CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Bijlagen bij de toelichting BP Herziening Traasweg 5 Markelo.pdf

Gemeenteraad 21 januari 2025, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 10: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo"19.224 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Datum: Fase: Planid:

vastgesteld NL.IMRO.1735.BGxTraasweg5-VS10

BESTEMMINGSPLAN

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Inhoudsopgave

2

Bijlagen bij toelichting

3

Bijlage 1

Ruimtelijk kwaliteitsplan

4

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

34

Bijlage 3

AERIUS-Berekening

83

Bijlage 4

Quickscan Flora en Fauna

111

Bijlage 5

Nader onderzoek grote bosmuis

117

Bijlage 6 wezel

Ecologische aanbevelingen t.b.v. de bunzing, egel en

Bijlage 7

Archeologisch vooronderzoek

149

Bijlage 8

Watertoets

205

Bijlage 9

Zienswijzennota

213

133

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Bijlagen bij toelichting

vastgesteld

3

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Bijlage 1 Ruimtelijk kwaliteitsplan

4

vastgesteld

Ruimtelijk kwaliteitsplan Markelo, Traasweg 5

Ruimtelijk kwaliteitsplan

Markelo, Traasweg 5 2

Inhoudsopgave 1. Inleiding 5 2. Omgevingsanalyse 9 2.1 2.2 2.3

Natuurlijke ondergrond 10 Landschapstype 12 Huidige situatie 13

3. Beleid 15 3.1 Provinciaal beleid 16 3.2 Gemeentelijk beleid 17

4. Onderbouwing landschapsplan 19 4.1 Uitgangspunten 20 4.2 Groenstructuren en inrichting 22 4.2.1 Kenmerken landschapsplan 22

5. Aanleg en beheer

25

5.1 Algemene aanplantinstructie 26 5.2 Specifieke aanplantinstructie 26

Colofon 27

3

4

1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt het projectgebied geïntroduceerd en daarnaast een toelichting over het plan gegeven.

1

1. Inleiding Voorliggend plan heeft betrekking op een perceel aan de Traasweg 5 in Markelo. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Hof van Twente, perceel sectie P nr. 532. Het perceel is gelegen in het buitengebied van gemeente Hof van Twente. De initiatiefnemer is voornemens om dit huidige bosperceel te gebruiken om het recreatieterrein, de Kattenbergse Hoeve, uit te breiden. Deze ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in het landschap. BJZ.nu is gevraagd een visie te geven op de inrichting van het perceel in de gewenste situatie, waar in voorliggend ruimtelijk kwaliteitsplan invulling aan wordt gegeven. Het voorliggende ruimtelijk kwaliteitsplan is gebaseerd op een analyse van het landschap. Daarnaast zijn de wensen van de initiatiefnemer in het plan verwerkt.

Afbeelding 1 Bouwlocatie uitbreiding recreatieterrein ten opzichte van kern Markelo (Bron: Plattekaart)

Afbeelding 2 Bouwlocatie uitbreiding recreatieterrein (Bron: Plattekaart)

6

1

Afbeelding 3 Luchtfoto projectgebied (Bron: Topotijdreis)

7

8

2. Omgevingsanalyse In dit hoofdstuk wordt de omgeving geanalyseerd. Hierbij wordt ingegaan op de natuurlijke ondergrond van het gebied. Daarnaast wordt het landschapstype en de huidige situatie toegelicht. 1

2. Omgevingsanalyse 2.1 Natuurlijke ondergrond

öGeomorfologie

Om een goede keuze te kunnen maken in het type beplanting is het van belang om in beeld te hebben wat de natuurlijke ondergrond is. Door in het projectgebied gebruik te maken van de plantensoorten die passen bij deze natuurlijke ondergrond, wordt zwak plantmateriaal voorkomen. Ook wordt met natuurlijke vegetatie een grotere bijdrage geleverd aan de biodiversiteit. Geomorfologie Geomorfologie valt in te delen in verschillende landvormen. In dit geval ligt het projectgebied op een stuwwal. Deze landvorm is ontstaan door glaciale processen (vormen die zijn ontstaan door de aanwezigheid van landijs). Door de druk van de gletsjer werd materiaal opgestuwd, waardoor een stuwwal ontstond. Het landschap bestaat verder uit heuvels, ruggen en welvingen met bijbehorende vlakten dalvormige laagten.

ö

Afbeelding 4 Geomorfologie (Bron: Bodemdata)

Hoogteligging

Hoogteligging Het betreft een heuvelig gebied met een stuwwal, waardoor er in dit gebied hoogteverschillen van wel 20m kunnen voorkomen. In het projectgebied zelf zijn er hoogteverschillen van 5-10m. De hoogte bedraagt gemiddeld 20m boven NAP.

Afbeelding 5 Hoogteligging (Bron: AHNviewer)

1 10

2. Omgevingsanalyse Bodem Het ontstaan van een bepaalde bodem wordt beïnvloed door het materiaal van de ondergrond, de hoogteligging en de vochtigheid van de grond.

Bodem

Het projectgebied ligt voornamelijk in een leemarme haarpodzolgrond. Dit zijn humuspodzolgronden met ijzerhuidjes en met een dunne humushoudende bovengrond. De bovengrond bestaat uit grof zand.

1

Afbeelding 6 Bodem (Bron: Bodemdata)

Grondwatertrappen

Afbeelding 7 Grondwatertrappen (Bron: Bodemdata)

Het projectgebied grenst aan een veldpodzolgrond. Deze bodem bestaat uit humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en met een dunne humushoudende bovengrond. De bovengrond bestaat uit leemarm of zwak lemig fijn zand. Grondwatertrappen De grondwatertrap is 8. De grondwaterstand ligt gemiddeld dieper dan 140cm ten opzichte van het maaiveld. Dit betekent dat het een droog gebied is, wat kenmerkend is voor een stuwwal. Het projectgebied ligt daarnaast op de grens van grondwatertrap 1. Hier ligt de gemiddelde grondwaterstand tussen de 20-50cm ten opzichte van het maaiveld en is dus een natter gebied. Beplanting De gronden rondom het plangebied bieden van nature een goede basis voor de volgende beplanting: zomereik, wintereik, gewone es, meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn, gelderse roos, vuilboom, hazelaar, lijsterbes. Dit wordt ook wel de potentiële natuurlijke vegetatie genoemd. Door in het plangebied gebruik te maken van de plantensoorten die passen bij deze natuurlijke ondergrond, wordt zwak plantmateriaal voorkomen.

