CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit - 592706 - Verordening maatschappelijke ondersteuning 2024.pdf

Gemeenteraad 28 november 2023, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 13: Vaststellen van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2024 en de Verordening Jeugdhulp Hof van Twente 202417.784 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raadsbesluit Onderwerp Zaaknummer

Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2024 592706

Vergadering

december 2023

De raad van de gemeente Hof van Twente; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede en derde lid, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 overwegende - dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; - dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; - dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; - dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van de wet en het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking en - dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit: vast te stellen de navolgende VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2024 GEMEENTE HOF VAN TWENTE. HOOFDSTUK 1

BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld of gemaakt is voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie tot participatie of zelfredzaamheid en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; b. andere voorziening: een voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. beleidsregel: regels die het college vaststelt over de nadere uitwerking van deze verordening, zoals bedoeld in artikel 1:3 lid 4 Algemene wet bestuursrecht; d. bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

e. financiële tegemoetkoming: een forfaitaire tegemoetkoming in kosten van ondersteuning, die niet noodzakelijkerwijs volledig kostendekkend is; f. gesprek: het gesprek in het kader van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; g. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Het gaat het om het feitelijk woonadres; h. huisgenoot: meerderjarige personen met wie de cliënt een gezamenlijke huishouding voert; i. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; j. ingezetene: cliënt die zijn of haar hoofdverblijf heeft in de gemeente Hof van Twente; k. maatwerkvervoer: een systeem van collectief taxivervoer; l. melding: verzoek als bedoeld in artikel 2.3.2. eerste lid van de wet, aan het college om onderzoek naar de behoefte aan ondersteuning; m. ondersteuning maatschappelijke participatie: dagbesteding als structurele tijdbesteding met een welomschreven doel, gericht op zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of ontlasting van mantelzorgers; n.

niet-professional: een particulier persoon die niet beroepsmatig maatschappelijke ondersteuning verleent aan de cliënt dan wel een niet-natuurlijk persoon of zelfstandige zonder personeel die beroepsmatig werkzaam is op het terrein van maatschappelijke ondersteuning maar niet voldoet aan alle door het college gestelde kwaliteitseisen om als professional te worden beschouwd; o. ondersteuning zelfstandig leven: individuele begeleiding gericht op het versterken of behouden van zelfredzaamheid van de cliënt; p. ondersteuningsplan: de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 8 van de wet, eventueel aangevuld met een persoonlijk plan van de cliënt. Hierin zijn beschreven adviezen, verwijzingen, afspraken en beoogde resultaten die in samenspraak met de cliënt zijn gemaakt als ook eventuele in aanmerking komende voorzieningen; q. persoonlijk plan: een plan dat cliënt opstelt en aangeeft, op basis van artikel 2.3.2, vierde lid onderdelen a tot en met e van de wet, welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; r.

professional: een niet-natuurlijk persoon of zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de uit te voeren taken, werkzaamheden en diensten is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan kwaliteitseisen zoals die ook gelden voor door de gemeente gecontracteerde aanbieders. Voor personen die zijn aangemerkt als zelfstandige zonder personeel geldt ook dat zij de beschikking hebben over een verklaring omtrent gedrag en over relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; s. PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; t. PGB-budgetplan: een door de cliënt in te vullen format PGB-plan. Het college beoordeelt dit plan in verband met de aanspraak op een PGB. In het plan zijn in ieder geval opgenomen welke diensten of producten uit het PGB worden betaald, wat de kostprijs daarvan is en welke resultaten worden bereikt. Ook blijkt uit het budgetplan de kwaliteit van de hulpverlener en de kwaliteit van de dienstverlening. u. Ritbijdrage: bijdrage, vastgesteld door de Regio Twente, die in rekening wordt gebracht voor gebruik van het Maatwerkvervoer. v.

sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. w. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. x. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; y. zelfstandige woning: woning met een eigen toegang en eigen keuken, woonkamer, badkamer en toilet. 2. Begrippen die in deze Verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit en in de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK 2

MELDING EN ONDERZOEK

Artikel 2.1 Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding. Daarbij wijst het college op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan en gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. 3. De hulpvraag die direct kan worden beantwoord en waarvoor geen nader onderzoek nodig is, wordt niet aangemerkt als melding. 4. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3. van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening. Dit in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel 2.2 Onderzoek 1. Het college verzamelt alle gegevens over de cliënt en zijn situatie die voor het onderzoek bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang en toegankelijk zijn. 2. Het college onderzoekt in een gesprek met de cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk de hulpvraag overeenkomstig artikel 2.3.2. lid 4, lid 5 en lid 6 van de wet. Indien aanwezig, betrekt het college het persoonlijk plan bij dit onderzoek 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. 4.

Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 5. Als cliënt en de hulpvraag genoegzaam bekend zijn, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel 2.3 Ondersteuningsplan 1. Het college zorgt voor een schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2. Binnen 6 weken na de melding verstrekt het college aan cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm van een ondersteuningsplan, tenzij cliënt heeft ingestemd met verlenging van deze termijn. 3. Als de cliënt aangeeft daarop geen prijs te stellen, wordt het ondersteuningsplan, afwijkend van het vorige lid, niet verstrekt. 4. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd. 5. Het ondersteuningsplan is maximaal 3 maanden geldig, mits na het opstellen van dit plan geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de feiten en omstandigheden, zoals die waren ten tijde van het onderzoek. Artikel 2.4 Volmacht Het college kan onderzoeksactiviteiten zoals bedoeld in dit hoofdstuk bij volmacht laten uitvoeren door andere organisaties HOOFDSTUK 3

DE AANVRAAG

Artikel 3.1 De aanvraag 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk of mondeling indienen bij het college. 2. Een door de cliënt ondertekend ondersteuningsplan waarin de wens van cliënt is opgenomen om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, wordt aangemerkt als een schriftelijke aanvraag. 3. Een schriftelijke aanvraag kan ook worden ingediend op een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 4. Het college beoordeelt of een mondelinge aanvraag mogelijk is.

