Ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo.pdf
Tekst van het document
26
concept
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen. In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Hof van Twente is niet aangewezen als concentratiegebied. Beoordeling van de plannen: Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van twee woningen in het plangebied. Het gebruik van de woningen heeft geen effect op de luchtkwaliteit. Enkel verkeersbewegingen die voortkomen vanuit dit woongebruik kunnen relevant zijn. Daarom is bekeken wat de effecten van verkeersbewegingen vanuit de ontwikkeling bijdraagt. De verwachte verkeersbewegingen zijn uitgewerkt in paragraaf 4.12. Zie onderstaand de NIBM-tool voor de verkeersbewegingen vanuit het plan.
Afbeelding 4.1: NIBM-tool worst-case berekening vanwege de ontwikkeling (bron: infomil.nl) De NIBM-tool laat zien dat er geen sprake is van significante gevolgen voor de luchtkwaliteit. De gevolgen van het plan op de luchtkwaliteit is daarmee 'niet in betekende mate'. Conclusie Het voorliggende plan draagt niet bij aan een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.8
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
concept
27
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Beoordeling van de plannen:
Afbeelding 4.2: uitsnede risicokaart met afstand plangebied tot dichtstbijzijnde risicobron (bron: Atlas Leefomgeving, bewerkt) Bovenstaande afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart. Uit de kaart volgt dat zich op minstens 1,05 km van de nieuwe woningen de dichtstbijzijnde risicobron bevindt. Het gaat om opslaglocatie voor propaan aan de Roosdomsweg 25 in Markelo. Het plangebied ligt echter ruim buiten de aandachtsgebieden als gevolg van deze functie. Op basis van deze informatie wordt geen belemmering vanuit deze risicobron inzake de omgevingsveiligheid gezien voor de voorliggende plannen. Voor het overige zijn ook geen risicobronnen in de nabijheid aanwezig die mogelijk beperkingen opwerpen. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.
28
concept
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
4.9
Water
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.
Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Rijn en IJssel. Het waterschap Rijn en IJssel zorgt voor het water in de omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en stevige dijken. Dit wordt gedaan met diepgewortelde vak- en gebiedskennis en door het verbinden van beleid én uitvoering. Het waterschap werkt met een ondernemende houding, gericht op maatschappelijk toegevoegde waarde, in samenwerking met haar partners en inwoners in de Achterhoek, de Liemers en Overijssel, wendbaar en gebied-nabij.
Ondanks dat er veel verandert in en rond het water, blijven de kerntaken van het waterschap in ieder geval: het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen het transporteren en zuiveren van afvalwater het verbeteren van de waterkwaliteit de vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarbovenop ziet het waterschap voor de periode 2022-2027 als belangrijkste speerpunt de opgave om haar gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor wordt naar een andere belans van vasthouden-bergen-afvoeren (vooraadbeheer) toegewerkt, rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. Wij investeren gebiedsbreed in een toename van de veerkracht, anticiperend op de nieuwe inzichten over de snelheid van klimaatverandering richting 2050. Het waterschap Rijn en IJssel is dus primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plangebied. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afvalwater en regenwater en voor de aanpak van grondwaterproblemen. Water in het plangebied/waterparagraaf
concept
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Waterschap Rijn en IJssel werkt hierbij vanuit het Waterbeheerprogramma 2022-2027 waarin het taakgebied, de doelen en de maatregelen die het waterschap tot en met 2027 voor ogen heeft, staan beschreven. Een kompas voor de langere termijn biedt de Watervisie 2030. Beide documenten bieden een samenwerkingsagenda voor ieder die op het gebied van water een belang of betrokkenheid heeft. Het waterschap laat in het waterbeheerprogramma zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten in de samenwerking met de partners belangrijk zijn. Het waterschap heeft de werkzaamheden voor het waterbeheerprogramma weergegeven in vier thema's: 1. 2. 3. 4.
klimaatrobust gebied; Veilig gebied; Circulaire Economie en Energietransitie; Gezonde leefomgeving.
