Buitengebied Hof van Twente, herziening Herikerweg 31 Markelo_Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
Datum: Fase: Planid:
vastgesteld NL.IMRO.1735.BGxHerikrwg31x2022-VS10
BESTEMMINGSPLAN
Buitengebied Hof van Twente, herziening Herikerweg 31 Markelo
Buitengebied Hof van Twente, herziening Herikerweg 31 Markelo
Buitengebied Hof van Twente, herziening Herikerweg 31 Markelo
Inhoudsopgave
2
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
4
Bijlage 2
Bodemonderzoek
21
Bijlage 3
AERIUS-berekening
145
Bijlage 4
Quickscan Ecologie
174
Bijlage 5
Watertoets
207
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Herikerweg 31 Markelo
Bijlagen bij toelichting
vastgesteld
3
Buitengebied Hof van Twente, herziening Herikerweg 31 Markelo
Bijlage 1 Ruimtelijk kwaliteitsplan
4
vastgesteld
Ruimtelijk kwaliteitsplan “Klompjan” Herbestemming / Rood voor Rood Herikerweg 35 Markelo Inhoud 1. Aanleiding 2. Huidige situatie 3. Beleid 4. Uitgangspunten 5. Plan 6. Herbestemming schöppe tot woning 7. Inspiratie / te realiseren schuurwoning RvR
20220907
erf rond 1960
1. Aanleiding
Aan de Herikerweg 31 te Markelo is een oude boerderij gelegen waarvan de oorsprong ligt rond 1600, gesticht als caterstede. In 1609 was er een eerste melding in het markeboek. In 1634 kreeg de totaal verarmde Luycken Huisken een gratis “streppel”veldgrond van het markesbestuur. Door de eeuwen heen is de boerderij meerder malen van eigenaar gewisseld. Omstreeks 19123 kwam het gezin van Gerrit Jan Breukink vanuit Rijssen op erve Huisken wonen. Jan Breukink die Klompjan werd genoemd, was geboren in Holten. In 1938 kwam vanuit het Elsenerbroek de fam. Brinkers naar de boerderij. Na het overlijden van Dirk Brinkers en met het vertrek van zijn familie werd door de gemeente Rijssen, welke eigenaar was van de boerderij via een openbare verkoop verkocht aan aannemersbedrijf Nijhuis te Rijssen. Deze stichtte hier een camping. Beheerd door de fam. Gootjes wonend op de boerderij. In 1990 werd de camping verkocht waarna er een AZC werd gevestigd. In 2012 werd het het asielzoekerscentrum gesloten en werden de bijbehorende opstallen verwijderd. De oorspronkelijke gebouwen bevinden zich thans nog op dit door hoge eiken en groen omzoomde erf. Landschappelijk waardvol gezien beplanting en ensemble van dit oude erf, ligt op korte afstand van elkaar de boerderij met endskamer, schöppe, schaapskooi, kapschuur en de camping periode tot bijgebouw verbouwde kippenhokken.
Gelet op het ensemble heeft de initiatiefnemer het idee opgevat om een nieuw woonerf te ontwikkelen. Er is daarmee een kans op versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Bij het nieuwe woonerf is sprake van een drietal woningen. De bestaande boerderij Herikerweg 31 . Het herbestemmen van de “schöppe” toe woning en de andere schuurwoning wordt verkregen op basis van het gemeentelijk KGO beleid. Daarin zijn mogelijkheden opgenomen via de zogeheten Rood voor Rood regeling mits er 1000 m2 wordt gesloopt. Om de ontwikkeling mogelijk te maken eist de gemeente een landschappelijke inpassing van het plangebied inclusief een ruimtelijke onderbouwing. In dit document wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet door middel van een ruimtelijk kwaliteitsplan. Er wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en het omliggende landschap. Daarna worden het beleid en de uitgangspunten van de actoren in beeld
gebracht. Dit vormt de basis voor de beschrijving van de nieuwe situatie, inclusief de landschappelijke inpassing die voldoet aan het beleid opgesteld door de gemeente Hof van Twente.
2. Huidige situatie
Het plangebied ligt in een reliëfrijk landschap waarbij dekzandvlakten worden afgewisseld met beekdalen (Holtbeek). Het landschap is ontstaan tijdens de laatste ijstijd waarbij hoogteverschillen zijn bepaald door het landijs en de wind. Nabij het plangebied was er sprake van diverse hoogteverschillen die minder zijn geworden of zijn verdwenen door de schaalvergroting en de moderne landbouw. Ook de aanleg van de N347 heeft destijds een belangrijke impact gehad op het gebied rondom het plangebied.
Oude hoevenlandschap
De planlocatie ligt in het oude hoevenlandschap dat is te beschouwen als één van de oudste landschappen. Op kaarten van voor 1830 is de boerderij al aanwezig op topografische kaarten. Het landschap kenmerkt zich door meerdere dekzandwelvingen (kampjes) en verspreid liggende erven. Wegen liepen vaak van erf naar erf en boerderijen waren in deze streek vaak landschapsgericht en op enige afstand van de weg gelegen. Juist door de hogere delen waren de gronden goed te verbouwen, evenals goed te bewonen. Hetgeen de reden was dat dergelijke locaties al vroeg in gebruik werden genomen. De percelen waren van oorsprong gebaseerd op de welvingen in het landschap. Richting het zuidoosten is er een overgang richting de jonge heideontginning. Beide landschappen waren functioneel met elkaar verbonden door de oorspronkelijke potstallen.
