Was-wordt-tabel-wijziging-re-integratieverordening-participatiewet Hof van Twente.pdf
Tekst van het document
Was-wordt-tabel wijziging Model Re-integratieverordening Participatiewet (januari 2023) Leeswijzer In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet en – als het een facultatieve bepaling betreft – eveneens onderstreept (aangezien dan de hele bepaling cursief is i.v.m. het facultatieve karakter). In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vetgedrukt en – als de bestaande tekst al vet was gedrukt - ook onderstreept. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 (artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Participatiewet; b. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet; c. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; d. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar.
Nieuwe tekst Artikel 1. Begrippen 1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2. In deze verordening wordt verstaan onder: a. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente; b. de raad: de gemeenteraad van de gemeente Hof van Twente; c. doelgroep: personen als bedoeld in de wet, artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet; d. de wet: de Participatiewet; e. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; f. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; g. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; h. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;
i.
interne werkbegeleiding: door een
collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; j. jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; k. persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; l. overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; m. praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek; n. voorziening: een door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; o. werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; p.
werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is.
Het opschrift van hoofdstuk 2 (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Hoofdstuk 2. Beleid en financiën
Nieuwe tekst Hoofdstuk 2. Beleid en evaluatie
Artikel 2 (artikel I, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering 1. Het college kan ondersteuning bieden aan een persoon die behoort tot de doelgroep. Deze ondersteuning is gericht op hetzij maatschappelijke participatie hetzij arbeidsinschakeling. 2. Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen, biedt het college maatwerk. Daarbij maakt het college de afweging of de voorziening, gelet op de omstandigheden, de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op maatschappelijke participatie of inschakeling in arbeid. Het vastgestelde re-integratietraject wordt vastgelegd in een plan van aanpak. 3. Het college rapporteert jaarlijks aan de gemeenteraad de doeltreffendheid van het beleid.
Nieuwe tekst Artikel 2. Evenwichtige verdeling en evaluatie 1. Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor zover het college dat noodzakelijk acht een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aanbieden. 2. Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 6, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 3. Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 8, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 4. Het college kan de voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 3 (art. 4,5,6), aanbieden aan personen met een arbeidsbeperking, die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. 5. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 6. Het college biedt jaarlijks aan de raad
een verslag aan over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. 7. Het college verzamelt voor het verslag systematisch informatie over onder meer: a. de aard en omvang van het bijstandsbestand; b. de inzet van beschut werk; c. de inzet van loonkostensubsidies; d. de inzet van jobcoaches; en e. uitstroom naar regulier werk zonder ondersteuning. Bestaande tekst Hoofdstuk 3. VOORZIENINGEN
Nieuwe tekst Hoofdstuk 3. VOORZIENINGEN
Artikel 3 (artikel I, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3 Budget en subsidieplafonds 1. Het college kan een of meer subsidieof budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. 2. Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.
Nieuwe tekst Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen 1. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan. Bij het voorzieningenaanbod houdt het college rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn. Verder wordt het aanbod, als dat nodig is, intern afgestemd zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 2. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van
een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a van de wet; d. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f.
de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de
aangeboden voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.
Na artikel 3 wordt een hoofdstuk ingevoegd (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit), luidende: HOOFDSTUK 4 Algemene voorzieningen gericht op uitstroom naar regulier werk Artikel 4 (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op artikel 5 wordt artikel 4. Let op: Artikel 9 No riskpolis (re-integratieverordening participatiewet HvT 2020) komt te vervallen. Dit artikel is ongewijzigd opgenomen in artikel 4, lid 6 . Bestaande tekst Artikel 5 Werkervaringsplaats 1. Het college kan een persoon een werkervaringsplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep, en b. een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2. Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring en/of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. De duur van de werkervaringsplaats is maximaal 3 maanden en kan éénmalig met maximaal 3 maanden bij dezelfde werkgever worden verlengd. 4. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5. Met de werkgever die de werkervaringsplaats aanbiedt en de persoon die de werkervaringsplaats gaat invullen wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld. In de overeenkomst worden in ieder geval vastgelegd: a.
doel(en) van de werkervaringsplaats, b. duur van de werkervaringsplaats en c. de wijze waarop begeleiding plaatsvindt.
