Nota Bodembeheer regio Twente versie 2.1 (2) (1).pdf
Tekst van het document
Wij stellen de eigen gemeentelijke plattegrond vast als bodemfunctieklassenkaart. Deze plattegrond geeft namelijk een goed en recent overzicht van de bestaande functies binnen een gemeente. Ook nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen in de plattegrond eenvoudig worden opgenomen. Zo is altijd sprake van een actuele kaart. De bodemfunctiekaart zoals is opgenomen in de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente betreft een indicatieve kaart. 6.5 Aanvullende voorwaarden en specifieke situaties In Twente kiezen we voor een afwijkend percentage bodemvreemd materiaal in partijen grond. Ook gaan we in sommige situaties wat meer praktisch om met het ontgraven en toepassen van grond. Hieronder volgt een opsomming van situaties. Bodemvreemd materiaal Grond bevat als gevolg van diverse activiteiten in de bodem materiaal wat er van nature niet thuishoort. We spreken dan van bodemvreemd materiaal. Voorbeelden van bodemvreemd materiaal zijn puin, kolen-as, sintels, plastic en glas. Vanaf 30 november 2018 maakt de Regeling bodemkwaliteit onderscheid tussen (1) steenachtige materialen of hout, en (2) ander bodemvreemd materiaal dan steenachtig materiaal of hout. Landelijk geldt de norm dat grond maximaal 20% (gewichtspercentage) aan steenachtige materialen of hout mag bevatten. Ander bodemvreemd materiaal zoals plastics en piepschuim mag alleen ‘sporadisch’ voorkomen in de bodem.
Uit de toelichting9 bij de gewijzigde Regeling bodemkwaliteit blijkt dat er geen precieze criteria zijn om te bepalen hoeveel ander bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie mag voorkomen en daar is gekozen voor het begrip ‘sporadisch’. Verder valt uit deze toelichting op te maken dat met de wijziging doeltreffend kan worden opgetreden in gevallen waarin het evident is dat meer dan sporadisch bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie voorkomt. Binnen het gebiedsspecifiek beleid bestaat de mogelijkheid voor gemeenten een lagere norm vast te stellen dan de landelijke norm. Van deze mogelijkheid maken wij als regio gebruik door de norm voor steenachtig materiaal of hout vast te stellen op 10% (gewichtspercentage). Voor ander bodemvreemd materiaal (zoals plastic of piepschuim) volgen wij de landelijke norm van ‘sporadisch’. 10% steenachtig materiaal of hout in grond of baggerspecie achten wij een in de praktijk (voor aannemers, grondbedrijven etc.) werkbaar percentage, zonder dat dit ten koste gaat van ons uitgangspunt om de goede bodemkwaliteit in Twente te behouden. Is het percentage meer dan 10% (gewichtspercentage) dan geven wij de voorkeur aan zeven van grond en baggerspecie ten opzichte van het storten ervan. Hierna kan de grond alsnog worden toegepast en wordt voorkomen dat het wordt gestort. Dit draagt bij aan een duurzaam hergebruik van grond en bagger.
Tenslotte merken wij nog op dat als een eigenaar van een perceel minder percentage bodemvreemd materiaal (dan 10%) wil ontvangen op zijn perceel, dat deze eigenaar hierover afspraken moet maken met degene die de grond toepast. Ook kunnen de deelnemende gemeenten in de regio en het waterschap voor eigen projecten een nadere afweging en afspraken maken over het toegestane percentage bodemvreemd materiaal (bijvoorbeeld omdat dit gewenst is gelet op het toekomstig gebruik van een gebied of locatie).
9
Staatscourant 2018, nr. 68042, blz. 26.