Het landschap
Het landschap nabij het plangebied heeft altijd een hoge mate van kleinschaligheid gekend. Tot de jaren ‘30 waren er zeer kleine percelen waarbij nagenoeg elk perceel was omsloten door houtsingels of houtwallen. De jaren daarna zijn veel elementen verdwenen door de schaalvergroting in de landbouw. Het landschap werd grootschaliger, maar bleef herkenbaar. De komst van de N725, camping en de ruilverkaveling in de jaren ‘70 zorgde voor een onherstelbare beschadiging van het gebied. Veel landschapselementen zijn verdwenen wat heeft geresulteerd in het huidige landschap. Hoewel er in zekere zin nog altijd sprake is van een bepaalde kleinschaligheid in vergelijking met andere gebieden zijn alle kleine percelen verdwenen. Zij hebben plaats gemaakt voor één aaneengesloten perceel. De directe omgeving van de boerderij heeft de kleinschaligheid en landschapselementen grotendeels behouden doch kan meerdere plekken worden versterkt.
1900
Erfopzet
1965
2020
Het voormalige erf is gelegen aan Herikerweg en is via een verhard pad te bereiken. Het erf bestaat uit een landschapsgerichte boerderij en meerdere opstallen en erfbeplanting. Naast de boerderij bevindt zich de schöppe . De nieuwe voorgenomen locatie voor de schuurwoning is gelegen in de hoek van het perceel grenzend aan het onverharde pad. Het bestaande groen rondom het plangebied zijn belangrijke dragers in het gebied voor de herkenning ervan.
3. Beleid 3.1
Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden.
Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven.
Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.
Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als “Mixlandschap met landbouw, natuur, water en wonen als goede buren”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste landgebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende
structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven
Gebiedskenmerken
Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden hebben en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag en de laag van de beleving zijn niet opgenomen; deze zijn niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling. Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als ijstijden, wind en water. Het plangebied ligt in een gebied dat is aan te duiden als dekzandvlakte. Er was sprake van verschillende hoogteverschillen die gedeeltelijk zijn verdwenen. Een deel is afgevlakt door de moderne landbouw en de aanleg van de A1. Hoogteverschillen zijn minimaal geworden, maar nog wel waar te nemen.
Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan. Nu waarderen wij juist de ingrepen die destijds hebben plaatsgevonden. Het oude hoevenlandschap was van oorsprong een zeer kleinschalig landschap dat door de ontwikkelingen in de landbouw en later de aanleg van de N725, camping en Ruilverkaveling in de jaren 70, flink is aangetast. Veel landschapselementen zijn verdwenen waardoor er sprake is van een minder kleinschalig landschap. Omdat randen langs wegen, erfbeplanting en waterlopen nog aanwezig zijn is er nog wel sprake van een herkenning van het oude hoevenlandschap. Het voornemen betreft een rood voor rood ontwikkeling waarbij er sprake blijft van een compact erf. Het omliggende landschap behoud haar bestaande karakter en wordt nabij het erf versterkt. De ontwikkeling past daarom in de hiervoor genoemde kenmerken.
3.2
Rood voor rood Hof van Twente Hof van Twente biedt eigenaren in het buitengebied volop kansen om voormalige agrarische erven nieuw leven in te blazen. Daarvoor heeft de gemeenteraad in december 2015 een nieuw beleidskader vastgesteld: “Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst”. Met de ruime mogelijkheden die dit beleid biedt is Hof van Twente voorloper met andere plattelandsgemeenten. De gemeente streeft naar een economische impuls en optimale invulling van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied. Absolute doelstelling is het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. Elke ontwikkeling dient beoordeeld te worden vanuit het aspect ruimtelijke kwaliteit. De ontwikkelingsruimte dient daarbij in evenwicht te zijn met investeringen (prestaties) in de ruimtelijke kwaliteit. De principes van ruimtelijke kwaliteit gelden voor elk planproces en dienen bij elk initiatief/ontwerp/opgave te worden toegepast. In het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente is een aantal regelingen opgenomen die ontwikkelingen in het buitengebied eenvoudig mogelijk maken en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit zoals rood voor rood.
In de gevallen waarbij medewerking kan worden verleend aan de een ontwikkeling welke in het bestemmingsplan is geregeld, is met het voldoen aan de voorwaarden genoemd in het bestemmingsplan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit voldoende gewaarborgd. De regeling rood voor rood gaat uit van 1000 m2 sloop waarvoor ter compensatie een woning kan worden gebouwd. Daartoe dient de ruimtelijke kwaliteit te worden gewaarborgd. Deze wordt bepaald door de bestaande erfstructuur en het bebouwingsensemble. Handvatten hiervoor zijn opgenomen in de Structuurvisie landelijke gebied, het landschapsontwikkelingsplan (LOP) en de Welstandsnota. De maximale inhoud voor woningen bedraagt 750 m3 met een bijgebouw van 150 m2. De compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend op de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning en de daarbij behorende clustering te bewerkstelligen. Bij uitzondering kan maatwerk worden toegepast bijvoorbeeld bij lintbebouwingen. De compensatiekavel mag nabijgelegen (agrarische) bedrijven niet hinderen in hun bedrijfsvoering. De ruimtelijke kwaliteit moet worden gewaarborgd. Daarvoor moet een deskundige op het gebied van landschapsinrichting worden gevraagd voor het uitwerken van een landschapsplan. Hierbij moet onder andere het LOP als leidraad zijn gebruikt.
Ook een schetsplan van de betreffende woning is vereist en dient vast te worden gelegd.
