CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22j Witterietsweg 3 Markelo.pdf

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 11: TAM Omgevingsplan gemeente HvT Hoofdstuk 22j Witterietsweg 3 Markelo31.024 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Karakteristieke bebouwing Via KGO (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) wordt één woonrecht toegekend aan de karakteristieke schuur. Naast de mogelijkheden ten aanzien van nieuwe bedrijfsactiviteiten in Vab’s wordt eveneens de mogelijkheid geboden voor de functie wonen. Deze vervolgfunctie is echter uitsluitend voorbehouden aan karakteristieke gebouwen waarvan, bouwtechnisch kan worden aangetoond dat de staat van het gebouw nog dusdanig is dat de schil van het karakteristieke gebouw blijft staan. Het slopen en opnieuw in de karakteristieke stijl oprichten is daarbij niet toegestaan.Tevens moet de karakteristieke schuur onderdeel uit maken van een karakteristiek erfensemble. Door de mogelijkheid van een woonfunctie te bieden, kan de karakteristieke bebouwing in stand worden gehouden. Hiervoor is een omgevingsplanherziening noodzakelijk. herziening noodzakelijk. Bij het bepalen of een gebouw en erf karakteristiek is kan de gemeente een extern deskundige raadplegen. Het bestaande gebouw op het erf voldoet aan de voorwaarden. Hiermee kan worden voldaan aan het beleid. Inwoning bestemmen als woning (2^1 kap) In het buitengebied van de Hof van Twente is inwoning binnen bestaande woningen toegestaan. Vanuit de inwoners komt steeds vaker de vraag of de inwoonsituatie als zelfstandige woning bestemd kan worden. Dit in verband met het verkrijgen van financiering. Om

11

Uitsnede LOP, Landschapstypen (Bron: gemeente Haaksbergen)

12

hier aan tegemoet te komen kan een woning worden gesplitst in een 2^1 kapwoning onder de volgende voorwaarden: - De inhoud van de woning na splitsing niet meer mag bedragen dan de maximaal toegestane inhoud conform geldend bestemmingsplan. - Er dient ter compensatie minimaal 250 m² (woonmeters) of 500 m² (restmeters) aan landschapontsierende bebouwing worden gesloopt. - De oppervlakte te slopen bebouwing is afkomstig uit de Hof van Twente of max. 40% uit één van de andere deelnemende gemeenten; - Op de slooplocaties blijft maximaal 150 m2 aan bijgebouwen gehandhaafd, bij een grotere oppervlakte is de regeling ‘herbouw bijgebouw tot 450 m2’ vantoepassing; - Er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan, bij het opstellen wordt een landschapsdeskundige geraadpleegd; - De minimale investering in ruimtelijke kwaliteit is vastgelegd in een schetsplan van de bebouwing en erfinrichtings- en/of beplantingsplan met een instandhoudingstermijn van 10 jaar.

Het erfinrichtings- en/of beplantingsplan met instandhoudingstermijn zijn onderdeel van de te verlenen omgevingsvergunning; - Geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de belangen van eigenaren en/of gebruikers van om- liggende gronden; - Instemming van de eigenaar van de huidige woning; - De uitvoerbaarheid van het bouwplan waarvoor de wijziging wordt toegepast, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet

worden dat de milieu hygiënische situatie van de bodem de ontwikkeling waarvoor de wijziging wordt toegepast niet belemmerd en dat er geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden.. Er wordt voldaan aan het beleid. 3.4 Groene metropool Twente Samenwerkingsverband de Groene Metropool Twente (GMT). De variatie tussen gemeenten in de eigen beleidskaders en ruimtelijke plannen binnen de GMT gemeenten bemoeilijkt de uitleg van het beleid aan initiatiefnemers, een eerlijk speelveld en de onderlinge samenhang van de KGO binnen de GMT. Om deze redenen zijn de mogelijkheden voor het harmoniseren van beleidskaders op regionaal niveau, vertaald naar ontwikkelruimte passend bij de regio Groene Metropool Twente. Binnen deze regionale uitgangspunten, blijft er op gemeentelijk niveau ruimte voor eigen invulling en maatwerk. Het buitengebied is een plek om te leven, wonen, werken en te genieten. Het is dynamisch, ontwikkelt zich en is voor iedereen belangrijk vanwege het bijzondere karakter. In het buitengebied is echter ook een transformatie gaande die vraagt om ruimte voor ontwikkelingen die passen bij deze verandering. Naast agrarische erven komen er ook diverse vormen van niet-agrarische bedrijvigheid voor in het buitengebied. Ook deze bedrijven kunnen te maken krijgen

13

Uitsnede LOP: landschapsontwikkelingsvisie (Bron: gemeente Haaksbergen)

14

met vraagstukken op het gebied van uitbreiding. De voorgenomen ontwikkeling hoort tot de rood voor rood regeling, waarbij landschap ontsierende gebouwen worden gesloopt in ruil voor een bouwkavel voor één of meer (compensatie-)woningen. Hoofdzaak hierbij is dat het belang van de initiatiefnemer en het maatschappelijk belang in evenwicht zijn met elkaar. Nieuwe ontwikkelingen moeten leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met de regionale spelregels voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van ZuidwestTwente. Er wordt namelijk rekening gehouden met het bestaande landschap en de nieuwe erfopzet zal passend zijn in het landschap en in het bestaande erf. 3.5 LOP Hof van Twente & Haaksbergen De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een LOP op laten stellen. Het plan dient een samenhangende visie op landschapskwaliteit te bevatten en de bouwstenen en inrichtingsprincipes aan te geven voor landschapsontwikkeling. Opgaven voor het LOP zijn het beschrijven van de huidige en gewenste kwaliteit en structuur. Waar en in hoeverre is er ontwikkeling, bescherming, onderhoud en herstel nodig en haalbaar. Daarbij moet er ruimte worden geboden aan wonen, werken en recreëren. Daarnaast dient het LOP voorstellen te bevatten voor de afstemming van de dynamiek op het landschap.