Artikel 3.2 Externe advisering 1. Het college is bevoegd om, als dit van belang is voor het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2. van deze verordening of de beoordeling de aanvraag, de cliënt en, bij gebruikelijke hulp, diens relevante huisgenoten: a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; b. een door het college te bepalen plaats en tijdstip door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies als: a. aanvullende informatie nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen; b. de aanvraag om medische redenen wordt afgewezen; c. het college dat om andere redenen noodzakelijk vindt. 3. De cliënt en/of huisgenoot zijn verplicht aan het onderzoek van het college mee te werken en de door hem aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 4. Als het in dit artikel bedoelde onderzoek niet kan plaatsvinden omdat de opgeroepen persoon door eigen nalatigheid niet voor het onderzoek is verschenen, verhaalt het college de door de adviseur in rekening gebrachte kosten op de cliënt. Artikel 3.3 Inhoud beschikking 1.

In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura, als PGB of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken voorziening is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt en d. welke verplichtingen zijn verbonden aan het verstrekken van de voorziening. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het PGB moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB; c. wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het PGB is bedoeld; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het PGB en f. welke verplichtingen zijn verbonden aan het verstrekken van het PGB. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat de tegemoetkoming wordt aangewend; b. wat de hoogte van de tegemoetkoming is; c. wat de duur is van de verstrekking waarvoor de tegemoetkoming is bedoeld en d.

de wijze van verantwoording van de besteding van de tegemoetkoming. 5. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in of bij de beschikking geïnformeerd. HOOFDSTUK 4

ALGEMENE VOORZIENINGEN

Artikel 4.1 Algemeen 1. Een algemene voorziening is ingericht voor alle ingezetenen van Hof van Twente of voor een specifieke doelgroep en is rechtstreeks toegankelijk zonder of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. 2. In Hof van Twente zijn de volgende algemene voorzieningen toegankelijk voor alle ingezetenen: a. Individuele cliëntondersteuning b. Algemeen maatschappelijk werk c. Algemene voorziening Wasverzorging

3. Het college geeft in een beleidsregel een nadere uitwerking aan de toegang tot en de inhoud en vorm van de in het vorige lid genoemde Algemene voorziening Wasverzorging. 4. Een algemene voorziening gaat voor op een maatwerkvoorziening. Artikel 4.2 Bijdrage in de kosten 1. 1.Het college legt aan de cliënt een bijdrage in de kosten op voor gebruik van de algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning en algemeen maatschappelijk werk. De bijdrage is maximaal gelijk aan de kostprijs van die algemene voorziening. 2. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor de Algemene voorziening Wasverzorging a. komt voor de ingezetene die geen beperkingen ondervindt om de wasverzorging zelf uit te voeren, overeen met het commerciële tarief dat de aanbieder voor deze dienstverlening in rekening brengt. De ingezetene betaalt deze bijdrage aan de aanbieder. b. bedraagt voor de ingezetene die vanwege beperkingen, psychische problemen of psychosociale problemen de wasverzorging niet zelf kan uitvoeren en ook geen beroep kan doen op gebruikelijke hulp van huisgenoten of andere oplossingen € 4,50 per waszak, te betalen aan de aanbieder. 3. Het college beoordeelt of de ingezetene in aanmerking komt voor de bijdrage in de kosten als bedoeld onder b van het vorige lid. 4.

De ingezetene als bedoeld onder a van het tweede lid die voor het vervoer van wasgoed gebruik maakt van de vervoersmogelijkheid van het college, is voor dat vervoer een bijdrage verschuldigd van € 7,50 per keer dat een waszak wordt aangeboden. 5. De bijdrage per waszak en de bijdrage bedoeld in het vorige lid worden jaarlijks geïndexeerd met maximaal het percentage zoals vastgesteld in de prijsindex CPI Huishoudens van het CBS. Het college legt vanaf 2024 de geïndexeerde bedragen vast in het Besluit Maatschappelijke ondersteuning. HOOFDSTUK 5

MAATWERKVOORZIENINGEN

Artikel 5.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening als een cliënt beperkingen ondervindt in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en deze niet zelf kan wegnemen of verminderen door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of b. gebruikelijke hulp en/of c. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of d. mantelzorg en/of e. hulp van andere personen uit het sociaal netwerk en/of f. algemene voorzieningen en/of g. andere voorzieningen of maatregelen. 2. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van opvang en /of beschermd wonen als: a. de cliënt problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving; of b. de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en c. voor zover de cliënt deze problemen niet kan wegnemen of verminderen door gebruik te maken van eigen kracht en/of gebruikelijke hulp en/of mantelzorg en/of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk en/of algemene voorzieningen en/of andere voorzieningen of maatregelen 3. Eigen kracht houdt ook in dat cliënt gebruik maakt van aanspraken die gemaakt kunnen worden op grond van andere wettelijke bepalingen en regelingen. 4. Onder gebruikelijke hulp als bedoeld in de wet wordt in ieder geval verstaan: a.

het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, b. het overnemen van of ondersteunen bij het voeren van de (financiële) administratie, c. het bieden van ondersteuning bij activiteiten die naar het oordeel van het college naar algemene maatstaven tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren.

