t_NL.IMRO.1735.BGxBollenweg7-OP10.pdf
Tekst van het document
24
stof en geluid geldt een afstand van 30 meter. Gelet op de geldende richtafstanden wordt voor deze bedrijven voldaan aan de minimale richtafstand. Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen plannen.
4.3 Bodemkwaliteit 4.3.1 Algemeen In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen voor onderzoek naar de bestaande toestand en de gewenste kwaliteit van de bodem. Daarnaast moet de uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk worden gemaakt. Zowel bij het opstellen van bestemmingsplannen als bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van bestemmingsplannen zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet: • • •
worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming; worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; in de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen.
Voor elke functiewijziging, al dan niet naar een gevoelige functie, dient onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit. Er gelden daarbij andere eisen voor de bestemming wonen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
In voorliggend geval is er sprake van het verplaatsen van een bouwvlak van circa 6.500 m2 , waardoor op die gronden bouwontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Op een gedeelte van het perceel zal sprake zijn van een wijziging naar een voor de bodem gevoeliger gebruik. Dit brengt met zich mee dat verkennend bodemonderzoek noodzakelijk wordt geacht. Naar de bodemgesteldheid op de locatie is een onderzoek verricht door Kruse Milieu BV. Het rapport hiervan is meegenomen in onderhavige beoordeling. Uit het onderzoek blijkt dat in het grondwater enkele (zeer) licht tot sterk verhoogde concentraties zijn aangetoond. Daarnaast is sprake van een sterk verhoogde nikkelgehalte, maar dit wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde en levert bij huidig en toekomstig gebruik geen risico’s op. Het is dan ook niet noodzakelijk om over te gaan tot nader onderzoek. In de boven- en ondergrond zijn geen gehalten boven de achtergrondwaarden gemeten. Aangezien de tussenwaarden van de overig gemeten gehalten niet worden overschreden, is daarvoor eveneens geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Zie voor het hele onderzoeksrapport bijlage 2. Conclusie Vanuit het oogpunt van bodemkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
4.3.2 Toetsing plan
25
Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het wettelijke kader vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De regelgeving voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: •
•
het plaatsgebonden risico (PR) is de plaatsgebonden kans per jaar dat een onbeschermd persoon komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans van éénmaal in de miljoen jaar op een dergelijk ongeval is als norm in de regelgeving opgenomen. Het plaatsgebonden risico is weer te geven met een contour rondom een activiteit; het groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar aan dat een groep personen van een bepaalde grootte (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt weergegeven in een curve waarin het aantal personen is afgezet tegen de kans per jaar op (tegelijk) overlijden. Het groepsrisico is echter geen harde norm, maar een oriënterende waarde.
4.4.2 Toetsing plan Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevt en Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van het realiseren van een kwetsbaar object. In verband met het borgen van een goed woon- en leefklimaat en het voldoen aan het principe van een ‘goede ruimtelijke ordening’, zijn toch de effecten op het gebied van externe veiligheid getoetst. Voorgaande afbeelding toont de risicokaart met daarop de directe omgeving.
Bron: risicokaart.nl
Inrichtingen
Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied enkele risicovolle inrichtingen zijn gelegen. De dichtstbijzijnde gelegen risicovolle inrichting is op ruim 2 kilometer afstand gelegen. Overige inrichtingen zijn op grotere afstand gelegen. Er wordt derhalve ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstanden.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart met rood omlijnd het plangebied
26
Risicovol transport over wegen en water
Op ruim 2 kilometer afstand van het plangebied is de provinciale weg N347 gelegen. Uit de risicokaart blijkt verder dat er in de directe omgeving van het plangebied geen sprake is van risicovol transport over wegen en water, waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden.
Risicovol transport over spoorwegen
Uit de risicokaart blijkt dat er op ruim 2 kilometer afstand van het plangebied een spoorweg is gelegen. Echter is deze niet aan te merken als risicovol. Bovendien is in de directe omgeving van het plangebied geen sprake van overig transport over spoorwegen, waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden.