Zodanig dat er sprake zal zijn van behoud, zorgvuldige inpassing en nieuwe ruimtelijke kwaliteit.

Er zijn verschillende thema’s geformuleerd. Onder meer het werken aan de duurzame structuur van het landschap met aandacht voor de verschillende deelgebieden. Het behouden van de verweving in de waardevolle ensembles. Werken aan de ontwikkeling van een nieuwe verweving in het agrarisch werklandschap en werken aan de samenhang tussen de kernen en het omliggende landschap, met aandacht voor verbetering van de randen en routes vanuit de kernen het landschap in. De planlocatie is omschreven als “broek- en veldontginningslandschap” in een stuwwal en verzamelgebied en valt onder het thema “Landschappelijke versterking watersysteem en zorg voor agrarisch werklandschap”.De planlocatie ligt in het kwelgebied, waarvan openheid moet worden behouden en kwelnatuur ontwikkeling mogelijk moet zijn. Daarnaast dient de openheid in het broekontginningslandschap behouden worden. De landschapsontwikkeling in een stuwwal en verzamelgebied is vooral gericht op het behoud van het ensemble en de beleving van het reliëf. Ontwikkelingen in de landbouw, recreatie en natuur dienen hier beter op te worden afgestemd. Over het thema ‘landschappelijke versterking van het watersysteem’ geeft het LOP het aan dat de kwelgebieden kansen hebben voor landbouwnatuur (weidevogels en wetlands) en dat stimulatie van kwel één van de maatregelen is.

De voorgenomen ontwikkelingen passen binnen de gestelde doelen van het LOP.

15

4. Nieuwe situatie 4.1 Samenvatting huidige situatie Het perceel is gelegen aan de Witterietsweg. Het gebied is van oorsprong een uitgestrekt dekzandgebied nabij delen van een stuwwallencomplex. Het perceel bestaat uit één karakteristieke bedrijfswoning (A) met inwoning (B), een karakteristieke hooimijt (M), een karakteristieke schuur (N) en de overige opstallen die gesloopt zullen worden met een totale oppervlakte van circa 3.000 m2. Directe aanleiding om het erf te (her)ontwikkelen heeft te maken met het besluit om de agrarische activiteiten op deze plek volledig te beëindigen. 4.2 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie is, met uitzondering van de bedrijfswoning (A) met inwoning (B), de karakteristieke hooimijt (M) en de karakteristieke schöppe (N), alles gesaneerd. De woning (A) is karakteristiek en ook de latere uitbouw (B) is als passend te kwalificeren. Er is nog altijd sprake van een sterke hiërarchie, al is deze licht onder druk komen te staan door de bouw van een grote schuur en een bijgebouw aan de zuidzijde. De schuur wordt gesaneerd (F) en het te behouden bijgebouw (M) is karakteristiek en dus als passend te beoordelen.

De gemeente heeft in het principebesluit onder voorwaarden gedeeltelijke medewerking te verlenen aan het herontwikkelen van het perceel, waarbij wordt toegestaan: twee Rood voor Rood compensatiekavels (D en E), verbouwing van de schöppe tot woning (N) en de inwoonsituatie omzetten naar reguliere woning (B).

16

De karakteristieke schuur wordt hiermee voorzien van een bouwrecht waarmee de verschijningsvorm is gewaarborgd (via KGO). De karakteristieke bebouwing van het bestaande erf blijft behouden in de nieuwe situatie. Alle overige bedrijfsbebouwing heeft plaatsgemaakt voor openheid. Achterop de kavel is een nieuw erf gesitueerd met daaraan twee woningen. Het erf blijft door een stevige beplantingsstructuur (H, I en J) verbonden met het andere erf en daarmee ook met de andere erven in het direct omliggende gebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft een positieve invloed op de bestaande ruimtelijke kwaliteit. Ook de leefomgeving van de omliggende burgerwoningen verbetert, omdat het intensieve agrarisch bedrijf wordt opgeheven. 4.3 Maatregelen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit De volgende maatregelen worden genomen: • Behouden van karakteristieke bebouwing (A, B, M en N); • Slopen van landschap ontsierende bebouwing (F); • Aanplanten houtsingels (H en I) en bomengroepen (J); • Behouden van bestaande houtopstanden (G). De voorgenomen ontwikkeling voldoet met hiermee aan het gestelde beleid.

A:

Bestaande woning.

B:

Inwoon situatie omvormen naar woning.

C:

Nieuw te bouwen schuur

D:

Nieuw te bouwen woning.

E:

Nieuw te bouwen bijgebouw.

F:

Te slopen opstallen (oranje stippellijn).

G:

Bestaande houtopstanden.

H:

Nieuw aan te planten houtsingel. Aanplanten met de soorten meidoorn, vuilboom, hulst, veldesdoorn, wilde liguster en hondsroos in gelijke verhouding. Plantafstand 1,5 x 1,5 meter. Aanplanten in de maat 80-100 (hoogte in centimeters). Totaal 215 stuks op 470 m2.

I:

Nieuw aan te planten houtsingel. Aanplanten met de soorten meidoorn, vuilboom, hulst, veldesdoorn, wilde liguster en hondsroos in gelijke verhouding. Plantafstand 1,5 x 1,5 meter. Aanplanten in de maat 80-100 (hoogte in centimeters). Totaal 35 stuks op 70 m2.