Artikel 5.2 Voorwaarden en weigeringsgronden 1. Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie op te heffen of te verminderen; b. deze als de goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt; c. deze in overwegende mate op het individu is gericht. 2. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als: a. de cliënt niet voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 5.1 van deze Verordening en het eerste lid van dit artikel. b. de cliënt niet woonachtig is in de gemeente Hof van Twente. c. de voorziening ziet op ondersteuning buiten de eigen leefomgeving. d. het een voorziening betreft die de cliënt na de melding, maar vóórdat op de aanvraag een besluit is genomen, heeft gerealiseerd, geaccepteerd of gekocht, tenzij het college daarvoor schriftelijke toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld. e. het een voorziening betreft die de cliënt al voor de melding van de hulpvraag als bedoeld in artikel 2.1 van deze Verordening, heeft gerealiseerd, geaccepteerd of gekocht. f. er geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan de behoefte van ondersteuning. g.

de aanvraag betrekking heeft op een eerder verstrekte voorziening en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan een cliënt zijn toe te rekenen. h. deze voorziening vermijdbaar was geweest als de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande en bekende beperkingen. i. voor zover de gevraagde maatwerkvoorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. HOOFDSTUK 6

ONDERSTEUNING MAATSCHAPPELIJKE DEELNAME, ZELFSTANDIG LEVEN EN KORTDUREND VERBLIJF

Artikel 6.1 Resultaten Ondersteuning maatschappelijke deelname 1. De Ondersteuning maatschappelijke deelname is in ieder geval gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. aanbrengen van structuur; b. bieden van een zinvolle tijdinvulling; c. ontlasten van de persoon die gebruikelijke hulp of mantelzorg biedt als overbelasting dreigt; d. bevorderen van de maatschappelijke participatie. 2. Onder Ondersteuning maatschappelijke deelname valt ook het noodzakelijke vervoer naar en van de locatie waar deze voorziening wordt geboden. 3. Het in het vorige lid bedoelde vervoer is noodzakelijk als a. de cliënt niet in staat is zelfstandig lopend, dan wel met gebruik van een algemeen gebruikelijk hulpmiddel of met een vervoermiddel te reizen en b. de cliënt niet door anderen kan worden gebracht of begeleid. Artikel 6.2 Resultaten Ondersteuning zelfstandig leven 1. De Ondersteuning zelfstandig leven is in ieder geval gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. aanbrengen van structuur; b. gezond houden van zijn financiële situatie; c. aangaan en behouden van sociale contacten en versterken van het sociaal netwerk; d. aanleren van vaardigheden ter bevordering van de sociale zelfredzaamheid; e. ontlasten van de persoon die gebruikelijke hulp of mantelzorg biedt als overbelasting dreigt.

2. Ook personen uit de sociale omgeving van de cliënt kunnen in aanmerking komen voor de ondersteuning als genoemd in het eerste lid. In dat geval is de ondersteuning erop gericht hen in staat te stellen om met (de gevolgen van) de beperkingen van de cliënt om te kunnen gaan. Artikel 6.3 Resultaten Verblijf in een instelling 1. De ondersteuning Verblijf in een instelling is gericht op de volgende resultaten: a. voorkomen of verminderen van overbelasting van de mantelzorger en/of b. stimuleren om de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen laten wonen . 2. Deze ondersteuning kan worden ingezet mits a. de cliënt langdurig is aangewezen op meer dan gebruikelijk hulp en b. de maatwerkvoorzieningen Ondersteuning zelfstandig leven en Ondersteuning maatschappelijke deelname niet voldoende oplossing bieden en c. de cliënt en de mantelzorger geen aanspraak kunnen maken op de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg om de overbelasting te voorkomen. 3. De omvang is maximaal 3 etmalen per week. Artikel 6.4 Gebruikelijke hulp Bij het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden gevergd, houdt het college – onverminderd de wettelijke definitie- in ieder geval rekening met: a. de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt, b. de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, c.

de leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen, d. de leerbaarheid van de cliënt en/of huisgenoten van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd en e. de omstandigheid dat een huisgenoot regelmatig niet langdurig aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Artikel 6.5 Niet langdurig noodzakelijk Afwijkend van het gestelde in artikel 5.2. lid 1 onder a van deze Verordening kunnen de in dit hoofdstuk genoemde maatwerkvoorzieningen ook worden toegekend indien deze niet langdurig noodzakelijk zijn. Artikel 6.6 Nadere regels Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de vorm, inhoud en omvang van deze maatwerkvoorzieningen. HOOFDSTUK 7

HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING

Artikel 7.1 Resultaten huishoudelijke ondersteuning 1. De ondersteuning bij de huishoudelijke ondersteuning is gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. wonen in een schoon en leefbaar huis b. beschikken over schone kleding; c. beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden; d. beschikken over de benodigde boodschappen; e. voeren van regie over het huishouden f. thuis kunnen zorgen voor de minderjarige kinderen. 2. Om de in het vorige lid genoemde resultaten te objectiveren, stelt het college in een beleidsregel vast wat de aard van de te verrichten activiteiten is alsmede de frequentie ervan en de benodigde tijdbesteding ervoor.