25
Asbest en arseen Partijen grond met asbest erin komen voor in de praktijk. Wij willen risico’s voor de volksgezondheid als gevolg van asbest voorkomen. Daarom geldt altijd de voorwaarde dat bij toepassing van partijen grond de hoeveelheid aanwezige asbest het wettelijk criterium, dat geldt voor asbest, niet mag overschrijden. Soms komt arseen van nature verhoogd voor in de bodem. Dit kan per gebied erg verschillen en valt niet af te bakenen. Daarom hebben we geen algemene regels hierover opgenomen in deze nota bodembeheer. Als er een vermoeden is dat in een gebied, waar men grond wil ontgraven en/of toepassen, verhoogde gehalten aan arseen voorkomen, dan treden wij in overleg met de initiatiefnemer. Ook van de initiatiefnemer verwachten wij dat deze aandacht heeft voor van nature voorkomende verhoogde gehalten in ons bodembeheergebied. Toetsen van minerale olie bij regulier onderzoek Tot nu toe gebruikten we als gemeenten het beleid dat bij lage concentraties aan minerale olie (< 100 mg/kg d.s. (droge stof)) geen correctie plaatsvindt voor organische stof. Zouden we deze correctie wel gaan toepassen in combinatie met de lage gehalten aan organische stof en de van nature aanwezige humuszuren in de Twentse bodem, dan is het gevolg hiervan dat veel partijen grond niet kunnen worden toegepast.
Dit vinden wij niet wenselijk omdat dit ten koste gaat van het hergebruik van partijen grond. Bovendien blijft de goede bodemkwaliteit in Twente behouden. Daarom zetten wij het bestaande beleid voort door geen correctie toe te passen voor minerale olie (< 100 mg/kg d.s. (droge stof)) in het kader van het toepassen van grond. Kabels en leidingen (beleidsregel) Voor werkzaamheden ten behoeve van het aanleggen en vervangen van kabels en leidingen gebruiken we als regio een praktische benadering. Als deze werkzaamheden plaatsvinden in gebieden met bodemkwaliteitsklasse Wonen of Gebiedsgericht, dan is deze kwaliteit representatief voor de bodem (binnen het werk) tot een diepte van één meter. Bij werkzaamheden die verder gaan dan één meter diepte geldt wel de voorwaarde van gescheiden ontgraven (om zo ongewenste vermenging van partijen grond met verschillende kwaliteit te voorkomen). Bovenstaande praktische werkwijze bij kabels en leidingen komt ten gunste van de uitvoerbaarheid (apart ontgraven van de verschillende lagen is lastig in de praktijk ) en handhaafbaarheid. Mogelijk dat schonere grond dieper dan een halve meter wordt vermengd met grond van slechtere kwaliteit afkomstig uit de eerste halve meter. Wij verwachten dat deze verslechtering zich slechts in beperkte mate zal voordoen omdat deze grondlaag door het leggen en het verrichten van werkzaamheden toch al geroerd is.
Op gebiedsniveau met dezelfde klasse blijft de gemiddelde bodemkwaliteit ongewijzigd (standstill) zodat nog steeds wordt voldaan aan het Besluit bodemkwaliteit en de uitgangspunten van deze nota bodembeheer. Toepassingslocatie verontreinigde grond (beleidsregel) Binnen het beheersgebied zijn er op moment van aanpassen van de nota (versie 2.1) geen gebieden in de regio aanwezig waar grond boven de kwaliteit ‘wonen’ mag worden toegepast buiten de zone van herkomst. Met name het (tijdelijk) landelijke beleid aangaande PFAS heeft de vraag opgeroepen of een (regionale) locatie voor het toepassen van dergelijke grond mogelijk moet zijn. Reinigings- of stortlocaties voor PFAS-houdende grond bevinden zich momenteel op grote afstand van de regio. Grond met gehalten onder de interventiewaarde (of risicogrenswaarde/INEV) levert geen directe milieurisico’s op en afvoeren van deze grond kan netto milieuschade opleveren (bijvoorbeeld luchtverontreiniging door transport). Deze nota wil het starten van een locatie waar grond met een kwaliteit slechter dan ‘wonen’ toegepast kan worden daarom niet op voorhand uitsluiten. Uiteraard moet de gemeenteraad 26
van de gemeente waar een dergelijke locatie komt hiervoor instemming verlenen en mag het toepassen van deze grond niet leiden tot een significante verslechtering van de grond- en grondwaterkwaliteit. Ook moet natuurlijk voldaan worden aan andere regelgeving die voor de betreffende locatie geldt.