Het waterschap werkt met de gemeente samen aan een goede ruimtelijke ordening via het proces van de Watertoets. Watertoetsproces In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is op 10-12-2024 de digitale watertoets uitgevoerd, bijgevoegd in Bijlage 4. In voorliggend plan wordt voor hemelwaterberging (vertraagd) geinfiltreerd in het plangebied. Hiervoor bestaat voldoende ruimte binnen het plangebied en kan op instemming rekenen van het waterschap. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, daaruit is gebleken dat de standaard adviezen volstaan voor dit plan. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat het waterschap onder de gestelde adviezen kan instemmen met de planvorming. De functie en de grootte van het plan hebben, met inachtneming van voorgaande uitgangspunten, een geringe invloed op de waterhuishouding.
4.10
Ecologie
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het
30
concept
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Stikstof Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland.
Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Beoordeling van de plannen: Er zijn concrete plannen om een twee-onder-een-kapwoning te realiseren aan de Stationsweg ongenummerd in Markelo. Daarnaast wordt erfverharding en erfbeplanting aangelegd rondom de woning. Om deze nieuwbouw mogelijk te maken dient de huidige kavel bouwrijp gemaakt te worden. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In het rapport (opgenomen in Bijlage 5) worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd.
Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 1 oktober 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden op voorhand uitgesloten worden. Overige negatieve effecten kunnen ook worden uitgesloten. Een stikstofberekening
concept
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
voor de ontwikkel- en gebruiksfase wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar er nestelen mogelijk ook vogels. En daarnaast bezetten grondgebonden zoogdieren er mogelijk een (winter)rust of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied. Daarnaast bezetten amfibieën geen (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied. Als gevolg van het bouwrijp maken van de grond in het plangebied wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de (mogelijk) in het plangebied nestelende vogelsoorten is, het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd.
Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken.
Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren voor aanvang van de werkzaamheden); Geen beschermde grondgebonden zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Conclusie Er worden geen significante negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor het plan.
32
concept
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
4.11
Archeologie en Cultuurhistorie
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek.
Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Beoordeling van de plannen: 4.11.1 Archeologie Onderstaand is een uitsnede van de gemeente verwachtings- en advieskaart weergegeven met daarop de planlocatie zichtbaar.
Afbeeldingen 4.5: archeologische verwachtingskaart, plangebied in blauw (bron: Hof van Twente)
concept
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
Ter plaatse van het plangebied geldt voor een deel een hoge archeologische waarde en voor het overgrote deel een middelhoge verwachting. Archeologisch onderzoek is in de hoge verwachtingszone noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. Het toekomstig (gehele) plangebied waarop de compensatiewoningen worden gerealiseerd en waar ingrepen plaatsvinden is ruim kleiner dan 2.500 m2, waardoor bodemingrepen sowieso beneden deze oppervlakte zullen blijven. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 4.11.2 Cultuurhistorie Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in de directe omgeving van de plangebieden geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn waarop het voorliggende plan mogelijk een negatieve impact heeft. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.12
Verkeer en parkeren
De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied. In het kader van ruimtelijke plannen dient verder te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt doorgaans de CROW-publicatie ‘'Toekomstbestendig parkeren" gehanteerd. Voor deze locatie is het gemiddelde kencijfer voor ‘buitengebied’ en ‘weinig stedelijk’ van toepassing. 4.12.1 Verkeer Het voorliggend plan voorziet in de nieuwbouw van twee compensatiewoningen. Er zal sprake zijn van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen (17 verkeersbewegingen per etmaal worst-case) als gevolg van de nieuwe woningen. Het bestaande wegennet is voldoende toegerust op de ontsluiting van het plangebied ten behoeve van de woningen. Conclusie Er blijft voor wat betreft verkeer sprake van een aanvaardbare situatie. 4.12.2 Parkeren In voorliggend geval wordt voor wat betreft parkeren getoetst aan de eerder genoemde CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'.
Uitgangspunten en parkeerbenodigdheden Het plangebied ligt in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' in een deel van de gemeente Hof van Twente dat behoort tot het gebiedstype 'buitengebied'. In voorliggend geval wordt in de nieuwe situatie 2 extra woningen mogelijk gemaakt. Hiermee is sprake van een parkeerbehoefte van (gemiddeld 2,4) per woning, afgerond 5 parkeerplaatsen. Gelet op de omvang van de toekomstige woonerven is er ruim voldoende ruimte om op eigen erf in de parkeerbehoefte te voorzien. Overigens is er geen toename van de parkeerdruk in de omgeving, doordat er volledig op eigen erf wordt voorzien in de parkeervoorziening. Conclusie Het plan voorziet voldoende in de benodigde parkeervoorzieningen.
