Raadsbesluit Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023.pdf
Tekst van het document
Een aanvraag kan ook mondeling worden ingediend. Uiteraard moet ook dan wel eerst de onderzoeksfase (hoofdstuk 2) volledig zijn doorlopen. Een mondelinge aanvraag ontslaat het college niet van de verplichting de uitkomsten van het onderzoek vast te leggen in een verslag. Met de bedoeling om cliënten met zo min mogelijk administratieve druk te belasten en om deze cliënten zo snel mogelijk de noodzakelijke ondersteuning te bieden, kan de aanvraag voor de maatwerkvoorziening mondeling worden ingediend. Het ondersteuningsplan wordt dan niet voor ondertekening aan de cliënt toegezonden. Daarmee wordt voorkomen dat tijd wordt verloren door het opsturen en retourneren van een ondersteuningsplan. Als de cliënt mondeling (vaak telefonisch) instemt met het ondersteuningsplan, wordt die mondelinge instemming beschouwd als een (ondertekende) aanvraag. Wel worden datum en tijdstip van de mondelinge aanvraag zorgvuldig geregistreerd. Zie ook artikel 2.3. Deze werkwijze, een mondelinge afstemming en aanvraag, zal niet altijd mogelijk of nodig zijn. Er zijn situaties denkbaar dat een mondelinge aanvraag geen meerwaarde (tijdwinst) geeft. Te denken valt aan aanvragen voor een PGB. Dan moet alsnog een PGB-budgetplan met bewijsstukken worden overgelegd. Ook als na de aanvraag nog kostenbegrotingen moeten worden ingediend voor een woningaanpassing, heeft een mondelinge aanvraag geen meerwaarde.
Voorwaarde voor een mondelinge aanvraag is uiteraard dat overeenstemming over de vorm en inhoud van de maatwerkvoorziening bestaat. Als deze overeenstemming er niet of niet volledig is, is een mondelinge aanvraag niet mogelijk. Het college beoordeelt in voorkomende gevallen of een mondelinge aanvraag mogelijk is. Als sprake is van een aanvraag voor een tijdelijke maatwerkvoorziening in verband met ontslag uit het ziekenhuis, merkt het college de aanvraag vanuit het ziekenhuis aan als een rechtsgeldige aanvraag. Dit in combinatie met artikel 7.3 van deze verordening. Artikel 3.2 Externe advisering Het college kan extern advies inwinnen als dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is. Als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs verplicht. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te interviewen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag. Het tweede lid schrijft voor in welke situaties een extern advies wordt opgevraagd. De bepaling in het derde lid spreekt voor zich.
Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet bestuursrecht. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet en het derde lid van dit artikel is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. In de situaties dat een medisch advies noodzakelijk is, kan het zijn dat de persoon met beperkingen (of een ander lid van de leefeenheid) wordt opgeroepen om bij de medisch adviseur te verschijnen. Aan dit traject zijn kosten verbonden. Als de opgeroepen persoon, zonder tijdige afmelding, niet verschijnt worden er wel kosten gemaakt terwijl geen medisch advies uitgebracht kan worden. In die situaties, waarin dus sprake is van verwijtbaar gedrag, worden de kosten die als gevolg van het niet verschijnen bij de medisch adviseur zijn gemaakt, in rekening gebracht bij de persoon met beperkingen. Dit is geregeld in lid 4 van dit artikel.
Artikel 3.3 Inhoud beschikking Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget, het persoonsgebonden budget (PGB). De cliënt heeft keuzevrijheid. In voortkomende situaties kan het college besluiten een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken. Het college legt vast voor welke voorzieningen deze tegemoetkoming kan worden verstrekt. Uitgangspunt blijft de keuzevrijheid tussen ondersteuning in natura (lid 2) en een PGB (lid 3). Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op artikel 5, eerste lid, onder b. Tweede, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven. Lid 5: het ligt op de weg van het college om de cliënt in het besluit tot toekenning van een voorziening, waarvoor een bijdrage in de kosten is verschuldigd, genoegzaam te informeren over de verschuldigdheid van de eigen bijdrage en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening Hoofdstuk 4 Algemene voorzieningen Een algemene voorziening als bedoeld in de wet kan een volwaardig of toereikend alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening.
De toegang is laagdrempelig. Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk voor ingezetenen van de gemeente. Een onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 2.3.2. van de wet kan dus achterwege blijven. Ook is geen toekenningsbeschikking nodig om van de algemene voorziening gebruik te maken. De aanbieder brengt dan voor de dienstverlening een commercieel, marktconform tarief in rekening. Wel staat de gemeente vrij om voor bepaalde groepen ingezetenen een aangepast tarief in rekening te brengen. Een algemene voorziening gaat voor op een individuele maatwerkvoorziening, mits die algemene voorziening: - daadwerkelijk beschikbaar is - financieel gedragen kan worden door de cliënt en - adequate compensatie biedt In Hof van Twente bestaat de Algemene Voorziening Wasverzorging, de AV Was. Elke ingezetene kan hier voor zijn of haar wasverzorging terecht. Het college sluit een overeenkomst met de aanbieder van deze voorziening. Toegang tot de AV Was en doelgroepbepaling Iedere ingezetene van Hof van Twente kan gebruik maken van de AV Was. De gebruiker betaalt het commerciële tarief rechtstreeks aan de aanbieder van de AV Was. Deze aanbieder bepaalt zelf het commerciële tarief. Voor deze ingezetenen is de AV Was aan te merken als een gemaksvoorziening. Zij zijn er zelf voor verantwoordelijk dat het wasgoed bij de aanbieder van de AV Was wordt bezorgd.