3.3
Structuurvisie landelijk gebied De gemeente Hof van Twente heeft een structuurvisie opgesteld omdat er behoefte was aan een integrale visie voor het buitengebied. Deze visie is op 6 juli 2010 vastgesteld. Uitgangspunt voor de visie voor het landelijk gebied vormt een aantal kernkwaliteiten waardoor het landelijk gebied van de Hof van Twente zo breed wordt gewaardeerd. Het doel van de structuurvisie is om de kernkwaliteiten te behouden en verder uit te kunnen bouwen. In de Hof van Twente is een grote mate van verwevenheid aan functies op gebiedsniveau. Functies als landbouw, recreatie, wonen en natuur wisselen zich af en hebben schijnbaar willekeurig een plek gevonden in het kleinschalig landschap. Kernkwaliteiten zijn de sterke agrarische structuur, een grote mate van ondernemerschap, een breed scala aan landelijke woonmilieus, een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, een robuust ecologisch netwerk en een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur. Het landschap is een van de pijlers onder de ontwikkeling van de Hof van Twente. Het zorgt voor een prettige leefomgeving en maakt het gebied aantrekkelijk. Om de verschillende landschapstypen herkenbaar te houden en het kleinschalige karakter van grote delen van het gebied te behouden is het belangrijk om blijvend te investeren in het landschap.
In zijn algemeenheid wordt dit vooral bereikt door alle aanwezige erven en andere bebouwde terreinen een zorgvuldige landschappelijke inpassing te bevorderen. Naast de aandacht voor erven richt het beleid zich op behoud van de landschappelijke waarden in het veld. Het gaat bij het kampenlandschap dan om herstel en onderhoud van het kleinschalige en onregelmatige patroon van singels, houtwallen, zandpaden en bosjes rond de omsloten kampen. Een nadere omschrijving is opgenomen in het LOP.
3.4
Landschapsontwikkelingsplan
De gemeente Hof van Twente heeft een LOP op laten stellen. Het plan dient een samenhangende visie op landschapskwaliteit te bevatten en de bouwstenen en inrichtingsprincipes aan te geven voor landschapsontwikkeling. Opgaven voor het LOP zijn het beschrijven van de huidige en gewenste kwaliteit en structuur. Waar en in hoeverre is er ontwikkeling, bescherming, onderhoud en herstel nodig en haalbaar. Daarbij moet er ruimte worden geboden aan wonen, werken en recreëren. Daarnaast dient het LOP voorstellen te bevatten voor de afstemming van de dynamiek op het landschap. Zodanig dat er sprake zal zijn van behoud, zorgvuldige inpassing en nieuwe ruimtelijke kwaliteit. Er zijn verschillende thema’s geformuleerd. Onder meer het werken aan de duurzame structuur van het landschap met aandacht voor de verschillende deelgebieden. Het behouden van de verweving in de waardevolle ensembles. Werken aan de ontwikkeling van een nieuwe verweving in het agrarisch werklandschap en werken aan de samenhang tussen de kernen en het omliggende landschap, met aandacht voor verbetering van de randen en routes vanuit de kernen het landschap in.
Over het kampenlandschap geeft het LOP aan dat gave eenheden behouden moeten worden en waar nodig herstellen. Waar het kampenlandschap uiteengevallen is geldt naast erfinrichting, alleen behoud van landschapselementen en in principe geen actief herstel van het landschapspatroon om de landbouwfunctie voldoende ruimte te bieden. De wegbeplanting volgt historische wegen en paden met eiken. Op de bouwlanden wordt in principe geen beplanting aangelegd. De erfinrichting in het kampenlandschap wordt bepaald door een open achterkant en besloten voorkant bij het woonhuis met een onregelmatige structuur van bebouwing en dichte beplanting en kleine bospercelen. De ligging is meestal iets van de doorgaande weg met een slingerende toegangslaan naar de losse achterkant. Het “voor” is meer besloten en formeler aangelegd met een haagomheining waarbinnen de tuin is aangelegd. Naast fruitbomen markeert veelal een solitaire boom als linde, noot of paardenkastanje het voorhuis. De bouwstenen en randvoorwaarden voor het erf in het kampenlandschap is een besloten voorkant en een open achterkant richting de weg gekeerd. Er komen meerdere bouwsels voor, er kan een fruitboomgaard worden toegevoegd en er moet plek zijn voor een solitair als een linde of walnoot. Andere beeldbepalende beplantingen zijn de houtwallen en de bosjes met inlandse eik in hoge dichtheid voor bouwhout.
Ook wel de vroegere erfbosjes genoemd. Bij deze erven komen ook de elzensingels en de geriefhoutbosjes voor. De verharding bestaat in veel gevallen uit een gebakken klinker. De gemeente zal op enkele aspecten letten bij de begeleiding c.q. beoordeling van plannen. Er moet sprake zijn van herstel van de relatie tussen erf en landschap door passende beplantingsvormen, erfindeling en begrenzing en sortimentskeuze. Er moet sprake zijn van een handhaving van het onderscheid tussen voor en achter van de boerderij. Herstel van de siertuin aan de noordzijde. Er moet optimaal gebruik zijn gemaakt van de bekende oude indeling en inrichting. Handhaven, herstellen en benutten van de oude elementen, zowel gebouwde elementen als de beplanting. Daarnaast moet het erf als passend worden ervaren bij het oude kampenlandschap. In de tabel uit het LOP is een beknopte samenvatting weergegeven. Daarnaast is er een voorbeeld erf opgenomen. Zie daarvoor pagina 19. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan het gestelde beleid vanuit het LOP.
