Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 1_Bijlagen toelichting_Bijlage 14 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling.pdf
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Bernhardstraat 1 Delden
datum projectnummer
22 maart 2022 200395
Rapport
Aveco de Bondt BV Burgemeester van der Borchstraat 2, 7451 CH Holten Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 548 85 33 33 avecodebondt.nl
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling project projectnummer projectleider
opdrachtgever
status versie auteur gecontroleerd
Bestemmingsplan herontwikkeling locatie Toonladder/Sporthal Delden 200395 Rianne Arendsen Gemeente Hof van Twente Definitief 1 Rianne Arendsen Juul Osinga
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3
Inleiding Aanleiding Toetsingskader Leeswijzer
1 1 1 1
2 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.3 2.3.1 2.3.2
Procedurele en inhoudelijke aspecten Wet- en regelgeving Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht? Is er sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht? Is er sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht? Procedure en betrokken partijen Betrokken partijen Procedure
2 2 3 3 3 4 4 4 4
3 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6 3.2.7 3.3
De vormvrije m.e.r.-beoordeling De plaats en kenmerken van het project Kenmerken van het potentiële effect Archeologie en cultuurhistorie Bodem Water Geluid Luchtkwaliteit Flora en Fauna Externe veiligheid Samenvatting milieueffecten
5 5 8 8 8 9 10 10 10 11 13
4 4.1 4.2
Beoordeling van de effecten en conclusies Conclusie t.a.v. mogelijke aanzienlijke milieueffecten Conclusie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling
14 14 14
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Het voornemen is om op de locatie gelegen aan de Bernhardstraat 1 en De Reigerstraat in Delden woningbouw te realiseren. Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van 44 huurappartementen en 18 grondgebonden woningen. Op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Delden Zuid 2015’ is de voorgenomen ontwikkeling niet toegestaan vanwege de strijdigheid met zowel de bouw- als gebruiksmogelijkheden. Voor dit plan is momenteel een bestemmingsplan in voorbereiding, wat het juridisch-planologische kader vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 1.2 Toetsingskader In deze notitie is de toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. Het Besluit m.e.r. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten wanneer m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Deze aanmeldnotitie betreft de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling op basis waarvan het bevoegd gezag kan besluiten of het mogelijk maken van de ontwikkeling al dan niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure (waaronder het opstellen van een milieueffectrapportage). 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt in gegaan op de huidige wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages.
Vervolgens wordt het beoogde plan getoetst aan deze wetgeving. Hoofdstuk 3 bevat de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. In hoofdstuk 4 worden de conclusies van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling verwoord in een advies aan het bevoegd gezag.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 1/14
2
Procedurele en inhoudelijke aspecten
2.1 Wet- en regelgeving De m.e.r.-procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets. Onderstaande figuur geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn hiervoor.
Figuur 2.1: soorten milieueffectrapportage
Onderstaand zijn de drie vormen van een milieueffectrapportage nader toegelicht: •
•
•
m.e.r-plicht: voor activiteiten die zijn opgenomen op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en de drempelwaarde daarvan overschrijden geldt de directe m.e.r.-plicht. Naast de C-lijst zijn ook plannen waarvoor een passende beoordeling1 opgesteld moet worden m.e.r.-plichtig en kunnen provincies in een provinciale verordening m.e.r.-plichtige activiteiten aanwijzen. Voor deze activiteiten moet een milieueffectrapportage worden opgesteld om de milieugevolgen van de activiteit op de leefomgeving in beeld te brengen zodat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld om de milieugevolgen bij haar afwegingen te betrekken. Voor een zorgvuldige afweging bevat het rapport bovendien alternatieve oplossingen met bijbehorende milieueffecten. m.e.r.-beoordelingsplicht of plan-m.e.r.: voor activiteiten die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en de drempelwaarde overschrijden geldt de (formele) m.e.r. beoordelingsplicht. Indien de activiteit waarvan de drempelwaarde op de D-lijst wordt overschreden mogelijk wordt gemaakt door middel van een plan (kolom 3), dan geldt altijd en direct de plan-m.e.r. vormvrije m.e.r.-beoordeling: voor activiteiten die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. maar niet de drempelwaarde overschrijden geldt de (vormvrije) m.e.r. beoordelingsplicht.