Nieuwe tekst Artikel 4. Werkervaringsplaats 1. Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep, en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door (langdurige) werkloosheid. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4. Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de werkgever die de werkstage aanbiedt en de persoon die de werkstage gaat verrichten. In de schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkstage; en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 5. De duur van de werkstage is maximaal drie maanden met maximaal 2x een verlenging bij dezelfde werkgever.
6. Het college vergewist zich vóór de plaatsing dat de aansprakelijkheidsen ongevallen risico’s ten behoeve van deze persoon zijn afgedekt. Het college attendeert werkgevers bij de plaatsing van personen met een arbeidsbeperking, die zijn opgenomen in het doelgroepregister Banenafspraak of een indicatie beschut werk hebben op de mogelijkheden om in geval van ziekte van de werknemer gebruik te maken van de no riskpolis van het UWV. Indien na plaatsing van een persoon bij een werkgever blijkt dat sprake is van verminderde loonwaarde, informeert het college hierover het UWV, zodat de persoon wordt opgenomen in het doelgroepregister en de werkgever gebruik kan maken van de no-riskpolis van het UWV. Artikel 5 (artikel I, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op: artikel 4 wordt artikel 5: Let op: Artikel 14 participatieplaats (re-integratieverordening participatiewet HvT 2020) komt te vervallen. Dit artikel is gewijzigd opgenomen in artikel 5, lid 1. Bestaande tekst Artikel 4 Proefplaatsing 1. Het college kan een persoon, die behoort tot de doelgroep een proefplaats gericht op arbeids-inschakeling aanbieden voor zover dit gezien zijn afstand tot de arbeidsmarkt passend is. 2. Het doel van een proefplaats is het beoordelen of een persoon voldoende competenties heeft voor een beoogde arbeidsplaats. 3.
De duur van de proefplaatsing is maximaal 3 maanden. 4. Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de beoogde werkgever en de persoon die op de proefplaats wordt geplaatst. In de overeenkomst worden de invulling van de proefplaats en de wijze van begeleiding vastgelegd. 5. Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en de ongevallenrisico’s ten behoeve van de persoon zijn afgedekt.
Nieuwe tekst Artikel 5. Proefplaatsing 1. Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van een proefplaatsing is het voor een beperkte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie of de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen. De proefplaats wordt ingezet voor de duur van maximaal drie maanden. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: 1. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot
de werkzaamheden in staat is; 2. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; 3. hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; 4. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en 5. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het tweede lid, buiten beschouwing gelaten. 6. Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 4
7. Er wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld met de beoogde werkgever en de persoon die op de proefplaats wordt geplaatst. In de overeenkomst
worden de invulling van de proefplaats en de wijze van begeleiding vastgelegd. 8. Het college vergewist zich vóór de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van deze persoon zijn afgedekt. Artikel 6 (artikel I, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 6 Detacheringsbaan 1. Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Nieuwe tekst Artikel 6. Detacheringsbaan 1. Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever (zoals een detacheringsbedrijf of uitzend-bureau), gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Artikel 7 (artikel I, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit) is ongewijzigd behouden: Bestaande tekst Artikel 7 Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden. 2. Scholing voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. De persoon moet de mogelijkheden en capaciteiten hebben om de scholing binnen de gestelde termijn met goed gevolg te kunnen afronden, en b. De scholing vergroot de kansen op de arbeidsmarkt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, lid 3, sub a van de wet.