Risicovol transport door buisleidingen
Op een afstand van circa 250 meter ten oosten van het plangebied is een buisleiding van I&M transport gelegen. Voor deze leiding geldt geen risicocontour voor wat betreft het plaatsgebonden risico. Ook is er geen verantwoording voor het groepsrisico noodzakelijk. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen niet wordt belemmerd door het Bevb. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Geluid
4.5.1 Algemeen
De Wgh beschermt de volgende geluidgevoelige objecten: • • •
woningen (artikel 1 Wgh): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening); andere geluidsgevoelige gebouwen: op grond van artikel 1.2 Besluit geluidhinder zijn dit onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelig terreinen: op grond van artikel 1.2 Besluit geluidhinder zijn dit woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen.
Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het plan mogelijk te maken.
4.5.2 Toetsing plan Er liggen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan geen spoorwegen of gezoneerde bedrijventerreinen. In het kader van dit plan is daarmee alleen het wegverkeerslawaai van belang. Echter, omdat het plan geen nieuw geluidgevoelig object mogelijk maakt, is een akoestisch onderzoek derhalve niet nodig.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk beoordelingskader. De Wgh kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden voor geluidgevoelige objecten. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden, indien sprake is van een geluidgevoelig object.
27
Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geluid voor het plan.
4.6 Geur 4.6.1 Algemeen Veehouderijen kunnen hinder veroorzaken voor gevoelige functies. Een belangrijk hinderaspect is geur. De regelgeving die hiervoor van toepassing is, is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (voor omgevingsvergunningplichtige veehouderijen in het kader van de activiteit ‘milieu’) en in het Activiteitenbesluit (voor niet-omgevingsvergunningplichtige veehouderijen in het kader van de activiteit ‘milieu’). Bescherming van geurgevoelige objecten De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat een beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Dit beoordelingskader ziet op de bescherming van ‘geurgevoelige objecten’.
Beoordelingskader dierenverblijven Het beoordelingskader voor geur vanuit dierenverblijven is als volgt opgebouwd: 1. voor diercategorieën waarvoor de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv), geldt een waarde (maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object: daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Meststoffenwet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom; 2. voor andere diercategorieën (waarvoor geen geuremissie per dier is vastgesteld) geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten: ook hier is een onderscheid gemaakt tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. Er is geen onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden. De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object dient in alle gevallen ten minste 50 meter te bedragen, indien het geurgevoelige object gelegen is binnen de bebouwde kom en 25 meter te bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Het beoordelingskader voor (intensieve) veehouderij is samengevat in tabel 4.2.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
In artikel 1 van de Wgv is daarvan een definitie opgenomen. Daaruit blijkt dat het moet gaan om: • een gebouw: in de bouwregelgeving is een gebouw: elk bouwwerk, dat voor mensen toegankelijk is, overdekt is en helemaal of voor een deel met wanden omsloten is; • bestemd voor bewoning of verblijf: een gebouw moet niet alleen feitelijk voor menselijk wonen of verblijven zijn bedoeld, maar die functie moet ook juridisch-planologisch zijn toegestaan; • geschikt voor bewoning of verblijf: een gebouw moet niet alleen bestemd, maar ook geschikt zijn om in te wonen of te verblijven; • permanent - of daarmee vergelijkbaar – gebruik: het gaat om de verblijfsduur, aangezien de Wgv alleen mensen beschermt tegen langdurige blootstelling aan geurhinder. Het gaat om gebouwen waarin mensen structureel wonen en verblijven, gezien de aard van het gebouw.
28
Tabel 4.2: Geurnormen (intensieve) veehouderij
Bron: Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit
Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij, of die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, zoals bedrijfswoningen en voormalige bedrijfswoningen, gelden niet de in de tabel genoemde maximale geurbelastingen in odour units, maar gelden op grond van artikel 3, lid 2 van de Wgv, minimale afstanden tussen de veehouderij en het geurgevoelig object. Deze afstand bedraagt 100 meter indien het geurgevoelige object is gelegen binnen de bebouwde kom en 50 meter indien het geurgevoelige object is gelegen buiten de bebouwde kom.