11 1

2. Omgevingsanalyse 2.2 Landschapstype

1850

1900

1950

2022 1

Het projectgebied ligt in de gemeente Hof van Twente ten zuiden van de kern Markelo. In figuur 8 is de ontwikkeling van dit landschap in de omgeving van het projectgebied tussen 1850 en 2022 te zien. Het projectgebied ligt in een Jong heide- en broekontginningslandschap. Lange tijd was een uitgestrekt heidegebied aanwezig, met plaatselijk opgaande beplanting. Door natuurlijke omstandigheden, vooral arme en droge bodems, waren deze gronden in eerste instantie niet geschikt voor landbouwgrond. Vaak werden de gronden gebruikt voor het steken van plaggen voor de bemesting van akkers en het weiden van vee. Onder invloed van verschillende maatschappelijke en economische factoren, is het overgrote deel van de heidevelden in Nederland uiteindelijk tussen 1850 en 1960 ontgonnen. Belangrijke factoren waren de invoering van kunstmest en de verdeling van de gronden onder de markegenoten met bijbehorende aanleg van wegen en watergangen. De heideontginningen kenmerken zich door hun rationele opzet, de duidelijke lijnen in het landschap en de grote regelmatige verkaveling. Erven liggen vaak aan de weg of iets verder van de weg op een kleine zandkop. Doordat veel wegen en erven zijn beplant, wordt de van oudsher aanwezige openheid gebroken. Op sommige plekken zijn bosjes en restanten van heidevelden nog aanwezig.

Afbeelding 8 Ontwikkeling van het landschap (Bron: Topotijdreis)

1 12

2. Omgevingsanalyse 2.3 Huidige situatie Het projectgebied maakt onderdeel uit van het recreatiepark de Kattenbergse Hoeve. De belangrijkste kenmerken van de omgeving zijn de blokverkaveling en percelen die omsloten zijn met houtwallen en singels.

1

In de huidige situatie wordt het perceel getypeerd als bos. De noord-oostzijde van het perceel wordt begrensd door de Traasweg. Boven deze weg begint de Dijkeres. Ten oosten van het perceel ligt agrarisch grasland met enkele houtwalletjes. Ten zuid-oosten ligt het huidige deel van het recreatiepark.

Afbeelding 9 Huidige situatie projectgebied (Bron: Topotijdreis)

13

14

3. Beleid In dit hoofdstuk wordt het huidige beleid weergeven. Dit wordt toegelicht door middel van het provinciale beleid en het gemeentelijke beleid. 1

3. Beleid 3.1 Provinciaal beleid De omgevingsvisie Overijssel is de provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De provincie Overijssel stuurt op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Bestaande kwaliteiten moeten worden beschermd en er moetenverbindingen worden gelegd tussen deze bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Dat wil zeggen dat nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit vormen essentiële gebiedskenmerken het uitgangspunt. Hierna wordt ingegaan op de gebiedskenmerken in de omgeving van het plangebied. Natuurlijke laag: Stuwwallen De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen.

16

De ambitie is het eigen karaker van de afzonderlijke stuwwallen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Jonge heide- en broekontginningen De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oor spronkelijk functioneel verbonden met het essen en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuur verbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Daarnaast zijn vanaf 1750 vanuit de landgoederen en buitens ook veel van de voormalige heidegronden voor de jacht en houtproductie bebost. Dit heeft geresulteerd in grote en kleinere landbouwontginningslandschappen en in landschappen van grote boscomplexen en (nooit ontgonnen) heidevelden, zoals op de Sallandse Heuvelrug. De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is.

De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen.

Afbeelding 10 Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel)

Afbeelding 11 Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)

3. Beleid 3.2 Gemeentelijk beleid Welstandsnota gemeente Hof van Twente In de welstandsnota is het ruimtelijke beleid opgenomen van de gemeente Hof van Twente. Het projectgebied ligt in het deelgebied Bossen. De jongere bossen liggen op meer heuvelachtig terrein, rond Markelo. Deze zijn veelal in het kader van de ontginning van de woeste gronden aangeplant. In de jongere bossen vinden we wat meer bebouwing, maar veel is het niet. In de meeste gevallen gaat het om recreatiewoningen. Bij de panden die in de bossen staan, valt een grote verscheidenheid in architectuur op. In het beleid wordt voor de bossen ingezet op behoud van de natuurwaarden. De versnippering en verstoring van de bossen dient te worden tegen gegaan. De meeste bossen in Hof van Twente zijn opgenomen in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Inzet van het welstandsbeleid voor dit deelgebied is dat de weinige bouwwerken die de bossen herbergen een grote verscheidenheid mogen kennen. De beslotenheid van het bos kan wel wat hebben. Landschapsontwikkelingsplan Hof van Twente De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een landschapsontwikkelingsplan laten opstellen. Het Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen & Hof van Twente dient een samenhangende visie op landschapskwaliteit te bevatten en de bouwstenen en inrichtingsprincipes aan te geven voor landschapsontwikkeling.

Het plan dient bovendien als leidraad voor de rol en werkwijze van de beide

samenwerkende gemeenten om deze visie te realiseren door middel van concrete projecten. De stuwwal en het verzamelgebied Het sterke reliëf is het belangrijkste kenmerk van dit deelgebied en wordt gekoesterd in het ensemble van heuvels en flanken. Het cultuurhistorische, open essenlandschap accentueert dit reliëf evenals de bebossing van de veldontginningen op de toppen. Het agrarisch werklandschap met de open broekontginningen markeert de flanken en het laaggelegen verzamelgebied dat kwelrijk is en potentie heeft voor natuurontwikkeling. Markante zichtlijnen tussen stuwwal en flanken worden open gehouden. In het verzamelgebied stromen de dekzandbeken via de Regge noordwaarts af met een hoger debiet door een aangepaste waterverdeling en verbinding onder het Twentekanaal. De kern Goor ligt in dit beekdal op een kruispunt van wegen en aan het Twentekanaal. De spoorzone is aantrekkelijk uitloopgebied met name langs de beken en de oude spoorbaan.

hersteld. Binnen dit verdichte landschap kunnen kleinschalige vernieuwingen worden ingepast (niet-agrarische functies). Er zijn maatregelen voor de vier thema’s waaruit de landschapsontwikkelingsvisie is opgebouwd: • Behoud en versterking van de waardevolle ensembles • Landschappelijke versterking van het watersysteem • Zorg voor het agrarisch werklandschap • Inpassen van kernen en routes.