Wil men toch gebruik maken van de vervoersmogelijkheid die het college biedt, dan is hiervoor een bijdrage verschuldigd. Deze bijdrage is vastgelegd in het vierde lid van artikel 4.2. Maar als een inwoner van mening is dat gebruik van de AV uit noodzaak nodig is, dan vindt een globaal onderzoek plaats. Gebruik van de AV Was is dan geen gemaksvoorziening maar noodzaak. Aan de hand van de uitkomsten van het globale onderzoek, kan toegang tot de AV worden gegeven. Het globale onderzoek is erop gericht vast te stellen dat - gebruik van de AV Was een noodzaak is (doelgroepbepaling), - dat binnen het huishouden van de cliënt geen andere meerderjarige huisgenoten beschikbaar zijn om de wasverzorging over te nemen (gebruikelijke hulp) en
-
geen recht bestaat op zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Personen met een recht op Wlz-zorg hebben op grond van die indicatie al recht op huishoudelijke ondersteuning inclusief wasverzorging.
De noodzaak voor gebruik van de AV Was (doelgroepbepaling) houdt in dat het college een inschatting maakt of de ingezetene een persoon is met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. Het is ook mogelijk dat na een melding het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 2 van deze verordening leidt tot de conclusie dat geen maatwerkvoorziening nodig is, maar dat gebruik van de AV Was voldoende compenserend is. Dan vindt doorverwijzing naar de AV Was plaats. Samengevat: als gebruik van de AV Was noodzakelijk is vanwege een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen, dan vindt de toegang altijd plaats via het college. Het college draagt daarbij zorg dat voor personen voor wie gebruik van de AV Was een noodzaak is, dat deze ook financieel bereikbaar is. Voor deze groep gebruikers van de AV Was geldt daarom een korting waardoor een aangepast, lager tarief als bedoeld in artikel 2.1.4. lid 2 van de wet verschuldigd is. Zie hiervoor artikel 4.2 van deze verordening. Artikel 4.2 Bijdrage in de kosten algemene voorziening De gemeente mag bepalen dat de ingezetene een bijdrage in de kosten bij gebruik van een algemene voorziening verschuldigd is. In dit artikel is vastgelegd dát deze bijdrage verschuldigd is en dat deze bijdrage gelijk is aan de kostprijs van de algemene voorziening.
Ingezetenen voor wie gebruik van de AV Was niet noodzakelijk is, maar voor wie het als een gemaksvoorziening kan worden beschouwd, betalen dus de volledige kostprijs (commercieel tarief). Zij betalen dit aan de aanbieder, zodat de volledige dienstverlening buiten de gemeente om plaatsvindt. Voor een specifieke groep gebruikers, namelijk ingezetenen voor wie gebruik van de AV Was een noodzaak is, geldt een korting en daardoor een aangepast tarief. Dit tarief, vastgelegd in artikel 4.2 van de verordening, is gebaseerd op de kosten van de wasverzorging thuis. Het NIBUD heeft deze kosten berekend op ongeveer € 4,50 per wasbeurt. Bij gebruik van de AV Was bespaart de cliënt deze kosten. Daarom is het reëel deze kosten (in plaats van het commerciële, marktconforme tarief) in rekening te brengen als deze persoon gebruik maakt van de AV Was. De meerkosten ten opzichte van de afgesproken kostprijs tussen gemeente en aanbieder komen voor rekening van de gemeente. Samenloop met abonnementstarief artikel 2.1.4a Wmo2015 Deze bijdrage van € 4,50 per wasbeurt komt mogelijk naast een bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd is vanwege gebruik van een maatwerkvoorziening, het abonnementstarief van € 19,- per maand (art. 2.1.4a). Deze samenloop is toegestaan.
De bijdrage in de kosten van een algemene voorziening valt alleen onder het abonnementstarief van € 19,- per maand als sprake is van een zogeheten ‘duurzame hulpverlenersrelatie’. Bij een duurzame hulpverleningsrelatie gaat het om algemene voorzieningen waar(bij): er in belangrijke mate sprake is van persoonlijke hulpverlening (en waarbij arbeid verreweg de grootste kostencomponent is); de continuïteit van de band tussen cliënt en hulpverlener belangrijk is voor de ondersteuning van de cliënt. langdurig gebruik van wordt gemaakt. Voorzieningen waar cliënten incidenteel gebruik van maken hoeven niet onder het abonnementstarief gebracht te worden. De AV Was voldoet niet aan deze criteria. Er is geen persoonlijke dienstverlening en ingezetenen bepalen zelf of en hoe vaak men van deze algemene voorziening gebruik maakt. Een langdurig gebruik staat dus niet vast. Gelet hierop mag voor gebruik van de algemene voorziening een bijdrage in de kosten ervan worden gevraagd.