Voorgrondbelasting en achtergrondbelasting Bij de beoordeling van de geurbelasting op basis van emissiefactoren uit de Rgv kan een onderscheid worden gemaakt in voorgrondbelasting en achtergrond-belasting: • •
onder de achtergrondbelasting verstaan we de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting is een maat voor het bepalen van het leefklimaat; met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van de veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen.
Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting maatgevend is, indien die ten minste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Dus als de achtergrondbelasting 24 ouE/m 3 bedraagt, hoeft de voorgrondbelasting alleen te worden beschouwd als die 12 ouE/m 3 of meer bedraagt. Op grond hiervan zijn twee situaties te onderscheiden: 1. bedraagt de voorgrondbelasting minder dan de helft van de achtergrond-belasting, dan is de achtergrondbelasting bepalend voor de hinder. 2. als de voorgrondbelasting meer bedraagt dan de helft van de achtergrond-belasting, dan zal de voorgrondbelasting bepalend zijn voor de mate van hinder. Het RIVM hanteert voor haar milieurapportages en -toekomstverkenningen voor het aspect geurhinder onderstaande ‘milieukwaliteitscriteria’ (zie tabel 4.3). Afhankelijk van de maatgevende geurbelasting
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
Op grond van artikel 6 van de Wgv (in samenhang gelezen met artikel 3.118 van het Activiteitenbesluit) kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente andere waarden van toepassing zijn dan zoals voorgeschreven in de Wgv.
29
(voorgrond of achtergrond) kan daarbij een relatie gelegd worden met het percentage geurhinder en de bijbehorende kwalificatie van de geurbelasting. Tabel 4.3: Milieukwaliteitscriteria zoals RIVM hanteert voor milieurapportages en –toekomstverkenningen voor het aspect geurhinder
Bron: GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2002
4.6.2 Toetsing plan Het plan is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente en bevindt zich in het concentratiegebied op grond van de Wgv. Het plan ziet mede op de huisvesting van dieren waarvoor geen geuremissiefactor is. Derhalve dient enkel te worden getoetst aan de vaste afstanden.
Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geur voor het plan.
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1 Algemeen De hoofdlijnen van de regelgeving voor luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: ‘Wm’), ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en ministeriële regelingen. De kern van deze wettelijke regeling is artikel 5.16 Wm. In het tweede lid van dit artikel staan de bevoegdheden genoemd bij de uitvoering waarvan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit moet worden getoetst. Deze grenswaarden zijn genoemd in bijlage 2 van de Wm. Luchtkwaliteitseisen De belangrijkste luchtverontreinigende stoffen zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2), omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/m³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/m³. Uitzondering beoordeling luchtkwaliteitseisen Bij een bestemmingsplan dient ingevolge artikel 5.16 Wm getoetst te worden aan de luchtkwaliteitseisen. Deze hoofdregel leidt uitzondering als:
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
In de omgeving van het plangebied zijn meerdere geurgevoelige objecten gelegen. Het gaat hierbij in veel gevallen om geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij of die recent hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Op grond van artikel 3, lid 2, van de Wgv gelden vaste afstanden tussen de veehouderij en het geurgevoelige object. Aangezien de geurgevoelige objecten zijn gelegen buiten de bebouwde komt, wordt een afstand van 50 meter gehanteerd. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.
30
• •
een plan in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is opgenomen; of als een plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van vervuilende stoffen in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate (NIBM) In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of stikstofdioxide. Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3 . Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, is het plan NIBM en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. In de Regeling NIBM is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. Van een NIBM bijdrage van de luchtkwaliteit is bijvoorbeeld sprake wanneer een ruimtelijk plan de drempel van een toename van meer dan 1.283 voertuigbewegingen (van auto's) per weekdagetmaal niet overschrijdt.