3.5
Welstandsnota
De gemeente heeft een welstandsnota opgesteld om tot criteria te komen voor de welstandstoets. Iedereen weet hierdoor waar een bouwplan aan wordt getoetst en ook waarom.
4.
Uitgangspunten Voor de beoogde ontwikkeling zijn een aantal uitgangspunten
Uitgangspunten opdrachtgever: - Het slopen van het bestaande opstallen. - Het herbestemmen van een schöppe tot woning. - Het bouwen van een compensatiewoning.
Uitgangspunten gemeente Hof van Twente: - Ontwikkeling conform rood voor rood beleid. - Ontwikkeling conform het landschapsontwikkelingsplan. - Het opstellen van een land. inpassing en ruimtelijke kwaliteitsplan.
Uitgangspunten provincie Overijssel: - Ontwikkeling conform Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel.
5. Het Plan Het oude erf (O) is aan een half verhard pad aan de Herikerweg gelegen. De functie van de bebouwing is deels verloren gegaan waarmee ook de staat van de bebouwing is verslechtert. Herbouw en restauratie op locatie is het uitgangspunt. De locatie t.o.v. de Herikerweg is positief de bestaande beplanting, hoge eiken en struweel draagt hier in grote getale aan bij. Het voorgenomen nieuwe erf kan als passend worden ervaren in de hoek van het huidige erf aansluiten aan de Herikerweg met als gezamenlijke toegang de half verharde weg.. Het erf steekt dan af tegen een reeds bestaande bomenrij c.q. houtsingel met waardevolle eiken. Dit vormt een prachtige basis voor het erf. Het hoofdgebouw (boerderij) staat verder van de weg af te staan waarbij er duidelijk onderscheid is tussen de voorzijde en de achterzijde. De voorzijde wordt aangekleed met een siertuin, aan de achterzijde staan de schöppe , de bestaande schaapskooi en een tweede (schuur) woning . In elk geval moet de materialisatie ondergeschikt zijn aan dat van het hoofdgebouw. De erfverharding vormt het plein en schakelt de gebouwen, in combinatie met de hoog opgaande bestaande eiken en de bestaande onderbeplanting aan elkaar waardoor er sprake is van een warm erfensemble. Op de plek van de te slopen gebouwen zal een sollitaire groep linden H wordengeplant. Eveneens zal een boomgaard met hoogstam fruitbomen G.
worden aangeplant. Met de voorgenomen situatie kan het geheel, incl. erf van de buren grenzend aan de Rijssenseweg, als één ensemble worden ervaren. Zie ook de omschrijving bij hoevenlandschap “wegen liepen vaak van erf naar erf”. Uit te voeren maatregelen: Aanplanten van een appelbongerd G. , bestaande uit 6 stuks hoogstam fruitbomen, in de maat 12-14 (stamomtrek in centimeters) en elk voorzien van 2 boompalen Aanplanten van 1 groep sollitaire lindebomen H. ( groep van 3) in de maat 12-14 (stamomtrek in centimeters) en elk voorzien van 2 boompalen.
6. Herbestemming schöppe tot woning
7. Inspiratie / te realiseren schuurwoning
Buitengebied Hof van Twente, herziening Herikerweg 31 Markelo
Bijlage 2 Bodemonderzoek
vastgesteld
21
RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Herikerweg 31 - Markelo
Opdrachtgever: Zonneperceel V BV Locatie: Herikerweg 31 7475 TS Markelo Juli 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Herikerweg 31 - Markelo
Opdrachtgever: Zonneperceel V BV Postbus 58 7450 AB Holten Locatie: Herikerweg 31 7475 TS Markelo Projectcode: 21037816 Rapportagedatum: 15 juli 2021 Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2.1 2.2 2.3
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 4
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
5 5 6 6 7 8
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
10 10 10 13 14 15 15
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
16
6
Literatuur en bronvermelding
18
2
3
4
Bijlagen I Regionale ligging locatie Boorplan verkennend bodemonderzoek De Bondt, september 1995 Boorplan verkennend bodemonderzoek Van der Poel, december 2002 Boorplan aanvullend bodemonderzoek Van der Poel, maart 2004 Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, juli 2021 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten en toetsing asbestanalyses V Informatie gemeente Hof van Twente VI Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Zonneperceel V BV op een terrein aan de Herikerweg 31 in Markelo door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande verkoop en mogelijke herontwikkeling van het terrein. Het bodemonderzoek dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem ten behoeve van de financiële waardering van het perceel. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er enkele verdachte deellocaties op de onderzoekslocatie aanwezig zijn (een bovengrondse dieseltank en een asbestverdachte druppelzone). Verder is de bovengrond van de onderzoekslocatie verdacht voor zware metalen, PAK en asbest. De ondergrond en het grondwater zijn onverdacht voor chemische componenten. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.
Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op de verdachte deellocatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig is en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater.