J:

Nieuw aan te planten bomengroepen. Aanplanten in de maat 12-14 (stamomtrek in centimeters) en elk voorzien van twee boompalen. met de soorten: eik, linde en fladderiep. Totaal: 3 stuks, aanplanten in gelijke verhouding.

K:

Erfverharding.

L:

Tuin gazon.

M:

Te behouden karakteristieke hooimijt.

N:

Omvormen van schuur naar woning, via KGO.

O:

Voorgenomen kadastrale verdeling.

P:

Nog te vormgeven perceel met een oppervlakte van circa. 4862 m2.

Q:

Nog te vormgeven perceel met een oppervlakte van circa. 5000 m2.

Fragment uit 1905 (bron: topotijdreis.nl)

Nieuwe situatie niet op schaal (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project: Voorstel inpassing erf

Getekend:

BM

St atus:

DO

Noord:

Adres:

Witterietsweg 3

gecontroleerd:

NH

Formaat:

A3

Schaal: 1:10 0 0

^

Plaats:

Markelo

Datum:

18-11-2024

17

l a n d s c h a p s o n t w e r p e r s

18

Oldenzaalseweg 38 • 7651 KC Tubbergen • info@nl-landschaps.nl • www.nl-landschap.nl

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22j Witterietsweg 3 Markelo

Bijlage 2 bodemonderzoek

concept

63

RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Witterietsweg 3 - Markelo

Opdrachtgever: Bureau Authentiek Locatie: Witterietsweg 3 7475 RP Markelo Oktober 2024

Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren

Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl

Tel: 0546 - 63 96 63 Bankgegevens: KvK: 06068751 ABN AMRO: BTW-nr: NL 8019.25.125.B01 NL34ABNA0501538739

Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Witterietsweg 3 - Markelo

Opdrachtgever: Bureau Authentiek Grotestraat 11b 7475 AZ Markelo Locatie: Witterietsweg 3 7475 RP Markelo Projectcode: 24047816 Rapportagedatum: 4 oktober 2024 Projectleider: de heer R. Munsterhuis Auteur: mevrouw E. Koppelman Kruse Milieu BV

INHOUD Pagina 1

Inleiding

1

2.1 2.2 2.3

Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie

3 3 3 5

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses

6 6 7 8 9 10

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses

11 11 11 14 15 15 16

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

17

6

Literatuur en bronvermelding

21

2

3

4

Bijlagen I

Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek Tauw, augustus 1997 Boorplan verkennend bodemonderzoek Van der Poel, mei 2000 Boorplan (2x) verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, oktober 2024 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses Concentratieberekeningen gewogen asbestgehalten V Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

1

Inleiding

Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Bureau Authentiek aan de Witterietsweg 3 in Markelo door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. Aanleiding van dit onderzoek is de geplande bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van het terrein, waarbij in het kader van een rood-voor-rood-regeling schuren worden gesloopt en nieuwbouw (aanbouw bestaande woning en 2 nieuwe (schuur)woningen) gerealiseerd zal worden. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van het vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie grotendeels bestaat uit een agrarisch erf en deels uit weiland. De bovengrond van het agrarisch erf wordt verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Op het agrarisch erf bevinden zich drie verdachte deellocaties: een werkplaats met voormalige bovengrondse dieseltank (deellocatie A), een werktuigenloods met bovengrondse dieseltank (deellocatie B) en een tankplaats (deellocatie C). Het weiland is niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Conform het beleid van de gemeente Hof van Twente, is de onderzoekslocatie onverdacht voor chemische parameters uit het NEN5740-standaardpakket.

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch Vooronderzoek, NNI Delft, oktober 2023; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, oktober 2023; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op verdachte (deel)locaties is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskernen ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte (deel)locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern(en) ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre asbest in de grond of in puin de normwaarden overschrijdt.

Het veldwerk is uitgevoerd in (maand) 2024 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever en dat de kritische werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van hun persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 1 van 21

In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 2 van 21

2

Locatiegegevens 2.1

Beschrijving huidige situatie

Algemeen De onderzoekslocatie, bestaande uit het agrarisch erf en een deel van het noordelijk gelegen weiland, is gelegen aan de Witterietsweg 3 in Markelo, op circa 2.5 kilometer ten noordwesten van de bebouwde kom van Markelo. De totale oppervlakte van het te onderzoeken terrein bedraagt circa 9040 m2. Het te onderzoeken terrein heeft de RD-coördinaten x = 227.995 en y = 474.189 en is kadastraal bekend als: gemeente Markelo, sectie P, nummers 862, 863 (ged), 1237 en 1238 (geheel). De Witterietsweg ligt ten westen van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is deels bebouwd met een boerderijwoning, enkele schuren (veestallen, werktuigenloodsen en een hooibergschuur) en enkele bijgebouwen. Inpandig zijn er betonvloeren en mestkelders aanwezig. Het onbebouwde deel van het erf is deels verhard met klinkers, beton en puin en deels onverhard (gazon). De tankplaats is verhard met vloeistofdicht beton. Het weiland is onverhard en begroeid met gras. Onderzoekslocatie In het kader van de functiewijziging van de locatie, de herontwikkelingsplannen en de aanvraag van de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouwplannen dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. De onderzoekslocatie is deels bebouwd, deels verhard en omvat in totaal circa 9040 m².