4.7.2 Toetsing plan Onderhavig planvoornemen heeft geen betrekking op een fijnstof uitstotend object. Derhalve kan het project als NIBM worden beschouwd. Een ander aspect dat van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit, is een eventuele toename van voertuigbewegingen. Een toename van maximaal 1.283 voertuigbewegingen per weekdagetmaal wordt als ‘niet in betekenende mate’ beschouwd. Het plan leidt niet tot een dergelijke toename van het aantal voertuigbewegingen van en naar het plangebied. Plan kan hierdoor als NIBM worden beschouwd en hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de geldende grenswaarden.
4.8 Milieueffectrapportage 4.8.1 Algemeen Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. Bij “grotere” oprichtingen kan de gemeente eisen dat er bij de milieu aanvraag een milieu-effectrapport (MER) bijgevoegd wordt. De MER-plicht vloeit voort uit Europese richtlijnen. Bij het bestaan van een MER-plicht mag de vergunningsaanvraag pas in procedure worden gebracht als de voorafgaande MER-procedure is afgerond. De MER geeft een beeld wat de milieugevolgen bij een gewenste oprichting zijn. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is binnen het Nederlands recht het beoordelingskader om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Besluit m.e.r: drempelwaarden m.e.r.-(beoordelings)plicht In onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. staat omschreven voor welke activiteiten, plannen of besluiten het Besluit m.e.r. van toepassing is.
4.8.2 Toetsing plan Het plan leidt niet tot een toename of een wijziging van het aantal te houden dieren. Er bestaat op grond van het Besluit m.e.r. voor dit plan dus geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit voor het plan.
31
Conclusie Aangezien dit plan niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten, geldt er geen m.e.r.-plicht.
4.9 Natuur
4.9.1 Algemeen De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebieds-bescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn de gebieds- en soortenbescherming op nationaal niveau opgegaan in één wet, de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’). Omdat er nog steeds wel sprake is van een afzonderlijk beoordelingskader wordt hierna afzonderlijk ingegaan op de gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gaan we in op de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN).
Natura 2000
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden in Europa, die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een toestemming op grond van de Wnb is verkregen. Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn, doordat zij behoren tot het NNN (voorheen beiden Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Nationaal Natuurnetwerk’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het NNN loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Op dit punt heeft de Wnb per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet vervangen. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
Natuurnetwerk Nederland
32
De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden.
4.9.2 Toetsing plan Gebiedsbescherming
Natura 2000
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Borkeld’ en ‘Sallandse Heuvelrug’, bevinden zich respectievelijk op meer dan 6,5 km en 13,6 km ten westen van het plangebied. Ter impressie zie navolgende afbeelding.
Bron: calculator.aerius.nl
Het plangebied is op ruime afstand van Natura 2000-gebieden gelegen. Gelet op de aard van het planvoornemen liggen externe effecten als het gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen niet voor de hand. De ontwikkeling ziet immers enkel op het verplaatsen van een gedeelte van het bouwvlak aan de Bollenweg 9 naar de thuislocatie van initiatiefnemer aan de Bollenweg 7, waarbij niet meer vee is voorzien. Hierdoor is een toename van stikstofuitstoot uit te sluiten.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. In figuur 4.5 is met donkergrijs de NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven. Daaruit volgt dat het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN op een afstand van 1,1 kilometer ten oosten van het plangebied is gelegen. Door het planvoornemen wordt dit gebied niet aangetast cq. doorkruist. Vervolgonderzoek in het kader van NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
Figuur 4.4: Uitsnede AERIUS (rood omlijnd het plangebied)
33
Figuur 4.5: NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied (rood omlijnd het plangebied)
Bron: PDOK
•
• • •
het planvoornemen ziet enkel op het verplaatsen van een gedeelte van het bouwvlak van de Bollenweg 9 naar de Bollenweg 7 te Ambt Delden. De inpassing is gericht op bestaande gronden die nu al bedrijfsmatig gebruikt worden en die nabij het huidige agrarisch bouwperceel zijn gelegen. Derhalve is er ter plaatse geen bijzondere of beschermde flora en/of fauna te verwachten; het plangebied ligt niet in de nabijheid van Natura 2000-gebieden; door middel van het aanbrengen van erfbeplanting wordt de beoogde ontwikkeling landschappelijk ingepast. De erfbeplanting sluit aan bij de bestaande structuren en gebiedssoorten. bovendien worden op deze locatie geen opstallen gesloopt, geen bosschages verwijderd en worden er geen sloten gedempt.