Markelo is hoog op de flank van de stuwwal gebouwd. De wegen lopen radiaal vanuit de kernen en volgen deze de rechtlijnige dijken in het verzamelgebied. Het Twentekanaal volgt globaal de grens tussen verzamelgebied en dekzandgebied, is verbreed en heeft een afwisselende recreatieve inrichting. Waar het kampenlandschap onderdeel is van het ensemble, dient het kleinschalige en onregelmatige patroon van singels, houtwallen, zandpaden en bosjes rond de omsloten kampen te worden onderhouden en waar nodig

17

18

4. Onderbouwing landschapsplan In dit hoofdstuk wordt het landschapsplan toegelicht aan de hand van een onderbouwing.

1

4. Onderbouwing landschapsplan 4.1 Uitgangspunten Het projectgebied ligt ten zuiden van de Kern Markelo in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Het projectgebied is gelegen in het jonge heide- en broekontginningslandschap. Het bebouwingsbeeld in de omgeving bestaat uit percelen met agrarische en kleine kernen. Deze percelen in de omgeving hebben een open karakter waarbij beplanting langs de perceelsgrenzen voorkomt en enkele solitaire bomen op het erf zelf. Uitgangspunten initiatiefnemer: • Realiseren van 10 lodges. • Inpassing van de nieuwe lodges in de omgeving. Uitgangspunten provincie Overijssel: • De ontwikkeling moet aansluiten op de gebiedskenmerken volgens de Omgevingsvisie Overijssel.

20

Uitgangspunten gemeente Hof van Twente: • Herstel en onderhoud lanen, houtwallen en boomgroepen. • Behoud samenhang en contrast tussen landschapstypen binnen ensembles. • Welstand/monumentenzorg, zorg voor het architectonische erfgoed in een landschappelijke context. • Verbrede landbouw, inkomsten uit natuur- en landschapsbeheer, recreatie en toerisme. • Ontwikkeling toerisme en recreatie per ensemble en tussen ensemble.

Legenda 1. Realiseren nieuwe lodges 2. Realiseren toegangsweg in halfverharding 3. Behouden bestaande groenstructuur Aanvullen met inheemse soorten, zodat er een dichte houtwal van minimaal 10m wordt gerealiseerd. (eventuele uitheemse soorten vervangen voor inheemse soorten) 4. Kruidenrijke onderbegroeiing voor bosplantsoen

1 1 1 1 1

3 2 3

3

4

2

1

1 1

Dichte houtwal van minimaal 10m

1

1

4. Onderbouwing landschapsplan 4.2 Groenstructuren en inrichting In het landschapsplan wordt op twee aspecten ingegaan, namelijk: de inrichting en de groenstructuren. De inrichting gaat in op de situering van de bebouwing op het projectgebied en de groenstructuren gaat in op de passende beplanting op het projectgebied.

4.2.1 Kenmerken landschapsplan Stedelijke inrichting Waar en hoe een projectgebied in het landschap ligt en hoe het eruit ziet, wordt bepaald door de bodem en het type landschap. Het huidige projectgebied bestaat uit een bosperceel. Het voornemen is om tien lodges in te passen. Ze worden verspreid over het perceel geplaatst en omgeven door groen, waardoor ze harmonieus opgaan in de natuurlijke omgeving. De lodges worden gepositioneerd met de kopse kant zoveel mogelijk naar het noorden. Hierdoor kunnen de bezoekers van de lodges niet veel bij elkaar naar binnen kijken en zorgt dit voor meer privacy. De nieuwe lodges worden uitgevoerd in sobere tinten. Het materiaalgebruik bestaat onder andere uit hout of uit andere duurzame houtachtige materialen. De lodges kunnen voorzien worden van sedumdaken. Ze worden ontworpen in dezelfde stijl als de bestaande lodges, waardoor ze naadloos opgaan in het bos en vrijwel onzichtbaar worden in de natuurlijke omgeving.

22

Het recreatieterrein is van voldoende omvang om te voldoen aan de parkeernormen voor tien lodges. De parkeerplekken worden gerealiseerd

met waterdoorlatende grasbetontegels of halfverharding, zoals elders ook is toegepast in het park. Dit zorgt ervoor dat het regenwater geleidelijk de grond in kan infiltreren. De keuze voor verharding en materialen moeten in gedekte kleurstelling sober worden toegepast en in afstemming met het huidige recreatiepark. De toegangsweg wordt aangelegd in halfverharding, wat de impact op het projectgebied tot een minimum beperkt. Deze keuze zorgt voor een natuurlijke uitstraling, een betere waterafvoer en minder verstoring van de omgeving, waardoor het landschap zoveel mogelijk intact blijft. Afscheidingen in de vorm van schuttingen en hekwerken zijn ongewenst en niet toegestaan. Landschappelijke inrichting De ambitie is om de unieke kenmerken van het jonge heide- en broekontginningslandschap te behouden, terwijl het huidige bos zijn functie behoudt. De lodges worden zodanig geïntegreerd dat het landschap ongestoord blijft en er minimale impact is op de natuurlijke omgeving. Het perceel heeft als huidige functie bos. Hierbij is het van belang dat van buitenaf dit het uiterlijk van een dicht bos betreft. De randen van het perceel houden hiervoor hun 10m groene zone aan. In deze zone mag niks anders komen dan groen. Hierdoor worden de lodges met mogelijk terras buiten deze 10m groene zone geplaatst. De bosrijke omgeving blijft zoveel mogelijk behouden.

Eventuele uitheemse soorten worden vervangen door inheemse en streekeigen planten en bomen.

Daarnaast wordt een kruidenrijke onderbegroeiing, met vooral hulst, ingezaaid als bosplantsoen. Dit voegt meerdere natuurlijke lagen toe en stimuleert de biodiversiteit. Met dit voorstel worden de lodges op een groene en natuurlijke manier ingepast in het landschap, waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het projectgebied optimaal behouden blijft. Beplanting Winst voor natuur en landschap zit vooral in het behouden van de sterke groenstructuur. Hierdoor wordt niet alleen de uitstraling van het park behouden, en ontstaat ook ruimte voor flora en fauna waardoor de natuurwaarde behouden blijft en mogelijk vergroot. Ook wordt de hoofdstructuur van het recreatieterrein zo beter herkenbaar en minder gevoelig voor de invulling van de staanplaatsen zelf. De groenstructuur vormt het raamwerk van het park, de speel- en waterpartijen vormen de open ruimten daartussen. De indeling op het terrein wordt gelang de ontwikkeling ingevuld. Initiatiefnemer is vrij om deze indeling en sortimentskeuze te bepalen. Gebiedsvreemde structuur dragende beplanting worden vermeden. Nieuw groen wordt welbewust en duurzaam aangeplant. De uiteindelijke beeldkwaliteit van het totale terrein zal hiermee in stand blijven. Voor het vervangen van uitheemse soorten met inheemse/streekeigen soorten kan gekozen worden aan de hand van de staalkaarten op de volgende pagina’s.