34
concept
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
5.1
Wijziging omgevingsplan
5.1.1
Omgevingsplan van rechtswege
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 5.1.2
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant.
Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan. 5.1.3
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1735.BGxStationswgMKL-OP10 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
concept
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
Hoofdstuk 6 6.1
Financiële uitvoerbaarheid
Wettelijke kaders
Economische uitvoerbaarheid In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).
Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
6.2
Toetsing
Onderhavig plan betreft een particulier initiatief. De gemeente Hof van Twente zal een overeenkomst over nadeelcompensatie sluiten met de initiatiefnemer, waardoor de eventuele kosten die hieruit voortkomen worden afgewenteld op initiatiefnemer. Verder worden ook leges geheven in het kader van de planvorming. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd.
36
concept
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
Hoofdstuk 7
Voorbereiding en participatie
In dit hoofdstuk is de procedure van het TAM-omgevingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze planprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen participatie toegelicht.
7.1
Procedurestappen
Dit plan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1
Ontwerp
Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een wijziging van het omgevingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2
Vaststelling
De gemeenteraad stelt het plan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3
Beroep
Nadat de raad het plan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2
Vooroverlegpartners
Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst geplubliceerd van categorieën plannen en projectbesluiten waarvoor vooroverleg wel of niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor dient de gemeente een kennisgevingsformulier te sturen aan de provincie, waarop de provincie zal reageren. Hiermee wordt voldaan aan het vooroverleg. Waterschap Vechtstromen Het Waterschap Rijn en IJssel is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd, omdat de korte procedure van toepassing is wordt gesteld dat met de ontwikkeling geen bijzondere waterschapsbelangen gemoeid zijn. Met inachtneming van de standaard uitgangspunten is verder vooroverleg daarom niet noodzakelijk geacht.
7.3
Zienswijzen
Het ontwerp van het TAM-Omgevingsplan ligt vanaf DATUM gedurende zes weken ter inzage. Tijdens deze periode kan eenieder een zienswijze indienen. Eventuele zienswijzen en de wijze van afhandeling van deze zienswijzen zijn terug te vinden in de zienswijzennota.
concept
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
38
concept
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
Bijlagen bij de toelichting
concept
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
Bijlage 1 ruimtelijk kwaliteitsplan
40
concept
RU I M T E L I J K K WA L IT E IT S P L A N • Stationsweg ong - Markelo • Tubbergen, 16 december 2024 - Definitief
RKP Stationsweg ong.
2
Datum:
16 december 2024, Tubbergen
Gewijzigd:
-
Status:
Definitief
Opgesteld:
N+L Landschapsontwerpers nl-landschap.nl info@nl-landschap.nl
Auteur: Getekend: Gecontroleerd:
Ing. NH Ing. BM Ing. DE
Inhoudsopgave:
1. Aanleiding 2. Huidige situatie 3. Beleid 4. Nieuwe situatie
03 04 06 14
1. Aanleiding 1.1 Korte historie planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Stationsweg in de buurtschap Beusbergen nabij Markelo. Het valt onder de gemeente Hof van Twente. Het plangebied is nooit bebouwd geweest. Aanvankelijk was dat ook het geval voor de overige woningen direct naast het plangebied. Deze woningen zijn gebouwd in de jaren ‘30. De grote es was verder vrijwel onbebouwd, enkel aan de randen ervan waren diverse boerderijen gelegen. Het gebied is open en grootschalig waar vooral de randen van het gebied omgeven zijn door groenstructuren langs wegen met een grillige structuur die de erven aan elkaar verbinden. De es maakt onderdeel uit van het stuwwallencomplex rondom Markelo. 1.2 Wens initiatiefnemer De initiatiefnemer gaat binnen het plangebied een 2^1 kap woning realiseren. De woning komt direct aansluitend aan de andere woningen. Er is sprake van een lint (bebouwing). Dat is passend voor het onderhavige landschapstype. Daarvoor is er een verzoek ingediend bij de gemeente. De gemeente heeft daartoe een positief besluit afgegeven om onder voorwaarden mee te werken. Er wordt gebruik gemaakt van de rood voor rood regeling binnen het gestelde KGO beleid. De sloopmeters worden verkregen van meerdere erven elders in de gemeente Hof van Twente. Er wordt gebruik gemaakt van zogenaamde sloopvouchers.