Nieuwe tekst Artikel 7. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. de persoon moet de mogelijkheden en capaciteiten hebben om de scholing binnen de gestelde termijn met goed gevolg af te kunnen ronden, en b. de scholing vergroot de kansen op de arbeidsmarkt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder a, van de wet.
Artikel 8 (artikel I, onderdeel I, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op: artikel 12 wordt artikel 8 Bestaande tekst Artikel 12 Ondersteuning bij leerwerktraject Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leerwerktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
Nieuwe tekst Artikel 8. Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leerwerktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
Artikel 9 (artikel I, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: let op; artikel 11 wordt artikel 9. Bestaande tekst Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.
Nieuwe tekst Artikel 9. Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen behorend tot de doelgroep. 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 3, verstrekt overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 5.
Artikel 10 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 10. Verwervingskosten Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep een bijdrage
verstrekken in aantoonbare en reële directe en voorwaardenscheppende kosten die gemaakt moeten worden in het kader van het re-integratietraject. Artikel 11 (artikel I, onderdeel K van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op: artikel 16 wordt artikel 11 Bestaande tekst Artikel 16 Uitstroompremie 1. Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een persoon die: - een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, - die behoort tot de doelgroep, - die ten minste gedurende 6 maanden uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een uitkering en - die gedurende een aaneengesloten periode van 12 maanden of langer een beroep heeft gedaan op een uitkering inzake de wet. 2. Het college stelt nadere regels over de hoogte alsmede de voorwaarden waaronder de premie zoals bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt.
Nieuwe tekst Artikel 11 Uitstroompremie 1. Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een persoon die: - een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, - die behoort tot de doelgroep, - die ten minste gedurende 6 maanden uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een uitkering en - die gedurende een aaneengesloten periode van 12 maanden of langer een beroep heeft gedaan op een uitkering inzake de wet. 2. Het college stelt nadere regels over de hoogte alsmede de voorwaarden waaronder de premie zoals bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt. De uitstroompremie kan maximaal één keer per vijf jaar toegekend worden.
Na artikel 11 wordt een hoofdstuk ingevoegd (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit), luidende: Hoofdstuk 5 Specifieke voorzieningen gericht op regulier werk voor de doelgroep met een arbeidsbeperking
Artikel 12 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 12. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, aan de werkgever en deze persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 4.
Het college stelt binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid van de wet. 5. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht. Artikel 13 (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op: artikel 8 wordt artikel 13 Bestaande tekst Artikel 8 Loonkostensubsidie 1. Het college stelt vast of een persoon
Nieuwe tekst Artikel 13. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige
2.
3.
4.
5.
6.
behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een persoon behoort tot de doelgroep conform artikel 7, lid 1, sub a of de doelgroep zoals beschreven in artikel 10d, lid 2 van de wet, b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, dan wel daaraan gerelateerd met deeltijdarbeid het minimum uurloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Het college laat zich bij de vaststelling of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort adviseren door een externe deskundige. Deze adviseur neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Het college verstrekt de subsidie alleen als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Een deskundige adviseert het college op basis van een gevalideerde methode over de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. De deskundige neemt daarbij de in het vijfde lid bedoelde voorschriften in acht.
Het college kan in overleg met de werkgever overeenkomen dat de vaststelling van de loonwaarde van een persoon gedurende maximaal de eerste zes maanden van de dienstbetrekking achterwege kan blijven (artikel 10d, lid 1, sub b van de wet en artikel 10d, lid 5 van de wet) en in deze periode een forfaitaire loonkostensubsidie verstrekken.
voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 3, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PROonderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden of een voorziening als bedoeld in artikel 15, derde lid, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week, d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening opweegt tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk.
Artikel 14 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 14. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige
voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon die behoort tot de doelgroep zoals bedoeld in artikel 12, eerste lid, of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 3. Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. 4. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 5. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 6.
Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1 van de wet, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2 van de wet. 7. Het college maakt binnen 20 werk-dagen na afronding van het onder-zoek, een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek dat wordt neergelegd in een onderzoeks-verslag. 8. Op basis van het onderzoeksverslag neemt het college een besluit en
zendt dit aan de persoon of zijn gemachtigde en, indien van toepassing, aan de werkgever.
Artikel 15 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 15. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f. voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2. Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft.
Paragraaf 5.1: Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 16 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 16. Persoonlijke ondersteuning bij werk 1. Het college kan maatwerk bieden in
de vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk. Dit gebeurt in de vorm van jobcoaching in natura door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente Hof van Twente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. 2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats, een leer-werktraject of een werkstage. Artikel 17 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 17. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk 1. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.
Artikel 10 (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op: artikel 10 wordt artikel 18
Bestaande tekst Artikel 10 Jobcoaching 1. Aan een persoon die ingevolge artikel 6, eerste lid onder e van de wet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of een persoon met een structurele functionele beperking kan het college persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) aanbieden. Het gaat dan om ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken in de vorm van begeleiding op de werkplek indien hij zonder deze persoonlijke ondersteuning in redelijkheid niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. 2. Het college stelt ten aanzien van de jobcoaching nadere regels vast met betrekking tot onder meer duur en omvang van de ondersteuning.
Nieuwe tekst Artikel 18. Jobcoaching 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in Bijlage 1. 2. Voor het bepalen van de duur en intensiteit van de in te zetten jobcoaching wordt uitgegaan van de begeleidingsregiems licht, midden of intensief (zoals omschreven in artikel 2.4 van de Beleidsregel Protocol Interne Jobcoach UWV 2019, Staatscourant 2019, nr 51100). De nadere voorwaarden hiervoor en de hoogte van de vergoedingen wordt door het college uitgewerkt in nadere regels, waarbij gestreefd wordt naar regionale afstemming. 3. Het college kan van de in het tweede lid bedoelde regiems en voorwaarden afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 4. Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan. 5. Voordat het college de jobcoaching beëindigt verricht het college onderzoek. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan het college van dit onderzoek afzien.
Artikel 19 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 19. Jobcoaching in natura 1. Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2. Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een
beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 13 tot en met 18 van overeenkomstige toepassing. Artikel 20 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 20. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 12 tot en met 17, worden verleend als: a. de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
3. Het college kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching. Het college streeft naar regionale afstemming binnen de arbeidsmarktregio van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4. Het college kan in nadere regels uitwerken:
a. aan welke eisen het coachingsplan moet voldoen; b. welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren; c. hoe de continuïteit van de jobcoaching geborgd moet zijn; of d. hoe de evaluatie van de jobcoaching plaats vindt. 5. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: a. ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs. Artikel 21 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 21. Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Desgewenst kan het college hiervoor nadere richtlijnen vaststellen.
2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. Paragraaf 5.2: Specifieke bepalingen overige voorzieningen Artikel 22 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 22. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is beperkt tot woonwerkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. Hof van Twente bepaald of er sprake is van een passende vervoersvoorziening of dat er een alternatief voor handen is. De maximale reisafstand voor een taxi vergoeding bedraagt 30 kilometer en een taxi kan worden ingezet voor een periode van maximaal zes maanden. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.
Artikel 23 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 23. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap 1. Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of
gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. Het college kan in nadere regels uitwerken hoe het de omvang van de noodzakelijke intermediaire activiteit bepaalt Artikel 24 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 24. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 4. Het college kan in nadere regels uitwerken hoe het de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer bepaalt.
Artikel 25 (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Let op: artikel 11 wordt artikel 25. Bestaande tekst Artikel 11 Werkplekaanpassing 1. Het college kan voor een werknemer met een structurele functionele lichamelijke arbeidsbeperking bij een werkgever een werkplekaanpassing realiseren dan wel de kosten van de aanpassing aan de werkgever
Nieuwe tekst Artikel 25. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en
vergoeden als de kosten in verhouding staan tot de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst. 2. Een aanpassing of een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, wordt niet gerealiseerd voor zover de werkgever een vergoeding kan aanvragen bij een andere instantie of van de werkgever redelijkerwijs verwacht kan worden dat hij de werkplekaanpassing zelf financiert of de afschrijvingstermijn van een eerder verstrekte identieke werkplekaanpassing nog niet is verstreken.
meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn.