Hoofdstuk 5
Maatwerkvoorzieningen
Artikel 5.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In lid 1 en 2 van dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. In de wet ontbreekt een beschrijving wat het begrip ‘eigen kracht’ inhoudt. In het derde lid van dit artikel is beschreven dat onder dit begrip in ieder geval vallen aanspraken die bestaan op grond van andere wettelijke regelingen. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 Wmo) of als vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 Wmo).
En indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 Wmo). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. Artikel 5.2
Voorwaarden en weigeringsgronden
Lid 1 onder a. Langdurig noodzakelijk De ondersteuning moet langdurig noodzakelijk zijn ter compensatie van beperkingen. Onder ‘langdurig’ wordt over het algemeen verstaan dat het een blijvende situatie betreft. Onder een ‘blijvende situatie’ wordt ook de terminale levensfase verstaan. Voor (huishoudelijke) ondersteuning kan het ook om een kortere periode gaan, bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal per situatie verschillen. Als de verwachting is dat cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag van kortdurende medische noodzaak worden uitgegaan. Hulpmiddelen die korter dan 6 maanden noodzakelijk zijn kunnen via de zorgverzekeringswet worden geleend. Lid 1 onder b. Goedkoopst compenserend De verstrekking is altijd gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopste is. Als de cliënt een duurdere voorziening wil (die ook adequaat is) komen de meerkosten voor rekening van cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een PGB gebaseerd op de goedkoopst compenserende voorziening.
Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen niet voor vergoeding in aanmerking komen. De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente.. Daarbij wordt ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen. Maatwerkvervoer (collectief taxivervoer) ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te hebben. Om die reden is in artikel 11.2 van deze Wmo-verordening bepaald dat, indien gebruik gemaakt kan worden van het maatwerkvervoer, de keuze voor een PGB niet mogelijk is
De hoogte van PGB zal afgestemd worden op het prijsniveau van de goedkoopst compenserende voorziening op dat moment. Daarbij houden we rekening met mogelijke kortingen die bij leveranciers zijn bedongen. Dit kan zich met name voordoen bij trapliften, rolstoelen en vervoermiddelen. Voor verstrekking van deze voorzieningen zijn, na een traject van Europese aanbesteding, contracten en prijzen afgesproken met verschillende leveranciers. Voor zover budgethouders ook bij die leveranciers dezelfde korting ontvangen als de gemeente, houden wij dus rekening met die mogelijke korting. Lid 2 onder c. Eigen woonomgeving Maatwerkvoorzieningen moeten een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dit betekent dat een maatwerkvoorziening is gericht op de zelfredzaamheid en participatie in de eigen omgeving. Daarmee worden voorzieningen die zijn gericht op activiteiten buiten de eigen woonomgeving uitgesloten. Te denken valt aan voorzieningen die worden gebruik enkel en alleen tijdens vakantie, aan het strand of in het buitenland. Lid 2 onder d en e. Vroegtijdige aanschaf Deze beperking is bedoeld om te voorkomen dat de gemeente voor een fait accompli wordt gesteld, waardoor de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op de te verstrekken voorziening.
Met andere woorden: wie een voorziening aanschaft en daarna meldt voor ondersteuning, loopt de kans op een afwijzing. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat als achteraf alsnog de noodzaak van de voorziening kan worden vastgesteld en toch nog gecontroleerd kan worden wat de goedkoopst compenserende oplossing was, een afwijzing op deze grond achterwege moet blijven. Het gaat dan om de (medische) noodzaak op het moment van realiseren van de voorziening. Uiteraard mag dan worden volstaan met toekenning van de goedkoopst compenserende voorziening. Er zijn twee situaties waarin de voorziening niet om deze reden wordt geweigerd. 1. de kosten zijn vroegtijdig gemaakt met schriftelijke toestemming van het college. 2. de situatie waarbij •het college achteraf de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de reeds gerealiseerde oplossing nog kan vaststellen •de cliënt redelijkerwijs niet kan worden verweten de kosten reeds te hebben gemaakt •en het tijdverloop tussen realisatie van de voorziening en de melding/aanvraag niet onredelijk lang is. Bovenstaande geldt overigens niet in de situatie waarin de cliënt de voorziening al heeft aangeschaft of gerealiseerd voordat een melding is gedaan. Immers, in dat geval was er ten tijde van de melding geen te compenseren situatie aanwezig. Op deze situatie doelt het gestelde onder e. Lid 2 onder f.
Geen meerkosten In sommigen gevallen gebruiken cliënten al langere tijd door hen zelf georganiseerde en bekostigde voorzieningen en diensten. Zij melden zich voor aanspraak op een maatwerkvoorziening op het moment dat men beperkingen gaat ondervinden. In die gevallen kan het zijn dat het optreden van een beperking niet leidt tot extra kosten, er zijn geen meerkosten ten opzichte van de periode voor het optreden van de beperkingen. Denk bijvoorbeeld aan iemand die al geruime tijd een eigen auto bezit waarmee hij in zijn vervoersbehoefte voorziet. Die persoon komt niet in een andere positie nu hij de auto gebruikt vanwege het ondervinden van beperkingen. Het begrip meerkosten hangt dan ook nauw samen met het begrip eigen kracht, de eigen mogelijkheden om oplossingen voor de ondervonden beperkingen te realiseren.