De nieuwe 2^1 kap woning krijgt een eigen ontsluiting en kan worden gezien als zelfstandige eenheid. Er hoeft geen aansluiting te worden gezocht met de naastgelegen woning vanuit het perspectief éénerf-ensemble. Woningen als onderdeel van een lintbebouwing zijn zelfstandig, ieder op een eigen kavel met eigen erf en/of tuin. 1.3 Ruimtelijk kwaliteitsplan De aanvrager maakt via de rood voor rood regeling gebruik van de mogelijkheid om een 2^1 kap woning te bouwen. De landschappelijke inpassing vormt een belangrijke voorwaarde voor de gemeente Hof van Twente. In dit ruimtelijk kwaliteitsplan is uitleg gegeven over de verdere invulling van het plan, waaronder de situatie, de landschappelijke analyse en het vigerende beleid. Dit resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.
3
2. Huidige situatie 2.1 Natuurlijk landschap De planlocatie is gelegen ten zuiden van Markelo, in de buurtschap Beusbergen. De natuurlijke laag is opgebouwd uit stuwwallen. Deze worden in de lagere delen omringd door dekzandgebieden. Er is rondom sprake van hoogteverschillen die zijn ontstaan in de laatste ijstijd (zie hoogtekaart pagina 5). Stuwwallen ontstonden door opstuwingen veroorzaakt door het landijs. Ontstane zandruggen en beekdalen zijn na verloop van tijd veelal geërodeerd. De stuwwallen en de grotere aanwezige dekzandruggen werden veelal in gebruik genomen als gezamenlijke essen. De kleinere zandkopjes werden gebruikt als de eenmansesjes die de karakteristiek van het essen- en kampenlandschap tot gevolg had. Plangebied, met planlocatie ten zuiden van Markelo. (Bron: geo.overijssel.nl)
2.2 Landschapsanalyse - essenlandschap De hoger gelegen delen bevinden zich rondom de planlocatie, in de vorm van stuwwallen. Op de hoger gelegen delen van de stuwwal ontstonden de essen en op de flanken ontstonden de erven. De essen werden naarmate de tijd vorderde steeds verder opgehoogd, door het opbrengen van plaggen en mest om de grond vruchtbaar te houden. De essen waren zeer geschikt voor het verbouwen van graansoorten. Hier ontstond het essenlandschap: één grote es die werd gebruikt door meerdere boeren. Het essenlandschap heeft als kenmerk dat bebouwing op een verstrooide manier rondom de es is gesitueerd. Vanuit de erven is een organische structuur van onder andere wegen te herkennen naar de omliggende gronden en andere erven in de Planlocatie. (Bron: geo.overijssel.nl)
4
omgeving. Het gebied is open met aan de randen de grillige wegen en groenstructuren. Het landschap is ondanks de groenstructuren zeer grootschalig. De openheid is in dit gebied een schoonheid en moet behouden blijven. 2.3 Erfopzet Het plangebied is nu nog onbebouwd. Direct naast het plangebied is wel sprake van meerdere woningen. De woningen vormen een lintbebouwing langs de weg, aan de flank van de es. Het toevoegen van een (extra) woning is niet bezwaarlijk. Er moet goed gekeken worden naar de erfopzet en naar de oriëntatie op de weg. De woning kan, net als de andere woningen, zelfstandig zijn en blijven met een eigen ontsluiting, tuin en erf.
Plangebied 1900 met belangrijke landschapsstructuren (Bron: topotijdreis.nl, bewerkt: N+L landschapsontwerpers)
Hoogtekaart (Bron: apps.arcgisonline.nl)
5
3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere beleidsdocumenten. De belangrijkste is de Omgevingsvisie en - verordening Overijssel. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden. De doelstellingen uit de visie zijn doorvertaald in de omgevingsverordening, waarbij regels zijn gesteld onder welke voorwaarden ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. 3.1.1 Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven.
3.1.2 Generieke beleidskeuzes Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het
6
zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen en NNNgebieden zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.3 Ontwikkelingsperspectieven In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De planlocatie is aangemerkt als “Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap”. De ambitie voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen staat voorop. De kwaliteitsambities zijn een zichtbaar en leefbaar mooi landschap, sterke ruimtelijke identiteit en een continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief richt zich op de gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Agrarische ondernemers dienen gebouwen en erven zo vorm te geven dat zij passen bij de maat en schaal van het landschap.