Aangezien ter plaatse geen beschermde flora en/of fauna te verwachten valt, zal het verplaatsen van het bouwvlak ter plaatse van de Bollenweg 7 geen significant negatieve effecten hebben op de soortenbescherming. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Algemeen
Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
Soortenbescherming In relatie tot de soortenbescherming kan over het plangebied het volgende worden opgemerkt:
34
4.10.2 Toetsing plan Parkeren Uitgangspunt is dat elke initiatiefnemer van plannen zorgdraagt voor zijn eigen parkeeroplossing en dat een nieuw initiatief geen parkeerproblemen in de omgeving mag veroorzaken. Nu met het planvoornemen enkel sprake is van een verplaatsing van het bouwvlak en niet van een uitbreiding van de veestapel, worden geen extra transportbewegingen verwacht. Derhalve blijft de situatie voor wat betreft parkeren ongewijzigd. Bovendien is binnen de inrichting voldoende parkeergelegenheid aanwezig voor landbouwvoertuigen, zodat de veiligheid en toegankelijkheid niet in het geding komt. Ten slotte is voldoende erfverharding aanwezig om landbouwvoertuigen elkaar te laten passeren. Verkeer Het plangebied is in de huidige situatie ontsloten op de Bollenweg De twee bestaande bedrijfswoningen zijn elk via een eigen inrit te bereiken. Het perceel blijft conform de huidige situatie ontsloten. Het verkeer dat zich op de Bollenweg bevindt bestaat uit doorgaand verkeer en bestemmingsverkeer naar de omliggende agrarische bedrijven en burgerwoningen. Ten zuiden sluit de Bollenweg aan op de Rijksweg N346. Deze Rijksweg verbindt Delden met Goor. De Bollenweg betreft een 60 km/u weg.
Aangezien met onderhavig planvoornemen enkel sprake is van een verplaatsing van het bouwvlak en niet van een uitbreiding van de veestapel, worden niet méér transportbewegingen verwacht ten opzichte van de huidige transportbewegingen op het agrarisch bedrijf. Het plan heeft derhalve geen consequenties voor de wegenstructuur en leidt dus niet tot een verhoging van de verkeersintensiteit op de Bollenweg. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.11
Water
Watertoets Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden de waterhuishoudkundige aspecten betrokken in ruimtelijke plannen en afwijkingsbesluiten van die ruimtelijke plannen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' wettelijk verankerd. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand.
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kunstwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)-stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)-stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
4.11.1 Algemeen
35
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 20162021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).
Waterschap Vechtstromen
Ter plaatse van het plangebied is het waterschap Vechtstromen (hierna: het waterschap) verantwoordelijk voor het waterbeheer. Waterschap vechtstromen staat voor schoon, veilig en voldoende water. Zij wil hiermee een aantrekkelijke leefomgeving creëren voor mensen, planten en dieren. Het beleid van het waterschap is verwoord in de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 20222027. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterschap wil een klimaatrobuust systeem realiseren en wil kunnen anticiperen op nieuwe klimaatscenario’s. daarbij wordt vooral meer ingezet op de droogteproblematiek. Het waterschap heeft vier concrete doelen: • • • •
Streven naar de juist gedoseerde hoeveelheid water voor menselijke activiteiten landbouw en natuur; Zorg dragen voor de opvang van extra neerslag; Beleid bepalen voor het omgaan met droogt en hoosbuien; In dialoog gaan met gebiedspartners over de vraag welke gevolgen van watertekort en droogte acceptabel zijn en welke niet.