Lid 2 onder g. Vroegtijdige vervanging In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die al eerder eens heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient- in de opstalverzekering gedekt te worden. Als vervolgens bij brand blijkt dat die woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Lid 2 onder h. Vermijdbaar Hier wordt bedoeld dat een maatwerkvoorziening alleen wordt verstrekt als de noodzaak ervan onvoorzien is, dus niet vermijdbaar is. Als een cliënt bijvoorbeeld verhuist van een gelijkvloerse woning naar een woning met niveauverschillen, terwijl al bekend is dat hij problemen ondervindt bij gebruik vaan een trap, dan wordt een traplift in de nieuwe woning geweigerd. Immers, de noodzaak van de traplift was al voor de verhuizing te voorzien. Lid 2 onder i. Uitrustingsniveau sociale woningbouw Veelal wonen mensen naar inkomen.
Wie een hoog inkomen heeft, zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (met name woonvoorzieningen en huishoudelijke ondersteuning) rekening te houden. Er wordt geen extra huishoudelijke ondersteuning toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel of ander Wmo-vervoermiddel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. Hoofdstuk 6
Ondersteuning maatschappelijke deelname, zelfstandig leven en kortdurend verblijf
Artikelen 6.1. en 6.2 Resultaten ondersteuning bij maatschappelijke deelname en zelfstandig leven De ondersteuning bij maatschappelijke deelname en zelfstandig leven kan betrekking hebben op verschillende resultaten. In deze artikelen zijn de belangrijkste opgenomen. Dit betekent dat ook andere resultaten kunnen worden nagestreefd. In de verordening staat dus geen limitatieve opsomming van resultaten. Dit laatste wordt expliciet vermeld in de Aanbestedingsleidraad van de Twentse gemeenten voor inkoop van de hier genoemde maatwerkvoorzieningen. De ondersteuning bij maatschappelijke deelname en zelfstandig leven wordt toegekend zodat de cliënt zo lang mogelijk zelfstandig in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Dit is de achterliggende Wmo-doelstelling als aan de cliënt een maatwerkvoorziening wordt toegekend. De begrenzing van deze Wmo-doelstelling wordt gevormd door artikel 2.3.5 lid 6 van de wet: als de cliënt is aangewezen op de Wet langdurige zorg, dan wordt uit die wet zorg ontvangen. Die zorg kan worden geboden in de thuissituatie of in een instelling voor zorg met verblijf. Het college beoordeelt in welke mate de cliënt kan participeren en of, en zo ja welke ondersteuning nog is aangewezen om de cliënt op een volwaardige manier te laten meedoen in de maatschappij.
De ondersteuning bij maatschappelijke deelname en zelfstandig leven kan ook oog hebben voor behoeftes op het gebied van zelfredzaamheid.
Naast de maatwerkvoorziening die aan de cliënt kan worden toegekend kan ook aan de personen uit diens sociaal netwerk ondersteuning worden geboden. Het resultaat van die ondersteuning is gericht om hen in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de cliënt. Artikel 6.3 Resultaten Verblijf in een instelling Dit artikel beschrijft het resultaat van Verblijf, onder andere het ontlasten van de mantelzorger van de cliënt. De achterliggende doelstelling is ook dat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Het Verblijf kan plaatsvinden in een instelling of in het door het college goedgekeurde accommodatie van een aanbieder. De cliënt moet zonder of met minder mantelzorg aangewezen zijn op permanent toezicht. Is daarvan nog geen sprake dan kan ondersteuning bij maatschappelijke deelname mogelijk een passende bijdrage zijn om de mantelzorger te ontlasten. Artikel 6.4 Gebruikelijke hulp Dit artikel bepaalt dat geen ondersteuning wordt toegekend indien sprake is van gebruikelijke hulp. Het college houdt daarbij rekening met de omstandigheden zoals genoemd in dit artikel. Hoofdstuk 7
Huishoudelijke ondersteuning
Artikel 7.1 Resultaten huishoudelijke ondersteuning. Het gaat om overnemen van huishoudelijke taken. In de meeste gevallen zal het gaan om het schoon en leefbaar houden van de woning. Maar het kan ook de andere resultaten betreffen die in dit artikel worden genoemd, als geen andere oplossingen beschikbaar en/of geschikt zijn. De zwaarte en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijke van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt. Het college houdt bij het vaststellen van de omvang van de ondersteuning rekening met de ernst van de beperkingen. In dit artikel zijn de te bereiken resultaten genoemd. Voor wat betreft de zorg voor minderjarige kinderen zij nog opgemerkt dat het nadrukkelijk niet gaat om opvang van kinderen. Artikel 7.2. Criteria huishoudelijke ondersteuning Uitgangspunt is dat alleen huishoudelijke taken worden overgenomen in ruimten die voor de cliënt noodzakelijk zijn bij het normale gebruik van de woning. Uiteraard worden alleen die taken overgenomen die ook andere huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp niet kunnen uitvoeren. Een andere beperking in de omvang betreft het uitrustingsniveau van de woning. Zie ook artikel 5.2. lid 2 onder i van deze verordening. Hoofdstuk 8
Woonvoorzieningen
Artikel 8.1 Resultaat woonvoorziening Het te bereiken resultaat van de toe te kennen maatwerkvoorziening bestaat uit het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Het gaat daarbij om de ruimtes te kunnen gebruiken en/of bereiken waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de slaapkamer). Onder omstandigheden van het individuele geval kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang, tuin of balkon van de woning (toegang en doorgang). In het tweede lid is bepaald dat verhuizing naar een al aangepaste woning of een goedkoper aan te passen woning de voorkeur geniet.