De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in juni en juli 2021 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW 2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 1 van 18
2
Locatiegegevens 2.1
Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Herikerweg 31, op circa 2.4 kilometer ten noordoosten van de bebouwde kom van Markelo. Het centrale punt van het te onderzoeken terrein heeft de RD-coördinaten x = 233.040 en y = 474.996 en is kadastraal bekend als: gemeente Markelo, sectie N, nummers 774 en 1596. De Herikerweg bevindt zich ten noordoosten en de Rijssenseweg bevindt zich ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding De onderzoekslocatie is deels bebouwd en deels verhard met asfalt, klinkers en tegels. Op het noordelijke deel is een tennisbaan met een betonvloer aanwezig. Onderzoekslocatie In het kader van de geplande verkoop en mogelijke herontwikkeling van het terein is een bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoekslocatie is deels bebouwd en deels verhard en omvat circa 24000 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen weergegeven: - Boorplan verkennend bodemonderzoek De Bondt, september 1995; - Boorplan verkennend bodemonderzoek Van der Poel, december 2002; - Boorplan aanvullend bodemonderzoek Van der Poel, maart 2004; - Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, juli 2021. 2.2
Vooronderzoek
In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. Er is navraag gedaan bij de opdrachtgever en de gemeente Hof van Twente, daarbij is de volgende informatie verzameld: - de onderzoekslocatie heeft al jaren de huidige (maatschappelijke) bestemming; - vanaf circa 1600 was op de onderzoekslocatie reeds een boerderij aanwezig en vanaf 1965 was het terrein in gebruik als camping. Vanaf 1990 is de locatie in gebruik geweest als asielzoekerscentrum (AZC Klompjan). Momenteel staan de gebouwen leeg; - centraal op de onderzoekslocatie is een bovengrondse dieseltank van 750 liter in een lekbak in een voormalige werkplaats aanwezig. Verder is er voor zover bekend op de huidige onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel; - Ter plekke van de reeds gesloopte bebouwing op het oostelijke deel van het terrein is een vetafscheider aanwezig geweest en centraal op het terrein is een fietsenreparatiewerkplaats aanwezig geweest. In een eerder uitgevoerd onderzoek (De Bondt, september 1995) zijn ter plekke geen verontreinigingen aangetoond.
Op het terrein direct ten zuidoosten (met huisnummer 25) is een “brand”container aanwezig geweest. Ter plekke van de container is in een eerder uitgevoerd onderzoek (Van der Poel, 2002) in eerste instantie een sterk verhoogd minerale olie gehalte aangetoond in de bodem. Tijdens het nader bodemonderzoek bleek dat de olieverontreiniging geen ernstig geval van bodemverontreiniging betreft. Verder is voor zover bekend de onderzoekslocatie nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn; - voor zover bekend is het de onderzoekslocatie in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden; Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 2 van 18
- uit de asbestinventarisatie van Kruse Milieu BV van 2 juli 2021 met projectnummer 21037791 is gebleken dat er asbesthoudende golfplaten op het dak van de fietsenschuur liggen. Het hemelwater watert aan de westzijde af op onverharde bodem, hierdoor is er sprake van een asbestverdachte druppelzone (deellocatie B). Voor zover bekend bevinden zich verder geen asbesthoudende dakplaten, beschoeiingen of sloopafval direct naast of op de onderzoekslocatie. Tevens is de locatie niet gelegen aan een asbestweg; - Vanwege de ouderdom van het erf wordt de bovengrond van de onderzoekslocatie beschouwd als verdacht voor zware metalen, PAK en asbest. - er zijn op de onderzoekslocatie en in de nabije omgeving eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze worden op de volgende pagina toegelicht. De Bondt, verkennend bodemonderzoek Herikerweg 31 in Markelo, d.d. 11 september 1995 met projectnummer 95.2001.09 De aanleiding van het bodemonderzoek was het vastleggen van de nulsituatie welke de gehele huidige onderzoekslocatie overlapt. Uit de analyseresultaten bleek ter plekke van de huidige onderzoekslocatie het volgende: Ter plekke van de dieseltank zijn in de ondergrond en in het grondwater geen verontreinigingen aangetoond. Ter plekke van de fietsenreparatiewerkplaats zijn in de bovengrond geen verontreinigingen aangetoond.
Ter plekke van de vetvangput is in het grondwater een verhoogd chloride-gehalte aangetoond en zijn geen gehalten aan VOCL aangetoond. Op het overige terrein zijn in de bovengrond plaatselijk een licht verhoogd PAKgehalte aangetoond, in de ondergrond een verhoogd EOXgehalte aangetoond en zijn in het grondwater licht verhoogde gehalten aan koper, zink, matig verhoogde gehalten aan cadmium en chroom en sterk verhoogde gehalten aan kwik aangetoond. Van der Poel, verkennend bodemonderzoek Herikerweg 25 te Markelo, d.d 1 december 2002 met projectnummer 1.211.387 Het bodemonderzoek ter plekke van de “brand’container op het terrein direct ten zuidoosten van de huidige onderzoekslocatie heeft plaatsgevonden in het kader van de BSB. Uit de analyseresultaten bleek het volgende: Plaatselijk zijn tot 1,0 m-mv brandstofgeuren waargenomen. In de bovengrond is plaatselijk een licht tot sterk verhoogd gehalte aan minerale olie aangetroffen. De provincie Overijssel eist in de brief van 23 september 2003 met kenmerk WB/2003/4714 een nader bodemonderzoek naar de mate en de omvang van de waargenomen olieverontreiniging. Van der Poel, briefrapportage aanvullend bodemonderzoek Herikerweg 25 te Markelo, d.d.