De procedure en inhoud van de ‘vormvrije’ versie is nagenoeg gelijk aan de (formele) m.e.r.-beoordeling. Dat betekent dat voorafgaand aan de activiteit een besluit genomen moet worden of het doorlopen van een m.e.r.-procedure
1 Op basis van artikel 3 lid 1 Besluit m.e.r. geldt voor onder meer bestemmingsplannen niet meer automatisch een m.e.r.-plicht als er
een passende beoordeling moet worden gemaakt. Het gaat om plannen die het gebruik bepalen van kleine gebieden (lid 1 sub a) en voor kleine wijzigingen (lid 1 sub b) van plannen. Voor die plannen kan in eerste instantie worden volstaan met een plan-m.e.r.beoordeling.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 2/14
(opstellen milieueffectrapportage) al dan niet noodzakelijk is. Dit besluit moet worden onderbouwd door middel van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling die aantoont dat de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu c.q. leefomgeving. De inhoud van de beoordeling dient te voldoen aan de criteria zoals opgenomen in ‘bijlage III van de Europese MER richtlijn’. 2.2
Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen
2.2.1 Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht? De eerste vraag die beantwoord moet worden is of voor het project activiteiten plaats vinden waarvoor sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Onderhavige activiteit behoort niet tot één van de activiteiten op de C-lijst. Op basis daarvan is derhalve geen m.e.r.-procedure noodzakelijk. Wettelijke plannen, waarvoor een Passende Beoordeling op grond van de Wet Natuurbescherming nodig is, zijn m.e.r.-plichtig (artikel 7.2a Wet milieubeheer eerste lid). Op basis van het onderzoek naar flora en fauna (soortenbescherming en gebiedsbescherming) blijkt dat het opstellen van een Passende Beoordeling op grond van de Wet Natuurbescherming niet benodigd is (zie paragraaf 3.2). Op basis van artikel 7.2.a lid 1 Wet milieubeheer is er derhalve geen sprake van een m.e.r.-plicht. Door Provinciale Staten kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. De provincie Overijssel heeft een dergelijke aanvulling niet ingevuld. Het provinciaal beleid leidt derhalve niet tot m.e.r.-plicht. 2.2.2 Is er sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht? Er is geen sprake van een directe m.e.r.-plicht, maar mogelijk wel van (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht. Hiervoor is de D-lijst van het Besluit m.e.r. het toetsingskader.
Toetsing aan D-lijst De beoogde ontwikkeling komt voor als activiteit in kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r. (zie tabel 2.1): Tabel 2.1: D-lijst, bijlage, besluit Milieueffectrapportage
D11.2
Kolom 1 Activiteiten
Kolom 2 Gevallen
Kolom 3 Plannen
Kolom 4 Besluiten
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De drempelwaarden in kolom 2 worden door onderhavig plan niet overschreden. Er is derhalve geen sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 3/14
2.2.3 Is er sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht? Het onderhavige plan komt als activiteit voor in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden in kolom 2 worden niet overschreden. De drempelwaarde gaat uit van 2.000 of meer woningen. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 44 huurappartementen en 18 grondgebonden woningen en het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 12.000 m2. Het te nemen besluit (het bestemmingsplan) komt voor in zowel kolom 3 als 4. Het bestemmingsplan is te beschouwen als een 'besluit' in de zin van het Besluit m.e.r.. Op basis van het vorengaande wordt geconcludeerd dat een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zal blijken of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. De (vormvrije) m.e.r. beoordeling wordt aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. 2.3 Procedure en betrokken partijen 2.3.1 Betrokken partijen Bij deze m.e.r.-beoordelingsprocedure is de gemeente Hof van Twente aan te merken als initiatiefnemer en bevoegd gezag. De gemeente stelt ook het bestemmingsplan vast om dit plan mogelijk te maken. 2.3.2 Procedure Op basis van de aanmeldnotitie kan het bevoegd gezag een besluit nemen over de noodzakelijkheid tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken na ontvangst van deze aanmeldingsnotitie of er al of niet een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Het (vormvrije) m.e.r.beoordelingsbesluit vormt een bijlage bij het uiteindelijk te nemen besluit: de vaststelling van het bestemmingsplan. Er staat bij een m.e.r.-beoordeling geen direct beroep en bezwaar open. Beroep en bezwaar vindt plaats in het kader van de procedure van het bestemmingsplan.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 4/14
3
De vormvrije m.e.r.-beoordeling
De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De beoordeling dient te worden uitgevoerd op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema’s: • • •
de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
3.1 De plaats en kenmerken van het project Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: A. B. C. D. E. F. G.
de omvang van het project; de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling).