Artikel 8.2
Criteria woonvoorziening
Lid 2. Uitsluitingen Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er situaties uitgesloten waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden gemaakt voor voorzieningen standaard aanwezig zijn. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in het vierde lid onder c zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen onbereikbaar is. Of woongebouwen voor gehandicapten- en/of ouderen zijn bedoeld, blijkt niet alleen uit de bestemming, maar ook uit de bewoners zelf. Als een gebouw voornamelijk bewoond wordt door ouderen en/ of gehandicapten wordt die bestemming aangenomen. Dit kan het geval zijn wanneer meer dan de helft van de bewoners ouder is dan 55 jaar en/ of beperkingen heeft. Uit de jurisprudentie blijkt wel dat er zware eisen kunnen gelden om aan te nemen dat een woongebouw specifiek is gericht op mensen met beperkingen. Lid 4. Weigeringsgronden Hierin worden een aantal situaties bepaald waarin het college de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan weigeren. Hieraan ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag waaronder begrepen de omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen.
Onder a Het kan voorkomen dat de cliënt verhuist terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Een ander voorbeeld is als wordt verhuisd van een adequate naar een – gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning- inadequate woning. Is de verhuizing geen gevolg van beperkingen in het normale gebruik van de woning- inadequate woning. Is de verhuizing geen gevolg van de beperkingen in het normale gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om te verhuizen, dan weigert het college een voorziening. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de cliënt kunnen worden gevergd. Onder b Is de cliënt niet verhuisd naar de voor hem/haar beschikbare meest geschikte woning, dan wordt de maatwerkvoorziening in beginsel afgewezen. Het college wordt namelijk de mogelijkheid ontnomen om nog te kunnen bepalen wat de goedkoopst passende bijdrage had kunnen zijn.
Onder deze bepaling zijn ook begrepen de aankoop van een woning of een kavel dan wel andere onomkeerbare handelingen zonder dat voorafgaande daaraan contact is opgenomen met het college. Door dat na te laten, bijvoorbeeld door bij het college te informeren naar de mogelijkheden van maatschappelijke ondersteuning, brengt de cliënt zich in een lastige bewijspositie. De aantoonplicht dat er geen (andere) geschiktere beschikbare woning waren, ligt in eerste instantie bij de cliënt, het behoort tot zijn rekening en risico. Als de cliënt dit niet kan aantonen, kan het college de aanvraag om een woonvoorziening af te wijzen. Het college kan vooraf schriftelijk toestemming verlenen om te verhuizen naar een inadequate woning. In dat geval is een afwijzing op grond van lid 4 onder b vanzelfsprekend niet aan de orde. Onder c De gemeenteraad is bevoegd om te bepalen dat aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten gelimiteerd worden (vergelijk CRvB: 2011: BQ2868 en CRvB:2012: BY5215) Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen worden niet toegekend.
Onder d Vergelijk bijvoorbeeld CRvB: 2011: BR4180. Onder f Aan deze afwijzingsgronden ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Net als ieder ander is de cliënt verantwoordelijk om zaken als achterstallig onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. Daaronder worden ook eisen verstaan die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. Indien het een eigen woning betreft spreekt dat voor zich. In geval van een huurwoning ligt het op de weg van de cliënt om de verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen. Artikel 8.3. Hoofdverblijf in een instelling Lid 1. Onder de Wmo 2007 waren AWBZ-bewoners uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd gemaakt voor het bezoekbaar maken van de woning van ouders of andere familieleden. Deze uitzondering was dan gebaseerd op de verordening. De optie van het bezoekbaar maken is dan ook opgenomen in de verordening. Verdere verplichtingen dan deze heeft de gemeente dus niet. In het tweede lid wordt aangegeven wat onder ‘bezoekbaar maken’ wordt verstaan. Hoofdstuk 9
Ondersteuning gericht op verplaatsen in de eigen leefomgeving
Artikel 9.1 Resultaat vervoervoorziening Het eerste lid bepaalt met welk doel de vervoersvoorziening wordt verstrekt. Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld om sociale contacten te onderhouden. Constante jurisprudentie wijst uit dat vervoer mogelijk gemaakt moet worden met een bandbreedte van 1500 tot 2000 kilometer per jaar. Dit is de ondergrens. Hof van Twente stelt het bereik van het Maatwerkvervoer vast op 1850 kilometer per kalenderjaar. Hiermee wordt voldaan aan de minimale compensatieplicht. Daarnaast bepaalt het vierde lid wat de reikwijdte is van de leefomgeving. Onder de leefomgeving in het kader van dit hoofdstuk wordt tot 30 kilometer rondom de woning als redelijk aangenomen. Het college kan daar in het individuele geval van afwijken. Artikel 9.3 Gebruik Maatwerkvervoer De cliënt die gebruik maakt van het Maatwerkvervoer is daarvoor een ritbijdrage verschuldigd. De hoogte van deze ritbijdrage is vergelijkbaar met de kosten van het openbaar vervoer die iedereen heeft, ongeacht het hebben van beperkingen. Het Maatwerkvervoer is vervoer van deur tot deur en kent enkele spelregels. Er zijn regels over het reserveren van een rit. Niet-tijdig reserveren betekent dat de cliënt een extra bijdrage voor deze betaalt. Een rit moet minimaal een dag van tevoren voor 21.00 uur worden gereserveerd.