Niet agrarische initiatieven mogen
de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken. Bij voorkeur moet aangesloten worden bij bestaande bebouwing en wegen. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie. 3.1.4 Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag en de laag van de beleving zijn niet opgenomen; deze zijn niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling.
Ontwikkelingsperspectief: ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’ (Bron: overijssel.tercera-ro.nl).
3.1.5 Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locatie is gelegen in een stuwwal gebied. Er is sprake van reliëf. In de jaren zijn hoogteverschillen gedeeltelijk geërodeerd door de wind, weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik (essen) en weer verminderd door de schaalvergroting in de Natuurlijke laag: ‘stuwwallen’ met daarnaast ‘dekzandvlaktes en -ruggen’. (Bron: Overijssel.tercera-ro.nl).
7
landbouw. Hoogteverschillen zijn in de omgeving nog altijd goed herkenbaar. 3.1.6 Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en/of dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden. De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. Dit gebeurde onder meer in de essenlandschappen. Het essenlandschap is altijd zeer grootschalig geweest. Het plangebied is gelegen in het essenlandschap. Kenmerkend is de grillige wegenstructuur, het open landschap van de es met rondom de es de robuuste beplantingsstructuren. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. In dit geval houdt dat vooral behoud van het bestaande in.
Laag van het cultuurlandschap, ‘essenlandschap’. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl).
3.2 Planologische situatie Volgens het omgevingsplan van rechtswege is op de planlocatie sprake van de enkelbestemming “agrarisch met waarden” en een dubbelbestemming ‘waarde - Archeologische verwachting 2’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden openheid’. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk bij een nieuw te bebouwen oppervlak van kleiner dan 5.000 m2. Een extra Uitsnede bestemmingsplan. (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
8
woning is niet mogelijk. De initiatiefnemer maakt derhalve gebruik van de rood voor rood regeling binnen het KGO beleid die de gemeente Hof van Twente kent. 3.3 Structuurvisie landelijk gebied De gemeente Hof van Twente heeft een structuurvisie opgesteld omdat er behoefte was aan een integrale visie voor het buitengebied. Deze visie is op 6 juli 2010 vastgesteld. Uitgangspunt voor de visie voor het landelijk gebied vormt een aantal kernkwaliteiten waardoor het landelijk gebied van de Hof van Twente zo breed wordt gewaardeerd. Het doel van de structuurvisie is om de kernkwaliteiten te behouden en verder uit te kunnen bouwen. In de gemeente is een grote mate van verwevenheid aan functies op gebiedsniveau. Functies als landbouw, recreatie, wonen en natuur wisselen elkaar af en hebben schijnbaar willekeurig een plek gevonden in het kleinschalig landschap. Kernkwaliteiten zijn de sterke agrarische structuur, een grote mate van ondernemerschap, een breed scala aan landelijke woonmilieus, een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, een robuust ecologisch netwerk en een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur. Het landschap is een van de pijlers onder de ontwikkeling van de Hof van Twente. Het zorgt voor een prettige leefomgeving en maakt het gebied aantrekkelijk.
Om de verschillende landschapstypen herkenbaar te houden en het kleinschalige karakter van grote delen van het gebied te behouden is het belangrijk om blijvend te investeren
in het landschap. In zijn algemeenheid wordt dit vooral bereikt door alle aanwezige erven en andere bebouwde terreinen een zorgvuldige landschappelijke inpassing te bevorderen. Naast de aandacht voor erven richt het beleid zich op behoud van de landschappelijke waarden in het veld. In het oude essenlandschap met de bolle essen die op de flanken van de stuwwal bij Markelo en Delden voorkomen is vooral behoud van de openheid en het reliëf van belang. Wegen over de essen blijven onbeplant, de randen van de es met daar aanwezige bebouwing kunnen worden versterkt met houtwal, laan- en erfbeplanting. 3.4 Landschapsontwikkelingsplan (LOP) De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een LOP op laten stellen. Het plan dient een samenhangende visie op landschapskwaliteit te bevatten en de bouwstenen en inrichtingsprincipes aan te geven voor landschapsontwikkeling. Opgaven voor het LOP zijn het beschrijven van de huidige en gewenste kwaliteit en structuur. Waar en in hoeverre is er ontwikkeling, bescherming, onderhoud en herstel nodig en haalbaar. Daarbij moet er ruimte worden geboden aan wonen, werken en recreëren. Daarnaast dient het LOP voorstellen te bevatten voor de afstemming van de dynamiek op het landschap. Zodanig dat er sprake zal zijn van behoud, zorgvuldige inpassing en nieuwe ruimtelijke kwaliteit.
