1

Plaatsgebonden risico ...................................................................................................... 20

5.9.2

Groepsrisico ..................................................................................................................... 20

5.10

Trilling................................................................................................................................... 21

5.11

Activiteiten en milieuzonering ............................................................................................. 21

5.12

Archeologie, cultuurhistorie en landschap .......................................................................... 22

5.13

Bodem .................................................................................................................................. 23

5.14

Weging van waterbelang ..................................................................................................... 23

Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................ 25 6.1

7.

Omgevingsveiligheid ............................................................................................................ 20

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................. 25

Belangenafweging en conclusie .................................................................................................... 26 7.1

Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?................................. 26

7.2

Participatie ........................................................................................................................... 26

7.3

Vaststellingsprocedure ........................................................................................................ 27

7.4

Conclusie .............................................................................................................................. 27

Bijlagen: Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8:

Besluit adviesrecht gemeenteraad Schagen Situatietekening en gevelaanzichten hondenpension met speelweides Aeriusberekening NIBM-tool Akoestisch onderzoek Wateradvies Participatie omwonenden Oosterkwelweg 4 Participatie omwonenden Oosterkwelweg 6

3

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

Op het perceel Oosterkwelweg 5 in Wieringerwerf is in de huidige situatie een agrarisch bedrijf gevestigd staat dat gespecialiseerd is in de teelt van akkerbouwgewassen.

Planlocatie

Bron Omgevingsloket

De eigenaar van het perceel Oosterkwelweg 5 te Wieringerwerf is voornemens om, naast de bestaande akkerbouwactiviteiten, een kleinschalig hondenpension te realiseren. Het hondenpension Bij de Boer wordt vormgegeven als een nevenfunctie bij het agrarisch bedrijf en blijft nadrukkelijk ondergeschikt aan de hoofdfunctie. Het betreft een voorziening voor de opvang van een beperkt aantal honden, waarbij de opvang zich specifiek richt op retrievers en andere jachthonden. De bestaande agrarische bebouwing is niet geschikt voor de beoogde opvang. Enerzijds kan hierin niet worden voldaan aan de hedendaagse eisen ten aanzien van dierenwelzijn en een gezond binnenklimaat. Anderzijds is er binnen de bestaande bedrijfsgebouwen geen ruimte beschikbaar in verband met de agrarische bedrijfsvoering. Daarom wordt een nieuw bijgebouw opgericht dat volledig is toegerust voor het houden en verzorgen van honden. Aan de noordzijde van het perceel worden op een deel van een agrarisch perceel vier speelweiden ingericht. Deze zijn bedoeld om de honden voldoende uitloop- en speelruimte te bieden, hetgeen bijdraagt aan het dierenwelzijn en een verantwoorde bedrijfsvoering. Binnen de gemeente Hollands Kroon bestaat een aantoonbare behoefte aan kleinschalige en kwalitatief hoogwaardige opvangvoorzieningen voor honden.

Met dit initiatief wordt ingespeeld op deze vraag en wordt een bijdrage geleverd aan het voorzieningenniveau binnen de gemeente. Het plan sluit niet alleen aan bij de bedrijfsontwikkeling van de initiatiefnemer, maar draagt tevens bij aan een maatschappelijk gewenste ontwikkeling in de regio. 4

2.

Toetsing aan omgevingsplan

2.1

Uitgangspunt toetsing

Voor de ontwikkeling van het plan wordt getoetst aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan van rechtswege en niet aan een reeds (deels) gewijzigd omgevingsplan. Dit omgevingsplan van rechtswege bestaat uit: • bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen en exploitatieplannen; • lokale verordeningen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan; • Bruidsschat.

2.2

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Voor het plangebied geldt op dit moment het tijdelijke Omgevingsplan gemeente Hollands Kroon. Dit tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de bestaande bestemmingsplannen die op grond van de Invoeringswet Omgevingswet zijn samengevoegd. Voor de locatie Oosterkwelweg 5 zijn onder meer de volgende plannen van toepassing: Buitengebied 2009, Buitengebied Wieringermeer 2009, eerste partiële herziening, Parkeren en Wonen en het Facetplan – logies. In het bestemmingsplan Buitengebied 2009 heeft het plangebied de bestemming Agrarisch gekregen. Binnen deze bestemming zijn agrarische bedrijfsactiviteiten toegestaan. Daarnaast liggen op het perceel de gebiedsaanduidingen vrijwaringszone – radar en luchtvaartverkeerszone – laagvlieggebied. Deze aanduidingen hebben vooral betrekking op de hoogte en situering van bebouwing en vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, aangezien het gaat om een laag en kleinschalig bijgebouw binnen het bestaande agrarisch erf dat als hondenpension wordt ingericht.

Verbeelding vigerend bestemmingsplan

5

2.3

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

De voorgenomen realisatie van een kleinschalig hondenpension is in strijd met het (tijdelijke) Omgevingsplan van de gemeente Hollands Kroon, waarin het bestemmingsplan Buitengebied 2009 is opgenomen. In dit bestemmingsplan is in artikel 3.6.1 een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het uitoefenen van ondergeschikte nevenactiviteiten in bestaande bijgebouwen, naast de agrarische bedrijfsfunctie. Daarbij zijn de functies toegestaan zoals vermeld in de onderstaande tabel Vernieuwend ondernemen.