Artikel 7.2 Criteria huishoudelijke ondersteuning 1. Wonen in een schoon en leefbaar huis heeft uitsluitend betrekking op ruimten in de woning die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning. 2. Uitgezonderd zijn in ieder geval de zorg voor dieren en planten, een kelder, berging, zolder, als ook de buitenzijde van de woning. 3. Bij het oordeel of en in hoeverre gebruikelijke hulp kan worden gevergd, houdt het college –onverminderd de wettelijke definitie- in ieder geval rekening met; a. de omvang van de ondersteuningsbehoefte, b. de leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen en c. de omstandigheid dat een huisgenoot regelmatig en langdurig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Artikel 7.3 Niet langdurig noodzakelijk Afwijkend van het gestelde in artikel 5.2. lid 1 onder a van deze Verordening kan de maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning ook worden toegekend indien deze niet langdurig noodzakelijk is. Artikel 7.4 Nadere regels Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de vorm, inhoud en omvang van deze maatwerkvoorziening. HOOFDSTUK 8

WOONVOORZIENINGEN

Artikel 8.1 Resultaat woonvoorziening 1. De woonvoorziening is erop gericht dat de cliënt normaal gebruik kan maken van de woning waarin hij zijn hoofdverblijf heeft. Dit geldt uitsluitend ten aanzien van de woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, berging en tuin of balkon. 2. Voor zover de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een goedkoper geschikt te maken woning en die verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat, wordt eerst deze mogelijkheid beoordeeld. Artikel 8.2 Criteria woonvoorziening 1. Een woonvoorziening wordt alleen toegekend als: a. sprake is van een zelfstandige woning. b. de aan te passen woning in de gemeente Hof van Twente staat. 2. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. in of aan Wlz-instellingen, hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en kamerbewoning. b. in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen, die specifiek gericht zijn op ouderen en mensen met beperkingen als die voorziening voor het betreffende gebouw als algemeen gebruikelijk is aan te merken. c. in woongebouwen, die tijdens recente nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. 3. Een woonvoorziening wordt slechts toegekend als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan of waarin de woonvoorziening wordt getroffen. 4.

Een woonvoorziening wordt geweigerd als: a. de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een verhuizing, die niet noodzakelijk was vanwege belemmeringen in het normale gebruik van de woning als gevolg van beperkingen, en er geen andere belangrijke reden aanwezig was. b. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen –op dat moment beschikbaremeest geschikte woning, tenzij het college daarvoor vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven. c. deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: - verbreden van toegangsdeuren; - aanbrengen van elektrische deuropeners;

-

aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw(mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel), - aanbrengen van drempelhulpen of vlonders, - aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning; d. de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden. e. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning het gevolg zijn van de aard van de in de woning gebruikte materialen of van de slechte staat van onderhoud. 5. de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud of ook kan worden aangemerkt als renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. 6. De bijdrage in kosten van verhuizing wordt ook geweigerd als de persoon met beperkingen voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar of vanuit een Wlz-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. Artikel 8.3 Hoofdverblijf in een instelling 1. In afwijking van artikel 8.2.

lid 3 kan aan de cliënt die in een Wlz-instelling woont, een woonvoorziening voor het bezoekbaar maken van één woonruimte worden verstrekt, mits de woonruimte regelmatig wordt bezocht en deze in de gemeente Hof van Twente is gelegen. 2. Onder bezoekbaar maken van de woonruimte wordt uitsluitend verstaan dat de cliënt de woonkamer en het toilet kan bereiken en dat hij ook het toilet kan gebruiken. Artikel 8.4 Verstrekkingsvormen 1. Een bijdrage in kosten van verhuizing wordt uitsluitend als een financiële tegemoetkoming verstrekt. 2. Het college legt de hoogte van de financiële tegemoetkoming vast in een beleidsregel. 3. Voor alle overige woonvoorzieningen geldt dat deze hetzij in natura hetzij in de vorm van een PGB worden verstrekt. Artikel 8.5 Nadere regels Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de vorm, inhoud en omvang van deze maatwerkvoorzieningen. HOOFDSTUK 9

ONDERSTEUNING GERICHT OP HET VERVOER IN DE EIGEN LEEFOMGEVING

Artikel 9.1 Resultaten vervoervoorziening 1. De vervoervoorziening is gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. kunnen bereiken van winkels; b. kunnen onderhouden van sociale contacten; c. deelnemen aan recreatieve of maatschappelijke activiteiten, al dan niet in de vorm van een algemene voorziening. 2. Om de resultaten als bedoeld in het vorige lid te bereiken, wordt vervoer mogelijk gemaakt tot 1.850 kilometer per kalenderjaar. 3. Bij de te verstrekken vervoervoorziening wordt uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de eigen leefomgeving in het kader van het leven van alledag. 4. Onder de eigen leefomgeving wordt een afstand tot 30 kilometer rondom de woning verstaan. 5. Het college kan in nadere regels vastleggen in welke situatie recht bestaat op meer of minder dan 1.850 kilometer per jaar.