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: H. het bestaande grondgebruik, I. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied, J. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: • wetlands, oeverformaties, riviermondingen • kustgebieden • berg- en bosgebieden • natuurreservaten en -parken • gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; • gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen • gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid • landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang A. de omvang van het project Het plangebied is gelegen aan de Bernhardstraat 1 en De Reigerstraat in Delden. Het plangebied staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Stad-Delden, sectie A, nummers 6091, 7429, 7430, 8585, 9026, 9027 en 9611 gedeeltelijk en heeft een oppervlakte van ca. 12.000 m2.
Het plangebied bestaat uit twee delen, de gronden van het parkeerterrein, de sporthal de Reiger en café de Boemel aan De Reigerstraat en de schoollocatie de Toonladder aan de Bernhardstraat 1 te Delden.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 5/14
Met het vrijkomen van de sporthal en de schoollocatie zijn er mogelijkheden ontstaan om op deze locatie woningbouw te ontwikkelen. Het voornemen is om 44 huurappartementen en 18 grondgebonden woningen te realiseren. B. de cumulatie met andere projecten In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Naast de reguliere materialen en hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving worden geen natuurlijke hulpbronnen gebruikt in het onderhavige plan. Woningen worden bovendien niet meer aangesloten op aardgas (fossiele brandstof) en kennen een hoge energieprestatie. Het gebruik van afvalstoffen vormt naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. D. de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van onderhavig plan en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen afkomstig van de woningen.
De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. E. verontreiniging en hinder In de sloop en aanlegfase kan tijdelijk sprake zijn van verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Deze situatie is tijdelijk en leidt niet tot mogelijk belangrijke milieugevolgen. In de gebruiksfase worden ten gevolge van de activiteiten geen belangrijke nadelige effecten verwacht. Verder leidt dit project niet tot onevenredige aantasting van beschermde natuurgebieden.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 6/14
F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering De realisatie en ingebruikname van de woningen betreft geen risicovolle inrichting. Er ligt wel één risicobron direct grenzend aan het plangebied. Het gaat om de spoorlijn Zutphen-Hengelo. In paragraaf 3.2 wordt hier verder op ingegaan. Hieruit blijkt dat er geen risico is. Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. In paragraaf 3.2 wordt daar verder op ingegaan als onderdeel van het aspect water. G. risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling) Bij de functie welke mogelijk worden gemaakt bij voorgenomen ontwikkeling (wonen) ontstaat er geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. H. het bestaande grondgebruik Het plangebied kent binnen het bestemmingsplan ‘Delden Zuid 2015’ de bestemmingen ‘Maatschappelijk’, ‘Sport’ en ‘Horeca’. Binnen het plangebied is de bebouwing en verharding van de voormalige school, sporthal en café aanwezig. I.
relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied en is grotendeels bebouwd en verhard. Het plangebied en de omgeving hebben geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen, waardoor maar beperkt sprake is van kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen. In paragraaf 4.2 is nader ingegaan op de (potentieel) aanwezige natuurwaarden. J.
het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: Het plangebied maakt ook geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Lonnekermeer op ca. 8,9 km afstand van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het plangebied. Het plangebied en omgeving ligt niet in een gebied waar sprake is van een overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit (zie paragraaf 3.2). Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de Gemeente Hof van Twente ligt het plangebied in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Voor het plangebied is een archeologisch bureau en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan kan het plangebied op archeologische gronden vrijgegeven, hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 3.2.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 7/14
3.2 Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria die besproken zijn onder paragraaf 3.1 (de plaats en kenmerken van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: • • • • • • • •
de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten; de aard van het effect; het grensoverschrijdend karakter van het effect; de intensiteit en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
De mogelijke milieueffecten worden, indien aan de orde, aan de hand van de verschillende relevante thema’s beschreven.. 3.2.1 Archeologie en cultuurhistorie Potentiële effecten ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie zijn met name gerelateerd aan verstoring van eventueel aanwezige archeologische waarden en aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen binnen het plangebied. Op basis van het uitgevoerde archeologisch booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van wat diepere grondsporen. Het archeologisch belang van dergelijke, meestal wat geïsoleerde sporen is over het algemeen laag. Om deze reden adviseren we geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Het advies van Laagland Archeologie wordt overgenomen. Het plangebied wordt, op archeologische gronden, vrijgegeven. Het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden onverwachts toch archeologische waarden worden aangetroffen geldt, op grond van de Erfgoedwet, art. 5.10 en 5.11, een meldingsplicht bij de minister. Binnen het plangebied en in de directe omgeving is er geen bebouwing aanwezig welke aangemerkt is als Rijksof gemeentelijk monument of als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Tevens is het plangebied niet gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie geen belangrijke gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.2 Bodem Potentiële effecten ten aanzien van bodem zijn op voorhand niet te verwachten. Er wordt geen activiteit mogelijk gemaakt die een mogelijk bodemrisico met zich mee brengt. Wel is er op dit moment nog sprake van bodemverontreiniging. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken dient ten aanzien van bodemverontreinigingen in de ondergrond rekening gehouden te worden met een geval van ernstige bodemverontreiniging op de schoollocatie. Het geval van ernstige bodemverontreiniging betreft een verontreiniging met minerale olie in de grond, welke sterk verhoogd ter plaatse van meerdere boorpunten in voorgaande bodemonderzoek is aangetroffen, op een diepte van 1,0 tot
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 8/14
circa 2,0 m-mv op een gebied met een oppervlakte van circa 120 m2. De verontreiniging is daarnaast licht tot matig verhoogd op een oppervlakte van circa 240 m2. De verontreiniging is echter inpandig niet vastgelegd en de omvang kan dus afwijken. Daarnaast is een contour van circa 400 m2 het grondwater verontreinigd boven de streefwaarde, waarvan een gering deel (circa 25 m2 verontreinigd is boven de interventiewaarde). Ook hiervoor geldt dat de inpandige situatie niet is vastgelegd. De herkomst van de verontreiniging betreft een lekkende HBOtank, welke pas na 2001 geleegd is. Onbekend is of de tank en het leidingwerk verwijderd is. Er dient nog aanvullend onderzoek plaatsvinden om de totale omvang in beeld te brengen, dit kan pas in een later stadium als het gebouw gesloopt is. Daarnaast is er ter hoogte van de sporthal sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met somPAK, met een oppervlakte circa 200 m2, welke gesaneerd dient te worden. Wanneer de verontreiniging verder onderzocht is na de sloop en de gehele verontreiniging gesaneerd is, is de bodemkwaliteit geschikt voor het beoogde gebruik. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. Wel moet de bodem gesaneerd worden voordat wonen mogelijk is op deze percelen.
3.2.3 Water Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. De gemeente Hof van Twente is een memo opgesteld, waarmee de waterhuishouding in het plangebied in beeld is gebracht. Het afvalwater wordt, gescheiden van hemelwater, aangesloten op het gemengde rioolstelsel in de omliggende straten. Er wordt rekening gehouden met 55 mm waterberging (eis vanuit het Waterschap Vechtstromen). Op basis van het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied (6.800 m 2), is de totale bergingsopgave in het plangebied circa 374 m3. De waterberging zou gevonden kunnen worden in groenblauwe daken, in de geprojecteerde waterpartij en/of waterberging ter plaatse van de parkeervakken (de voorkeur is dat dit zoveel mogelijk bovengronds wordt uitgevoerd). Voor het deel ten noorden van De Reigerstraat wordt gedacht om het hemelwater bovengronds op het parkeerterrein te bergen. Door de parkeervakken te vergroenen kan het hemelwater geleidelijk worden geïnfiltreerd, waarna het geïnfiltreerde hemelwater via een drain wordt afgevoerd naar de bestaande watergang parallel aan de spoorlijn / De Reigerstraat.
Daarbij kan ook gebruik worden gemaakt van waterberging in de geprojecteerde in de noordoosthoek van het plangebied. Vanuit hier kan een afvoer worden gecreëerd – zo nodig via een debiet regulerend kunstwerk - naar de bestaande watergang parallel aan de spoorlijn / De Reigerstraat. Voor het deel tussen De Reigerstraat en Cremerstraat geldt hetzelfde; het hemelwater zou centraal in dit deel van het plangebied geborgen kunnen worden, waarbij het overtollige hemelwater afgevoerd wordt naar het bestaande IT en DT-riool in De Reigerstraat respectievelijk Cremerstraat. Als gevolg van de klimaatverandering nemen extreme neerslaggebeurtenissen toe. Om schade aan gebouwen te voorkomen worden ontwikkelingen getoetst aan zogenaamde stresstest. Voor dit plan houdt dat in dat een bui van 70 mm (in 1 uur) geen schade mag veroorzaken. Bij de inrichting van het plangebied moeten de drempels van de woningen daarom bij voorkeur 0,30 m boven straatpeil aangelegd worden; nog na te gaan in hoeverre is dat hier mogelijk is. Op deze wijze ontstaat er bij een extreme bui geen overlast of waterschade in de woningen.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 9/14
Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke nadelige gevolgen zijn voor het milieu. Er wordt met de uitwerking rekening gehouden met de klimaatverandering. 3.2.4 Geluid Met voorgenomen ontwikkeling wordt er geen functie gerealiseerd welke geluidsoverlast veroorzaakt. Met voorgenomen ontwikkeling treedt er geen hinder wat betreft geluid op voor de omgeving. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geluid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.5 Luchtkwaliteit Potentiële effecten ten aanzien van luchtkwaliteit zijn met name gerelateerd aan de toename van het aantal verkeersbewegingen die het plan met zich mee brengt. Daarnaast dient de luchtkwaliteit in het gebied in beschouwing te worden genomen. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling een gevoelige functie betreft is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van de verschillende bronnen (RIVM en Atlas leefomgeving) gekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde normen. Uit die monitor blijkt dat nabij het plangebied in het peiljaar 2019 geen overschrijding van een grenswaarde bestaat. De waarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof blijven ruim onder de geldende normwaarden.