Onder punt 24 van deze tabel is bepaald dat: "andere niet-agrarische activiteiten zijn toegestaan die naar aard en omvang gelijk te schakelen zijn aan de activiteiten genoemd onder 1 tot en met 17 en die worden beperkt tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in de bijlage bij

6

deze regels, of categorie 3 indien de activiteit qua aard en schaal gelijk te stellen is aan categorie 2." Een hondenpension wordt in de Staat van Bedrijfsactiviteiten aangemerkt als een categorie 3-bedrijf. Uit een akoestisch onderzoek, opgenomen in deze GoFlo, blijkt echter dat het beoogde kleinschalige hondenpension in milieutechnische zin gelijk te stellen is aan een categorie 2-activiteit. Dit onderzoek is beoordeeld en akkoord bevonden door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Daarmee voldoet de activiteit in beginsel aan de voorwaarden van artikel 3.6.1, lid 24, om af te wijken van de gebruiksregels. Binnen ditzelfde artikel is echter tevens bepaald dat de nevenactiviteiten uitsluitend binnen bestaande bijgebouwen mogen plaatsvinden. In dit geval wordt het hondenpension gerealiseerd in een nieuw bijgebouw. Deze keuze is noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de eisen voor een aangenaam en gezond binnenklimaat en om te voldoen aan de actuele kwaliteitsnormen voor dierenwelzijn. Omdat het initiatief daarmee niet volledig past binnen de afwijkingsmogelijkheid van artikel 3.6.1, is voor de uitvoering van het plan een afzonderlijke planologische procedure vereist.

2.4

Omgevingsvergunning

Voor de realisatie van het plan is daarom een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) vereist, zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet. Via deze procedure kan – in afwijking van het omgevingsplan – planologische medewerking worden verleend aan het initiatief. Voor de behandeling van een BOPA-aanvraag geldt in de meeste gevallen de reguliere voorbereidingsprocedure, conform het uitgangspunt van de Omgevingswet dat vergunningverlening zo veel mogelijk via de reguliere weg plaatsvindt. De reguliere procedure kent een beslistermijn van maximaal acht weken, met de mogelijkheid tot verlenging met zes weken. Tegen het besluit staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open. De gemeenteraad kan op grond van artikel 4.21 van het Omgevingsbesluit optreden als bindend adviseur bij BOPA-aanvragen. Dit adviesrecht geldt uitsluitend indien de raad vooraf heeft bepaald in welke gevallen hij hiervan gebruik wil maken. Indien het advies van de gemeenteraad bindend is, is het college van burgemeester en wethouders gehouden om een aanvraag te weigeren bij een negatief raadsadvies. In dit geval heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon in een eerder genomen besluit (bijlage 1) aangegeven dat voor deze ontwikkeling geen bindend advies van de raad vereist is.

Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders zelfstandig een besluit kan nemen op de aanvraag.

7

3.

Huidige situatie en toekomstambitie

3.1

Huidige situatie – ruimtelijk en functioneel

De planlocatie aan de Oosterkwelweg 5 is gelegen aan de noordoostzijde van de polder Wieringermeer. De Oosterkwelweg vormt een verbinding tussen het dorp Kreileroord en het Robbenoordbos, dat aan de noordzijde van de polder is gelegen. De Wieringermeer kenmerkt zich als een vlak agrarisch gebied met een grote mate van openheid. Het enige reliëf wordt gevormd door de dijk rondom de polder en de grote hoofdwaterlopen die het gebied doorkruisen. De polder is slechts spaarzaam bebouwd en beplant. De bebouwing concentreert zich voornamelijk rond de dorpen Wieringerwerf, Slootdorp, Middenmeer en Kreileroord, waarbij Wieringerwerf de grootste kern vormt. Aan de zuidoostzijde van de polder bevindt zich Agriport A7, een gebied dat is ontwikkeld voor grootschalige glastuinbouw en datacenters. Langs de polderwegen zijn bomenrijen aangeplant en de agrarische bouwpercelen worden veelal omsloten door windsingels. Ook langs de Oosterkwelweg zijn aan beide zijden bomen aanwezig. Het perceel Oosterkwelweg 5 betreft een karakteristieke Wieringermeerboerderij met aan de achterzijde diverse bedrijfsgebouwen. Rondom deze gebouwen is erfverharding aangebracht. Het erf wordt via een brede uitrit ontsloten op de Oosterkwelweg. Het perceel zelf wordt grotendeels omsloten door een windsingel.

Huidige situatie bebouwing planlocatie

8

3.2

Toekomstige situatie

Het initiatief voorziet in de realisatie van een kleinschalig hondenpension als nevenfunctie van het bestaande agrarische bedrijf. Ten behoeve van het dierenwelzijn en een gezond leefklimaat voor de honden wordt het hondenpension ondergebracht in een nieuw bijgebouw, dat wordt gesitueerd aan de noordwestzijde van de planlocatie (zie bijlage 2).

Situatie nieuw hondenpension

Aan de noordwestzijde van het perceel worden tevens een aantal speelweiden ingericht. Deze liggen in directe nabijheid van het pension, zodat de honden vanuit het gebouw eenvoudig toegang hebben tot de buitenruimte. Het perceel waarop de speelweiden zijn voorzien wordt gescheiden van de planlocatie door een greppel/waterloop. Om een directe verbinding te realiseren, wordt een dam aangelegd waarmee de honden rechtstreeks de speelweides kunnen bereiken. Het hondenpension wordt gerealiseerd in een nieuw gebouw van één bouwlaag met het karakter van een lage schuur. Het ontwerp voorziet in een grote raampartij in de voorgevel, een gemetselde plint en gevels met zwart hout. Hierdoor krijgt het gebouw een luxe maar landelijke uitstraling, die aansluit bij de karakteristieke Wieringermeerboerderij op het perceel. Het gebouw wordt uitgerust met vloerverwarming en -koeling, beschikt over een moderne ventilatie-installatie en wordt hoogwaardig geïsoleerd. Hiermee wordt een aangenaam en gezond binnenklimaat geborgd en wordt aangesloten bij de actuele kwaliteitsnormen voor dierenwelzijn. Het realiseren van het hondenpension in de bestaande agrarische bebouwing is zowel technisch als financieel niet haalbaar. Daarnaast is er binnen de bestaande gebouwen onvoldoende ruimte beschikbaar in verband met de voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering.