De onderzoekslocatie bestaat uit de volgende (deel)locaties: - overige onderzoekslocatie (circa 8870 m2); - deellocatie A: werkplaats met voormalige bovengrondse tank (circa 55m2); - deellocatie B: werktuigenloods met bovengrondse dieseltank (circa 185 m2); - deellocatie C: tankplaats (circa 30 m2). In bijlage I is de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de documenten opgenomen: - boorplan verkennend bodemonderzoek Tauw, augustus 1997; - boorplan verkennend bodemonderzoek Van der Poel, mei 2000; - boorplan (2x) verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, oktober 2024. 2.2

Vooronderzoek

In het vooronderzoek komt, naast informatie uit het huidige gebruik, het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - de onderzoekslocatie heeft een agrarische bestemming. De te slopen bebouwing dateert van de periode tussen 1987 en 2000 (bron: BAG-viewer); - het erf is in gebruik voor agrarische doeleinden. Er is in mei 1992 een Hinderwetvergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een rundvee- en varkensbedrijf met de daaraan verbonden opslag van mest en de bovengrondse opslag van 200 liter dieselolie. In april 1990 is de vergunning vernieuwd vanwege het houden van fokzeugen en meststieren. Aan de nieuwe vergunning waren de opslag van mest en bovengrondse opslag van 600 liter dieselolie verbonden. In april 1996 is een nieuwe aanvraag gedaan voor een algehele vernieuwing van de Hinderwetvergunning. Het is niet duidelijk of deze plannen destijds zijn gerealiseerd. In augustus 1999 is de Hinderwetvergunning vernieuwd vanwege het hebben van een fokvarkenshouderij met de daaraan verbonden opslag van mest en de bovengrondse opslag van 1200 liter dieselolie;

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 3 van 21

- In de westelijk gelegen schuur (met rieten dak) bevond zich in het verleden een bovengrondse dieseltank met een inhoud van 200 liter in een werkplaats. De tank is inmiddels niet meer aanwezig. Er zijn geen gegevens over een tanksanering bekend. De werkplaats met voormalige dieseltank wordt als verdachte deellocatie A onderzocht; - sinds circa 1990 bevindt de tanklocatie zich in de werktuigenloods aan de noordwestzijde van de onderzoekslocatie. Volgens de Hinderwetvergunningen was er eerst sprak van een bovengrondse opslag van 600 liter dieselolie en later van 1200 liter dieselolie. De aftankplaats met vloeistofdichte vloer bevindt zich op het buitenterrein naast de loods. De werktuigenloods met bovengrondse dieseltank wordt onderzocht als verdachte deellocatie B. De tankplaats wordt onderzocht als verdachte deellocatie C; - voor zover bekend is het te onderzoeken terreindeel in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden; - de daken van enkele schuren zijn voorzien van asbesthoudende golfplaten. Omdat hemelwater dat van de dakplaten afwatert via dakgoten en regenpijpen wordt afgevoerd, is er geen sprake van asbestverdachte druppelzones; - voor zover bekend bevindt zich geen asbest in de bodem. Er bevinden zich geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie.

Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg; - conform de richtlijnen van de gemeente Hof van Twente wordt de bovengrond ter plekke van het agrarisch erf beschouwd als verdacht voor asbest; - volgens de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) vallen de bovengrond en de ondergrond in functieklasse AW2000. Volgens de Nota bodembeheer Regio Twente (Twents beleid veur oale groond) wordt geen correctie toegepast voor minerale olie tot maximaal 100 mg/kg d.s; - er zijn op de onderzoekslocatie eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. De meest relevante onderzoeken worden hieronder toegelicht. Tauw Milieu BV verkennend bodemonderzoek Witterietsweg 3 te Markelo met rapportnummer R3605817.H01/CJH, d.d. 18 augustus 1997 Aanleiding voor dit onderzoek was de aanvraag van een bouwvergunning ten behoeve van de bouw van de zuidelijk gelegen veeschuur. Uit de analyseresultaten bleek dat er in de boven en ondergrond geen verontreinigingen zijn aangetoond. Het grondwater is niet onderzocht. Van der Poel Consult BV verkennend bodemonderzoek Witterietsweg Markelo met projectnummer 2.004.074, d.d. mei 2000 Aanleiding voor dit onderzoek was de uitbreiding van de varkensschuur aan de noordzijde van het terrein. Uit de analyseresultaten bleek dat er in de bovengrond een licht verhoogd EOX-gehalte is gemeten. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond.

Het grondwater was licht verontreinigd met chroom en koper.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 4 van 21

Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek. Relevante informatie

Bron

Specificatie

Opdrachtgever

Historisch, huidig en toekomstig gebruik

Ja

Gemeente Hof van Twente

Bodeminformatie

Ja

Archief Kruse Milieu BV

Eerdere bodemonderzoeken

Nee

Rapportagemodule Overijssel https://overijssel.nazca4u.nl/rapportage/

Ja

Google Maps

https://www.google.nl/maps

Ja

Topotijdreis

https://www.topotijdreis.nl/

Ja

BAG-viewer

https://bagviewer.kadaster.nl/

Ja

Perceelloep

https://perceelloep.nl/

Ja

Ruimtelijke plannen

https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/

Ja

Grondwatertools

https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/

Ja

DINOloket

https://www.dinoloket.nl/

Ja

AHN-viewer

https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/

Ja

Bodemkwaliteitskaart

Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente, Witteveen+Bos, d.d. 23 maart 2018 Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS, Tauw bv, d.d. 28 mei 2020