Artikel 9.2 Criteria vervoervoorziening 1. Beperkingen bij het verplaatsen in de eigen leefomgeving worden aanwezig geacht als de cliënt het openbaar vervoer niet kan bereiken of niet kan gebruiken. 2. Het college kan ter beoordeling hiervan nadere regels opstellen. Artikel 9.3 Gebruik van Maatwerkvervoer 1. De cliënt is voor het Maatwerkvervoer een ritbijdrage verschuldigd. 2. De hoogte van de ritbijdrage is gelijk aan het tarief van het openbaar vervoer. 3. Een rit moet tijdig worden gereserveerd. Bij niet-tijdig reserveren is de cliënt een extra bijdrage van tenminste € 3,00 aan de vervoerder verschuldigd. Artikel 9.4 Gebruik van vervoermiddelen Vervoermiddelen kunnen worden verstrekt aanvullend op het Maatwerkvervoer, mits wordt voldaan aan de door het college in een beleidsregel vastgelegde criteria. Artikel 9.5 Verstrekkingsvormen 1. Een bijdrage in kosten van individueel gebruik van een taxi of eigen auto wordt uitsluitend als een financiële tegemoetkoming verstrekt. 2. Het college legt de hoogte van de financiële tegemoetkoming vast in een beleidsregel. 3. Voor hulpmiddelen geldt dat deze hetzij in natura hetzij in de vorm van een PGB worden verstrekt. Artikel 9.6 Nadere regels Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de vorm, inhoud en omvang van deze maatwerkvoorzieningen. HOOFDSTUK 10

ONDERSTEUNING GERICHT OP HET VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING

Artikel 10.1 Resultaat verplaatsen in en rond de woning Het te bereiken resultaat bestaat uit het in staat zijn de woonkamer, de slaapkamer(s), het toilet en badkamer, de berging en tuin of balkon te kunnen bereiken en er zich zodanig kunnen verplaatsen dat normaal functioneren mogelijk is. Ook het verplaatsen rondom de woning behoort tot dit resultaatsgebied. Artikel 10.2 Verstrekkingsvormen 1. Een bijdrage in kosten van een sportrolstoel wordt uitsluitend als een financiële tegemoetkoming verstrekt. 2. Het college legt de hoogte van de financiële tegemoetkoming vast in een beleidsregel. 3. Voor alle overige rolstoelvoorzieningen geldt dat deze hetzij in natura hetzij in de vorm van een PGB worden verstrekt. Artikel 10.3 Nadere regels Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de vorm, inhoud en omvang van deze maatwerkvoorzieningen HOOFDSTUK 11

PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)

Artikel 11.1 Verplichtingen en criteria voor een PGB 1. Het college verstrekt een PGB met inachtneming van artikel 2.3.6. van de wet. 2. Aan het PGB zijn de volgende verplichtingen verbonden: a. de cliënt stelt een PGB-budgetplan op en levert dit ingevuld, ondertekend en voorzien van bewijsstukken aan bij het college. Het college kan aanvullende voorwaarden aan de inhoud van het PGB-plan stellen. b. het PGB mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk wordt geacht.

3. 4.

5. 6. 7.

8.

c. het PGB moet binnen drie maanden na toekenning zijn aangewend voor inkoop of aanschaf van het resultaat waarvoor de toekenning heeft plaatsgevonden. In geval van een woonvoorziening kan van deze termijn worden afgeweken in overleg met het college. Het PGB voor hulpmiddelen en woningaanpassingen wordt achteraf op declaratiebasis uitbetaald. Een PGB voor dienstverlening mag uitsluitend worden besteed aan kosten van arbeidsloon van hulp of zorg en bijkomende kosten voor de zorgverlener, te weten werkgeverslasten, reiskostenvergoedingen voor woon-werkverkeer, verlofregelingen en een pensioenvoorziening. De cliënt aan wie een PGB voor dienstverlening is toegekend, sluit met de aanbieder een zorgovereenkomst zoals die wordt aangeboden door de Sociale Verzekeringsbank. Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten. Een cliënt kan met een PGB diensten betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk mits de dienstverlener beschikt over de kwalificaties die volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria vereist zijn voor de dienstverlening en de dienstverlener niet overbelast raakt door het bieden van de ondersteuning. Een PGB kan niet voor een andere maatwerkvoorziening worden besteed dan waarvoor het is toegekend.

Artikel 11.2 Weigeringsgronden voor een PGB Het college weigert het PGB als a. de cliënt, al dan niet met hulp uit het sociaal netwerk of aangewezen vertegenwoordiger, niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen of niet in staat is de aan een PGB verbonden (opdrachtgevers- of werkgevers) taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. b. vervallen c. de kwaliteit van de in te kopen hulpverlener niet voldoende gewaarborgd is. d. niet vaststaat dat de in te kopen ondersteuning als veilig, cliëntgericht en doeltreffend kan worden aangemerkt. e. het PGB wordt besteed aan een persoon die tot de leefeenheid van de cliënt behoort en de gebruikelijk hulp op zich moet nemen, maar daartoe niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. f. sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie zoals bedoel in artikel 2.3.3. van de wet. g. de beoogde beheerder van het PGB dezelfde persoon of organisatie is als de hulpverlener. h. een voorziening slechts voor een korte periode passend is. i. de te verlenen ondersteuning naar verwachting korter zal duren dan 3 maanden. j. niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2.3.6. van de wet. k. binnen 3 jaar, voorafgaand aan de aanvraag, toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10 lid 1 onder a, d of e van de wet. Artikel 11.3 Geen besteding van het PGB Het PGB mag in ieder geval niet worden besteed aan a.

kosten voor het voeren van een PGB-administratie of andere vormen van beheer van het PGB. b. kosten van bemiddeling. c. kosten van lidmaatschap Per Saldo of andere belangenverenigingen. d. kosten van cursussen over het PGB. e. de bijdrage in de kosten. f. ondersteuning buiten Nederland.