27
7 Handhaving, bevoegdheden en monitoring Dit hoofdstuk behandelt de handhaving van dit beleid en het Besluit Activiteiten Leefomgeving. Afgesloten wordt met een paragraaf over monitoring en evaluatie van het beleid. 7.1 Afhandeling melding Iedere melding wordt getoetst aan het Besluit Activiteiten Leefomgeving, onze bodemkwaliteitskaart en de bijbehorende nota bodembeheer. Dit gebeurt door de Omgevingsdienst Twente. De uitkomst van deze toetsing wordt schriftelijk of digitaal aan de melder kenbaar gemaakt. Het Besluit Activiteiten Leefomgeving bepaalt dat meldingen voor grondverzet minimaal een week voor uitvoering moeten zijn ingediend. Dit gebeurt via het Omgevingsloket. 7.2 Toezicht en handhaving door Omgevingsdienst Twente Toezicht op meldingen grondverzet in het kader van het Besluit Activiteiten Leefomgeving betreft een basistaak die voor alle 14 gemeenten wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst Twente. Met de Omgevingsdienst maken wij afspraken over de beoordeling van de meldingen en het toezicht en handhaving op het gemelde grondverzet.
7.3 Monitoring en evaluatie We monitoren gezamenlijk op de volgende onderdelen: - aantal meldingen grondverzet - aantal meldingen grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart; - aantal niet-geaccepteerde meldingen; - percentage partijkeuringen en bodemonderzoeken waaruit blijkt dat bodemkwaliteit van onverdachte grond niet overeenkomt met bodemkwaliteitskaart - hoeveelheid grondverzet binnen de gemeente en het totale bodembeheergebied. Ook hechten we veel waarde aan geluiden uit de praktijk en nieuwe ontwikkelingen. Daarom monitoren we ook op: - de geconstateerde bodemkwaliteit van een partij grond in een bodemonderzoek of partijkeuring: o in vergelijking tot de vastgestelde lokale maximale waarde van die partij grond en o wat de reden is van deze afwijking; - signalen van uitvoerende partijen: o adviesbureaus; o grondverzetbedrijven; o afdelingen binnen gemeenten die grond ontgraven en toepassen.
28
Bijlage 1 Begrippenlijst AW2000 (‘schone’ grond): De landelijke bodemkwaliteitsklasse voor schone grond. Het Besluit bodemkwaliteit staat het vaststellen van een lagere norm niet toe. Besluit bodemkwaliteit: Het wettelijk kader voor bodembeheer. Bodembeheergebied: Het aangewezen gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart als wettig bewijsmiddel voor het ontgraven en toepassen van grond geldt. Nota bodembeheer: Het verplichte document met gebiedsspecifiek beleid voor het ontgraven en toepassen van grond binnen het aangewezen bodembeheergebied. Bodemfunctieklassenkaart: Een kaart met de verschillende functies in een gebied. Bodemkwaliteitskaart: Een door de gemeente vastgestelde kaart die bestaat uit een ontgravings- en een toepassingskaart. Op deze kaarten staan de lokale maximale waarden. Deze kaart geldt als bewijsmiddel voor het ontgraven en toepassen van grond binnen het bodembeheergebied van de gemeente. Bodemkwaliteitsklasse: De klasse waartoe een zone binnen het bodembeheergebied is ingedeeld. Bodemvreemd materiaal: Materiaal dat van nature niet thuishoort in de bodem zoals glas, puin, plastic, etc. De deelnemende gemeenten: Alle gemeenten die actief hebben bijgedragen aan de totstandkoming van deze bodembeheernota. En hun beleid overeenkomstig deze nota hebben vastgesteld of gaan vaststellen.