Niet-tijdig is dus een rit die wordt gereserveerd na dit tijdstip. Uitgezonderd is de retourrit vanuit het ziekenhuis. Artikel 9.5 Verstrekkingsvormen Een tegemoetkoming in kosten van gebruik van een eigen auto of individueel gebruik van een taxi worden alleen verstrekt als financiële tegemoetkoming. Het is een forfaitair bedrag waarvan de hoogte niet direct verband houdt met de daadwerkelijk kosten. De keuzevrijheid tussen ondersteuning in natura en PGB is niet aan de orde. Voor een financiële tegemoetkoming is geen bijdrage in de kosten verschuldigd. Hoofstuk 10
Ondersteuning gericht op het verplaatsen in en rond de woning
Dit hoofdstuk richt zich op het kunnen bereiken van gebruiksruimten in de woning en kunnen verplaatsen in en rondom de woning. Hiervoor kunnen allerlei soorten rolstoelen worden verstrekt, waarvoor steeds de keuzevrijheid tussen ondersteuning in natura en een PGB geldt.
Dit is alleen anders voor een sportrolstoel. De sportrolstoel wordt alleen in de vorm van een (forfaitaire) financiële tegemoetkoming verstrekt. Verder spreekt dit hoofdstuk voor zich. Hoofdstuk 11
Persoonsgebonden budget (PGB)
Artikel 11.1 Verplichtingen en criteria voor een PGB De aanspraak op een PGB is mogelijk voor de cliënt die dat wenst. Daarmee is niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een PGB. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het PGB wordt verstrekt met in achtneming van artikel 2.3.6. van de wet. Dat betekent onder andere dat diensten, hulpmiddelen e.d. die hij met het PGB wenst in te kopen, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt en dat deze bijdragen aan het behalen van het beoogde resultaat. De cliënt die een PGB wenst en daar naar oordeel van het college recht op heeft, is verplicht een door het college vastgesteld en aangereikt format PGB-plan op het stellen. Het college kan aanvullende voorwaarden stellen aan het PGB-plan. Een voorbeeld: het kan in een concrete situatie zinvol zijn om tussentijdse evaluatiemomenten –en bijbehorende terugkoppeling aan het college- te laten opnemen in het PGB-plan. Een van de kwaliteitsaspecten van de wet is dat een maatwerkvoorziening veilig moet zijn (zie artikel 3.1, tweede lid van de wet). De maatwerkvoorziening mag dan ook geen gezondheidsrisico’s voor de cliënt of anderen met zich meebrengen. Daarom is in dit onderdeel geregeld dat ook de met een PGB bekostigde voorziening veilig moet zijn. Dit is de verantwoordelijkheid van de cliënt.
Om vast te stellen of een hulpmiddel of woningaanpassing veilig is, voert het college controles uit. De veiligheid van dienstverlening blijkt ook, maar niet uitsluitend, uit een verklaring omtrent gedrag (VOG) van personen die betrokken zijn bij de dienstverlening/ondersteuning. Als een cliënt niet in staat is zelf de PGB-taken als bedoeld in artikel 2.3.6. lid 2 onder a van de wet te verrichten (budgetvaardigheid), dan mag hij zich laten ondersteunen door iemand uit zijn sociaal netwerk of zijn wettelijke vertegenwoordigers. Onder een wettelijke vertegenwoordiger wordt verstaan: curator, bewindvoerder en mentor. Dit is in ieder geval nooit de persoon of organisatie die met het PGB wordt ingekocht om de ondersteuning te bieden. Onder het op een verantwoorde manier uitvoeren van de aan het PGB verbonden taken, valt ook de eis dat de cliënt in staat is om toezicht te houden op de geleverde kwaliteit en dat hij de door hem ingeschakelde personen kan aansturen. Bijvoorbeeld via www.pgb.nl bestaat de mogelijkheid om een PGB-test te doen. Dit kan een inschatting geven of iemand geschikt is om zelf de ondersteuning te organiseren en een PGB te beheren. De vertegenwoordiger van de cliënt moet uiteraard wel in staat zijn het PGB te beheren. De PGB-vaardigheid van deze vertegenwoordiger moet worden beoordeeld.