Artikel 11.4 Vaststellen hoogte van het PGB 1. De hoogte van het PGB voor een woonvoorziening, rolstoel, vervoermiddel of ander hulpmiddel is beperkt tot de daadwerkelijke kosten en is gelijk aan maximaal de kostprijs van de goedkoopst compenserende voorziening zoals die kan worden aangeschaft bij een van de gecontracteerde leveranciers in natura. 2. De daadwerkelijke kosten van een woonvoorziening, rolstoel of vervoermiddel kunnen ook blijken uit een uit een door het college goedgekeurde kostenbegroting. 3. Bij de vaststelling van de hoogte van het PGB voor dienstverlening wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. het tarief voor professionals en b. het tarief voor niet-professionals. 4. Het tarief voor professionals wordt geboden indien de hulpverlener voldoet aan de kwaliteitseisen die ook worden gesteld aan gecontracteerde aanbieders voor ondersteuning in natura. 5. Indien ondersteuning wordt geboden door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de cliënt of het sociaal netwerk, wordt het PGB altijd gebaseerd op het tarief voor niet-professionals. 6. Het PGB voor professionals als bedoeld onder lid 3 onder a bedraagt 90% van de kostprijs van de vergelijkbare voorziening in natura, tenzij op basis van het ingediende budgetplan passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief wordt ingekocht. 7.

Indien het op basis van het vorige lid vastgestelde PGB in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de voorziening hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 8. Het PGB voor niet-professionals als bedoeld onder lid 3 onder b wordt bij Huishoudelijke ondersteuning per Basismodule en tijdnormering vastgesteld. Voor aanvullende modules wordt het PGB per activiteit en tijdnormering vastgesteld. De hoogte van het PGB is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan de hoogste periodiek voor de benodigde ondersteuning in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en de tegenwaarde van de verlofuren, tenzij een lager uurtarief is overeengekomen. 9. Het PGB voor niet-professionals als bedoeld onder lid 3 onderdeel b wordt bij de maatwerkvoorziening Ondersteuning zelfstandig leven bij het bestaan van een dienstbetrekking mede gebaseerd op de hoogste periodiek voor de benodigde ondersteuning in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en de tegenwaarde van de verlofuren, tenzij een lager uurtarief is overeengekomen. 10. De in lid 8 en 9 bedoelde tarieven zijn all-in tarieven. Dat wil zeggen dat alle kosten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen(en) en reiskosten in dit tarief zijn opgenomen. 11.

Het PGB voor niet-professionals als bedoeld onder lid 3 onderdeel b bedraagt bij Ondersteuning maatschappelijke deelname 50% van de kostprijs van de vergelijkbare voorziening in natura, tenzij een lager tarief is overeengekomen. 12. Het PGB voor niet-professionals als bedoeld onder lid 3 onder b bedraagt bij Verblijf 50% van de kostprijs van de vergelijkbare voorziening in natura, tenzij een lager tarief is overeengekomen. 13. Het PGB voor vervoer van de cliënt naar en van de locatie waar de Ondersteuning maatschappelijke deelname wordt geboden, is maximaal gelijk aan de kostprijs van de vergelijkbare voorziening in natura. Per dag is maximaal 1 retourrit mogelijk. 14. De hoogte van het PGB is in geen enkel geval hoger dan de kostprijs van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. 15. Bij een PGB voor dienstverlening is een vast maandloon uitgesloten. 16. Als dat noodzakelijk is, kan een PGB voor kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van een hulpmiddel of woonvoorziening worden toegekend. De hoogte van dit PGB is gelijk aan de kostprijs en gemaximeerd tot de kosten van instandhouding zoals die zijn overeengekomen met de gecontracteerde leveranciers.

Artikel 11.5 Nadere regels 1. Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de hoogte, vorm, inhoud, omvang en besteding van een PGB. 2. Het college kan in een beleidsregel nadere kwaliteitseisen stellen aan producten, hulpmiddelen en dienstverlening die met een PGB worden ingekocht. HOOFDSTUK 12

BIJDRAGE IN DE KOSTEN VAN MAATWERKVOORZIENINGEN

Artikel 12.1 Bijdrage in de kosten 1. De cliënt is een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening in natura of een PGB verschuldigd. 2. De bijdrage is verschuldigd zolang de cliënt gebruikt maakt van de maatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het PGB wordt verstrekt. 3. De bijdrage wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.1.4a van de wet en artikel 3.8. van het uitvoeringsbesluit zodat steeds de maximale bijdrage zoals de wetgever die vaststelt, wordt opgelegd. 4. Als een maatwerkvoorziening of PGB wordt toegekend voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt, is de bijdrage verschuldigd door: a. de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degenen tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen en b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 5. De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang wordt vastgesteld conform het uitvoeringsbesluit. 6. De bijdrage is in de kosten overstijgt de kostprijs van de voorziening niet. 7. Afwijkend van het eerste lid wordt de bijdrage niet opgelegd a. voor gebruik van het Maatververvoer. Wel is voor het Maatwerkvervoer een ritbijdrage verschuldigd. b. als het gaat om een financiële tegemoetkoming. c.