9
Er zijn verschillende thema’s geformuleerd. Onder meer het werken aan de duurzame structuur van het landschap met aandacht voor de verschillende deelgebieden. Het behouden van de verweving in de waardevolle ensembles. Werken aan de ontwikkeling van een nieuwe verweving in het agrarisch werklandschap en werken aan de samenhang tussen de kernen en het omliggende landschap, met aandacht voor verbetering van de randen en routes vanuit de kernen het landschap in. De planlocatie is omschreven als “essenlandschap” en valt onder het thema “behoud en ontwikkeling”. Over behoud en ontwikkeling geeft het LOP aan: daar waar de oorspronkelijke landschapstypen in grote eenheden nog gaaf en goed herkenbaar zijn wordt gesproken van waardevolle ensembles. Deze vormen de kerngebieden voor natuur en het cultuurhistorische Twentse Landschap. Op het plateau en de rand liggen onder andere de ensembles Twickel-Deldeneresch en Deldenerbroek-Bentelo. De landgoederen van Diepenheim zijn gelegen in het dekzandgebied op de overgang naar het verzamelgebied van de Regge. Op en om de stuwwal rond Markelo ligt het ensemble van het essenlandschap van Stokkum, Elsen, Herike en Herikervlier (stuwwal en verzamelgebied). De kwaliteit van de ensembles is hoog, maar staat onder druk door veranderingen in de landbouw, verdroging, niet-agrarische bestemmingen en nieuwe recreatievoorzieningen.
Bij het ensemble van de stuwwal rond Markelo is het reliëf een Uitsnede LOP. (Bron: gemeente Hof van Twente).
10
belangrijk kenmerk dat goed waarneembaar moet zijn waardoor openheid is gewenst of beplanting zorgvuldig moet worden aangelegd om het reliëf te accentueren. Een uit te zetten recreatieve route leidt ook tot meer beleving en samenhang in het ensemble. Het oude essenlandschap met de bolle essen die op de flanken van de stuwwal voorkomen dient eveneens open te blijven, bij voorkeur als bouwland. Wegen over de essen blijven onbeplant, de randen met de bebouwing kunnen worden versterkt met houtwal, laan- en erfbeplanting. De erfinrichting in het essenlandschap wordt bepaald door een open achterkant en besloten voorkant bij het woonhuis met een onregelmatige structuur van bebouwing en dichte beplanting en kleine bospercelen (eik) rondom paden en lanen. De ligging is meestal aan de doorgaande weg. De voorkant van het erf is aangelegd met een haagomheining en een siertuin. Vaak wordt het voorerf gemarkeerd met fruitbomen en/of solitaire bomen. Deze kenmerken zijn meegenomen in de nieuwe erfopzet. 3.5 Welstandsnota De gemeente heeft een welstandsnota opgesteld om tot criteria te komen voor de welstandstoets. Iedereen weet hierdoor waar een bouwplan aan wordt getoetst en ook waarom. De voorgenomen ontwikkeling valt onder het kampen- en essenlandschap met kenmerken die genoemd zijn in voorgaande paragrafen.
In het beleid worden de kampen en essen als waardevol Uitsnede LOP ontwikkelingsvisie. (Bron: gemeente Hof van Twente).
11
landschap aangeduid. Ingezet wordt op landbouw in combinatie met behoud van de onregelmatige verkaveling, de houtwallen en de boomgroepen. Ook de open essen dienen gespaard te blijven. Met culturele erfgoed, de karakteristieke erven, dient voorzichtig te worden omgesprongen. De voorgenomen ontwikkeling houdt rekening met de cultuurhistorische elementen in het landschap. 3.6 Grond voor gebruik ‘ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst!’ De gemeente Hof van Twente staat voor een enorme opgave als het gaat om het behouden van de kwaliteit van het landelijk gebied. De gemeente behoort tot één van de negen gemeenten waar in totaal meer dan 300.000 m2 aan agrarische bebouwing vrijkomt. Deze vrijkomende erven bieden dus volop kansen voor nieuwe functies op die erven. De provincie heeft in de vorm van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) een instrument vastgelegd waarmee meer mogelijkheden geboden kunnen worden voor uitbreidingen en ontwikkelingen in het buitengebied onder de voorwaarde dat er tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Gemeenten hebben daarbij de mogelijkheid om een beleidskader te ontwikkelen hoe een evenwicht wordt bereikt tussen de ontwikkeling van bebouwing en de investering in de ruimtelijke kwaliteit die daar tegenover moet staan.