9

Gevelaanzichten hondenpension

3.3

Landschappelijke inpassing

De planlocatie bevindt zich in de polder Wieringermeer, een gebied dat wordt gekenmerkt door een rationele verkavelingsstructuur, grootschalige openheid en erfbeplanting in de vorm van singels en bomenrijen langs de wegen. Deze ruimtelijke kenmerken vormen een belangrijk uitgangspunt voor de inpassing van het initiatief. Het hondenpension wordt gerealiseerd aan de noordwestzijde van het erf, aansluitend op de bestaande agrarische bebouwing. Het gebouw krijgt het karakter van een lage schuur, waarmee wordt aangesloten op de bestaande erfstructuur en de functionele bebouwing die kenmerkend is voor de Wieringermeerboerderijen. Door de toepassing van een bakstenen plint en gevels in zwart hout krijgt het gebouw een luxe maar landelijke uitstraling, passend bij het agrarische karakter van het erf en het omringende landschap. De geplande speelweides worden ingericht op een deel van het agrarische perceel, buiten het eigenlijke erf. Op deze manier worden ze onderdeel van het open landschap en niet van de erfuitbreiding. De afrastering van de speelweides wordt uitgevoerd in een lage en transparante vorm, zodat deze nauwelijks zichtbaar is in het landschap en geen belemmering vormt voor de karakteristieke zichtlijnen in de polder. Hiermee blijft de kenmerkende openheid behouden.

10

De bestaande windsingel rondom het erf zorgt voor een groene achtergrond waartegen het hondenpension wordt gepositioneerd. Hierdoor wordt de bebouwing op natuurlijke wijze ingepast en aan het zicht onttrokken vanuit het open landschap. Vanaf de Oosterkwelweg blijft de bestaande ruimtelijke beleving van de polder intact: de hoofdboerderij vormt het herkenbare baken, met de nieuwe bebouwing bescheiden gepositioneerd in de luwte van de erfbeplanting. Samengevat wordt met dit plan de erfstructuur versterkt, terwijl de speelweides zich voegen in het omliggende landschap zonder afbreuk te doen aan de openheid. Daarmee is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing die recht doet aan de ruimtelijke kwaliteiten van de Wieringermeer.

11

4.

Visie en beleid planlocatie

4.1

Ruimtelijk beleid

Het initiatief is formeel niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2009, omdat de afwijkingsmogelijkheid voor nevenfuncties uitsluitend ziet op het gebruik van bestaande bebouwing. Het hondenpension wordt echter gesitueerd binnen het bestaande agrarische bouwvlak, waar ook andere vormen van bedrijfsbebouwing zijn toegestaan. Ruimtelijk gezien maakt het plan daarom geen verschil met de oprichting van een regulier agrarisch bijgebouw: de omvang en positionering van het gebouw sluiten aan bij de bestaande erfstructuur. De afwijking zit uitsluitend in het gebruik van het gebouw (hondenpension als nevenactiviteit), en niet in de ruimtelijke of bouwkundige aspecten.

4.2

Waterbeleid

In tegenstelling tot de ruimtelijke toetsing wordt het waterbeleid wél relevant geacht. 4.2.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen zijn er op (deel)stroomgebiedniveau plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheerplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.2.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027. Het NWP is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Het NWP geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast voor de periode 2022 – 2027. Uitgangspunt is schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. 4.2.3

Provinciaal beleid

Op 31 januari 2022 heeft Provincie Noord-Holland het Regionaal Waterprogramma NoordHolland 2022-2027 (Regionaal Waterprogramma) vastgesteld. In het Regionaal Waterprogramma geeft de provincie aan hoe zij zich inzet voor een goede waterkwaliteit, 12

het op peil houden van de watervoorraad en de bescherming tegen overstromingen. Het Regionaal Waterprogramma is opgebouwd uit een drietal deelprogramma's. Voor de deelprogramma’s oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico’s is uitgewerkt welke doelen de provincie wil bereiken en hoe hieraan een bijdrage wordt geleverd met een breed pakket aan maatregelen, dat samen met andere partijen wordt uitgevoerd. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan natuurgebieden, drinkwaterwinningen en zwemwateren, die volgens Europese richtlijnen worden beschermd vanwege de specifieke eisen die hier gelden. 4.2.4

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met zijn partners zijn waterbeleid op lange termijn (Deltavisie 2012). De Deltavisie is vertaald in het Waterplan 2022-2027 (WBP6) voor de middellange termijn. Hierin presenteert het hoogheemraadschap zijn koers voor de periode 2022-2027 en de opgaven waar het hoogheemraadschap zelf en met anderen aan werkt. Het hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Conclusie: In paragraaf 5.14 wordt gemotiveerd dat het plan de waterbelangen niet schaadt.

13

5.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

5.1

Milieueffectrapportage (MER)

De regelgeving omtrent milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Binnen dit wettelijk kader wordt onderscheid gemaakt tussen een m.e.r.-plicht, een m.e.r.beoordelingsplicht en een strategische milieubeoordeling (SMB). Een m.e.r.-beoordeling houdt in dat het bevoegd gezag moet vaststellen of een voorgenomen activiteit aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, en of daarom een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Deze beoordeling is verplicht voor projecten, plannen en programma’s die zijn aangewezen in het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid, van de Omgevingswet is bepaald dat onder een plan of programma als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG) in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Ook andere plannen en programma’s met een wettelijke grondslag kunnen onder deze verplichting vallen. De ontwikkeling van het hondenpension vindt plaats binnen een bestaand agrarisch bouwvlak en heeft een beperkte omvang. Voor een dergelijke ontwikkeling is geen m.e.r.beoordeling vereist, omdat de effecten niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie: Het onderdeel MER staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument dat zorgvuldig ruimtegebruik bevordert en gericht is op het voorkomen van ongewenste leegstand. Deze verplichting is vastgelegd als instructieregel in artikel 5.129, onder g, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De Ladder is van toepassing op een wijziging van het omgevingsplan, voor zover sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder vereist een ruimtelijke motivering waarin wordt onderbouwd dat de voorgenomen ontwikkeling noodzakelijk is, voorziet in een actuele behoefte, en bij voorkeur binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Deze motivering is alleen verplicht indien daadwerkelijk sprake is van uitbreiding van stedelijke functies zoals bedoeld in het Bkl. In het onderhavige geval is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De realisatie van het hondenpension vindt plaats binnen een bestaand agrarisch bouwvlak met de bijbehorende bouwmogelijkheden. De aard en omvang van de ontwikkeling is beperkt en leidt niet tot een toename van het ruimtebeslag in het landelijk gebied. Conclusie: Voor het plan heeft de Ladder geen directe consequenties.