Delegatie: Het overdragen van bevoegdheden aan een ander bestuursorgaan dat zelf verantwoordelijk is voor de uitoefening van deze bevoegdheden. Gebiedsspecifiek beleid: Beleidsvorm volgens het Besluit bodemkwaliteit waarbij gemeenten eigen lokale maximale waarden (LMW) vaststellen voor hun grondgebied. Grootschalige toepassing: Volgens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen toepassingen met grond waarop de bodemkwaliteitskaart en de bodembeheernota niet van toepassing zijn. Het Besluit bodemkwaliteit vormt hiervoor het wettelijk kader. Handhavingsstrategie: De voor een organisatie geldende strategie waarin de wijze van toezicht en handhaven is aangegeven bij overtreding van wettelijke normen. Handhaving Uitvoeringsmethode Besluit bodemkwaliteit (HUM): Landelijke richtlijn voor organisaties die gebruikt wordt om het Besluit bodemkwaliteit te handhaven. (in-situ)partijkeuring: Een wettig bewijsmiddel om de kwaliteit van de grond aan te tonen. Klasse Gebiedsgericht: Een gebied met een bodemkwaliteit gebaseerd op locatiespecifieke omstandigheden die niet ingedeeld kan worden in één van de andere gebiedsspecifieke klassen. Klasse AW2000: voor gebieden met schone grond binnen het bodembeheergebied.
29
Klasse Wonen: Lokale maximale waarde voor gebieden binnen het bodembeheergebied met de bodemkwaliteit Wonen. Lokale maximale waarden: De bodemkwaliteit van een gebied of zone binnen het bodembeheergebied vastgelegd op de bodemkwaliteitskaart. Normopvulling: Het effect waarbij de ruimte, die in het generiek beleid bestaat tussen de werkelijke bodemkwaliteit en de maximale kwaliteit van de toepasselijke bodemkwaliteitsklasse, wordt benut om grond van slechtere kwaliteit toe te passen dan de bestaande bodemkwaliteit in dat gebied. Ontgravingskaart: Het onderdeel van de bodemkwaliteitskaart waarop de bodemkwaliteit is aangegeven van de locatie waar een partij grond is ontgraven. Percentielwaarde: Statistische waarde om de gemiddelde bodemkwaliteit van een gebied te bepalen. Risicotoolbox: Door het Besluit bodemkwaliteit voorgeschreven instrument voor het bepalen van de risico’s van de vast te stellen lokale maximale waarden. Toepassingskaart: Het onderdeel van de bodemkwaliteitskaart waarop de bodemkwaliteit is aangegeven van de locatie waar een partij grond wordt toegepast. Verdachte locatie: Een locatie binnen het bodembeheergebied die verdacht is van bodemverontreiniging. Weglichaam: het totaal van grondwerken dat noodzakelijk is om bij ongeschikte natuurlijke ondergrond een weg op te funderen
30
Bijlage 2 Inspraak PM Wijziging definitieve nota ten opzichte van ontwerp nota bodembeheer (versie 2.0, 2018) Tijdens het opstellen van de Nota bodembeheer regio Twente, Twents beleid veur oale groond 2.0 was niet bekend dat de Regeling bodemkwaliteit gewijzigd zou worden per 30 november 2018. Om onduidelijkheden bij deelnemende organisaties en derden te voorkomen, kiezen de gemeenten ervoor de tekst van de definitieve nota bodembeheer aan te passen aan de gewijzigde regelgeving. Het gaat over het percentage bodemvreemd materiaal in partijen grond en baggerspecie. De ontwerp nota bodembeheer regio Twente ging uit van een gewichtspercentage van 10% ongeacht het type bodemvreemd materiaal. Door de wijziging van de Regeling bodemkwaliteit, die op 30 november 2018 van kracht werd, is de definitieve nota bodembeheer hierop aangepast. De definitieve nota bodembeheer maakt, net als de Regeling bodemkwaliteit, onderscheid tussen enerzijds steenachtig materiaal of hout en anderzijds ander bodemvreemd materiaal. Voor meer hierover wordt verwezen naar paragraaf 6.5 (blz. 25) van de nota bodembeheer regio Twente.
