Buitengebied Hof van Twente, herziening Plasdijk 6 Markelo 2022_Bijlagen bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
Buitengebied Hof van Twente, herziening Plasdijk 6 Markelo 2022
Datum: Fase: Planid:
vastgesteld NL.IMRO.1735.BGxplsdk6x22-VS10
BESTEM
Buitengebied Hof van Twente, herziening Plasdijk 6 Markelo 2022
Buitengebied Hof van Twente, herziening Plasdijk 6 Markelo 2022
Inhoudsopgave
2
Bijlagen bij de toelichting
3
Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek Plasdijk 6
4
Bijlage 2
Flora- en faunaonderzoek
85
Bijlage 3
vooroverleg Waterschap Vechtstromen
107
Bijlage 4
Zienswijzennotitie
111
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Plasdijk 6 Markelo 2022
Bijlagen bij de toelichting
vastgesteld
3
Buitengebied Hof van Twente, herziening Plasdijk 6 Markelo 2022
Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek Plasdijk 6
4
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Plasdijk 6 Markelo 2022
Bijlage 2 Flora- en faunaonderzoek
vastgesteld
85
quick scan flora en fauna
Plasdijk 6, Markelo
Gemeente Hof van Twente
Datum: 26 februari 2009 Projectnummer: 90117
INHOUD
1
Inleiding
1
1.1 1.2
Aanleiding Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen
1 1
2
Wettelijke kader
3
2.1 2.2
Gebiedsbescherming Soortenbescherming
3 3
3
Toetsing
5
3.1 3.2
Onderzoeksmethodiek Beschermde gebieden
5 5
4
Conclusie
11
4.1 4.2 4.3 4.4
Gebiedsbescherming Soortenbescherming Consequenties Aanbevelingen
11 11 12 13
Bijlage 1: globaal overzicht gegevens van Natuurloket
1
Bijlage 2: geraadpleegde bronnen
1
1
Inleiding
1.1
Aanleiding In Markelo (gemeente Hof van Twente, provincie Overijssel) bestaat het voornemen om aan de Plasdijk de bestaande bebouwing rondom een in onbruik geraakte molen te slopen. Hiervoor in de plaats zal nieuwbouw worden gerealiseerd. De nieuwbouw zal worden geïntegreerd met de te behouden molenromp. Daarnaast bestaat het voornemen ten zuiden van de molenromp één nieuwe woning op te richten. Eén van de haalbaarheidsstudies die hiervoor dient te worden uitgevoerd is toetsing aan de natuurregelgeving. Voorliggende quick scan flora en fauna is opgesteld door SAB Arnhem B.V. en geeft een eerste inzicht in de doorwerking van de natuurwetgeving in het plangebied.
Afbeelding 1: rechts: uitsnede uit topografische kaart (1:69.000). Links, luchtfoto (Live Search Maps). De rode omlijning geeft de ligging van het plangebied weer.
Voordat ruimtelijke ingrepen mogen plaatsvinden moet eerst een onderzoek plaatsvinden in het kader van de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet en eventuele andere natuurregelgeving. Bij deze activiteit moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Voorliggend onderzoek is een quick scan waarin op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning uitspraken zijn gedaan over de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied. Het plangebied is beoordeeld op geschiktheid voor beschermde planten en diersoorten en de verwachte effecten op deze soorten. Dit heeft geresulteerd in conclusies en aanbevelingen. Deze quick scan is uitgevoerd op basis van de momenteel geldende uitwerking en interpretatie van beleid en wetgeving.
1.2
Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen Markelo, (gemeente Hof van Twente) is gelegen in een relatief kleinschalige, agrarische omgeving. De aanwezige weide- en akkergronden worden vaak omzoomd door houtwallen en bomensingels. Dit maakt de omgeving van Markelo tot een waardevol landschap. Het plangebied aan de Plasdijk is omringd door kleinschalige percelen die in gebruik zijn als schapenweide of als tuin worden gebruikt. In de directe omgeving staan veel
bomen Het plangebied zelf bestaat uit een verhard terrein met enkele opstallen waaronder een vervallen molenromp. De beoogde ingrepen bestaan uit het slopen van alle gebouwen met uitzondering van de molenromp. Binnen het plangebied zal een woonhuis met bijgebouwen worden gerealiseerd. De molenromp zal worden geïntegreerd in een nieuw te bouwen gebouw.
Afbeelding 2: Boven: Impressie plangebied aan de Plasdijk te Markelo (foto’s SAB). Onder: schetsen van de huidige situatie (linksonder) en de toekomstige situatie (rechtsonder). De rode cirkel geeft de ligging van de molenromp aan. Het groene vlak geeft de ligging van een vaste rust- of verblijfplaats aan van een beschermde soort (zie soortbescherming).