als sprake is van een situatie als bedoeld in hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit. 8. Het college is bevoegd nadere regels te stellen over de bijdrage. Artikel 12.2 Kostprijsberekening voor bijdrage in de kosten 1. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. de prijs waarvoor de gemeente de maatwerkvoorziening na aanbesteding afneemt van of aanschaft bij een gecontracteerde aanbieder, inclusief de bijkomende kosten en bedongen kortingen. b. op basis van een gespecificeerde kostenbegroting, goed te keuren door het college 2. De kostprijs van een PGB is gelijk aan het bedrag van het PGB. 3. De kostprijs van een algemene voorziening bedraagt nooit meer dan een kostendekkende bijdrage aan de aanbieder. Artikel 12.3 Vaststelling en inning van bijdrage voor maatschappelijke opvang De bijdrage in de kosten van maatschappelijke opvang worden vastgesteld en geïnd door de betreffende organisaties die de opvang bieden HOOFDSTUK 13

HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING

Artikel 13.1 Toezicht en handhaving Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

Artikel 13.2 1.

2.

3. 4.

5.

Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet herziet het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en trekt het college deze beslissing in als het college vaststelt dat a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het PGB is aangewezen. c. de maatwerkvoorziening of het PGB niet meer toereikend is te achten. d. de cliënt niet (meer) voldoet aan de voorwaarden die aan de maatwerkvoorziening of het PGB zijn verbonden. e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het PGB niet of voor een ander doel gebruikt. Als het recht op een voorziening is ingetrokken, kan op basis van dat besluit een reeds uitbetaald PGB worden teruggevorderd met terugwerkende kracht tot uiterlijk de datum dat het recht is ingetrokken.

Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, vordert het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten PGB terug. Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening zonder formele opzegging van de bruikleenovereenkomst worden teruggehaald.

HOOFDSTUK 14

KWALITEIT EN KLACHTEN

Artikel 14.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt. b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning. c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. Het college kan in nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een periodiek cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 14.2 Verhouding prijs en kwaliteit van voorziening geleverd door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs- kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met a.

kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van de wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en wettelijke verplichtingen en verbonden aan het leveren van de dienst; b. de aard en de omvang van de te verrichten taken; b. een redelijke toeslag voor overheadkosten;

c. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg en d. kosten van bijscholing van het personeel. 2. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs en de voorziening en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd. Artikel 14.3 Klachtregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Gecontracteerde aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van geleverde voorzieningen en diensten. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen en aanbieders door periodiek overleggen met de aanbieders en een jaarlijkse cliënttevredenheidsonderzoek. Artikel 14.4

Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders. Artikel 14.5 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. HOOFDSTUK 15

MANTELZORGWAARDERING, INSPRAAK EN MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 15.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat in ieder geval uit het organiseren van activiteiten op de dag van de mantelzorg. Artikel 15.2 Inspraak en medezeggenschap Het college betrekt de cliënten van de gemeente of hun vertegenwoordigers bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, op de wijze zoals bepaald in het in 2022 vastgestelde gemeentelijke participatiebeleid.

HOOFDSTUK 16

SLOTBEPALINGEN

Artikel 16.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening en haar beleidsregel(s), indien toepassing ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 16.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hof van Twente 2023 (vastgesteld op 7 februari 2023) wordt ingetrokken per 1 januari 2024. 2. Een cliënt houdt recht op een voorziening verstrekt op grond van de in het eerste lid genoemde Verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de in het eerste lid genoemde Verordening en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze Verordening, worden afgehandeld op grond van deze Verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de in het eerste lid genoemde Verordening wordt beslist met inachtneming van die Verordening. Artikel 16.3 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2024. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2024. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hof van Twente d.d. december 2023.

De raad van Hof van Twente, de griffier,

de voorzitter,

mr. A. Venema

drs. H.A.M. Nauta-van Moorsel MPM

Toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2024 Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). We kijken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt, van zijn of haar huisgenoten en van het sociaal netwerk. Ook beoordelen we of gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing biedt. Waar nodig zullen wij in aanvulling hierop de cliënt in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening. Daarmee leveren we een bijdrage aan de mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen In de Wmo2015 is in artikel 1.1.1. al een groot aantal definities opgenomen. Deze zijn niet opnieuw in deze verordening opgenomen. Een aantal andere begrippen zijn wel in deze verordening vermeld. Maar niet iedere bepaling behoeft een toelichting. Algemeen gebruikelijke voorziening: Een voorziening is nooit in zijn algemeenheid algemeen gebruikelijk (CRvB 24-02-2016, nr. 13/2603 WMO-T). Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die  niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking  daadwerkelijk beschikbaar is;  een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en  financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Een voorziening kan financieel gedragen worden als de kosten ervan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden gespaard of terugbetaald bij een aflossing/spaarbedrag van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. In rechterlijke uitspraken wordt deze norm geaccepteerd. (ECLI:NL:RBDHA:2021:2084, ECLI:NL:RBDHA:2022:5272). De rekenregel is 5% x het van toepassing zijnde norminkomen P-wet (incl. vt) x 36 maanden. Bijdrage: voorheen werd dit een eigen bijdrage genoemd; de Wmo 2015 noemt het de bijdrage in de kosten.