Opgemerkt wordt dat het college ook nog op grond van artikel 2.3.6 vijfde lid onder b van de wet bevoegd is het PGB te weigeren. Deze bevoegdheid bestaat dus als het PGB in het verleden is herzien dan wel ingetrokken omdat: -de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of -de cliënt niet heeft voldaan aan de aan het PGB verbonden voorwaarden of; -de cliënt het PGB niet of voor een ander doel heeft gebruikt. In het vierde en vijfde lid van dit artikel is nog opgenomen voor welke kosten het PGB mag worden ingezet. De in het vierde lid genoemde kosten zijn limitatief. Het dus om werkgeverslasten, reiskostenvergoedingen voor woon-werkverkeer, verlofregelingen en een pensioenvoorziening. Andere mogelijke uitgaven voor bijvoorbeeld een feestdagenuitkering of een extra uitkering aan de hulpverlener bij overlijden van de budgethouder (overlijdensuitkering) en bijkomende kosten voor bijvoorbeeld een cursus voor de hulpverlener of de budgethouder zelf, mogen niet ten laste van het PGB worden gebracht.
In het laatste lid van dit artikel is bepaald dat het PGB niet voor een andere voorziening mag worden besteed dan waarvoor het is toegekend. Daarmee is bedoeld dat een uitruil van budgetten tussen verschillende voorzieningen niet is toegestaan. Een PGB voor Huishoudelijke ondersteuning kan dus niet worden ingezet voor bijvoorbeeld dagbesteding. Artikel 11.4 Vaststellen hoogte PGB Lid 3. Onderscheid wordt gemaakt in een tarief voor professionals enerzijds en een tarief voor het niet-professionals en sociaal, informeel netwerk anderzijds. Er is sprake van professionele ondersteuning als deze wordt geleverd door een zorginstelling of door een zelfstandige zonder personeel (zzp’er), die in ieder geval staat ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Bij de inschrijving van de aanbieder bij de Kamer van Koophandel, wordt de branche-standaard bedrijfsindeling (SBI) van de beroepsgroep gezondheidszorg en Welzijn genoemd. Ieder bedrijf dat zich inschrijft in het handelsregister krijgt één of meerdere SBI-codes. Deze code bestaat uit 4 of 5 cijfers en geeft aan wat de activiteit van een bedrijf is. Door de SBI-code op te vragen kan worden geverifieerd dat de zorgverlener werkzaam is waarvoor hij/zij zich laat contracteren door de budgethouder. Uiteraard heeft de hulpverlener personeel in dienst die adequaat is opgeleid en beschikt over een Verklaring omtrent het gedrag.
De kwaliteit van de organisatie en van de ondersteuning/dienstverlening die een professional biedt, moeten van een vergelijkbaar niveau zijn als de ondersteuning in natura door een gecontracteerde aanbieder. Alleen dan bestaat ook recht op een met ondersteuning in natura vergelijkbaar tarief. Een PGB is gemiddeld genomen wel goedkoper dan ondersteuning in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een PGB voor dienstverlening door professionals is daarom in de verordening begrensd op 90% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Voor ondersteuning die wordt geboden door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de cliënt wordt het PGB mede gebaseerd op het tarief zoals dat geldt voor nietprofessionals. Dit geldt ook indien de bloed- of aanverwant zou voldoen aan alle eisen die gelden voor het tarief van professionals. Lid 6. Dit PGB voor Huishoudelijke ondersteuning wordt gebaseerd op 90% van regionaal afgesproken uurtarieven. Als deze tarieven wijzigen, is het college bevoegd het PGB daarop aan te passen. Lid 9 en 10.
Het uurtarief voor niet-professionals en personen uit het sociaal netwerk wordt vastgesteld op 110% van het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld en vakantie-uren, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek, Op deze manier is voldoende duidelijk op welke wijze het PGB voor niet-professionele ondersteuning wordt berekend. Uiteraard staat het de cliënt en hulpverlener vrij een ander uurtarief af te spreken. Wordt een hoger uurtarief afgesproken, dan zijn de meerkosten voor rekening van de cliënt. Spreekt men een lager uurtarief af, dan wordt de hoogte van het PGB afgestemd op dat (lagere) uurtarief.
Hoofdstuk 12
Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen
Artikel 12.1 Bijdrage in de kosten Voor de maatwerkvoorziening is de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd. Uitgangspunt is dat de maximale bijdrage wordt opgelegd zodra en zolang de cliënt een maatwerkvoorziening heeft. In 2021 is de bijdrage € 19,00 per maand. De ingangsdatum van de bijdrage wordt bepaald aan de hand van de factuur van de aanbieder of leverancier. Bij een PGB voor dienstverlening geldt de startdatum, zoals die is vermeld in de toekenningsbeschikking, als ingangsdatum. De bijdrage is verschuldigd zolang de kostprijs van de voorziening nog niet is voldaan. Dat betekent dat bij hulpmiddelen en woningaanpassingen een controle op de kostprijs moet worden uitgevoerd. Er kan een moment komen dat de kostprijs is betaald. Dan eindigt de bijdrage, tenzij nog gebruik wordt gemaakt van andere (maatwerk-)voorzieningen. Bij de kostprijs horen ook kosten die (contractueel) gemaakt worden voor instandhouding van het product. Het college controleert of de kostprijs is betaald. Het kan zijn dat de cliënt een product of dienst een zekere periode niet kan gebruiken. Bijvoorbeeld vanwege ziekenhuisopname of langdurig verblijf elders. Het college houdt met dergelijke situaties alleen rekening als de cliënt dit zo tijdig mogelijk heeft gemeld, de voorziening daadwerkelijk niet kan gebruiken en de onderbreking meer dan 3 kalendermaanden duurt.