Ja

2.3

Bodemsamenstelling en geohydrologie

Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich op circa 13.5 meter boven NAP; - de onderzoekslocatie bevindt zich direct ten westen van zandwinning de Domelaar; - de deklaag bestaat tot circa 3.5 meter minus maaiveld (m-mv) uit zandige eenheden van de Formatie van Boxtel. Het doorlatend vermogen bedraagt maximaal 25 m²/dag. Daaronder bevindt zich tot circa 7.6 m-mv zand van de Formatie van Drente met een maximale doorlaatwaarde van 250 m2/dag. Onder het zand bevindt zicht tot circa 17.5 m-mv een complexe eenheid van gestuwde afzettingen bestaande uit zand met klei, grind en sporen veen. Hieronder bevinden zich tot meer dan 40 meter diepte zandige eenheden van verschillende formaties; - de grondwaterspiegel bevindt zich op circa 2.0 m-mv. Het freatische grondwater stroomt in zuidwestelijke richting; - in de directe omgeving van de onderzoekslocatie stromen geen omvangrijke oppervlaktewateren; - de locatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied en er is geen waterwingebied op korte afstand gelegen.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 5 van 21

3

Uitvoering bodemonderzoek 3.1

Onderzoeksstrategie

De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, oktober 2023; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. In norm NEN5740 en NEN5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Overig deel onderzoekslocatie (circa 8870 m2) De onderzoeksstrategie voor het agrarisch erf en weiland is gebaseerd op norm NEN5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL). De strategie voor het agrarisch erf is tevens gebaseerd op norm NEN5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE). Deze strategieën worden met elkaar gecombineerd. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Op basis van een oppervlakte van circa 8870 m2 kan op basis van norm NEN5740 (strategie onverdacht, niet lijnvormig ONV-NL) worden afgeleid dat er 19 boringen dienen te worden verricht tot 0.5 meter diepte.

Er dienen 6 boringen te worden verdiept tot 2.0 meter diepte of tot de grondwaterspiegel. Voor het meten van de grondwatergegevens en het nemen van een grondwatermonster worden 2 diepe boringen overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis. Om een goed beeld te krijgen van de bodemkwaliteit worden er 9 extra boringen verricht. Het verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN5740 (ONV-NL) wordt grotendeels gecombineerd met het verkennend bodemonderzoek volgens norm NEN5707 (VED-HE-NL) naar de aanwezigheid van asbest in de bodem. De grondboringen ter plekke van het erf worden tot 0.5 m-mv vervangen door inspectiegaten met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter. Het opgegraven materiaal wordt gezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. De gaten en boringen worden gecodeerd als 21 tot en met 48. Deellocatie A: werkplaats met voormalige dieseltank (circa 55 m2) Op basis van de beschikbare informatie omtrent het bedrijfsmatige gebruik wordt de bovengrond als heterogeen verdacht beschouwd voor zware metalen, minerale olie en PAK De hypothese "verdachte locatie" uit NEN5740 (VED-HE: verdachte locatie met een diffuse bodemverontreiniging met een heterogene verspreiding) wordt voor deze deellocatie gebruikt.

Er worden 3 boringen tot 1 meter diepte verricht waarvan 1 ter plekke van de voormalige bovengrondse tank. Deze laatst genoemde boring wordt verdiept en afgewerkt met een peilbuis. De boringen worden gecodeerd als A1, A2 en A3. Deellocatie B: werktuigenloods met bovengrondse dieseltank (circa 185 m2) Op basis van de beschikbare informatie omtrent het bedrijfsmatige gebruik wordt de bovengrond als heterogeen verdacht beschouwd voor zware metalen, minerale olie en PAK De hypothese "verdachte locatie" uit NEN5740 (VED-HE: verdachte locatie met een diffuse bodemverontreiniging met een heterogene verspreiding) wordt voor deze deellocatie gebruikt. Er worden 4 boringen tot 1 meter diepte verricht waarvan 1 ter plekke van de bovengrondse dieseltank. Deze laatst genoemde boring wordt verdiept en afgewerkt met een peilbuis. De boringen worden gecodeerd als B1, B2, B3 en B4. Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 6 van 21

Deellocatie C: tankplaats (circa 30 m2). De tankplaats wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van minerale olie in de grond en van minerale olie en vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen in het grondwater. De hypothese “verdachte locatie” uit NEN5740 wordt voor deze deellocatie gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocatie is gebaseerd op de NEN5740, paragraaf 5.3: Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodem-belasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Het ontluchtingspunt bevindt zich ter plekke van de vloeistofdichte vloer (zie boorplan). Boren in de vloeistofdichte vloer niet gewenst. Rondom de vloer worden conform strategie NEN5740, strategie VEP (verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern) 3 boringen uitgevoerd tot 1.0 meter diepte. De boringen worden gecodeerd als boring C1, C2 en C3. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen.

In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden.

Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. 3.2

Veldwerkzaamheden

Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Van elk inspectiegat en iedere boring wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 7 van 21

3.3

Analyses

De chemische analyses worden uitgevoerd door AL-West BV te Deventer, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins ACMAA te Deurningen, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 3. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 en NEN5707 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Zintuiglijke waarnemingen kunnen aanleiding geven voor meer analyses en/of aanvullend onderzoek. Tabel 2: Analysepakket per (meng)monster. Monster

Analysepakket Overig deel onderzoekslocatie

Bovengrond (4x) Ondergrond (2x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof

Bovengrond (4x)

Asbest en droge stof

Grondwater (2x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocatie A: werkplaats met voormalige dieseltank

Bovengrond (1)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof

Grondwater (1x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocatie B: werktuigenloods met bovengrondse dieseltank

Bovengrond (1)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof

Grondwater (1x)

Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocatie C: tankplaats

Bovengrond (1)

Kruse Milieu BV

Minerale olie en organische stof

Project: 24047816

Pagina 8 van 21

Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. 3.4

Toetsing chemische analyses

De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De Regeling bodemkwaliteit is per 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet. De bodemonderzoeken behorende bij vergunningaanvragen uit 2023 worden getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit van 2012 en getoetst aan de Circulaire van 2013. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.

Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging; tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden, kan een nader onderzoek noodzakelijk zijn. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden.

Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 9 van 21

Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (versie december 2021) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de 20 juli 2021 (aangepaste) door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater. 3.5

Toetsing asbestanalyses

De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen < 0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht.

De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 10 van 21

4

Resultaten 4.1

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven en besproken in paragraaf 4.3 en 4.4. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven en besproken in paragraaf 4.5 en 4.6. 4.2

Veldwerkzaamheden

De veldwerkzaamheden zijn in september 2024 uitgevoerd door de heer N. Pepping en de heer J. Hartman. Deze veldwerkers zijn conform BRL SIKB2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/09). Er is assistentie verleend door de heer J. Braakman (assistent veldwerker). Overig deel onderzoekslocatie Op 18 september 2024 zijn er na maaiveldinspectie, in totaal 22 inspectiegaten ter plekke van het erf gegraven en met behulp van een Edelmanboor 6 boringen in het weiland verricht. Er zijn 4 inspectiegaten en 1 boring met behulp van een Edelmanboor verdiept. Er zijn 2 diepe boringen met behulp van een Edelmanboor en zuigerboor doorgezet tot 2.8 m-mv en 3.2 m-mv en afgewerkt met een peilbuis (PB 21 en PB 22). De bodem is aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie (ter plekke van boring 25, 26, 40, 43 en 44) tot maximaal 0.2 meter diepte verhard met puingranulaat. Tevens is onder de klinkerverharding en het ophoogzand ter plekke van boring 33, 34, 35 en 37 een fundatie van puingranulaat (op circa 0.08 - 0.16 m-mv) aangetroffen. In het puingranulaat zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Op verzoek van de opdrachtgever is het puingranulaat niet onderzocht. De verharding behoort niet tot de scope van dit onderzoek. Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van bebouwing, verharding en begroeiing, niet goed geïnspecteerd kon worden.

Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, geen neerslag). Er zijn door de veldwerkers geen asbestverdachte materialen op het maaiveld waargenomen. Deellocatie A: werkplaats met voormalige dieseltank Op 11 september 2024 zijn er door een betonboringsbedrijf 3 gaten in de betonvloer gemaakt. Met behulp van een Edelmanboor zijn de boringen doorgezet tot 1.0 m-mv. Er is 1 boring met behulp van een Edelmanboor en zuigerboor doorgezet tot 3.2 m-mv en afgewerkt met een peilbuis (PB A1). Onder het beton is geen puinfundatie aangetroffen. Er is zintuiglijk geen minerale olie aangetroffen (geen brandstofgeur en geen olie/waterreactie). Deellocatie B: werktuigenloods met bovengrondse dieseltank Op 11 september 2024 zijn er door een betonboringsbedrijf 4 gaten in de betonvloer gemaakt. Met behulp van een Edelmanboor zijn de boringen doorgezet tot 1.0 m-mv. Er is 1 boring met behulp van een Edelmanboor en zuigerboor doorgezet tot 3.2 m-mv en afgewerkt met een peilbuis (PB B1). Onder het beton is geen puinfundatie aangetroffen. Er is zintuiglijk geen minerale olie aangetroffen (geen brandstofgeur en geen olie/waterreactie).

Deellocatie C: tankplaats Op 18 september 2024 zijn er met behulp van een Edelmanboor in totaal 3 boringen tot 1.0 m-mv verricht. Er is zintuiglijk geen minerale olie aangetroffen (geen brandstofgeur en geen olie/waterreactie). Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 11 van 21

De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. Onder de klinkerverhardingen (boring 23, 33, 34, 35, 36 en 37) is een laag ophoogzand aangetroffen. De bodem bestaat verder globaal uit uiterst fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig, zwak grindig, zwak humeus zand met wortelresten. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen (plaatselijk sterk oerhoudend). Er zijn geen bodemvreemde aangetroffen. Er zijn door de veldwerkers visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld, in het puingranulaat en in de bodem. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de mengmonsters samengesteld, zoals in tabel 3 staat omschreven. Vanwege de sterk oerhoudende lagen is het mengmonster van de ondergrond OG I aanvullend op arseen geanalyseerd. Tabel 3: Samenstelling mengmonsters. (Meng)monster

Monsterpunt

Traject (diepte in m-mv)

Analyse

Overig deel onderzoekslocatie Bovengrond, BG I

21, 29, 30 en 31 27 en 28

0 - 0.5 0 - 0.3

NEN5740standaardpakket

Bovengrond, BG II

22 23 36

0 - 0.5 0.33 - 0.55 0.27 - 0.5

NEN5740standaardpakket

Bovengrond, BG III (zand onder puingranulaat)