29 maart 2004 met projectnummer 1.211ao.387 Uit de resultaten van het aanvullende onderzoek ter plekke van de minerale olie verontreiniging van de brandcontainer bleek dat er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. In de bovengrond, de ondergrond en in het grondwater zijn geen veronterinigingen aangetroffen. Van der Poel, verkennend bodemonderzoek Herikerweg 31 in Markelo, d.d. 12 maart 2004 met projectnummer 1.402.047 De aanleiding van het bodemonderzoek was de ontmanteling van het asielzoekerscentrum, welke de gehele huidige onderzoekslocatie overlapt. Uit de analyseresultaten ter plekke van de huidige onderzoekslocatie bleek het volgende: In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogd cadmiumgehalte en een matig verhoogd gehalte een cresolen aangetoond. Op het overige terrein zijn in het grondwater licht verhoogde gehalten aan arseen en cadmium en matig verhoogde gehalten aan arseen en cresolen aangetoond. Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 3 van 18
2.3
Bodemsamenstelling en geohydrologie
Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich ongeveer 13 meter boven NAP; - tot circa 33 meter diepte is een zandpakket van de formaties Drente, Urk, Peize, Waalre en Oosterhout aanwezig. Het doorlatend vermogen is circa 25 - 500 m²/dag; - vanaf circa 33 meter is een ondoorlatende basis met klei aanwezig van de formaties Breda, Rupe en Van Dongen; - de grondwaterspiegel bevindt zich op circa 2.5 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt in noordwestelijke richting; - op circa 600 meter ten zuiden bevindt zich het grondwaterbeschermingsgebied Herikerberg en op circa 3 kilometer ten zuidoosten bevindt zich het grondwaterbeschermingsgebied ; - op circa 300 meter ten zuiden van de huidige onderzoeksstroomt de Holtdijksbeek; - de invloed van de grondwaterbeschermingsgebieden en de watergang op het freatische grondwater is bij ons bureau niet bekend.
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 4 van 18
3
Uitvoering bodemonderzoek 3.1
Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. In de norm NEN5740 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Te herontwikkelen terrein (24000 m2) Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, wordt de bovengrond van de onderzoekslocatie als verdacht voor zware metalen, PAK en asbest beschouwd. De hypothese "verdachte locatie" uit NEN5740 (VED-HE) en NEN5707 (VED-HE) wordt voor de bovengrond gebruikt. De hypothese "onverdachte locatie" uit NEN5740 (ONV-NL) wordt voor de ondergrond en het grondwater op de locatie gebruikt.
De laatste hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. De drie strategieën worden gecombineerd. De boringen tot 0.5 meter diepte worden vervangen door inspectiegaten. Tijdens het veldwerk zal visueel worden gelet op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Deellocatie A: Bovengrondse dieseltank (50 m2) De locatie van de bovengrondse dieseltank wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van minerale olie in de grond en van minerale olie en vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen in het grondwater. De hypothese “verdachte locatie” uit NEN5740 wordt voor deze deellocatie gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocatie is gebaseerd op de NEN5740, paragraaf 5.3: Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Deellocatie B: Druppelzone B (circa 5 m2) De druppelzone wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. De hypothese “verdachte locatie" uit NEN5707 wordt voor de druppelzone gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocatie is gebaseerd op de NEN5707, paragraaf 6.4.4: verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern (VEP). Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem.
Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 5 van 18
- in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen. Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. 3.2
Veldwerkzaamheden
Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Te herontwikkelen terrein (24000 m2) Op een terreindeel met een oppervlakte van circa 24000 m² worden in totaal 41 inspectiegaten verricht met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter (er wordt doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximum diepte van 2.0 meter minus maaiveld). Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. De inspectiegaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld. De gaten worden gecodeerd als 11 tot en met 41. Zeven inspectiegaten worden met behulp van een Edelmanboor doorgezet in de ondergrond tot maximaal 2.0 m-mv. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters op de locatie worden drie diepe boringen overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuizen. Deellocatie A: Bovengrondse dieseltank (50 m2) Ter plaatse van de dieseltank worden 3 boringen verricht tot 1.0 meter minus maaiveld. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt één diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis.
Deellocatie B: Druppelzone B (circa 5 m2) Bij een druppelzone kleiner dan 10 m2 dienen 2 inspectiegaten te worden gegraven. De inspectiegaten hebben een lengte en breedte van minimaal 0.3 x 0.3 meter. Alleen de toplaag tot 0.1 m-mv wordt bemonsterd. De resultaten worden derhalve getoetst aan de interventiewaarde. Van elk monsterpunt wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104. Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. 3.3
Analyses
De chemische analyses worden uitgevoerd door Eurofins Analytico BV te Barneveld, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. Eventuele asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins Omegam in Amsterdam, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 17 grondmengmonsters (waarvan 7 mengmonsters van de fijne fractie) samengesteld en er worden 7 grondwatermonsters genomen.
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 6 van 18
De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 2. De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 en NEN5707 onderzocht. In tabel 1 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 1: Analysepakket per (meng)monster. Monster
Analysepakket Te herontwikkelen terrein
Bovengrond (7x) Ondergrond (3x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organisch stof, lutum en droge stof
Bovengrond (7x)
Asbest en droge stof
Grondwater (3x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting Deellocatie A: bovengrondse dieseltank
Bovengrond (A - BG)
Minerale olie, organische stof en droge stof
Grondwater (PB A1)
Minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, pH, EC en troebelheid. Deellocatie B: Druppelzone B
Toplaag (MM FF - B)
Asbest en droge stof
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats. 3.4
Toetsing chemische analyses
De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 7 van 18
streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging; tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden.
Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. 3.5
Toetsing asbestanalyses
De resultaten van eventuele asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen < 0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht.