Enerzijds wordt hiermee de vrijheid niet beperkt, anderzijds wordt voorkomen dat het park een te divers beeld krijgt. Overige beplanting voor structuur dragende elementen is dan ook niet toegestaan.

Staalkaart Heesters bosplantsoen

Soort: Ilex aquifolium - Gewone hulst

Soort: Crateagus monogyna - Meidoorn

Soort: Corylus avellana - Hazelaar

Aanplantmaat 80/100

Aanplantmaat 80/100

Aanplantmaat 80/100

Plantafstand 3 stuks per m2

Plantafstand 3 stuks per m2

Plantafstand 3 stuks per m2

Mengpercentage 40%

Mengpercentage 30%

Mengpercentage 30%

Eindbeeld Lijnvormige meer vrij groeiende elementen waarbij er samen met de meidoorn en hazelaar een gemengde gesloten wand ontstaat met een hoogte en breedte van circa 3 meter.

Eindbeeld Lijnvormige meer vrij groeiende elementen waarbij er samen met de sleedoorn en hazelaar een gemengde gesloten wand ontstaat met een hoogte en breedte van circa 3 meter.

Eindbeeld Lijnvormige meer vrij groeiende elementen waarbij er samen met de sleedoorn en meidoorn een gemengde gesloten wand ontstaat met een hoogte en breedte van circa 3 meter.

23

Staalkaart Solitaire bomen

24

Soort: Quercus Robur - Zomer eik

Soort: Betula pendula - Ruwe Berk

Soort: Tilia tomentosa - Zilverlinde

Aanplantmaat 12/14

Aanplantmaat 12/14

Aanplantmaat 12/14

Plantafstand Minimaal 6 meter onderlinge afstand

Plantafstand Minimaal 6 meter onderlinge afstand

Plantafstand Minimaal 6 meter onderlinge afstand

Mengpercentage 50% Eindbeeld De ruwe berk is een transparante kleinere boom. Hij is goed toepasbaar op de velden waarbij wel enige schaduw gewenst is maar waar de ruimte niet geheel afgesloten moet worden.

Mengpercentage 25% Eindbeeld De zomereik is een grote boom. De zomer eik kan verspreid over het terrein maar met name langs de randen in groepen of als solitair toegepast worden.

Mengpercentage 25% Eindbeeld De zilverlinde is een grote boom en verdraagt sterke snoei zodat enige compactheid haalbaar is. De zilverlinde kwam van oorsprong nabij gebouwen voor en is daarom goed toepasbaar nabij voorzieningen.

1

5. Aanleg en beheer In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de ingetekende landschapselementen idealiter geplant of onderhouden dienen te worden. 1

5. Aanleg en beheer 5.1 Algemene aanplantinstructie 1. Het aanplanten van een landschapselementen kan plaats vinden tussen (half) november en (half) maart, mits het niet vriest. 2. Voor de aanplant wordt vaak gekozen voor een zogeheten bewortelde stek met de maat 200-250 cm hoogte vanaf de wortelhals. 3.Indien u niet direct alle bomen kunt aanplanten, dan kunt u ervoor kiezen de bomen tijdelijk op te kuilen. Kies hiervoor een vochtige schaduwrijke plaats uit. Het opkuilen kan door een gat in de grond te graven en daar de bomen met de wortels in te zetten. Bedek de wortels met de vrijgekomen grond.

5.2 Specifieke aanplantinstructie Solitaire boom Voor het aanplanten is een ruim plantgat noodzakelijk waarin de wortels zich wijd kunnen uitspreiden. Het plantgat dient daarom ongeveer een afmeting te hebben van 70x70x70cm groot. Spit na het graven de bodem van het plantgat los. Houtsingel Houd rekening met het type bodem en kies daar de soorten bomen en struiken op uit. Veel verschillende soorten, geeft meer diversiteit in het element. Een houtsingel bestaat uit minimaal 3 plantrijen. Struweelbos Bij een bosje kan het plantsoen op verschillende manieren worden aangeplant. De keuze bestaat uit het aanplanten in een vierkants- of een 26

driehoeksverband. Voor de aanplant kan gekozen worden voor een plantafstand van bijvoorbeeld 1,5 bij 1,5 meter. Kruidenrijk bosplantsoen Voor een optimaal resultaat moet dit mengsel moet gezaaid worden met een zaaidichtheid van 0,5-1 g/m2 . Zaai dit mengsel nadat het bosplantsoen is aangeplant, dus in het najaar of aan het einde van de winter.

5.3 Specifiek beheer Solitaire boom Zo min mogelijk snoeien heeft de voorkeur, omdat er zo weinig mogelijk wonden ontstaan. De boom zal met de mogelijkheden van de groeiplaats uit- groeien tot een volwassen boom. Houtsingel Goed onderhouden houtwallen en houtsingels bestaan uit een boom‑, struik- en kruidlaag. Na ongeveer 5 – 6 jaar zullen de takken in de houtsingel of wal elkaar gaan raken en dient er waar nodig gesnoeid en gedund worden. Na tien jaar is de eerste keer onderhoud noodzakelijk. Dit kan door middel van gefaseerd hakhoutbeheer. Struweelbos Goed onderhouden bosjes bestaan uit een boom‑, struik- en kruidlaag. Na ongeveer 5 – 10 jaar zullen de takken in het bosje elkaar gaan raken en dient er waar nodig gesnoeid en gedund worden. Na 10 – 15 jaar is de eerste keer onderhoud noodzakelijk. Dit kan door middel van gefaseerd hakhoutbeheer, daarbij wordt het

onderhoud in fasen uitgevoerd. Kruidenrijk bosplantsoen Dit mengsel kan één- of tweemaal per jaar afgemaaid worden. Maai het eerste jaar na aanleg pas nadat de akkerbloemen uitgebloeid zijn.