Na artikel 25 wordt een hoofdstuk ingevoegd (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit), luidende: Hoofdstuk 6 Voorzieningen niet gericht op regulier werk Artikel 26 (artikel I, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op: artikel 15 wordt artikel 26 Bestaande tekst Artikel 15 Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt ambtshalve of op verzoek de participatievoorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat hij/zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, en deze persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in art. 7 lid 1 sub a of artikel 10b sub 1 van de wet. 2. Het college gaat voor de realisatie en invulling van beschut werk uit van de door de rijksoverheid vastgestelde minimum taakstelling, tenzij de raad een besluit neemt tot beschikbaarstelling van (en hoeveel) additionele plekken voor beschut werk. In verband hiermee informeert het college de raad over de stand van zaken met betrekking tot beschut werk in de jaarlijkse rapportage
Nieuwe tekst Artikel 26. Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt ambtshalve of op verzoek de participatievoorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze door een arbeidsbeperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat hij/zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, en deze persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in art. 7 eerste lid onder a, of artikel 10-b eerste lid van de wet; 2. Het college gaat voor de realisatie en invulling van beschut werk uit van de door de rijksoverheid vastgestelde minimum taakstelling. Het college kan uit de personen uit de doelgroep een voorselectie maken en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 3. Het college draagt zorg voor het beheer van
als bedoeld in artikel 2 lid 4. 3. Het college draagt zorg voor het beheer van de wachtlijst van de door het UWV geïndiceerde ingezetenen die geen beschutte dienstbetrekking hebben en beschikbaar zijn om een dergelijke dienstbetrekking te aanvaarden, en stelt hiervoor nadere regels vast. 4. Het college kan uit de personen uit de doelgroep een voorselectie maken en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 5. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken worden de volgende ondersteunende voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, b. uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 6. Voor zover nodig worden de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: a. deelname aan vrijwilligerswerk, b. (arbeidsmatige) dagbesteding in de zin van de wet Wmo 2015, c. scholing als bedoeld in artikel 7, d. maatschappelijke participatie als bedoeld in artikel 13, e.
of andere voorzieningen die bijdragen aan het participeren in de samenleving.
de wachtlijst van de door het UWV geïndiceerde ingezetenen die geen beschutte dienstbetrekking hebben en beschikbaar zijn om een dergelijke dienstbetrekking te aanvaarden, en kan hiervoor nadere regels vaststellen. 4. In aanvulling op het aantal ten minste te realiseren dienstbetrekkingen, bedoeld in artikel 10b, vierde lid van de wet, wordt ten hoogste een aantal van 25 % aan additionele dienstbetrekkingen per jaar gerealiseerd. De invulling hiervan vindt zoveel mogelijk plaats in volgorde van vaststelling dat gegadigden uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 5. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken worden de volgende ondersteunende voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden: a. fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; of c. aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 6. Voor zover nodig kan één van de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: a. deelname aan vrijwilligerswerk; b. (arbeidsmatige) dagbesteding in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning; c. scholing als bedoeld in artikel 7; d. sociale activering als bedoeld in artikel 27; e.
persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 9; f. schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; of g. andere voorzieningen die bijdragen aan het participeren in de samenleving.
Artikel 27 (artikel I, onderdeel N, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op: artikel 13 wordt artikel 27 Bestaande tekst Artikel 13 Maatschappelijke participatie (sociale activering) 1. Het college kan een persoon met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van maatschappelijke participatie. 2. Het college stemt de duur en omvang van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.