25 en 40 26 44

0.2 - 0.5 0.3 - 0.5 0.2 - 0.4

NEN5740standaardpakket

Bovengrond, BG IV

32, 39, 41, 42, 45, 46 en 47 38

0 - 0.5 0 - 0.4

NEN5740standaardpakket

Ondergrond, OG I

22, 25 en 26 23

0.5 - 1.0 0.55 - 1.0

NEN5740standaardpakket + arseen

Ondergrond, OG II

21 24

0.9 - 1.3 1.2 - 1.7

NEN5740standaardpakket

MM FF - 01

22 33 en 37 34 36

0 - 0.5 0.36 - 0.5 0.27 - 0.5 0.27 - 0.5

Asbest

MM FF - 02

25 en 40 26 43 44

0.2 - 0.5 0.3 - 0.5 0.15 - 0.45 0.2 - 0.4

Asbest

MM FF - 03

39, 41, 42, 46, 47 en 48

0 - 0.5

Asbest

MM FF - 04

24 en 38 32 en 45 35

0 - 0.4 0 - 0.5 0.28 - 0.5

Asbest

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 12 van 21

Tabel 3: Samenstelling mengmonsters. (Meng)monster

Traject (diepte in m-mv)

Monsterpunt

Analyse

Deellocatie A: werkplaats met voormalige dieseltank A1 en A2 A3

BG - A

0.08 - 0.3 0.25 - 0.50

NEN5740standaardpakket

Deellocatie B: werktuigenloods met bovengrondse dieseltank B1 B2 B3 B4

BG - B

0.12 - 0.62 0.12 - 0.5 0.13 - 0.4 0.3 - 0.5

NEN5740standaardpakket

0 - 0.3 0.08 - 0.5 0.07 - 0.4

Minerale olie en organische stof

Deellocatie C: tankplaats C1 C2 C3

BG - C

Boring 21 is doorgezet tot circa 2.8 m-mv, boring 22 is doorgezet tot circa 3.2 m-mv, boring A1 is doorgezet tot circa 3.2 m-mv en boring B1 is doorgezet tot circa 3.0 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVC-peilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens zijn de 4 peilbuizen doorgepompt. Op 23 september 2024 zijn de peilbuizen PB A1 en B1 bemonsterd en op 25 september 2024 zijn de peilbuizen PB 21 en PB 22 bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet) als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 5. Tabel 5: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis

Filterstelling (m-mv)

Grondwaterstand (m-mv)

pH (-)

EC (μS/cm)

Troebelheid (NTU)

Toestroming

PB 21

1.80 - 2.80

1.30

7.0

363

28.4

Goed

PB 22

2.20 - 3.20

1.57

7.2

277

2.3

Goed

PB A1

2.20 - 3.20

163

8.1

1874

0.1

Goed

PB B1

2.00 - 3.00

160

7.1

243

7.6

Goed

pH-waarden tussen 5.5 en 7.5, EC-waarden tussen 100 en 1000 μS/cm en een NTU-waarde <10 worden als normaal beschouwd.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 13 van 21

In het grondwater van peilbuis PB A1 zijn een hoge pH en EC gemeten. In peilbuis PB 21 is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuizen hebben ruim voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook zijn de peilbuizen zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarden voor troebelheid een natuurlijke oorzaak hebben (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en aben adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. 4.3

Resultaten en toetsing van de chemische analyses

In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef en interventiewaarden. Ter plekke van het overige deel van de onderzoekslocatie zijn in de bovengrond (BG II) en in het grondwater (PB 21 en PB 22) enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. De verhoogde gehalten worden weergegeven in tabel 4. In de boven- en onder-grond (BG I, BG III, BG IV, OG I en OG II) zijn geen verontreinigingen gemeten. In het mengmonster van de ondergrond OG I is geen arseengehalte boven de achtergrondwaarde gemeten. Ter plekke van de deellocaties A, B en C zijn in de bovengrond geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater van deellocatie A en B (PB A1 en PB B1) zijn enkele zeer lichte verontreinigingen gemeten.

De verhoogde gehalten worden weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Verhoogde concentraties (mg/kg droge stof of μg/l). Monster

Component

Gemeten concentratie

GSSD

Achtergrond1- of streefwaarde

Interventiewaarde

Overig deel onderzoekslocatie BG II

PAK

1.5

1.51 *

1.5

40

PB 21

Barium Koper

140 48

140 * 48 *

50 15

625 75

PB 22

Barium Koper

81 21

81 * 21 *

50 15

625 75

Deellocatie A: werkplaats met voormalige dieseltank PB A1

Barium Koper Molybdeen

99 27 6.4

99 * 27 * 6.4 *

50 15 5

625 75 300

Deellocatie B: werktuigenloods met bovengrondse dieseltank PB B1 1

Barium Koper

94 18

94 * 18 *

50 15

625 75

AW2000

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 14 van 21

In de vierde kolom van tabel 4 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner dan of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner dan of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner dan of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.4

Bespreking resultaten chemische analyses

Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er enkele (zeer) lichte tot matige verontreinigingen aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Overig deel onderzoekslocatie: bovengrond - BG II - PAK Zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, zijn verontreinigingen in de grond met PAK (en metalen) niet ongebruikelijk op locaties, waar al tientallen jaren sprake is geweest van bebouwing (en bewoning). Dit mengmonster bestaat uit het zand onder het puingranulaat van boring 25, 40, 26en 44. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Overig deel onderzoekslocatie en deellocaties A en B: grondwater PB 21, PB 22, PB A1 en PB B1 - Barium, koper en molybdeen De licht verhoogde gehalten aan barium zijn waarschijnlijk te wijten aan plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarden. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. De zeer licht verhoogde kopergehalten houden mogelijk verband met de bemesting. Het zeer licht verhoogde molybdeengehalte in het grondwater van peilbuis PB A1 is op basis van de beschikbare gegevens niet direct verklaarbaar. Aangezien de tussenwaarden niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. 4.5

Resultaten asbestanalyses

In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek opgenomen. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 02 is asbest aangetoond. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF -01, MM FF - 03 en MM FF - 04 is geen asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten worden weergegeven in tabel 6. Tabel 6: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Component

Gewogen asbestconcentratie

Toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek

MM FF - 01

Asbest

n.a.