Colofon

Project:

Traasweg 5, Markelo

Auteur:

BJZ.nu

Datum:

November 2024

Status:

Definitief

www.bjz.nu 0546 434 466 info@bjz.nu

Vestiging Almelo Twentepoort Oost 16a 7609 RG Almelo

Vestiging Zwolle Dr. van Wiechenweg 2 8025 BZ Zwolle

Vestiging Utrecht Wattbaan 51 3439 ML Nieuwegein

Vestiging Groningen Helperpark 284 9723 ZA Groningen

27

Legenda 1. Lodges 2. Behouden en versterken groenstructuur (uitheemse soorten vervangen door inheemse soorten) Aanvullen met inheemse soorten, zodat er een dichte houtwal van minimaal 10m wordt gerealiseerd. Keuze inheemse soorten wordt bepaald a.d.h.v. de staalkaarten. 3. In te zaaien kruidenrijke onderbegroeiing voor bosplantsoen 1g per m2 kruidenmengsel, totaal 3500m2 Zaaisel: O3 Onderbegroeiing - bosplantsoen van Cruydthoeck

1 1 1 1 1

3 3

3

1

1 4

2

1

1 1

Dichte houtwal van minimaal 10m

Traasweg 5, Markelo

Formaat: A3 Schaal: 1:1000 Datum: Oktober 2024

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek

34

vastgesteld

Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 www.sigma-bm.nl email info@sigma-bm.nl

augustus ’23

Onderwerp:

verkennend milieukundig bodemonderzoek Hogedijk 8 te Markelo

Projectnummer:

23-M10892

Opdrachtgever:

BJZ.nu

Datum:

22 augustus 2023

0

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

onderwerp

verkennend milieukundig bodemonderzoek Hogedijk 8 te Markelo

datum

22 augustus 2023

projectnummer

23-M10892

in opdracht van

BJZ.nu Twentepoort Oost 16A 7609 RG Almelo

uitgevoerd door

Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128

Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens de norm NEN-ENISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen”

Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018”

(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001)

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Geo- & Milieutechniek B.V..

augustus ’23

1

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

Inhoudsopgave 1

2

INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1

Algemeen................................................................................................................................. 3

1.2

Aanleiding van het bodemonderzoek ...................................................................................... 3

1.3

Doel van het onderzoek ........................................................................................................... 3

1.4

Referentiekader van het onderzoek ........................................................................................ 4

1.5

Opbouw van het rapport .......................................................................................................... 4

VOORONDERZOEK ........................................................................................................................ 5 2.1

Hypothese en onderzoeksstrategie ....................................................................................... 12

3.1 Uitvoering van het veldonderzoek ............................................................................................. 13 3.2 Resultaten van het veldonderzoek ............................................................................................ 14 4

CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK .................................................................................... 15 4.1

Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek ..................................................... 15

4.2

Toetsingscriteria .................................................................................................................... 16

4.3

Analyseresultaten en interpretatie ......................................................................................... 17

4.3.1

Milieuhygiënische kwaliteit grond ...................................................................................... 17

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................... 20

6

LITERTUURLIJST .......................................................................................................................... 24

7

COLOFON ...................................................................................................................................... 25

Bijlagen 1. Topografisch overzicht 2. Onderzoekslocatie met boorplan (1:1.000) 3. Beschrijvingen inspectiegaten/boringen/foto’s 4. Analysecertificaten 5. Onafhankelijkheidsverklaring

augustus ’23

2

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

1

INLEIDING

1.1

Algemeen

In opdracht van BJZ.nu is in augustus 2023 door Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. een verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 uitgevoerd op een deel van de locatie gelegen aan de Hogedijk nr. 8 te Markelo (gemeente Hof van Twente). De plaats en situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1 en 2. In dit onderzoek worden allereerst de locatiegegevens, de historische gegevens ofwel het bodemgebruik in het verleden evenals de resultaten van eventuele voorgaande bodemonderzoeken besproken. Vervolgens wordt de bodemopbouw, geologie en geohydrologie besproken. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is een onderzoekshypothese opgesteld. Het verdere onderzoek is op basis van deze hypothese uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden geïnterpreteerd. Aan de hand van de interpretatie van de onderzoeksresultaten wordt een eindconclusie geformuleerd. kwaliteitsborging: Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015. Het verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit het besluit uitvoeringskwaliteit Bodembeheer (KWALIBO). Zo is de gehanteerde onderzoeksstrategie opgesteld volgens de normen NEN-5725 en NEN-5740 en zijn de veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd volgens geldende beoordelingsrichtlijnen en accreditatieschema’s.

De veldwerkzaamheden van Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. zijn verricht onder het procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) waarvoor Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. is gecertificeerd en erkend door het ministerie van I&W. In het kader van het onderhavige onderzoek is de protocollen 2001 (plaatsen van handboringen en peilbuizen t.b.v. het nemen van grond- en grondwatermonsters) van toepassing. Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. verklaart bij deze volledig onafhankelijk te zijn in de uitvoering van het onderzoek en op geen enkele wijze gerelateerd te zijn aan de eigenaar van het te onderzoeken terrein.

1.2

Aanleiding van het bodemonderzoek

Aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt de geplande nieuwbouw van tien recreatiewoningen op de onderzoekslocatie.

1.3

Doel van het onderzoek

Het verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de vaste bodem en vast te stellen of er sprake is van bodemverontreiniging. Aan de hand van dit onderzoek wordt inzicht verkregen in hoeverre het bodemgebruik van de locatie heeft geleid tot verontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan een milieuhygiënische beoordeling worden gegeven ten aanzien van de beoogde c.q. de toekomstige gebruiksmogelijkheden van de locatie. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging zal worden beoordeeld of vervolgonderzoek noodzakelijk geacht wordt.

augustus ’23

3

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

1.4

Referentiekader van het onderzoek

Teneinde de kwaliteit van de grond op de onderhavige locatie juist in te schatten is de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek, onderzoeksnorm NEN 5740+A1 (literatuur 1). 1.5

Opbouw van het rapport

In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde:  vooronderzoek, (hoofdstuk 2)  veldonderzoek, (hoofdstuk 3)  chemisch-analytisch onderzoek, (hoofdstuk 4)  conclusies en aanbevelingen, (hoofdstuk 5).

augustus ’23

4

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

2

VOORONDERZOEK

Het vooronderzoek wordt voorafgaand aan het feitelijke onderzoek (veld- en chemisch-analytisch onderzoek) uitgevoerd. Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over het vroegere en huidige gebruik van de onderzoekslocatie en de omgeving, onder meer gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. De uitwerking van het vooronderzoek is gebaseerd op de onderzoeksnorm NEN 5725, strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (literatuur 9). In de NEN-5725 (2017) zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. tabel 1: onderzoeksaspecten milieuhygiënisch vooronderzoek Onderzoeksaspecten 1. Locatiegegevens

Aanleiding tot vooronderzoek

Eigendomssituatie

B 0

C

D

✓

✓

✓

✓

Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie

3. Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit

Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. BKK O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken

4. Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval

F

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓ ✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

Hoogteligging 2. Bodemopbouw en geohydrologie

E

G

A 0

✓ ✓

0

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

0

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

0 ✓

✓

Voormalig Huidig Toekomstig Asbestverdacht?