14

5.3

Duurzaamheid en gezondheid

5.3.1

Gezondheid

De realisatie van het hondenpension vindt plaats binnen een bestaand agrarisch bouwvlak, terwijl de speelweides worden ingericht op het naastgelegen agrarische perceel. Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het agrarische perceel kan drift ontstaan. In dat kader wordt doorgaans een richtafstand van 50 meter gehanteerd tussen een spuitzone en een gevoelig object. Een hondenpension wordt echter niet als milieugevoelig object beschouwd, omdat er geen personen langer dan 2 uur achtereen verblijven. Hierdoor worden de omringende agrariërs niet belemmerd in hun bedrijfsvoering en treden er geen nadelige effecten voor de gezondheid van mensen op. Opmerkelijk is dat het dichtstbijzijnde agrarische perceel in eigendom is van de initiatiefnemer. Door de ligging van de speelweides ontstaat aan de noordwestzijde een buffer van meer dan 50 meter waar geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Deze buffer draagt bij aan een veilige situatie voor de honden en het erf. 5.3.2

Duurzaamheid

Bij de realisatie van het hondenpension op de planlocatie wordt veel aandacht besteed aan duurzaam en verantwoord bouwen. Het gebouw wordt voorzien van vloerverwarming en koeling, een moderne ventilatie-installatie en een hoogwaardige isolatie, waardoor een aangenaam en gezond binnenklimaat voor de honden wordt geborgd en wordt aangesloten bij de actuele kwaliteitsnormen voor dierenwelzijn. Daarnaast wordt bij de bouw nadrukkelijk gestuurd op het minimaliseren van de CO₂uitstoot. Hierbij wordt rekening gehouden met het gebruik van materialen met lage materiaalgebonden emissies en een duurzame benadering van het bouwproces. Conclusie: Het onderdeel duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.

5.4

Verkeersgeneratie en parkeren

Verkeersveiligheid wordt primair geregeld via de weg- en verkeerswetgeving, zoals de Wegenverkeerswet. Deze regelgeving valt buiten het bereik van de Omgevingswet. Voor de beoordeling van dit plan is daarom aangesloten bij het gemeentelijk beleid ten aanzien van verkeer en parkeren. Het hondenpension wordt ontsloten via de bestaande oprit aan de Oosterkwelweg, die tevens toegang geeft tot het agrarisch bedrijf. Hierdoor verandert de verkeerssituatie niet en blijft de verkeersveiligheid ongewijzigd. Het aantal verkeersbewegingen neemt door de realisatie van het kleinschalige hondenpension ligt toe. Binnen het pension kunnen maximaal 20 honden worden opgevangen. In een ‘worst-case’ scenario, wanneer de honden voor slechts 1 dag worden gebracht en de eigenaren ’s ochtends en ’s avonds heen en weer rijden (4 verkeersbewegingen per eigenaar) zal het aantal verkeersbewegingen toenemen met 20 x 4 = 80 verkeersbewegingen. In de praktijk blijkt echter dat honden vaak voor meerdere dagen

15

in het hondenpension verblijven, bijvoorbeeld tijdens vakanties. Dit betekent dat het aantal verkeersbewegingen in de dagelijkse praktijk lager zal zijn. De beoordeling van de parkeerbehoefte vindt plaats op basis van de Parkeerregels Hollands Kroon 2018, die zijn gebaseerd op de CROW-normen. Voor een bedrijf met de classificatie arbeidsextensief, bezoekersextensief, gelegen in het buitengebied en in een niet-stedelijk gebied, geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Bij een bruto vloeroppervlak van 246 m² resulteert dit in een behoefte van 5,9 (afgerond 6) parkeerplaatsen. Aan de westzijde van het hondenpension worden 6 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Hiermee wordt volledig voorzien in de parkeerbehoefte en wordt parkeren in de openbare ruimte voorkomen. Conclusie: Het onderdeel verkeersgeneratie en parkeren staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.5

Flora en fauna

In de Omgevingswet zijn regels van het natuurbeschermingsrecht opgenomen in de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang vanuit de Wet natuurbescherming. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het onderdeel stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5 a van de Wet natuurbescherming blijven gelden tot een koninklijk besluit te bepalen datum. Er vindt, vooralsnog, geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. 5.5.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000 gebieden Gezien de ligging van de planlocatie op een agrarisch bouwvlak, de kleinschalige aard van de plannen op een minimale afstand van circa 1,7 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied IJsselmeer zijn er geen negatieve effecten te verwachten op Natura 2000 gebieden. Stikstofdepositie Al jaren is er in veel Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden), onder andere afkomstig van mest uit landbouwbedrijven, industrie en verkeer. Dit overmatige aanbod van stikstof heeft een schadelijke invloed op kwetsbare natuurgebieden. In de beheerplannen van Natura 2000-gebieden is vastgelegd welke habitattypen gevoelig zijn voor stikstofdepositie en welke afspraken gelden om deze natuur te beschermen. Nieuwe activiteiten die leiden tot extra stikstofuitstoot zijn alleen toegestaan wanneer de aanvullende depositie laag genoeg is, dat wil zeggen onder de drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jaar. In dat kader wordt is onderzocht of tijdens de bouw- en gebruiksfase van het toekomstige hondenpension sprake kan zijn van een toename van stikstofdepositie op hiervoor gevoelige Natura 2000-gebieden (bijlage 3).