Gebleken is dat de voorgenomen ontwikkeling geen significante verslechtering van de luchtkwaliteit veroorzaakt. Binnen het plangebied worden 44 huurappartementen en 18 grondgebonden woningen gerealiseerd met twee ontsluitingswegen. Dit aantal woningen valt ruim binnen de grenswaarde van 3% en zal derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De bestaande luchtkwaliteit voldoet ruimschoots aan de normen in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.6 Flora en Fauna Potentiële effecten ten aanzien van flora en fauna zijn met name gerelateerd aan soortenbescherming binnen en direct rondom het plangebied en gebiedsbescherming van natuurgebieden. Effecten ontwikkeling op gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Lonnekermeer op ca. 8,9 km afstand van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het plangebied.
Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Delden, de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de beperkte impact van de ingreep (reguliere sloop- en bouwwerkzaamheden), kan een significante verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden oppervlakteverlies, optische verstoring, licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Emissie van stikstof kan echter over grotere afstand de natuur beïnvloeden.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 10/14
Voor de voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-calculatie uitgevoerd. De stikstofemissie als gevolg van de verkeersgeneratie welke ontstaat van en naar de toekomstige woningen is in beeld gebracht. Uit deze AERIUScalculatie blijkt dat de stikstofemissie in de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Effecten ontwikkeling op soortenbescherming Ter hoogte van het plangebied is een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die mogelijk gedood worden of waarvan de vaste rust- en/of voortplantingsplaats mogelijk beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
Als gevolg van voorgenomen herontwikkeling van het plangebied als woningbouwlocatie, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdiersoorten niet af. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van flora en fauna geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.7 Externe veiligheid Potentiële effecten ten aanzien van externe veiligheid zijn met name gerelateerd aan de aanwezigheid van risicobronnen in de omgeving van het gebied en/of de realisatie van risicovolle inrichtingen binnen het plan. Binnen het plangebied wordt geen risicovolle inrichting mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied is één relevante risicobronnen gesitueerd die van invloed zouden kunnen zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Het betreft de volgende risicobron: •
Ten noorden, direct grenzend aan het plangebied, ligt de spoorlijn Hengelo-Zutphen, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze transportroute is onderdeel van het Basisnet.
Het is van belang om de externe veiligheidsrisico's van deze spoorlijn in beeld te brengen. Er is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd om dit in beeld te brengen. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken: Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan de oriëntatiewaarde en neemt niet toe door de voorgenomen ontwikkeling. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 11/14
bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van externe veiligheid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 12/14
3.3 Samenvatting milieueffecten In tabel 3.1 zijn de conclusies van de beoordeling van de potentiële effecten van de ontwikkeling samengevat en is aangegeven of het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. (milieu)Thema
Conclusie beoordeling potentiële effecten Doorlopen m.e.r.-procedure noodzakelijk
Archeologie en cultuurhistorie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
Nee
Bodem
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem Nee geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. Wel dient er eerst gesaneerd te worden voordat het in gebruik wordt genomen voor de bestemming wonen.
Water
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
Nee
Geluid
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geluid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
Nee
Luchtkwaliteit
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
Nee
Flora en Fauna
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van Nee soortenbescherming en gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
Externe veiligheid
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van externe Nee veiligheid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 13/14
4
Beoordeling van de effecten en conclusies
4.1 Conclusie t.a.v. mogelijke aanzienlijke milieueffecten Het voornemen om woningbouw te realiseren binnen het plangebied heeft geen nadelige gevolgen voor het milieu. Wanneer er geen ‘nadelige gevolgen’ zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. 4.2 Conclusie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling Op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van deze m.e.r.-beoordeling, kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert. Geadviseerd wordt om de gemeente Hof van Twente op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.
datum referentie
22 maart 2022 200395_AdB_RAP_0001_v1
P 14/14