✓

✓

✓

✓

✓

5. Terreinverkenning ✓ Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd 0 Optioneel

augustus ’23

5

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

aanleiding vooronderzoek Het onderhavige bodemonderzoek betreft een verkennend bodemonderzoek in het kader van de geplande nieuwbouw van tien recreatiewoningen op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van aanleiding A, conform paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725 (2017). geraadpleegde bronnen in het kader van het vooronderzoek Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever/eigenaar; • informatie van de gemeente Hof van Twente (verkregen via email d.d. 21-07-2023); • informatie van Bodemloket.nl; • informatie van de omgevingsrapportage Overijssel; • Topotijdreis.nl; • Kadaster/BAG Viewer; • grondwaterkaart van Nederland; • AHN.nl; • Dinoloket.nl; • handelsbestand van de Kamer van Koophandel; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden . Het uitgevoerde vooronderzoek heeft betrekking tot de onderhavige onderzoekslocatie alsmede de aangrenzende percelen binnen een straal van 25 meter. locatiegegevens In tabel 2 is een overzicht van de basisinformatie/locatiegegevens weergegeven. tabel 2: overzicht basisinformatie Adres Plaats Gemeente Topografisch overzicht Coördinaten Kadastrale aanduiding Eigendomssituatie Oppervlakte onderzoekslocatie (onbebouwde deel plangebied) Algemene omschrijving

Bebouwing en bouwjaar (Kadaster BAG) Terreinverharding Ondergrondse infrastructuur Archeologische waarden Geplande herinrichting bijzonderheden: -

Hogedijk 8 Markelo Hof van Twente Zie bijlage 1 X = 229,290 Y= 471,673 Gemeente Markelo, perceel sectie P nr. 532 Niet nagegaan. Ca. 6.480 m2 De onderzoekslocatie betreft het kadastrale perceel Markelo sectie P nr. 532, behorende bij het recreatiepark aan de Hogedijk nr. 8 te Markelo. De onderzoekslocatie betreft bosgrond en is onbebouwd en onverhard.. De opdrachtgever is voornemens om de nieuwbouw van tien vakantiewoningen te realiseren. Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op het terreindeel zoals opgenomen in bijlage 2. De onderzoekslocatie is onbebouwd. De onderzoekslocatie, het beoogde plangebied, is onverhard. Geen informatie, bij grondwerk dient een KLIC-melding gedaan te worden. De locatie heeft op basis van de archeologische waardenkaart (IKAW) de vermelding "hoge trefkans" / lage trefkans. De nieuwbouw van tien vakantiewoningen.

afbakening onderzoekslocatie Het onderhavige onderzoek, het geografisch besluitvormingsgebied, betreft het onderzochte deel van de locatie zoals weergegeven in bijlage 2.

augustus ’23

6

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

bodemgebruik op basis van topografische kaarten In de onderstaande tabel 3 is de beschikbare informatie weergegeven over het historisch, huidig en toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. tabel 3: beschrijving bodemgebruik Omschrijving

Gebruik

Potentieel bodembedreigende activiteiten en situaties

Onderzoekslocatie Historisch (op basis van topografische kaarten, Topotijdreis)

Op basis van de topografische kaarten is er in het verleden niet eerder bebouwing te herkennen op de onderzoekslocatie. Op luchtfoto’s tot 2020/2021 zijn er op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie voor zover te herkennen enkele gebouwen (mogelijk chalets) zichtbaar. Directe omgeving (<25 m) Historisch (op Op basis van de topografische kaarten vanaf 1889 is in de basis van omgeving van de locatie reeds enige bebouwing te topografische herkennen. kaarten, Deze bebouwing is in de loop der jaren verder uitgebreid / Topotijdreis) gewijzigd. Huidig en In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevinden toekomstig zich voornamelijk vakantiehuizen en agrarische gronden. Noord- en oostzijde: de Traasweg en omliggende agrarische gronden; Zuidzijde: het naastgelegen recreatiepark; Westzijde: naastgelegen agrarische gronden.

augustus ’23

Geen.

Geen.

Het is op voorhand onbekend of activiteiten in de directe omgeving negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.

7

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

bedrijfsmatige activiteiten, bodembedreigende activiteiten en calamiteiten In tabel 4 staat een overzicht weergegeven van de potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten op basis van de beschikbare informatie. tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Gebruik

De onderzoekslocatie betreft het kadastrale perceel Markelo sectie P nr. 532, behorende bij het recreatiepark aan de Hogedijk nr. 8 te Markelo.. De onderzoekslocatie betreft bosgrond en is onbebouwd en onverhard. De opdrachtgever is voornemens om de nieuwbouw van tien vakantiewoningen te realiseren. Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op het terreindeel zoals opgenomen in bijlage 2. Op basis van de historische informatie uit het vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie voor zover bekend in het verleden niet anders dan als weide- / akkerbouwland en later als bosgrond in gebruik is geweest.

Bouwvergunning

Er is geen informatie beschikbaar omtrent evt. (voormalige) potentieel bodembedreigende activiteiten/calamiteiten (verbranding afval, opslag van gevaarlijke stoffen etc.) op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie is onbebouwd.

Milieuvergunning

Niet bekend.

Handelsregister

Op het adres Hogedijk nr. 8 te Markelo staan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel de volgende bedrijven geregistreerd: ■ De Hoeve Markelo: restaurant; ■ Paardencoaching Heistaete; paramedische praktijken; ■ V.O.F. vakantieoord “De Kattenberg” (uitgeschreven). Er is geen informatie omtrent de eventuele aanwezigheid of voormalige aanwezigheid van boven- of ondergrondse brandstoftanks op de onderzoekslocatie (binnen het te bebouwen deel). Er bestaat altijd de mogelijkheid dat boven- en ondergrondse brandstoftanks in het verleden geplaatst zijn zonder melding, de aanwezigheid van dergelijke tanks blijkt niet uit de verkregen informatie.