16

Uit de berekeningen blijkt dat het nabijgelegen Natura 2000 gebied IJsselmeer geen overschrijding verkrijgt door (extra) stikstofdepositie. Binnen het Natura 2000 gebied zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Overige onderdelen gebiedsbescherming De werkzaamheden vinden niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als NNN, Beschermd Landschap of een natuurverbinding. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de overige onderdelen van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet aan de orde. Houtopstanden Met de ontwikkeling van het plan worden geen bomen of bosschages verwijderd. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van beschermde houtopstanden zoals bedoeld in de Omgevingswet is niet aan de orde. 5.5.2

Soortenbescherming

Het hondenpension wordt gerealiseerd op een locatie waar thans een grasperceel aanwezig is dat intensief wordt onderhouden.

Locatie hondenpension

Direct naast de planlocatie bevindt zich de oprit naar de achtergelegen bedrijfsgebouwen, waardoor er reeds sprake is van regelmatige verstoring als gevolg van de agrarische bedrijfsvoering. De ontwikkeling is kleinschalig van aard en er worden geen houtopstanden verwijderd. Daarmee is uitgesloten dat de realisatie van het hondenpension leidt tot het verdwijnen van verblijfplaatsen of foerageergebieden van beschermde soorten. Gelet op het huidige gebruik en het karakter van het terrein, wordt bovendien verwacht dat zich geen beschermde plant- of diersoorten bevinden die gevoelig zijn voor verstoring of aantasting van hun leefgebied.

17

De algemene zorgplicht uit de Omgevingswet blijft van toepassing. Dit houdt in dat bij de uitvoering van de werkzaamheden zorgvuldig moet worden omgegaan met eventueel aanwezige flora en fauna en dat onnodige schade moet worden voorkomen. Een ecologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie: Het onderdeel flora en fauna staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.6

Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) met name bewaakt in zogenoemde aandachtsgebieden. Dit zijn gebieden waar de concentraties stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM₁₀) relatief hoog zijn en waar extra aandacht nodig is om te voldoen aan de omgevingswaarden uit de Omgevingswet. Wanneer een activiteit plaatsvindt binnen of nabij een aandachtsgebied en leidt tot een toename van deze concentraties, moet worden getoetst aan de omgevingswaarden, zoals opgenomen in artikel 5.51 Bkl. Voor activiteiten met een verkeersaantrekkende werking of waarvoor luchtkwaliteitsregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gelden, zijn specifieke beoordelingsregels opgenomen in artikel 8.17 Bkl. De planlocatie ligt niet in of nabij een aandachtsgebied als bedoeld in artikel 5.51 Bkl. Toetsing aan de omgevingswaarden is daarom niet vereist, tenzij sprake zou zijn van een activiteit die in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentraties NO₂ of PM₁₀. Het aantal verkeersbewegingen neemt door de realisatie van het hondenpension licht toe. Uit de NIBM-tool blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (bijlage 4). Conclusie: Het onderdeel luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.7

Geluid

De regels over geluid in het kader van de Omgevingswet zijn gericht op het beheersen van geluidbelasting door infrastructuur, zoals wegen, spoorwegen en industrieterreinen, en op de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties. Binnen het tijdelijke omgevingsplan zijn deze regels opgenomen in de zogenoemde Bruidsschat, specifiek in paragraaf 22.3.4. Deze paragraaf bevat bepalingen over geluid veroorzaakt door activiteiten op of in een geluidgevoelig gebouw dat op grond van het omgevingsplan of een verleende omgevingsvergunning is toegestaan. In artikel 22.57 van de Bruidsschat is vastgelegd op welke plaatsen op een geluidgevoelig gebouw de geluidswaarden van toepassing zijn. Voor geluid afkomstig van infrastructuur gelden daarnaast de instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 3.18 Bkl is het toepassingsbereik van deze regels vastgelegd voor geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Indien een plan voorziet in nieuwe geluidgevoelige of geluidsbelastende functies, dient op basis van deze regelgeving een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting van (spoor)wegen binnen de relevante invloedssfeer rond de betreffende functie. In dit geval is een hondenpension geen milieugevoelige functie, omdat personen hier niet langer dan 2 uur achtereen verblijven. 18

Er is wel een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 5) in verband met het zogenoemde industrielawaai vanuit het hondenpension (blaffende honden). Uit dit onderzoek blijkt dat: • In het onderzoek is aangegeven welke geluidbelasting wordt verwacht bij het maximaal aantal honden van 20. De gekozen uitgangspunten zoals 20 honden die elk altijd 5% van de tijd blaffen is extreem en zullen niet dagelijks plaatsvinden. De resultaten geven aan wat door deze ontwikkeling maximaal mogelijk wordt gemaakt. • De rekenresultaten zijn getoetst aan de grenswaarden uit het omgevingsplan ter plaatse van woningen van derden. Rondom het bedrijf is aangesloten bij de richtwaarden genoemd in de VNG Publicatie 2024. • De hoogste waarde wordt verwacht aan de Oosterkwelweg 4 in de dagperiode en bedraagt 37 dB(A) plus 5 dB impulscorrectie is 42 dB(A). De etmaalwaarde wordt bepaald door de geluidbelasting in de dagperiode plus 5 dB en bedraagt maximaal 42 dB(A). • Het blaffen van een hond leidt tot een maximaal A-gewogen geluidniveau van maximaal 64 dB in de avondperiode. Deze waarde is 1 lager dan de richtwaarde van 65 dB(A) in de avondperiode. • Geconcludeerd kan worden dat wordt voldaan aan de uitgangspunten voor een Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal). Tevens wordt voldaan aan de geluidregels uit het Omgevingsplan.