31
Bijlage 3 Checklist mogelijk verdachte locatie De regiogemeenten Twente hebben op basis van beschikbare bodemonderzoeken bodemkwaliteitskaarten opgesteld voor de parameters uit het standaardpakket en PFAS. Deze kaarten geven een inschatting van de bodemkwaliteit ter plaatse van onverdachte gebieden/terreinen binnen de gemeenten. Onder voorwaarden (zie Nota bodembeheer) is het mogelijk om op basis van deze bodemkwaliteitskaarten grond te ontgraven en elders toe te passen zonder dat een bodemonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Eén belangrijke voorwaarde is dat u één week voor het toepassen van grond dit meld bij via het Omgevingsloket. Bij elke melding moet u deze checklist toevoegen. Onverdachte locatie Een voorwaarde voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten is dat hier sprake is van een onverdachte locatie. Hiermee wordt bedoeld dat op de locatie geen activiteiten worden/zijn uitgevoerd die de bodem hebben kunnen verontreinigen. Bij elke melding controleert de gemeente op basis van het informatiesysteem en het archief of er sprake is van een onverdachte ontgravingslocatie. Daarnaast dient u naar waarheid de onderstaande vragen te beantwoorden. adres ontgravingslocatie toepassingslocatie
Vragen over ontgravingslocatie 1. Heeft sloop van gebouwen plaatsgevonden? 2. Is een puinpad, erfverharding of funderingslaag aanwezig? 3. Heeft een calamiteit (vb. morsen) of brand plaatsgevonden? 4. Is op de locatie of in de nabije omgeving gebruik gemaakt van asbesthoudende materialen (ook in gebouwen)? 5. Is in het verleden sprake geweest van ophoging of demping? 6. Hebben bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden, vb aanwezigheid van een (voormalig) ondergrondse tank? 7. Heeft eerder onderzoek of sanering op de locatie plaatsgevonden? 8. Is er sprake van een risicolocatie (binnen 25 m) voor PFAS conform de door de gemeente gehanteerde lijst (via Bodemkwaliteit en HBB regio Twente (arcgis.com) of opvragen bij gemeente). Of is anderszins bekend dat er met PFAS is gewerkt zoals het blussen van een brand met schuim?
Ja
Nee
Onbekend
Indien u één van de bovenstaande vragen met Ja heeft beantwoord moet u dit in het navolgende opmerkingenvak nader toe te lichten. Het is ook mogelijk om aanvullende informatie (een bodemonderzoek) digitaal aan deze melding toe te voegen. Zelf verantwoordelijk De gemeente behoudt het recht om alsnog een historisch onderzoek of partijkeuring te verlangen als twijfel bestaat of het een overdachte locatie betreft. Het is uw keus of u gebruikt maakt van de bodemkwaliteitskaart of een partijkeuring laat uitvoeren. Als tijdens graafwerkzaamheden een verontreiniging wordt aangetroffen moet u direct contact opnemen met de Omgevingsdienst Twente.
32
Opmerkingen
33
Bijlage 4 Verslagen overleg andere organisaties In deze bijlage zijn de verslagen opgenomen van de overleggen die hebben plaatsgevonden met externe partijen in het kader van de vorige versie van de bodemkwaliteitskaart. Het advies van de GGD is opgenomen in bijlage 7. Verslag overleg SBNS10, Prorail en RWS De drie organisaties hebben verzocht om de gebieden die zij in eigendom hebben aan te merken als de functie Industrie. De deelnemende gemeenten weten niet wat de kwaliteit is van de betreffende gebieden. Grond uit deze gebieden merken de deelnemende gemeenten aan als ‘verdacht’. Dit betekent dat de regels gelden die in het beleid zijn opgenomen voor ‘verdachte locaties’. Om een partij grond uit deze gebieden toe te passen, moet een partijkeuring zijn uitgevoerd om de kwaliteit ervan vast te stellen. De bodemkwaliteitskaart kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Daarom staan zij niet positief tegenover het verzoek van de drie organisaties. Als de bestaande bodemkwaliteit namelijk beter is dan de Industrie dan heeft het de voorkeur om deze kwaliteit aan te houden. Dit is in overeenstemming met de inhoud van het totale beleid. Verslag overleg DLG, Landschap Overijssel en Natuurmonumenten 21 januari 2010 Landschap Overijssel voert verschillende projecten uit waarbij grondverzet plaatsvindt. Dit zijn zowel kleine als grotere (omvang van 1000 – 10.000 m3) projecten.