Aanwezigheid brandstoftanks

augustus ’23

8

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

vervolg tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Aanwezigheid asbest

De onderzoekslocatie is onbebouwd (zie figuur 1).

figuur 1: asbestdakenkaart provincie Overijssel

Ophogingen/dempingen/stortingen

Niet gesprongen explosieven

augustus ’23

De daken van de bestaande gebouwen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest (zie figuur 1). Er is geen informatie bekend omtrent de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem t.p.v. het plangebied. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. is begraven. Op voorhand is hiervan geen informatie bekend. Er is geen informatie omtrent evt. met bodemvreemd materiaal gedempte watergangen / sloten t.p.v. de onderzoekslocatie (binnen het onderzochte terreindeel. Er is geen informatie omtrent evt. opgebrachte gebiedsvreemde grond (ophogingen), verhardingsmateriaal, puinmateriaal en/of afval op de onderzoekslocatie. Geen informatie, in Nederland zijn er niet gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede Wereldoorlog in de grond achtergebleven. De (potentiële) aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging inhouden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging leiden bij planvorming en uitvoering van werkzaamheden. NGE's worden met name aangetroffen ter plaatse van 'strategische doelen' zoals binnensteden, verbindingswegen, spoorwegen, bruggen en havens. De gemeente is op basis van regelgeving verantwoordelijk voor het opsporen en ruimen va niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Voor aanvullende informatie wordt verwezen naar de gemeente.

9

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

vervolg tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten PFAS-verdachtheid

Calamiteiten

Verdachte activiteiten < 25 m

Op of nabij de onderzoekslocatie bevinden zich geen locaties die de bodem verdacht maken voor PFAS en GenX verbindingen als gevolg van puntbronnen. De kans op verontreiniging met PFAS in de grond t.p.v. de onderzoekslocatie t.g.v. puntbronnen wordt gering geacht. De bovengrond, diepere geroerde bodemlagen en de waterbodem zijn op basis van het Tijdelijk Handelingskader PFAS in heel Nederland verdacht op het diffuus voorkomen van PFAS als gevolg van atmosferische depositie. Verwacht wordt dat de bodem van de onderzoekslocatie diffuus onverdacht is voor PFAS en onverdacht is op GenX. Hoewel PFAS diffuus verspreid in de bodem in Nederland voorkomt, en op veel plaatsen in gehalten boven de detectielimiet wordt aangetroffen, is op basis van het vooronderzoek geen informatie verkregen over de eventuele aanwezigheid van PFAS en GenX op de locatie. Ter plaatse zijn geen bronlocaties bekend. Bij evt. toekomstig grondverzet wordt geadviseerd alsnog onderzoek naar deze parameters uit te voeren. Voor zover bekend is er geen informatie over evt. calamiteiten die hebben plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd kan zijn geraakt. In de directe omgeving van de locatie bevinden zich agrarische gronden en recreatiewoningen behorende tot het bestaande recreatiepark en agrarische gronden.

Het is op voorhand onbekend of activiteiten in de directe omgeving negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.

voorgaande bodemonderzoeken In tabel 5 is een overzicht van voorgaande bodemonderzoeken en informatie van de bodemkwaliteitskaart weergegeven. tabel 5: overzicht voorgaande bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaart voorgaande bodemonderzoeken Onderzoekslocatie

► oriënterend bodemonderzoek Hogedijk 8 te Markelo d.d. 07-01-1997, Blue Fish, ref. nr. 1601.001. Algemene conclusie: lichte verontreiniging groter dan streefwaarde. Status o.b.v. onderzoek: niet ernstig. Vervolgonderzoek: geen

Omgeving <25 m

► Niet bekend. ► Niet bekend.

Vermoeden van (een geval van ernstige) bodemverontreiniging op de locatie of een deel daarvan informatie bodemkwaliteitskaart

augustus ’23

►De locatie bevindt zich in de zone buitengebied.

10

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

bodemopbouw, geohydrologie en antropogene beïnvloeding De ondiepe geologie in het onderzoeksgebied is afgeleid van de Grondwaterkaart van Nederland (Dienst grondwaterverkenning TNO/DGGV) en ontleend aan het dinoloket (www.dinoloket.nl). De bovenste laag, de deklaag, heeft een hoogte van ca. 12-22 m+NAP.

figuur 2: bodemopbouw

De stromingsrichting van het ondiepe grondwater van het eerste watervoerend is in het kader van dit onderzoek niet vastgesteld. Opgemerkt dient te worden dat de stromingsrichting van het grondwater beïnvloed kan worden door drainagepatroon, ligging van sloten, riolering, kabels, leidingen en funderingen. (financieel-) juridische situatie In tabel 6 zijn de financieel- juridische aspecten weergegeven. tabel 6: financieel/juridische aspecten kadastrale gegevens opdrachtgever/ belanghebbende rechtspersonen

Gemeente Markelo, perceel sectie P nr. 532 Niet nagegaan.

In het kader van onderhavig bodemonderzoek is behoudens de opgenomen kadastrale gegevens geen nadere financieel juridische informatie verzameld. Het uitvoeren van een daadwerkelijke juridische toets maakt geen deel uit van onderhavig bodemonderzoek.

augustus ’23

11

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

2.1

Hypothese en onderzoeksstrategie

Volgens de onderzoeksnorm NEN 5740 dient, m.b.t. de aanwezigheid van eventuele bodemverontreiniging, vooraf een onderzoekshypothese te worden opgesteld. De hypothese kan worden opgesteld op basis van bekende (historische) gegevens, uit de betrokken informatie kan blijken dat de onderzoekslocatie, vooraf, als “verdacht” of “onverdacht” wordt aangemerkt. Op basis van de historische informatie uit het vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie voor zover bekend in het verleden niet anders dan als weide en akkerbouwland en later als bosgrond in gebruik is geweest. Op luchtfoto’s tot 2020/2021 zijn er op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie voor zover te herkennen enkele gebouwen (mogelijk chalets) zichtbaar. Er is geen informatie omtrent evt. (voormalige) (bedrijfs)matige activiteiten op de onderzoekslocatie (t.p.v. het onderzoeksgebied). Er is geen informatie over (voormalige) potentieel verdachte deellocaties (bronnen), (voormalige) bodembedreigende activiteiten of evt. (voormalige) potentieel bodembedreigende calamiteiten t.p.v. de onderzoekslocatie (t.p.v. het onderzoeksgebied). De onderzoekslocatie, het beoogde plangebied, is in eerste aanleg als milieuhygiënisch "onverdacht" aangemerkt. Op basis van deze hypothese is het bodemonderzoek t.p.v.