• Het bevoegd gezag dient een regel op te nemen voor het in stand houden van een aanvaardbaar geluid voor deze activiteit. De gemeente kan de standaardwaarden voor LAr, LT in dit agrarisch gebied met 5 dB verlagen (artikel 5.65, lid 3 Bkl) ter plaatse van woningen. • Hiermee is het plan voor de opvang van 20 honden mogelijk binnen de richtwaarden van Etfal. Daarnaast worden deze richtwaarden voor de omgeving geborgd in het Omgevingsplan zodat deze voor deze activiteit blijven gelden. Conclusie: Het onderdeel geluid staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.8

Geur

Geurhinder kan een relevant aandachtspunt zijn bij milieubelastende activiteiten zoals veehouderijen, andere agrarische bedrijven, mengvoederindustrie, horeca-inrichtingen, slachterijen, rioolwaterzuiveringsinstallaties en vergelijkbare geur-emitterende functies. Deze activiteiten kunnen een negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat in de omgeving en vereisen daarom een zorgvuldige beoordeling in het kader van de omgevingskwaliteit. Bij de onderhavige ontwikkeling is hiervan geen sprake. Het plan betreft uitsluitend de realisatie van een kleinschalig hondenpension als nevenfunctie van een agrarisch bedrijf. Een hondenpension wordt niet aangemerkt als een geur-emitterende inrichting in de zin van de relevante milieuwetgeving. Bovendien brengt de functie geen structurele geur-emissie met zich mee. Er worden geen nieuwe milieubelastende activiteiten gerealiseerd die geurhinder kunnen veroorzaken. Conclusie: Het onderdeel geur staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

19

5.9

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Het uitgangspunt van omgevingsveiligheid is dat voor risico’s van branden, rampen en crises rekening moet worden gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheid voor personen om zich in veiligheid te brengen en hulpverlening. Voor gebouwen en locaties zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 5.9.1

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7, lid 2 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden tot te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). 5.9.2

Groepsrisico

In het kader van externe veiligheid wordt binnen het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gewerkt met zogenoemde aandachtsgebieden. Deze gebieden worden van rechtswege toegekend aan risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen (artikel 5.12 Bkl) en geven aan waar personen zich binnenshuis bevinden zonder voldoende bescherming tegen effecten van brand, explosie of een gifwolk. De omvang van deze aandachtsgebieden is afhankelijk van het type risicobron en wordt vastgelegd via vaste afstanden of rekenregels, zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl. De aandachtsgebieden zijn raadpleegbaar via het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Hierbinnen gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikelen 4.90 tot en met 4.96 Bbl), met name voor zeer kwetsbare functies zoals kinderdagverblijven, scholen en verzorgingstehuizen. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan echter ook afzien van aanwijzing van een voorschriftengebied of hiervan afwijken qua omvang (artikel 5.14 Bkl). Daarnaast kunnen gemeenten via maatwerkvoorschriften extra eisen stellen aan bijvoorbeeld vluchtroutes of de bereikbaarheid van het gebied voor hulpdiensten, afhankelijk van de aard van het initiatief en de lokale omstandigheden.

Onder de Omgevingswet is het opstellen van een groepsrisicoberekening niet verplicht, maar een gemeente kan hier in het kader van haar zorgplicht wel om vragen. Voor enkele specifieke situaties zijn aanvullende regels van toepassing, waaronder: • belemmeringengebieden rond buisleidingen (paragraaf 5.1.2.3 Bkl); 20

• • •

veiligheid bij de opslag en bewerking van vuurwerk (paragraaf 5.1.2.4 Bkl); veiligheid rond ontplofbare stoffen voor civiel gebruik of militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl).

De realisatie van een hondenpension betreft geen gevoelige of kwetsbare functie. Er is dan ook geen sprake van een toename van het plaatsgebonden risico of groepsrisico. Gelet hierop zijn nadere voorschriften of aanvullende toetsingen in het kader van externe veiligheid niet aan de orde. Conclusie: Het onderdeel omgevingskwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.10 Trilling Het aspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.35 van de zogenoemde Bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan. Deze paragraaf bevat regels voor trillingen met een frequentie tussen 1 en 80 Hz die kunnen optreden in trillinggevoelige ruimtes van trillinggevoelige gebouwen. De regelgeving is van toepassing op activiteiten die planologisch zijn toegestaan op basis van het omgevingsplan of waarvoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend. In de artikelen 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat zijn maximale waarden vastgelegd voor zowel continu voorkomende als herhaald optredende trillingen. Deze normen zijn bedoeld om hinder en schade aan gebouwen, evenals verstoring van het gebruik van gevoelige functies (zoals woningen), te voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling betreft uitsluitend de realisatie van een kleinschalig hondenpension als nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf. Hierbij worden geen nieuwe trillingsbronnen geïntroduceerd die relevant zijn in het kader van hinder of schade door trillingen. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor het aspect trillingen en voldoet aan de geldende bepalingen uit de Bruidsschat. Conclusie: Het onderdeel trilling staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.11 Activiteiten en milieuzonering Een goede omgevingskwaliteit vereist een integrale benadering, waarbij milieubelangen en ruimtelijke ordening zorgvuldig op elkaar worden afgestemd. Bij de realisatie van het hondenpension is geborgd dat wordt voldaan aan de geldende milieunormen en dat geen negatieve effecten optreden op de fysieke leefomgeving. Als toetsingskader is de publicatie Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), editie 2009, gehanteerd. Deze publicatie bevat richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies en biedt ondersteuning bij een zorgvuldige afweging om te komen tot een goed woon- en leefklimaat in combinatie met een verantwoorde ruimtelijke ordening. Een hondenpension is in milieutechnisch opzicht vergelijkbaar met een hondendressuurterrein. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter in het kader van het