De bijdrage wordt niet met terugwerkende kracht beëindigd. Is de bijdrage vanwege een hulpmiddel of woningaanpassing verschuldigd, dan wordt deze niet tussentijds beëindigd. Geen bijdrage De bijdrage wordt niet in rekening gebracht voor gebruik van het Maatwerkvervoer (collectief taxivervoer). Overigens geldt hiervoor wel een gebruikers- of ritbijdrage. Deze gebruikersbijdrage wordt vastgesteld door de Regio Twente. Ook geldt de bijdrage niet bij de toekenning van een financiële tegemoetkoming. Een dergelijke tegemoetkoming is niet in de wet zelf geregeld, maar is mogelijk gemaakt op grond van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Een financiële tegemoetkoming is niet noodzakelijkerwijs kostendekkend. Om die reden wordt over deze tegemoetkoming geen bijdrage gerekend. Tot slot worden in het Uitvoeringsbesluit Wmo2015 in hoofdstuk 3 (artikel 3.8 lid 4) situaties beschreven waarin geen bijdrage verschuldigd is. Uitgezonderd van het abonnementstarief zijn de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Hiervoor blijven de inkomensafhankelijke eigen bijdragen gelden die door het CAK worden vastgesteld. De bijdrage in de kosten wordt opgelegd en geïnd door de CAK. Het college volgt hierin ook de uitvoeringsregels van het CAK.
Artikel 12.2 Kostprijsberekening voor bijdrage in de kosten Dit artikel bepaalt wat onder de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura, een persoonsgebonden budget en een algemene voorziening wordt verstaan. De kostprijs is bepalend voor de duur van de bijdrage in de kosten die de cliënt moet betalen. De bijdrage in kosten voor een maatwerkvoorziening mag niet hoger zijn dan de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente zélf verschuldigd is voor de maatwerkvoorziening. Als aan een cliënt een persoonsgebonden budget is verstrekt, is de kostprijs gelijk aan de hoogte van dat budget.
Artikel 12.3. Vaststelling en inning van bijdrage voor maatschappelijke opvang Deze bepaling is gebaseerd op 2.1.4 lid 7 van de wet. Opvang in dit artikel betreft onderdak en de begeleiding voor de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met het risico voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en het niet in staat zijn om op eigen kracht zich te handhaven in de samenleving Hoofdstuk 13
Herziening, intrekking en terugvordering
Artikel 13.1 Toezicht en handhaving Op grond van artikel 2.1.3 lid 4 Wmo 2015 moeten in de verordening regels gesteld worden voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel 13.2
Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet. Daarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een PGB, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met het opnemen van de wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een PGB, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet Hoofdstuk 14
Kwaliteit en klachten
Artikel 14.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c , van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid van de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (kamerstukken II 2013/14 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 14.2 Verhouding prijs en kwaliteit van voorziening geleverd door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.
Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel in een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitganspunt is dat een aanbieder kundig personele inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 14.3 Klachtregeling De gemeente is op grond van de Algemene wet bestuursrecht verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In het eerste lid eis een bepaling opgenomen over het gemeentelijke klachtrecht. De reguliere klachtenregeling van de gemeente Hof van Twente is hierop van toepassing. In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van bepaalde aanbieders opgenomen.
Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede, onder e, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen en diensten regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. Desbetreffende aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen en diensten verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr3, blz 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zin over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren.
Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Artikel 14.4
Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder, welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door het bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. Alle aanbieders van maatwerkvoorzieningen zijn verplicht een medezeggenschap op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In de tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 14.5 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4 eerste lid van de wet is bepaald dat de aanbieder aan de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Hoofdstuk 15
Mantelzorgerwaardering en inspraak
Artikel 15.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 15.2 Inspraak en medezeggenschap In artikel 2.1.3, derde lid van de wet wordt geregeld dat de gemeente in een verordening moet vastleggen hoe ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de wet. In dit artikel wordt verwezen naar het in 2022 vastgestelde gemeentelijke participatiebeleid. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er voor het Wmo-beleid eenzelfde inspraakprocedure geldt als op andere terreinen. Hoofdstuk 16 Slotbepalingen Artikel 16.1 Hardheidsclausule Een beschikking moet in het individuele geval maatwerk te zijn. Onder omstandigheden kan dit ertoe leiden dat moet worden afgeweken van een bepaling in de verordening met een rechtstreekse verwijzing naar artikel 2.3.5 van de wet. Op basis van artikel 2.3.2 van de wet standaard al een zorgvuldige beoordeling plaats waarbij met alle persoonlijke omstandigheden rekening wordt gehouden. Te verwachten is dat daardoor een beroep op de hardheidsclausule minder vaak zal voorkomen.
De hardheidsclausule wordt in deze verordening niettemin gehandhaafd als vangnet voor al die situaties waarbij toepassing van de verordening leidt tot een onbillijke situatie. Het afwijken van de verordening kan alleen ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. In het algemeen geldt dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is. Hij zal dat ook nader moeten onderbouwen. Artikel 16.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het tweede lid van dit artikel is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen, die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze nieuwe verordening beoordeeld zullen worden. In lid 4 is bepaald dat lopende bezwaarschriften volgens de oude verordening worden afgehandeld. Artikel 16.3 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.