De kosten worden nader uitgewerkt in hoofdstuk 12 van deze verordening. Gesprek: het gesprek is het mondelinge contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert. Het gaat over de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang. Huisgenoot: een huurder of kostganger wordt niet aangemerkt als huisgenoot. Of er sprake is van een commerciële relatie moet blijken uit huur- of kostgangersovereenkomst. Als mensen omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen, dan worden zij ook aangemerkt als huisgenoot. Melding: De behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens de cliënt kenbaar worden gemaakt. Een verzoek om informatie en/of advies of een hulpvraag die direct kan worden beantwoord, wordt niet als melding aangemerkt. Zo kan het college iemand verwijzen naar algemene voorzieningen of op een andere manier informatie verstrekken.

Ondersteuningsplan: Nadat het gesprek heeft plaatsgevonden en het onderzoek is afgerond, maakt het college een verslag waarin de uitkomsten van het onderzoek staan. Dit verslag wordt aangemerkt als ondersteuningsplan. Dat wat in samenspraak met de cliënt is besproken en de afspraken die zijn gericht op ondersteuning, worden opgenomen in het plan. Hierin wordt in ieder geval ingegaan op de wettelijke voorgeschreven onderwerpen van artikel 2.3.2 vierde lid van de wet. Afhankelijk van het individuele geval kunnen ook andere onderwerpen worden beschreven. Indien aanwezig betrekt het college ook het persoonlijk plan bij het ondersteuningsplan. Persoonlijk plan: In een persoonlijk plan geeft de cliënt aan welke ondersteuning hij denkt nodig te hebben. Ook beschrijft hij in het plan zijn omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet. PGB-budgetplan Aan het recht op een persoonsgebonden budget is voor de cliënt de plicht verbonden een PGB-plan op te stellen. Het college stelt daarvoor een format beschikbaar. Het college beoordeelt aan de hand van het PGB budgetplan inclusief bewijsstukken het recht op en de hoogte van het PGB.

In ieder geval horen hierbij een verklaring omtrent het gedrag van personen die direct betrokken zijn bij de dienstverlening aan de cliënt en een afschrift van de inschrijving in het handelsregister Professional: een niet-natuurlijk persoon of ZZP’er die beroepsmatig werkzaam is op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan alle kwaliteitseisen en eisen en voorwaarden die worden gesteld aan gecontracteerde aanbieders. Zij bieden dus met zorg in natura vergelijkbare ondersteuning. Professional: een hulpverlener wordt als een professional aangemerkt als deze voldoet aan de voorwaarden die ook gelden voor gecontracteerde aanbieders van zorg in natura. Dat betekent dat de hulpverlener in ieder geval - beschikt over een inschrijving in de Kamer van Koophandel op het terrein van maatschappelijke ondersteuning, - aantoonbaar adequaat opgeleid personeel in dienst heeft, - een verklaring omtrent gedrag van alle werknemer (en eventueel vrijwilligers) kan overleggen en - verzekerd is tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid. Hoofdstuk 2

Melding en onderzoek

Artikel 2.1 Melding hulpvraag De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan ook elektronisch. In het vierde lid staat, overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet, een uitzondering. Het gaat dan om spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Artikel 2.2 Onderzoek Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid is bedoeld voor een ambtelijke voorbereiding van het gesprek zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn.

Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen.

In het tweede lid is benadrukt dat zoveel mogelijk het gesprek met de cliënt wordt gevoerd. Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Als woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. In artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet is verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek. Het gesprek is dus hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vijfde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Dan kan ook worden volstaan met bijvoorbeeld een dossieronderzoek of een mondeling (met name telefonisch) onderzoek. In alle gevallen blijft voorop staan dat het onderzoek zorgvuldig gebeurt. De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het vierde lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. Artikel 2.3 Ondersteuningsplan Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt van het onderzoek. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Een goede weergave van het gesprek en het onderzoek maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.

Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. In artikel 2.3.2 lid 8 van de wet staat dat het college aan de cliënt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt. Als het onderzoek is uitgevoerd en met cliënt is telefonisch/mondeling overeenstemming bereikt over de te verstrekken voorziening, kan het college afzien van het verstrekken van dit verslag. Uiteraard alleen als de cliënt daarmee heeft ingestemd. Het college legt deze instemming van de cliënt vast. Hier ligt een relatie met artikel 3.1. Lid 2 stelt ook dat een verlenging van de wettelijke onderzoekstermijn mogelijk is als cliënt hiermee instemt. Een dergelijke verlenging kan immers ten goede komen aan een zorgvuldig onderzoek. Artikel 2.4. Volmacht Dit artikel biedt het college de mogelijkheid dat ook bij andere instellingen een melding in het kader van de Wmo2015 kan worden ingediend. Hoofdstuk 3

De aanvraag

Artikel 3.1 De aanvraag In het eerste lid staat dat behalve de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen (artikel 2.1). Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan zowel schriftelijk als mondeling worden ingediend. Als een cliënt een ondersteuningsplan onderstekend terugstuurt aan het college, is dat een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Ook kan het college na afronding van het onderzoek als bedoeld in het vorige hoofdstuk, de cliënt een aanvraagformulier ter beschikking stellen. Als een cliënt na het verstrijken van de onderzoekstermijn een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.2. lid 9 van de wet wil indienen, dan neemt het college die aanvraag in behandeling mits deze schriftelijk is ingediend en ondertekend en naar oordeel van het college voldoende concreet is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/3979/documents/55872