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 8 van 18
Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 9 van 18
4
Resultaten 4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.5 en besproken in paragraaf 4.6. 4.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn in juni en juli 2021 uitgevoerd door de heren J. Hartman, R. Veltmaat en N. Pepping. Deze veldwerkers zijn conform BRL SIKB 2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/08). De veldwerkers zijn geassisteerd door de heer L. Haverkort. Te herontwikkelen terrein (24000 m2) Er zijn op 24, 25, 29 en 30 juni 2021, na maaiveldinspectie, in totaal 41 inspectiegaten gegraven. Hiervan zijn 7 inspectiegaten met behulp van een Edelmanboor verdiept tot 2.0 m-mv en zijn er 3 inspectiegaten met behulp van een zuigerboor afgewerkt met peilbuizen (PB 1, 2 en 3). Ter plekke van de inspectiegaten 11 en 40 is tot 0.15 meter diepte, in inspectiegat 28 is van 0.15 - 0.3 m-mv en in inspectiegat 37 is van 0.3 - 0.45 m-mv puingranulaat aangetroffen. Deellocatie A: Bovengrondse dieseltank (50 m2) Op 24 juni 2021 zijn 3 boringen tot 1.0 m-mv verricht, waarvan boring A1 met behulp van een Edelmanboor en zuigerboor is verdiept en afgewerkt met een peilbuis. Ter plekke van boring A3 is beton tot circa 0.05 m-mv aangetroffen. Er is zintuiglijk geen minerale olie waargenomen in de grond of in het grondwater (geen oliegeur, geen olie/water-reactie). Deellocatie B: Druppelzone B (circa 5 m2) Op 24 juni 2021 zijn, na maaiveldinspectie, in totaal 2 inspectiegaten gegraven tot 0.8 m-mv.
Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van gras, planten, bomen, struiken, tegels, klinkers en beton, niet (goed) geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren matig (goed zicht, veel neerslag). De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal uit uiterst fijn tot matig grof, zwak siltig en zwak humeus zand. In de boven- en ondergrond zijn oer-en roesthoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen, bodemsamenstelling en/of geografische positie van de boringen zijn de (meng)monsters samengesteld, zoals in tabel 2 staat omschreven.
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 10 van 18
De funderingslagen (puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek, omdat deze lagen niet aan de definitie bodem voldoen. Het opgeboorde materiaal is wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Tabel 2: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Te herontwikkelen terrein BG - 01
10, 12 en 1416
0.15 - 0.5 0.1 - 0.5
NEN5740standaardpakket
BG - 02
9, 20 en 21 19
0.2 - 0.5 0.1 - 0.5
NEN5740standaardpakket
BG - 03
1 en 17 11 en 23
0 - 0.5 0.15 - 0.5
NEN5740standaardpakket
BG - 04
3 26 28 32
0 - 0.5 0.2 - 0.5 0.07 - 0.15 0.07 - 0.5
NEN5740standaardpakket
BG - 05
7 24, 29 en 30
0 - 0.3 0 - 0.4
NEN5740standaardpakket
BG - 06
33, 34, 35 en 37
0 - 0.5
NEN5740standaardpakket
BG - 07
4 en 39 5 38
0 - 0.4 0 - 0.5 0 - 0.45
NEN5740standaardpakket
OG - 01
6 9 9 10 10
0.5 - 1.0 0.5 - 1.0 1.5 - 2.0 0.5 - 1.0 1.0 - 1.5
NEN5740standaardpakket
OG - 02
1 4 4 7 7 8
1.7 - 2.0 0.8 - 1.3 1.3 - 1.8 0.3 - 0.8 1.7 - 2.0 0.4 - 0.9
NEN5740standaardpakket
OG - 03
2 2 2 3 5 8
0.25 - 0.75 0.75 - 1.0 1.15 - 1.65 0.6 - 0.9 1.5 - 2.0 1.4 - 1.9
NEN5740standaardpakket
MM FF - 01
10, 12, 13, 14 15 en 16
0.15 - 0.5 0.1 -0.5
Asbest
MM FF - 02
6, 10 9, 20, 21 en 22
0.15 - 0.5 0.2 - 0.5
Asbest
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 11 van 18
Vervolg tabel 2: Samenstelling (meng)monsters. (Meng)monster
Boringnummer
Traject (diepte in m -mv)
Analyse
Te herontwikkelen terrein MM FF - 03
1, 17 en 18 11 en 23 28
0 - 0.5 0.15 - 0.5 0.3 - 0.5
Asbest
MM FF - 04
7 8 en 24 25 26 en 27
0 - 0.3 0 - 0.4 0 - 0.5 0.2 - 0.5
Asbest
MM FF - 05
2 29, 30 en 31 32 33
0.09 - 0.25 0 - 0.4 0.07 - 0.5 0 - 0.5
Asbest
MM FF 06
3, 34, 35, 36 37 41
0 - 0.5 0 - 0.3 0 - 0.4
Asbest
MM FF - 07
4, 39 5 38 40
0 - 0.4 0 - 0.5 0 - 0.45 0.15 - 0.5
Asbest
Deellocatie A: bovengrondse dieseltank A - BG
A1 A2 en A3
0.05 - 0.25 0.05 - 0.3
NEN5740standaardpakket
Deellocatie B: Druppelzone B MM FF - B
B1 en B2
0 - 0.1
Asbest
De inspectiegaten 1, 2, 3 en A1 zijn doorgezet tot respectievelijk 4.2 m-mv, 4.3 m-mv en 4.0 m-mv. Wanneer het grondwater werd bereikt, werd een zuigerboor gebruikt om een PVCpeilbuis te kunnen plaatsen. Een peilbuis bestaat normaliter uit een filter met een lengte van 1.0 meter, gekoppeld aan een blinde stijgbuis. Ter hoogte van het filter, met een diameter van 28 x 32 mm, is filtergrind in het boorgat gestort. Rondom het filter is een filterkous aangebracht. Er is bentoniet in het boorgat gestort om directe indringing van hemelwater in het filter tegen te gaan. De rest van het boorgat is opgevuld met het oorspronkelijke bodemmateriaal. Vervolgens zijn de peilbuizen doorgepompt. Op 6 juli 2021 zijn de peilbuizen (PB 1, PB 2, PB 3 en PB A1) bemonsterd. Het voorpompen en bemonsteren heeft conform NEN5744 plaatsgevonden met een laag debiet (tussen 100 en 500 ml/min). Er is op toegezien dat de grondwaterstand tijdens het voorpompen niet meer dan 50 cm is gedaald en dat er is bemonsterd met hetzelfde (of lager) debiet als waarmee is voorgepompt (bemonstering maximaal 200 ml/min in verband met vluchtige stoffen). De grondwatergegevens staan weergegeven in tabel 3.