2
Wettelijke kader Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet 1998 en de Ecologische Hoofdstructuur. Soortenbescherming komt voort uit de Flora- en faunawet.
2.1
Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998. Hierin zijn de reeds bestaande staatsnatuurmonumenten ook opgenomen. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen. Anders dan bij gebieds- en soortbescherming is de status als EHS niet verankerd in de natuurwetgeving, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
2.2
Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is de Flora- en faunawet bepalend. De Flora- en faunawet is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Deze wet heeft de beschermingsregels, zoals die ook in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, overgenomen en voor de Nederlandse situatie toegepast. Deze bescherming is als volgt in de Flora- en faunawet opgenomen: het is verboden beschermde plantensoorten te plukken, verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen (artikel 8); het is verboden beschermde diersoorten te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen (artikel 9), opzettelijk te verontrusten (artikel 10) en hun nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren (artikel 11).
De procedurele consequenties zijn afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden beïnvloed. Kortweg kunnen drie beschermingsregimes worden onderscheiden: 1 beschermingscategorie 1: Een groot aantal beschermde soorten is in Nederland algemeen voorkomend. Op basis van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten uit de Flora- en faunawet mogen ruimtelijke ingrepen worden uitgevoerd die tot effect hebben dat de verblijfsplaatsen van deze soorten worden aangetast; 2 beschermingscategorie 2: Voor beschermde soorten die minder algemeen zijn en extra aandacht verdienen, kan een vrijstelling (behalve voor het opzettelijk verontrusten) verkregen worden als de initiatiefnemer een goedgekeurde gedragscode heeft. Indien dit niet het geval is dient voor deze categorie een ontheffing aangevraagd te worden. Als wordt gehandeld volgens een goedgekeurde gedragscode geldt deze naast de bovengenoemde soorten ook voor vogels. In zo’n gedragscode worden gedragslijnen aangegeven die men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen. Ontheffing is, als wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode, voor deze soorten alleen nog nodig als werkzaamheden afwijkend van de gedragscode worden uitgevoerd; 3 beschermingscategorie 3: Voor ongeveer honderd zeldzame soorten geldt géén vrijstelling als het gaat om ruimtelijke ingrepen.
Ontheffingen voor deze groep soorten worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingrepen vanwege dwingende redenen van groot openbaar belang dienen plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Deze uitgebreide toets geldt ook voor alle vogelsoorten. Als een ruimtelijke ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Flora- en faunawet. Voor aantastingen van verblijfplaatsen en belangrijke (onderdelen) van leefgebieden van meer strikt beschermde soorten, is ontheffing ex. Artikel 75 van de Flora- en faunawet nodig van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Verder geldt altijd artikel 2 van de Flora- en faunawet, een zorgplichtbepaling. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving.
3 3.1
Toetsing Onderzoeksmethodiek Het Natuurloket geeft in de kilometerhokken waarbinnen het plangebied en haar invloedsgebied is gelegen (233 - 474 en 233 - 475), het voorkomen van beschermde zoogdieren weer (Bijlage 1). Binnen deze kilometerhokken zijn de meeste soortgroepen niet of slecht onderzocht. Omdat het plangebied maar een klein onderdeel uitmaakt van het betreffende kilometerhok en omdat de beschikbare Natuurloketgegevens in dit geval niet van voldoende kwaliteit zijn, is besloten geen aanvullende gegevens op te vragen maar de quick scan vooral te baseren op de biotoopinschatting door een ecoloog van SAB Arnhem B.V. Bij het opstellen van de quick scan flora en fauna is verder gebruik gemaakt van bestaande atlasgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen et al., 1992), De Zoogdieren van Overijssel (Bode et al., 1999), Atlas van de Nederlandse vleermuizen (Limpens, et al., 1997) en diverse websites die informatie verschaffen omtrent de verspreiding van soorten. Deze bronnen vermelden soortgegevens uurhokken (5 bij 5 kilometer), dit betekent dat het globale gegevens betreft. Bijlage 2 vermeldt de geraadpleegde bronnen. In februari 2009 heeft een ecoloog van SAB Arnhem B.V. het plangebied en de directe omgeving verkend.
Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid voor de verschillende soortengroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie; het eenmalige veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.
3.2
Beschermde gebieden Natuurbeschermingswet 1998 Het plangebied aan de Plasdijk te Markelo ligt niet in of nabij een gebied dat is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het dichtstbijzijnde beschermde natuurgebied (Habitatrichtlijngebied De Borkeld) ligt op een afstand van 1700 meter (hemelsbreed gemeten). Gezien de afstand, relatief hoge verstoringsgraad van de omgeving, de afwezigheid van een directe verbinding of andere relatie met het beschermde gebied en de afwezigheid van overeenkomstig habitat zijn negatieve effecten op het beschermde gebied uit te sluiten. Er zijn alleen lokaal effecten te verwachten op flora en fauna. Ecologische Hoofdstructuur Het plangebied aan de Plasdijk te Markelo ligt niet in of nabij een gebied dat is aangewezen in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het dichtstbijzijnde natuurgebied dat is aangewezen als onderdeel van de EHS ligt op een afstand van 1300 meter (hemelsbreed gemeten). Gezien de afstand, de relatief hoge verstoringsgraad van de omgeving en de afwezigheid van een directe verbinding of andere relatie met het beschermde gebied zijn negatieve effecten op het beschermde gebied uit te sluiten. Er zijn alleen lokaal effecten te verwachten op flora en fauna.