Nieuwe tekst Artikel 27. Sociale activering 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering, voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
Na artikel 27 wordt een hoofdstuk ingevoegd (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit), luidende: Hoofdstuk 7 Slotbepalingen Artikel 28 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst Nieuwe tekst Artikel 28. Nadere regels 1. Het college kan bij uitvoeringsbesluit, ter uitvoering van deze verordening nadere regels vaststellen voor de uitwerking van het arbeidsmarktinstrumentarium.
2. Het college kan daarbij ook bepalen welke andere, overige voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling beschikbaar worden gesteld aan de werkzoekende. Artikel 29 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 29. Innovatie 1. Het college kan, als experiment in het
kader van het onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen, afwijken van het bepaalde in deze verordening. Wanneer hiervan gebruik wordt gemaakt, wordt de raad hierover geïnformeerd. 2. De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar. 3. Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling. Artikel 30 (artikel I, onderdeel P, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op: artikel 17 wordt artikel 30 Bestaande tekst Artikel 17 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Nieuwe tekst Artikel 30. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 31 (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) is toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 31. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 32 (artikel I, onderdeel Q, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op: artikel 19 wordt artikel 32 Bestaande tekst Artikel 19 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020 onder gelijktijdige intrekking van de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hof van Twente 2018.
Nieuwe tekst Artikel 32. Inwerkingtreding en overgangsrecht 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgende op die van haar bekendmaking en werkt terug tot 1 juli 2023 onder gelijktijdige intrekking van de Re-integratieverordening
Participatiewet gemeente Hof van Twente 2020. 2. Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hof van Twente 2020, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening, voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening gemeente Hof van Twente 2020, voor de duur: a. van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening; of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a. 3. Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet. 4. De Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hof van Twente 2020 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede en derde lid. Artikel 33 (artikel I, onderdeel R van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd, let op: artikel 18 wordt artikel 33 Bestaande tekst Artikel 18 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Hof van Twente 2020.
Nieuwe tekst Artikel 33. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Hof van Twente 2023.
Toelichting Algemeen Op 1 juli 2023 wordt de Wet Uitvoeren Breed offensief, voor zover het de verordeningsplicht betreft, van kracht (Stb. 2022, 500). Daarmee wijzigt de Participatiewet. Het doel is dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Gemeenten moeten hiervoor bij verordening zaken regelen. Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel A In dit onderdeel worden nieuwe begrippen toegevoegd. Artikel I, onderdeel B In dit onderdeel wordt het opschrift van het hoofdstuk aangepast en/of ingevoegd, zodat het beter de lading dekt. Artikel I, onderdeel C In dit onderdeel wordt het doel van de evaluatie verduidelijkt en wordt vastgelegd welke informatie daarvoor wordt verzameld. Dit zorgt voor meer transparantie. Artikel I, onderdeel D In dit onderdeel worden in verband met het in de Wet Uitvoeren Breed offensief opgenomen expliciete aanvraagrecht afwijzingsgronden opgenomen. Het onderdeel geeft ook invulling aan de met de Wet Uitvoeren Breed offensief geïntroduceerde verplichting om op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel g, van de Participatiewet regels te stellen met het oog op het afstemmen van verschillende voorzieningen binnen het sociaal domein. Artikel I, onderdelen [E tot G] In deze onderdelen worden technische en redactionele aanpassingen gedaan. Artikel I, onderdeel H Artikel is ongewijzigd behouden gebleven. Artikel I, onderdelen [I tot N] In deze onderdelen worden technische en redactionele aanpassingen gedaan. Artikel I, onderdeel O Met dit onderdeel wordt een artikel ingevoegd ter uitvoering van de aangevulde verordeningsverplichtingen die voortvloeien uit de Wet Uitvoeren Breed offensief.
Artikel I, onderdelen [P tot R] In deze onderdelen worden technische en redactionele aanpassingen gedaan.