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in deze regio vraagt om grondverzet. In de meeste gevallen leidt de natuurdoelstelling tot grondafvoer. De bovengrond bevat namelijk vaak teveel voedingsstoffen. Ook de Dienst landelijk gebied (DLG) heeft te maken met de EHS. Het is belangrijk dat de aangewezen gebieden zo snel mogelijk onderdeel uitmaken van de EHS. Grondverzet speelt hier een rol. Dat geldt niet alleen voor het afvoeren van grond. Zowel Landschap Overijssel als de Dienst landelijk gebied zien meerwaarde in het op elkaar afgestemde beleid van de deelnemende gemeenten. Afgesproken is om de drie organisaties op de hoogte te houden over de voortgang van het beleid. Verslag overleg Twence 8 januari 2010 Twence geeft aan dat de functie van een stortplaats met name van belang is voor de toe te passen grond, als leeflaag op de dichte eindafdekking. Deze kan over een periode van tientallen jaren vanaf heden worden aangebracht. Bij het toekennen van een functie aan een stortplaats moet goed worden bekeken of dit ook daadwerkelijk noodzakelijk is. Twence heeft voor toekomstige eindafdekkingen al meer dan 500.000 m3 grond ‘gespaard’. Er is een voorkeur om de functie van een stortplaats aan te merken als Industrie. De deelnemende gemeenten geven aan dat iedere stortplaats anders is. Daarom zijn geen algemene regels in het beleid opgenomen voor stortplaatsen.
Om belemmeringen voor toekomstige ontwikkelingen te voorkomen, wordt bij voorbaat niet de functie Industrie toegekend aan de stortplaatsen. Per stortplaats wordt in overleg met Twence de gewenste bodemkwaliteit vastgesteld.
10
Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen
34
Bijlage 5 Rapportage Regionale bodemkwaliteitskaart Twente Deze bijlage bevat de 'rapportage Regionale bodemkwaliteitskaart Twente'. De rapportage beschrijft de wijze waarop de bodemkwaliteitskaart tot stand is gekomen. En het bevat de ontgravings- en toepassingskaart.
35
Bijlage 6 Gebruik bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Voor het bepalen van de kwaliteit van de ontgraven grond zijn er grofweg twee geldige bewijsmiddelen: de partijkeuring en de bodemkwaliteitskaart. Overige bewijsmiddelen, v.b. certificaat (BRL9335/7500) of fabrikant eigen verklaring, worden buiten beschouwing gelaten. De partijkeuring kan zowel in-situ als ex-situ plaatsvinden. Voor baggerspecie geldt aanvullend dat een waterbodemonderzoek (NEN5720) ook wordt gezien als een geldig bewijsmiddel voor vrijkomend materiaal. Voor het bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem zijn er twee bewijsmiddelen van toepassing: een bodemonderzoek conform de NEN5740 en de bodemkwaliteitskaart. Het bepalen van de kwaliteit van de ontvangende bodem is vooral belangrijk binnen het generiek beleid als de wens bestaat om op een locatie grond met kwaliteit wonen of industrie toe te passen. In de onderstaande tabel is de bepaling toepassingseis conform generiek beleid opgenomen. Tabel Toetsing generiek beleid functie
Kwaliteit ontvangende bodem
Toepassingseis
niet gedefinieerd (landbouw/natuur)
Wonen of industrie
AW2000
Wonen
Wonen
Wonen
Industrie
Wonen
Wonen
Wonen
Industrie
Wonen
Industrie
Industrie
Industrie
Gebiedspecifiek beleid Voor een partij vrijkomende grond ter plaatse van een onverdachte locatie kan de bodemkwaliteitskaart gebruikt worden als bewijsmiddel. Het komt nog vaak voor dat, om diverse redenen, locaties en partijen worden onderzocht met een bodemonderzoek of een partijkeuring. Het hebben van meer detail informatie betekent ook dat we anders om gaan met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Voor een toepassingslocatie is een bodemonderzoek of partijkeuring beschikbaar Voor het bepalen van de toepassingseis voor grond maakt dit niet uit. De toepassingseis is vastgelegd door de gemeente voor deze zone als lokaal maximale waarden. Wel kan op basis van het bodemonderzoek worden beoordeeld of sprake is van een mogelijk geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld wordt in de Wet bodembescherming. Het afdekken van een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft een sanering waarvoor een andere procedure van toepassing is. Voor een ontgraven partij grond is een partijkeuring beschikbaar De partijkeuring is als bewijsmiddel leidend. De bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel komt te vervallen.
