Rapport Ruimtelijke Onderbouwing
Tekst van het document
De afstand tussen de gevel van de nieuw te realiseren woningen en het dichtstbijzijnde bouwvlak binnen deze bestemming is 30 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. De gronden binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ waarop activiteiten tot milieucategorie 3.1 mogen plaatsvinden zoals omschreven in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ liggen op ca. 75 meter afstand, gemeten tussen de gevel van de nieuw te realiseren woningen en het dichtstbijzijnde bouwvlak binnen de ‘Bedrijventerrein’ bestemming. De grootste richtafstand voor activiteiten met milieucategorie 3.1 is 50 meter in gebiedstype rustige woonwijk. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Verder wordt het projectgebied omringd door woonfuncties, ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit. Geconcludeerd wordt dat de omliggende functies geen belemmering vormen voor de realisatie van woningen op deze locatie, er is vanuit milieuzonering een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. 4.5.3 | Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
BJZ.nu | 25 Ruimtelijke Plannen en Advies Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 26 4.6 Ecologie / PM 4.7 Archeologie & cultuurhistorie / PM 4.8 Besluit milieueffectrapportage 4.8.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een ruimtelijk besluit kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namel ijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r..
Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van h et plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan ond er de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noo dzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. - beoordeling gehanteerd. 4.8.2 Verantwoording (vormvrije) m.e.r.-beoordeling De voorgenomen ontwikkeling is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER.
In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het realiseren van woningen is als een stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: • Een oppervlakte van 100 hectare of meer; • Een aaneengesloten gebied van 2000 of meer woningen omvat, of; • Een bedrijfsvoeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. In voorliggend geval blijft ontwikkeling qua aard en omvang ruim onder de drempelwaarden. Van een m.e.r.- plicht is in dit geval geen sprake. Tevens zijn er – zoals reeds aangetoond in voorgaande paragrafen - als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige milieugevolgen te verwachten. Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 27 4.8.3 Conclusie Voorliggende ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. 4.9 Water Het waterbeleid in Nederland is op meerdere niveau in tal van plannen vastgelegd. Het voe rt te ver om hierop uitgebreid in te gaan. Hieronder wordt wel ingegaan op het watertoetsproces en de waterhuishouding in het projectgebied.
4.9.1 Watertoetsproces In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl/). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. De hierbij behorende standaard waterpar agraaf is opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting. Hieronder wordt op basis hiervan de waterhuishouding in het projectgebie d beschreven.
4.9.2 Waterhuishouding projectgebied Het woningbouwplan heeft door de te hanteren materialen geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Er worden per saldo vier wooneenheden toegevoegd, het afvalwater een dergelijk aantal woningen kan op het bestaande rioolstelsel worden aangesloten. Waterhuishouding Het project loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Aanleghoogte Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zij n.
Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bo dem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 28 middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het projectgebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem.
Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 29 HOOFDSTUK 5 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verz ekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer ko mt. De gemeentelijke kosten worden verhaald middels de legesverordening, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 30 HOOFDSTUK 6 VOOROVERLEG Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 6.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 6.2 Provincie Overijssel Op basis van artikel 3.1.1, lid 2 heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. Voor plannen in bestaand stedelijk gebied/bestaand bebouwd gebied welke voorzien in woningbouw is, op basis van lid A onder 1 van de vooroverleglijst ruimtelijke plannen, geen vooroverleg vereist indien deze plannen in lijn zijn met de tussen gemeente en provincie gemaakte en geldende prestatieafspraken Wonen. Het onderliggend plan is in overeenstemming met de geldende afspraken tussen gemeente en provincie.
Derhalve hoeft het plan in het kader van vooroverleg niet voor worden gelegd aan de provincie Overijssel. 6.3 Waterschap Vechtstromen In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. Uit de watertoets volgde dat de normale procedure van toepassing is. Advieze n van het waterschap worden in de uitwerking betrokken. 6.4 Zienswijzen Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen. Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 31 BIJLAGEN