12
3.7 Rood voor rood De laatste jaren beëindigen steeds meer agrariërs hun bedrijfsactiviteiten. Om de sloop van voormalige bedrijfsgebouwen te bevorderen is het Rood voor Rood beleid opgesteld, met als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. De regeling gaat uit van de sloop van een minimum oppervlakte van 1.000 m2 aan gebouwen, waarvoor ter compensatie een nieuwe woning kan worden gerealiseerd van 900 m3. De mogelijkheid bestaat om een woongebouw te splitsen. Hiervoor dienen 250 m2 extra woonmeters of 500 m2 aan restmeters aangewend te worden. Hierdoor kan medewerking worden verleend aan een 2^1 kap woning. Voor de sloop wordt gebruikt gemaakt van sloopvouchers: 1.
De sloop van 1.000 m2 woonmeters aan de Ensinkgoorsdijk 19 in Markelo; 2. De sloop van 250 m2 restmeters aan de Ensinkgoorsdijk 19 in Markelo; 3. De sloop van 250 m2 restmeters aan de Luttekeveldweg 2a in Markelo; De sloopvouchers zijn goedgekeurd en afgegeven door de gemeente Hof van Twente. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde beleid.
3.8 Groene metropool Twente Het buitengebied is een plek om te leven, wonen, werken en te genieten. Het is dynamisch, ontwikkelt zich en is voor iedereen belangrijk vanwege het bijzondere karakter. In het buitengebied is echter ook een transformatie gaande die vraagt om ruimte voor ontwikkelingen die passen bij deze verandering. Naast agrarische erven komen er ook diverse vormen van niet-agrarische bedrijvigheid voor in het buitengebied. Ook deze bedrijven kunnen te maken krijgen met vraagstukken op het gebied van uitbreiding. De voorgenomen ontwikkeling hoort tot de rood voor rood regeling, waarbij landschap ontsierende gebouwen worden gesloopt in ruil voor een bouwkavel voor één of meer (compensatie-)woningen. Hoofdzaak hierbij is dat het belang van de initiatiefnemer en het maatschappelijk belang in evenwicht zijn met elkaar. Nieuwe ontwikkelingen moeten leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met de regionale spelregels voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Zuidwest-Twente. Er wordt namelijk rekening gehouden met het bestaande landschap en de nieuwe erfopzet zal passend zijn in het landschap en in het bestaande erf.
13
4. Nieuwe situatie 4.1 Samenvatting huidige situatie De planlocatie is gelegen in de buurtschap Beusbergen op de flank van de stuwwallen. Er is sprake van een essenlandschap. Het gebied is open met aan de randen de grillige wegen en groenstructuren. Het landschap is ondanks de groenstructuren zeer grootschalig. De openheid is in dit gebied een schoonheid en moet behouden blijven. Het plangebied is nu nog onbebouwd. Direct naast het plangebied is wel sprake van meerdere woningen. De woningen vormen een lintbebouwing langs de weg, langs de flank van de es. Het toevoegen van een (extra) woning is niet bezwaarlijk. Er moet goed gekeken worden naar de erfopzet en naar de oriëntatie op de weg. De woning kan, net als de andere woningen, zelfstandig zijn en blijven met een eigen ontsluiting, tuin en erf. 4.2 Nieuwe situatie De nieuwe 2^1 kap woning (A op de situatietekening op p.15) wordt toegevoegd in het lint. Samen met de andere woningen vormt het een lintbebouwing. Bij de positionering van de woning is goed gekeken naar de positie van de andere woningen (F). Derhalve is de voorgevel gelijk aan de andere woningen onder een verdraaiing georiënteerd op de Stationsweg. Beide delen van de woning kennen een eigen ontsluiting. Op het erf worden solitairen (G) toegevoegd die bijdragen aan de groenstructuur van de directe omgeving.