Voor een ontgraven partij grond is een bodemonderzoek beschikbaar Dit onderzoek kan worden gebruikt om te beoordelen of de kwaliteit van de locatie waaruit is ontgaven, past bij de kwaliteit van de zone binnen de bodemkwaliteitskaart, waarin de ontgraven locatie gelegen is. Voor deze locaties met slechtere kwaliteit kan de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt als geldig bewijsmiddel.
36
Het kan ook voorkomen dat een bodemonderzoek wordt uitgevoerd op een verdachte locatie. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de kwaliteit wel voldoet aan de kwaliteit van zone. Met het onderzoek is aangetoond dat de verdenking onterecht is, de bodemkwaliteitskaart kan als bewijsmiddel worden gebruikt. De beoordeling is weergegeven in onderstaand schema
Toelichting schema 1. De overschrijding van de interventiewaarde duidt op een potentieel geval van ernstige bodemverontreiniging. De Wet bodembescherming staat ontgraven van een geval zonder instemming van bevoegd gezag niet toe. Bij het aantreffen van een analyseresultaat van een (meng)monster boven de interventiewaarde is een nader bodemonderzoek noodzakelijk. 2. Voor het te ontgraven deel kan de gemiddelde bodemkwaliteit worden bepaald voor de boven en ondergrond. Dit gemiddelde moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse (AW2000/wonen) of lokaal maximale waarden van de zone. Indien dit afwijkt is mogelijk sprake van plaatselijke verontreiniging waardoor de bodemkwaliteitskaart niet representatief is. Een partijkeuring is nodig waarbij de definitieve kwaliteit wordt bepaald. 3. De bodemkwaliteit kan plaatselijk zeer grillig zijn, op korte afstand grote verschillen in concentraties of bijzondere bijmenging hebben. Dergelijke situaties vragen om een expert beoordeling. Hierbij wordt vastgesteld of de kwaliteit op basis van het bodemonderzoek representatief is voor de zone van de bodemkwaliteitskaart waar deze vrijkomt. Als het representatief is, vanwege natuurlijke variatie, is de bodemkwaliteitskaart een geldig bewijsmiddel. Als uit de beoordeling blijkt dat deze niet representatief is dient een partijkeuring te worden uitgevoerd om de definitieve kwaliteit te bepalen.
37
Bijlage 7 Beoordeling en advies GGD Dit betreft het advies van de GGD IJsselland d.d. 29 mei 2018 inzake de Nota Bodembeheer regio Twente en de Bodenkwaliteitskaart Twente (maart 2018). ‘De GGD gaat akkoord met de werkwijze en de resultaten zoals weergegeven in genoemde documenten. De gehanteerde werkwijze heeft betrekking op het standaard stoffenpakket. Deze is aangevuld met de “oudere” stoffen die thans niet meer in het standaard pakket worden meegenomen. Wij juichen deze werkwijze toe omdat bijvoorbeeld een stof als arseen wel gezondheidskundig relevant kan zijn. Ook zijn wij blij met de werkwijze waardoor ongewenste normopvulling wordt voorkomen. Voor toekomstige versies van beide bodembeleidsdocumenten geven wij u in overweging om ook “nieuwe” milieu- en gezondheidskundig relevante stoffen zoals PFOA (perfluorverbindingen) in het beleid te betrekken. PFOA’s zijn zeer mobiel, bio-accumuleren, zijn moeilijk afbreekbaar, beïnvloeden de leverfunctie en zijn mogelijk kankerverwekkend. Ze worden onder andere gebruikt in blusmiddelen en komen daarom voor in bodems van bijvoorbeeld brandweerkazernes en vliegvelden.’
38