Afvalwater
Nu er uitsluitend sprake is van een verplaatsing van het bouwvlak, waarbij geen extra vee zal worden gehouden, zal de productie van afvalwater niet toenemen. Bovendien wordt het afvalwater en het hemelwater via een gescheiden stelsel (voor het afvalwater via het drukriool) van elkaar gescheiden en getransporteerd.
Hemelwater
Het beleid van het waterschap en gemeente is dat afvalwater en schoon hemelwater gescheiden moeten worden afgevoerd. Aangezien de bodem op de locatie geschikt is voor infiltratie, is dat een goede manier voor het afvoeren van schoon water. Het hemelwater wordt dus geïnfiltreerd en opgenomen in de bodem. Initiatiefnemer beschikt over voldoende grasland voor het opvangen van hemelwater. Met het planvoornemen wordt enkel het bouwvlak verplaatst. Hierdoor zal het planvoornemen geen belemmering vormen voor het aspect water.
Watergang waterschap Binnen het plangebied bevindt zich een watergang die valt onder de algemene regels van de Keur van het waterschap. Met betrekking tot deze watergang heeft het waterschap in 1999 en 2004 een ontheffing verleend om (een) duiker(s) aan te brengen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse. Op verzoek van het waterschap wordt aan het open gedeelte van deze watergang de enkelbestemming ‘Water’ toegekend.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
4.11.2 Toetsing plan
36
Overige
In (de directe omgeving van) het plangebied spelen geen wateropgaven op het gebied van veiligheid, (grond)wateroverlast, volksgezondheid, bodemdaling, verdroging of natte natuur.
Afstemming met waterschap
Met het waterschap is overleg geweest over de watertoets. Hieruit komt naar voren dat het waterschap instemt met de aanpassing van het bouwvlak en de uitwerking van de watertoets in deze waterparagraaf.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
37
Hoofdstuk 5 - Juridische planopzet 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en het bestemmingsplan ‘Buitengebied’.
5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden.
5.3 Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten.
Begrippen
In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
Wijze van meten
Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden.
5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • • • • • •
bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels;
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
• • • •
38
• •
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheid.
Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten.
5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen, te weten de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings-, wijzigings- en procedureregels en overige regels.
5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen.
Overgangsrecht Slotregel
Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.
39
Hoofdstuk 6 - Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.
6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze paragraaf beschrijft hoe ten behoeve van dit project invulling is gegeven aan de wettelijke procedures in het kader van de besluitvorming met betrekking tot het vooroverleg met overheidsinstanties en het bieden van inspraak. Daarnaast geven we aan hoe de dialoog vanuit initiatiefnemer met de omgeving is gevoerd
6.1.1 Vooroverleg In artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro is bepaald dat een bestemmingsplan dient te worden voorgelegd met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. Rijk In paragraaf 3.1 is reeds geconcludeerd dat dit project geen nationale belangen schaadt. Daarom kan afgezien worden van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Waterschap In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomst van deze watertoets heeft ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing is. Hieruit komt naar voren dat het waterschap instemt met de aanpassing van het bouwvlak en de uitwerking van de watertoets in de waterparagraaf (zie paragraaf 4.11).
6.1.2 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerp ter inzage gelegd.
6.1.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan zal gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De resultaten van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemming worden hier te zijner tijd beschreven.
6.2 Economische uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Bollenweg 7 te Ambt Delden betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Afspraken omtrent planschade worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Eventuele planschade is voor rekening voor initiatiefnemer. Het kostenverhaal is hiermee in voldoende mate anderszins verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
Provincie In paragraaf 3.2 is reeds geconcludeerd dat dit project geen provinciale belangen schaadt. Daarom kan afgezien worden van het voeren van vooroverleg met de provincie.
40
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
Bijlagen
41
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
1. Landschappelijk inpassingsplan
42
Buitengebied Hof van Twente, herziening Bollenweg 7 Ambt DeldenToelichting
2. Bodemonderzoek
43