21

milieuaspect geluid. Voor de overige milieuaspecten, zoals stof, geur en gevaar, geldt een richtafstand van 0 meter. Deze afstanden zijn bepaald voor een rustige woonomgeving. De planlocatie bevindt in het buitengebied, waar sprake is van een rustig omgevingskarakter. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning aan de Oosterkwelweg 4 bedraagt circa 100 meter. De afstand tot de grens van het bestemmingsvlak waarop deze woning is gelegen bedraagt circa 70 meter. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 50 meter voor een hondenpension. In paragraaf 5.7 wordt bovendien aangetoond dat het geluidsniveau op de dichtstbijzijnde woning aan de Oosterkwelweg 4 voldoet aan de normen uit het Omgevingsplan. Het plan is in overeenstemming met de uitgangspunten voor omgevingskwaliteit en milieuzonering. Daarmee is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen gegarandeerd. Conclusie: De activiteiten en milieuzonering staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap Archeologie Het gemeentelijk beleid ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische elementenkaart. Op deze kaarten zijn archeologische waarden en verwachtingszones weergegeven. Deze waarden zijn vertaald in archeologische dubbelbestemmingen binnen het (tijdelijke) omgevingsplan of als activiteitgerichte regels in het gemeentebrede omgevingsplan. Wanneer een initiatief binnen een dergelijk beleids- of plangebied valt, wordt het hieraan getoetst. Voor de planlocatie geldt een vrijstellingsgrens van 10.000 m² en een lage archeologische verwachting. Er wordt en bijgebouw geplaatst binnen een bestaand agrarisch bouwvlak met een oppervlakte van circa 246 m². Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de vrijstellingsgrens en de verwachting is dan ook dat de ontwikkeling van het plan geen negatief effect heeft op mogelijk voorkomende archeologische waarden. Cultuurhistorie Vanuit cultuurhistorisch perspectief zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. Bij de realisatie van het hondenpension worden geen wijzigingen aangebracht aan de verkaveling van het perceel of de omringende waterlopen.

In of nabij het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle objecten, structuren of landschapselementen die door de ontwikkeling worden aangetast. Landschap De speelweides worden buiten het erf ingericht en met een lage, transparante afrastering vormgegeven, zodat de openheid van het polderlandschap behouden blijft. Het hondenpension wordt tegen de bestaande windsingel geplaatst, waardoor het op natuurlijke wijze wordt ingepast en vanaf de Oosterkwelweg ondergeschikt blijft aan de hoofdboerderij. Zo wordt de erfstructuur versterkt en sluiten de speelweides aan bij het landschap zonder afbreuk te doen aan de karakteristieke ruimtelijke kwaliteiten van de Wieringermeer. 22

Conclusie: Het onderdeel archeologie, cultuurhistorie en landschap staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.13 Bodem De Omgevingswet bepaalt dat bij de realisatie van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet worden voldaan aan de in het omgevingsplan opgenomen kwaliteitswaarden voor de bodem (artikel 5.89, onder i, Bkl). Deze kwaliteitswaarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen. Indien sprake is van een overschrijding van de vastgestelde bodemkwaliteitswaarden, is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegestaan indien de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89, onder k, Bkl en artikel IIIa, lid 2, Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast geldt dat bij functiewijzigingen of wijziging van activiteiten de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Afhankelijk van de aard en gevoeligheid van de nieuwe functie kan hiervoor bodem- en/of grondwateronderzoek noodzakelijk zijn. In dit geval betreft het de realisatie van een hondenpension. Deze functie wordt niet aangemerkt als een bodemgevoelig gebruik in de zin van de wet. Een bodemonderzoek is daarom niet verplicht en kan achterwege blijven. Conclusie: Het onderdeel bodem staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.14 Weging van waterbelang Conform artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met de gevolgen van een ontwikkeling voor het beheer van watersystemen. De beoordeling van die gevolgen vindt mede plaats op basis van de inzichten van het daarvoor bevoegde bestuursorgaan. Voor het onderhavige plan is een wateradvies gevraagd (zie bijlage 6) bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Waterkwantiteit Volgens de Waterschapsverordening geldt dat bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 230 m² compenserende waterberging moet worden gerealiseerd om wateroverlast en een verslechtering van de waterhuishouding te voorkomen. Op de planlocatie wordt een nieuw bijgebouw gerealiseerd met een oppervlakte van 246 m². Het verhardingspercentage bedraagt 15%, wat betekent dat er 37 m² compenserende waterberging moet worden aangelegd. Daarnaast wordt een dam in de waterloop gerealiseerd tussen het hondenpension en de speelweides. De oppervlakte van de dam bedraagt minder dan 35 m², waardoor hiervoor geen aanvullende compensatie nodig is. Voor het realiseren van de verhardingstoename en het graven van de compenserende waterberging wordt separaat een omgevingsvergunning aangevraagd bij het hoogheemraadschap.

Met de geplande maatregelen wordt voldaan aan de vereisten van het hoogheemraadschap en wordt een adequate watercompensatie gerealiseerd, waardoor de waterhuishouding in het gebied niet negatief wordt beïnvloed. 23

Waterkwaliteit Binnen de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van functies of activiteiten die een risico vormen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het afstromende hemelwater wordt als schoon beschouwd en kan daarom rechtstreeks worden geloosd op de omliggende watergangen, conform het geldende waterbeleid. Om indirecte verontreiniging van het hemelwater te voorkomen, wordt geadviseerd het gebruik van uitloogbare materialen zoals zink, koper en lood te vermijden bij de aanleg of uitbreiding van gebouwen en verhardingen. Hiermee wordt invulling gegeven aan het principe van schoon afkoppelen en wordt bijgedragen aan de bescherming van de waterkwaliteit. Conclusie: Bij de ontwikkeling van het plan wordt het waterbelang niet geschaad.