De randen van het perceel worden voorzien van haagstructuren (D) om het erf een groen karakter mee te geven. Daarnaast wordt hiermee voorkomen dat
14
schutting(delen) worden toegepast. De achterzijde blijft open om de relatie met de es te behouden. 4.3 Maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit Aanplant van solitaire bomen (G) Aanplant van hagen (D); Met voorgenoemde inpassing geeft het plan invulling aan een goede ruimtelijke kwaliteit. Er wordt voldaan aan de gestelde eisen vanuit de gemeente en provincie.
A:
Nieuw te bouwen twee-onder-een-kap-woning.
B:
Erfverharding
C:
Tuin/gazon.
D:
Nieuw aan te planten hagen, aan te planten met beuk of meidoorn. Aan te planten met 5 stuks per strekkende meter in de maat 80-100 (hoogte in centimeters). Totaal 455 stuks aan te planten op een totale lengte van 91 meter.
E:
Bestaande houtopstanden.
F:
Voorgevels bestaande bebouwing.
G:
Nieuw aan te planten solitaire bomen. Aan te planten met de soorten; zomerlinde en walnoot in de maat 16-18 (stamomtrek in centimeters). Bij aanplant elk voorzien van twee boompalen.
Fragment uit 1925 (bron: topotijdreis.nl)
Nieuwe situatie, niet op schaal (Bron: N+L). Project: Landschappelijke inpassing
Getekend:
BM
St atus:
DO
Noord:
Adres:
Stationsweg ong .
Gecontroleerd:
NH
Formaat:
A3
Schaal: 1:750
^
Plaats:
Markelo
Datum:
12-10-2024
15
l a n d s c h a p s o n t w e r p e r s
16
Oldenzaalseweg 38 • 7651 KC Tubbergen • info@nl-landschaps.nl • www.nl-landschap.nl
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stationsweg ong. Markelo
Bijlage 2 bodemonderzoek
concept
57
RAPPORT VERKENNEND BODEMONDERZOEK conform NEN5740 Stationsweg naast 13 - Markelo
Opdrachtgever: Bureau Authentiek Locatie: Stationsweg naast 13 7475 NM Markelo November 2024
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 Bankgegevens: KvK: 06068751 ABN AMRO: BTW-nr: NL 8019.25.125.B01 NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend Bodemonderzoek conform NEN5740 Stationsweg naast 13 - Markelo
Opdrachtgever: Bureau Authentiek Grotestraat 11b 7475 AZ Markelo Locatie: Stationsweg naast 13 7475 NM Markelo Projectcode: 24055410 Rapportagedatum: 6 november 2024 Projectleider: de heer T. Krukkert Auteur: de heer T. Krukkert Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
3 4 5 5 5 6
4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses NEN5740
8 8 8 8
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
10
6
Literatuur en bronvermelding
12
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, oktober 2024 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 24055410
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend bodemonderzoek, dat in opdracht van Bureau Authentiek op een agrarisch terreindeel aan de Stationsweg (ten zuiden van de Stationsweg 13) in Markelo door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande nieuwbouw van 2 woningen. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuwbouwplannen. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch Vooronderzoek, NNI Delft, oktober 2023; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, oktober 2023. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater.
Het veldwerk is uitgevoerd in oktober 2024 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001 en 2002, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever en dat de kritische werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van hun persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden eventuele resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 24055410
Pagina 1 van 12
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Stationsweg (ten zuiden van de Stationsweg 13 en ten oosten van de Stationsweg) in Markelo, ten zuiden van de bebouwde kom. Het centrale punt van het te onderzoeken terreindeel heeft de RD-coördinaten x = 231.097 en y = 471.555. Het terrein is kadastraal bekend als: gemeente Markelo, sectie Q, nummers 1601 en 1602. De onderzoekslocatie bevindt zich ten oosten van de Stationsweg. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is onbebouwd en onverhard en in gebruik als landbouwgrond. Onderzoekslocatie In het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de nieuwbouwplannen is een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie omvat circa 1216 m². De onderzoekslocatie is al decennia in gebruik als weiland of landbouwgrond. In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en het boorplan van dit verkennend bodemonderzoek opgenomen. Vooronderzoek In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1.