Voorkomen van beschermde soorten In het kader van de Flora- en faunawet moet worden getoetst of ter plaatse van de ruimtelijke ingrepen sprake is/kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde ontwikkelingen kunnen biotoopverlies of verstoring (indirect biotoopverlies) tot gevolg hebben. Vaatplanten Binnen het plangebied zijn geen potentiële natuurlijke groeiplaatsen voor beschermde plantensoorten aanwezig. Het grootste deel van het plangebied bestaat uit verhard terrein. De delen die niet verhard zijn, bevatten alleen zeer algemene plantensoorten die kenmerkend zijn voor een verstoord en voedselrijk biotoop. Van een stabiel ecosysteem is geen sprake en bijzondere groeiplaatsen zijn niet aanwezig. Strikt beschermde vaatplanten worden binnen het plangebied niet verwacht. Aangeplante of gezaaide exemplaren van beschermde soorten (in bijvoorbeeld tuinen) zijn niet beschermd in de Flora- en faunawet, omdat het geen natuurlijke groeiplaatsen betreft.
Grondgebonden zoogdieren Volgens verspreidingsgegevens (Broekhuizen et al., 1992; Bode et al., 1999) komen in de omgeving van het plangebied soorten als Egel (Erinaceus europaeus), Bosspitsmuis (Sorex spec.), Huisspitsmuis (Crocidura russulla), Mol (Talpa europaea), Wezel (Mustela nivalis), Bunzing (Mustela putorius), Ree (Capreolus capreolus), Rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus), Aardmuis (Microtus agrestis), Veldmuis (Microtus arvalis), Bosmuis (Apodemus sylvaticus), Haas (Lepus europaeus), Konijn (Oryctolagus cuniculus) en de meer strikt beschermde soorten Eekhoorn (Sciurus vulgaris), Steenmarter (Martes foina) en Das (Meles meles) Binnen het plangebied staan enkele, niet meer in gebruik zijnde gebouwen. De onverharde delen zijn begroeid met grassen en kruiden. Aan de randen van het plangebied staan bomen. Aan weerszijden van het plangebied ligt een tuin, de zuidkant van het plangebied grenst aan een schapenweide. Vaste rust- en verblijfsplaatsen van algemeen voorkomende soorten als egel (Erinaceus europeus), huisspitsmuis (Crocidura russula) en mol (Talpa europea) zijn niet uit te sluiten. Voor deze soorten, die onder het eerste lichte beschermingsregime vallen, geldt een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfsplaatsen.
Eekhoorn Gezien de afwezigheid van voldoende naaldbomen, eiken en/of beuken (voedselbomen) en de aard van het omliggende gebied (schapenweide, tuinen) is het onwaarschijnlijk dat de eekhoorn in het plangebied voorkomt. De aanwezige bomen blijven volgens de plannen ook bestaan na realisatie van de plannen. Het plangebied is gedurende de ingrepen en na afloop daarvan in dezelfde mate geschikt als nu het geval is. Negatieve effecten van de beoogde plannen op vaste rust- of verblijfplaatsen van eekhoorns zijn dus niet te verwachten. Steenmarter De strikt beschermde steenmarter komt volgens verspreidingsgegevens (Broekhuizen et al, 1992; Bode et al., 1999) ook voor in en/of in de omgeving het plangebied. De steenmarter is een soort die voorkomt in of nabij grote steden, dorpen en boerenerven, en lijkt zich aan de menselijke bebouwing te hebben aangepast. Alle bebouwing
was ten tijde van het verkennende veldbezoek toegankelijk. Er zijn geen sporen waargenomen die wijzen op aanwezigheid van steenmarters in het plangebied. Op basis van de afwezigheid van sporen in het plangebied is het voorkomen van vaste rust- en verblijfsplaatsen van de steenmarter niet waarschijnlijk. Negatieve effecten van de beoogde plannen op vaste rust- of verblijfplaatsen van steenmarters zijn niet te verwachten Boommarter De boommarter komt hoofdzakelijk in bebost gebied met een voorkeur voor naaldbos of gemengd bos voor; soms ook in meer open terrein, mits voldoende bosjes en lijnvormige elementen als heggen en houtwallen aanwezig zijn. Het is een erg schuwe soort. Op basis van de huidige biotoop (veelal verhard terrein, enkele opstallen, een schapenweide en tuinen), de relatief hoge verstoringsgraad en de afwezigheid van geschikt habitat, is het voorkomen van de boommarter uit te sluiten binnen het plangebied. Negatieve effecten van de beoogde plannen op vaste rust- of verblijfplaatsen van boommarters zijn niet te verwachten Das Gezien de biotoop (veelal verhard terrein, enkele opstallen, een schapenweide en tuinen) is het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen alsmede het gebruik van het plangebied als foerageerplaats van de das niet waarschijnlijk. Ook zijn geen sporen van deze soorten aangetroffen in het plangebied.