24

6.

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De voorliggende ontwikkeling betreft een particulier initiatief op een locatie waarvoor het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege geldt. In dit kader wordt aangesloten bij de geldende juridische en financiële kaders zoals vastgelegd in de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Hollands Kroon is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin onder meer afspraken zijn vastgelegd over de uitvoering van het plan, het kostenverhaal en eventuele planschade. Daarmee is voorzien in een volledig kostenverhaal, zoals bedoeld in artikel 13.23 van de Omgevingswet. Indien door de verlening van de omgevingsvergunning schade ontstaat, kan in beginsel een aanspraak op nadeelcompensatie ontstaan op grond van artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de gesloten overeenkomst is echter expliciet vastgelegd dat eventuele schadevergoedingsverplichtingen of claims op grond van nadeelcompensatie volledig voor rekening van de initiatiefnemer komen. De ontwikkeling leidt derhalve niet tot financiële risico’s of kosten voor de gemeente en wordt als planologisch en financieel doelmatig beschouwd.

25

7.

Belangenafweging en conclusie

7.1

Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), mag de vergunning uitsluitend worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit volgt uit artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De kernvraag is of – na een zorgvuldige afweging van belangen – het toestaan van de aangevraagde activiteit past binnen een evenwichtige ruimtelijke ordening van het gebied. Naast artikel 8.0a zijn tevens de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b tot en met 8.0e Bkl van toepassing. Deze bepalingen stellen nadere eisen met betrekking tot onder andere milieubelasting, gezondheid, omgevingsveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen functies en de gevolgen voor beschermde waarden. De voorliggende aanvraag betreft de realisatie van een kleinschalig hondenpension. Om te kunnen beoordelen of deze ontwikkeling in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie, zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving onderzocht en gewogen. Uit de uitgevoerde toetsingen blijkt dat de ontwikkeling past binnen de ruimtelijke en milieukundige randvoorwaarden van het gebied. Er is geen sprake van een zodanige belasting van de omgeving dat deze onevenredig wordt beïnvloed.

Evenmin worden de bestaande of toekomstige gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen functies beperkt. De voorgenomen activiteit draagt bij aan een doelmatig en zorgvuldig gebruik van de beschikbare ruimte en is daarmee in overeenstemming met het uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.2

Participatie

De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie, zodat overheden in een vroeg stadium inzicht krijgen in de belangen, meningen en ideeën van betrokkenen. Participatie wordt in de wet gedefinieerd als het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het besluitvormingsproces over een project of activiteit. Onder belanghebbenden verstaat de wet onder meer burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden. Op grond van de Omgevingsregeling geldt bij de indiening van een aanvraag de verplichting om informatie te verstrekken over participatie. De initiatiefnemer dient aan te geven of participatie heeft plaatsgevonden, hoe deze is vormgegeven en wat de resultaten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. De omwonenden van Oosterkwelweg 4 en 6 hebben schriftelijk verklaard in te stemmen met de voorgenomen ontwikkeling (zie bijlagen 7 en 8). Deze woningen bevinden zich het dichtst bij de planlocatie en ondervinden daardoor de hoogste geluidbelasting van het hondenpension. Daarmee is voldaan aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van participatie en zijn er geen bezwaren vanuit de direct omwonenden.

26

7.3

Vaststellingsprocedure

De aanvraag om omgevingsvergunning heeft onder meer betrekking op de realisatie van een hondenpension, waarmee wordt afgeweken van het geldende omgevingsplan. Op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet is op deze aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing, zoals geregeld in titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het bevoegd gezag in beginsel binnen een termijn van acht weken een besluit op de aanvraag dient te nemen. Tegen het besluit op de aanvraag kunnen belanghebbenden bezwaar maken bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Indien een belanghebbende het niet eens is met de beslissing op bezwaar, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank. De bestuursrechter toetst vervolgens of het besluit op rechtmatige en zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan in de meeste gevallen hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.4

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling van een kleinschalig hondenpension op de planlocatie aan de Oosterkwelweg 5 vormt een ondergeschikte nevenfunctie bij het bestaande agrarische bedrijf. Het plan is zorgvuldig vormgegeven om zowel ruimtelijke als milieukundige belangen te waarborgen. Het hondenpension wordt ruimtelijk ingepast binnen het bestaande bouwvlak en tegen de windsingel geplaatst, waardoor het gebouw op natuurlijke wijze wordt opgenomen in het landschap. De speelweides liggen buiten het erf en worden met een lage, transparante afrastering onderdeel van het open landschap, waardoor de karakteristieke openheid van de Wieringermeer behouden blijft. Alle relevante milieuaspecten zijn beoordeeld. Het plan leidt niet tot overschrijding van milieunormen en veroorzaakt geen nadelige effecten voor omwonenden of de natuur. Voor de verhardingstoename wordt voldoende compenserende waterberging gerealiseerd conform de vereisten van het waterschap. De ontsluiting van het hondenpension vindt plaats via de bestaande oprit, waardoor de verkeerssituatie niet significant verandert. Het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein voldoet aan de CROW-normen voor dit type bedrijf in het buitengebied. Direct omwonenden hebben hun instemming met het plan kenbaar gemaakt, waarmee wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen voor vroegtijdige participatie.

Het plan sluit aan bij de actuele ruimtelijke en maatschappelijke context, respecteert de omgevingskwaliteit, draagt bij aan het voorzieningenniveau van de gemeente en voorziet in een zorgvuldige landschappelijke en milieukundige inpassing. Er zijn geen belemmeringen die de uitvoering van het plan in de weg staan.

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=7947d213-dd83-4dee-b272-70556444f3ba