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 12 van 18
Tabel 3: Weergave gegevens grondwater. Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
Troebelheid Toestroming EC (NTU) (μS/cm)
Te herontwikkelen terrein PB 1
3.20 - 4.20
2.55
6.7
450
18
Goed
PB 2
3.20 - 4.20
2.65
6.6
110
73
Goed
PB 3
3.30 - 4.30
2.60
6.9
190
104
Goed
90
Goed
Deellocatie A: bovengrondse dieseltank PB A1
3.00 - 4.00
2.50
6.9
80
De waarden voor de pH en de EC worden als normaal beschouwd. In alle grondwatermonsters is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook zijn de peilbuizen zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt waardoor aangenomen wordt dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. 4.3
Resultaten en toetsing van de chemische analyses
In algemene zin dient opgemerkt te worden dat indien de analyses van de grondmonsters zijn uitgevoerd op mengmonsters, dit kan betekenen dat de gehaltes hoger kunnen zijn in de individuele monsters. De analyseresultaten en de toetsingstabellen zijn weergegeven in bijlage III. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden. In de bovengrond (BG - 06 en BG - 07) en in het grondwater (PB 1, PB 2 en PB 3) zijn lichte verontreinigingen aangetoond, deze zijn weergegeven in tabel 4. In de bovengrond (BG - 01, BG - 02, BG - 03, BG - 04 en BG - 0 5), de ondergrond (OG - 01, OG - 02 en OG - 03) en in het grondwater (PB A1) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Tabel 4: Verhoogde concentratie (μg/l). Monster
Component
Gemeten Concentratie
GSSD
Streefwaarde
Interventiewaarde
Te herontwikkelen terrein BG - 06
PAK
2.1
2.125 *
1.5
40
BG - 07
PCB
0.0073
0.0243 *
0.02
1.0
PB 1
Barium Cadmium Zink
140 0.91 240
140 * 0.91 * 240 *
50 0.4 65
625 6.0 800
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 13 van 18
Vervolg tabel 4: Verhoogde concentratie (μg/l). Monster
Component
Gemeten Concentratie
GSSD
Streefwaarde
Interventiewaarde
Te herontwikkelen terrein PB 2
Barium Zink
170 230
170 * 230 *
50 65
625 800
PB 3
Barium Molybdeen Zink
140 7.2 75
140 * 7.2 * 75 *
50 5.0 65
625 300 800
190
5000
Deellocatie A: bovengrondse dieseltank A - BG
Minerale olie
130
650 *
In de vierde kolom van tabel 4 wordt het toetsingsresultaat overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan of S; * concentratie groter dan of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I; *** concentratie groter dan I. 4.4
Bespreking resultaten chemische analyses
Zoals in de vorige paragraaf is weergegeven, zijn er lichte verontreinigingen in het grondwater aangetoond. In deze paragraaf worden mogelijke verklaringen gegeven voor de analyseresultaten. Te herontwikkelen terrein Bovengrond - BG - 06 en BG - 07 - PAK of PCB De zeer licht verhoogde gehalten aan PAK en PCB zijn op basis van de beschikbare gegevens niet direct verklaarbaar. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Grondwater - PB 1, PB 2 en PB 3 - Barium, cadmium en zink De (zeer) licht verhoogde gehalten aan barium, cadmium en zink in het grondwater zijn waarschijnlijk te wijten aan plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarden. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen waargenomen, wat duidt op de natuurlijke aanwezigheid van metalen in de bodem. Aangezien de gemeten gehalten de tussenwaarde niet overschrijden, is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Deellocatie A: bovengrondse dieseltank Minerale olie is een bestanddeel van olieproducten en brandstoffen. De oorzaak voor het licht verhoogde gehalte wordt gezocht in mogelijke morsverliezen tijdens het tanken. Aangezien het gemeten gehalte de tussenwaarde niet overschrijdt, is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
De dieseltank (deellocatie B) heeft een aantoonbare negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit.
Kruse Milieu BV
Project: 21037816
Pagina 14 van 18
4.5
Resultaten van de asbestanalyses
In bijlage IV zijn de analyserapporten van het asbestonderzoek opgenomen. De gewogen asbestgehalten zijn in tabel 5 weergegeven. Tabel 5: Gewogen asbestconcentratie (mg/kg droge stof). Inspectiegat