Negatieve effecten van de beoogde plannen op vaste rust- of verblijfplaatsen van dassen zijn niet te verwachten Vleermuizen Volgens de verspreidingsgegevens (Limpens et al., 1997) komen in de omgeving van het plangebied Baardvleermuis (Myotis mystacinus), Franjestaart (Myotis nattereri), Watervleermuis (Myotis daubentonii), Meervleermuis (Myotis dasycneme), Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), Rosse vleermuis (Nyctalus noctula), Laatvlieger (Eptesicus serotinus) en Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) voor. Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd in de Flora- en faunawet. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en Laatvlieger (Eptesicus serotinus) en boombewonende soorten als Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en Watervleermuis (Myotis daubentonii). Daarnaast zijn soorten die van beide elementen gebruik maken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen enz). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten en spleten en achter loshangende schors).
De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. In de huidige situatie is het plangebied deels bebouwd. Met name de gebouwen die tegen de molenromp zijn gebouwd, zijn op verschillende plaatsen mogelijk geschikt als vaste rust- of verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten vleermuizen (Zie afbeelding 3).
Afbeelding 3: huidige bebouwing in het plangebied. De witte pijlen geven voorbeelden van mogelijke schuilplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aan.
Door de aanwezigheid van schuilmogelijkheden voor vleermuizen zijn negatieve effecten van de beoogde plannen op vaste ruist- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten vleermuizen niet op voorhand uit te sluiten. Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangende schors. Aan de oost- en zuidkant van het plangebied staan verschillende bomen van voldoende omvang om vaste rust- en verblijfplaatsen voor boombewonende soorten vleermuizen te herbergen. De dichtstbijzijnde bebouwing staat in de huidige situatie op een afstand van ongeveer 6 meter. Na realisatie van de plannen staat de dichtstbijzijnde bebouwing op een afstand van ongeveer 9 meter. Dit betekent een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De bomen worden ook niet aangetast door realisatie van de plannen. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende soorten zijn niet te verwachten. De bomen aan de oost- en zuidkant van het plangebied kunnen fungeren als vliegroute voor vleermuizen. Soorten maken vaak jarenlang gebruik van vaste aanvliegroutes tussen verblijfplaats en foerageergebied, daarom kan het behoud van lijnelementen cruciaal zijn voor de instandhouding van het leefgebied. De aanwezige bomen blijven behouden na realisatie van de plannen. De afstand tot de bebouwing is in de nieuwe
situatie groter dan in de huidige situatie. Om deze reden zijn negatieve effecten op aanvliegroutes van vleermuizen uit te sluiten.
Vogels Alle vogelsoorten zijn beschermd tijdens het broedseizoen. Het betreft dan met name de actieve broedplaatsen en vaste verblijfplaatsen. Voor de meeste vogels loopt het broedseizoen van half maart tot half juli. Het plangebied met struweel en bomen is geschikt als broedgelegenheid voor veel vogels. Sommige vogelsoorten zoals uilen en spechten gebruiken hun nesten jaarrond als verblijfplaats. Ook buiten het broedseizoen hebben nesten van deze vogels een beschermde status. Tevens zijn nesten van in bomen broedende roofvogels jaarrond beschermd. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende soorten waargenomen: Staartmees (Aegithalos caudatus), Gaai (Garrulus glandarius), Koolmees (Parus major), Zwarte Kraai (Corvus corone), Vink (Fringilla coelebs) en Roodborst (Erithacus rubecula). In de aanbouw bij de molenromp zijn een grote hoeveelheid braakballen aangetroffen van Kerkuil (Tyto alba). Uiteindelijk is de soort ook waargenomen (zie afbeelding 4)
Afbeelding 4: linksboven, kalksporen op de muur. Linksonder: grote hoeveelheden braakballen. De zaklamp is ter referentie van de grootte van de braakballen. Rechts: Kerkuil (Tyto alba) in de kap van de uitbouw aan de molenromp.
De aanbouw waarin de kerkuil zijn vaste rust- en verblijfplaats heeft (zie groene vlak afbeelding 2), wordt bij de realisatie van de plannen gesloopt. Negatieve effecten treden met zekerheid op.