50

MM FF - 02

Asbest

0.2

50

MM FF - 03

Asbest

n.a.

50

MM FF - 04

Asbest

n.a.

50

Monster

In de derde kolom van tabel 7 wordt de volgende codering toegepast: n.a. : Geen asbest aangetoond. Normaal : Het gehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Onderstreept : Overschrijding van de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 15 van 21

4.6

Bespreking resultaten asbestanalyses

Zoals in paragraaf 4.5 is weergegeven is er in mengmonster MM FF - 02 asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 16 van 21

5

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

Algemeen In opdracht van Bureau Authentiek is in een verkennend (asbest)bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terrein (agrarisch erf en weiland) ter grootte van circa 9040 m² aan de Witterietsweg 3 in Markelo. Het erf is deels bebouwd met een boerderijwoning, enkele schuren (veestallen, werktuigenloodsen en een hooibergschuur) en enkele bijgebouwen. Inpandig zijn er betonvloeren en mestkelders aanwezig. Het onbebouwde deel van het erf is deels verhard met klinkers, beton en puin en deels onverhard. De tankplaats is verhard met vloeistofdicht beton. Een klein deel van het erf en het weiland zijn onverhard en begroeid met gras (gazon/weiland). De daken van de schuren zijn deels voorzien van asbesthoudende golfplaten. Omdat hemelwater dat via de asbesthoudende daken via dakgoten en regenpijpen wordt afgevoerd is er geen sprake van asbestverdachte druppelzones. Aanleiding van dit onderzoek is de geplande bestemmingsplanwijziging en herontwikkeling van het terrein, waarbij in het kader van een rood-voor-rood-regeling schuren worden gesloopt en nieuwbouw (aanbouw bestaande woning en 2 nieuwe (schuur)woningen) gerealiseerd zal worden. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn.

Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van het vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie grotendeels bestaat uit een agrarisch erf en deels uit weiland. De bovengrond van het agrarisch erf wordt verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Op het agrarisch erf bevinden zich drie verdachte deellocaties: een werkplaats met voormalige bovengrondse dieseltank (deellocatie A), een werktuigenloods met bovengrondse dieseltank (deellocatie B) en een tankplaats (deellocatie C). Het weiland is niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Conform het beleid van de gemeente Hof van Twente, is de onderzoekslocatie onverdacht voor chemische parameters uit het NEN5740-standaardpakket. Resultaten veldwerk Ter plekke van het overige deel van de onderzoekslocatie zijn er in totaal zijn er 22 inspectiegaten gegraven en 6 boringen verricht. Er zijn 4 inspectiegaten en 1 boring doorgezet in de diepere ondergrond. Er zijn 2 diepe boringen afgewerkt met een peilbuis. Ter plekke van deellocatie A en B zijn in totaal 7 boringen tot 1.0 m-mv verricht (beton is voorgeboord door een betonboringsbedrijf). Per deellocatie is er 1 boring doorgezet in de diepere ondergrond en afgewerkt met een peilbuis.

Ter plekke van deellocatie C zijn 3 boringen tot 1.0 m-mv tegen de vloeistofdichte vloer verricht. De bodem is plaatselijk tot maximaal 0.2 meter diepte verhard met puingranulaat en onder de klinkerverharding en een laag ophoogzand is een fundatie van puingranulaat (tot circa 0.16 mmv) aangetroffen. In het puingranulaat zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Op verzoek van de opdrachtgever is het puingranulaat niet onderzocht. De bodem bestaat verder globaal uit uiterst fijn tot matig fijn, zwak tot matig siltig, zwak grindig, zwak humeus zand met wortelresten. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen aangetroffen (plaatselijk sterk oerhoudend). Er zijn geen bodemvreemde aangetroffen. Er zijn door de veldwerkers visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld, in het puingranulaat en in de bodem. Het freatische grondwater is aangetroffen op gemiddeld 1.53 m-mv.

Kruse Milieu BV

Project: 24047816

Pagina 17 van 21

Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Overig deel onderzoekslocatie - de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd; - de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd PAK; - de bovengrond (BG III) is niet verontreinigd; - de bovengrond (BG IV) is niet verontreinigd; - de ondergrond (OG I) is niet verontreinigd; - de ondergrond (OG II) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB 21) is licht verontreinigd met barium en koper; - het grondwater (PB 22) is zeer licht verontreinigd met barium en koper; - mengmonster MM FF - 01 is niet asbesthoudend; - mengmonster MM FF - 02 is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; - mengmonster MM FF - 03 is niet asbesthoudend; - mengmonster MM FF - 04 is niet asbesthoudend.

Deellocatie A: werkplaats met voormalige dieseltank - de bovengrond (BG - A) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB A1) is zeer licht verontreinigd met barium, koper en molybdeen; Deellocatie B: werktuigenloods met bovengrondse dieseltank - de bovengrond (BG - B) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB B1) is zeer licht verontreinigd met barium en koper Deellocatie C: tankplaats - de bovengrond (BG - C) is niet verontreinigd; Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" uit norm NEN5740 dient formeel gezien te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese "verdachte locatie" uit norm NEN5707 met betrekking tot de bovengrond van het agrarisch erf dient te worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In de boven- en ondergrond en in het grondwater zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar paragraaf 4.3 en 4.4. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. In de bovengrond is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalten ligt ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Voor een beschrijving wordt verwezen naar paragraaf 4.5 en 4.6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4181/documents/59352