de onderzoekslocatie uitgevoerd conform de bijbehorende onderzoeksstrategie, volgens NEN 5740+A1, paragraaf 5.1, strategie voor onverdachte locaties (ONV-NL) (literatuur 1). In tabel 7 is de gehanteerde onderzoeksstrategie weergegeven. tabel 7: gehanteerde onderzoeksstrategie

(deel)locatie NEN-5740+A1 onderzoeksgebied (plangebied) (ca. 6.480 m2)

mogelijke verontreiniging grond

grondwater

onderzoeksstrategie

-

-

ONV-NL

Op basis van bekende informatie zijn geen gegevens bekend dat op de locatie sprake zou kunnen zijn van een bodemverontreiniging met asbest. Op voorhand is geen concrete informatie bekend waaruit blijkt dat t.p.v. de onderzoekslocatie asbesthoudend materiaal in de bodem aanwezig is. Er is in dit onderzoek vooralsnog geen onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in grond uitgevoerd. Het opgeboorde monstermateriaal op de onderzoekslocatie is in dit onderzoek visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Opgemerkt dient te worden dat asbestanalyses geen deel uitmaken van uitgevoerde analyses in het kader van de NEN-5740+A1. Onderhavig onderzoek betreft geen asbest onderzoek in bodem volgens NEN-5707+C2 of NEN-5897+C2. Er bestaat echter altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. in de bodem terecht gekomen is of is begraven. Alleen een verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 of onderzoek asbest in puin volgens NEN-5897+C2 kan een uitspraak doen over de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem. Tevens dient opgemerkt te worden dat aanwezig puinmateriaal en/of (half)verhardingsmaterialen niet chemisch-analytisch zijn onderzocht.

augustus ’23

12

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

3

VELDONDERZOEK

In dit hoofdstuk wordt het uitgevoerde veldwerkonderzoeksprogramma beschreven. Daarnaast worden de resultaten van het veldonderzoek weergegeven. 3.1 Uitvoering van het veldonderzoek Het veldonderzoek is uitgevoerd onder procescertificaat BRL SIKB 2000 en conform de eisen uit de protocol 2001. In tabel 8 zijn de uitvoeringaspecten opgenomen. tabel 8: uitvoeringsaspecten onderdeel:

uitgevoerd door:

datum:

bijzonderheden:

locatie-inspectie, uitvoeren van boringen en het nemen van grondmonsters (protocol 2001)

dhr. A.D.M van Wuykhuyse (erkend en geregistreerd) dhr. R. Dob (in opleiding)

09-08-2023

geen bijzonderheden t.a.v. de uitvoering

Bedrijfs- en persoonerkenningen zijn weergegeven op de internetsite van Bodem+ (https://www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu). Een onafhankelijkheidsverklaring is opgenomen in bijlage 5. Alle geplaatste boringen zijn zodanig ruimtelijk verspreid over de onderzoekslocatie dat een zo representatief mogelijke indruk van de onderzoekslocatie wordt verkregen. De positionering van alle boringen is weergegeven in bijlage 2. Het veldwerkprogramma staat weergegeven in tabel 10. tabel 9: veldwerkprogramma Onderdeel

Aantal

Diepte (m-mv)

Nummers

12

ca.0.5

5 t/m 16

3

ca.2.0

2+3+4

1

ca.5.0#

1

Onderzoekslocatie (ca. 6.480 m2)

Boringen

Tot een diepte van 5 m-mv is op de onderzoekslocatie geen freatisch grondwater aangetroffen. Conform NEN-5740 kan onderzoek indien het freatisch grondwater zich dieper 5 m-mv bevindt buiten beschouwing blijven. Onderzoek van het grondwater is in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten.

monstername grond Het vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen, o.a. de korrelgrootteverdeling (textuur), kleur en eventueel aanwezige verontreinigingskenmerken. Na de zintuiglijke beoordeling is het bodemmateriaal in trajecten van 0,5 meter of per afwijkende bodemlaag bemonsterd. Grondmonsters t.b.v. analyse op vluchtige aromaten zijn m.b.v. een steekbus bemonsterd. Grondmonsters zijn genomen conform de eisen uit het protocol 2001.

augustus ’23

13

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

3.2 Resultaten van het veldonderzoek bodemopbouw De boorprofielbeschrijvingen van alle verrichte boringen met bijbehorende zintuiglijke waarnemingen zijn grafisch uitgewerkt en opgenomen in bijlage 3. In tabel 10 is op basis van de waarnemingen de lokale bodemopbouw beschreven. tabel 10: lokale bodemopbouw bodemlaag m-mv 0.0-0.5 0.5-2.0 2.0-5.0

hoofdbestanddeel

toevoeging

kleur

zand zand zand

zwak siltig, zwak humeus zwak siltig, zwak grindhoudend zwak tot matig siltig, grindhoudend, plaatselijk zandige leemlagen

donkerbruin lichtgeel lichtgeel/ oranje/beige

zintuiglijke waarnemingen grond Het bij de boringen vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen. De zintuiglijke waarnemingen zijn omschreven en grafisch weergegeven in bijlage 3. Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal geen bodemvreemde afwijkingen waargenomen welke zouden kunnen duiden op een vorm van bodemverontreiniging. grondwater In dit kader niet onderzocht. asbest Tijdens de locatie-inspectie is aandacht geschonken aan de aanwezigheid van asbest op het maaiveld, hierbij is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het opgeboorde monstermateriaal (grond) is zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Op basis van zintuiglijke waarnemingen van het opgeboorde monstermateriaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen (indicatieve waarneming). Hierbij wordt opgemerkt dat in dit onderzoek handboringen zijn uitgevoerd met een 5 cm edelman boor de trefkans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal (t.g.v. verdringing van materiaal) is kleiner dan bij het graven van inspectiegaten volgens NEN-5707+C2. Bij het graven van proefgaten of proefsleuven ontstaat een beter beeld van eventueel aanwezig bodemvreemd materiaal.

Met nadruk wordt vermeld dat onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de bodem/puin geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige onderzoek dat volgens NEN-5740+A1 is uitgevoerd. Het onderhavige onderzoek kan daarom geen uitspraak doen over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem op de onderhavige locatie. Opgemerkt dient te worden dat geen asbestanalyses van grond en/of puin e.d. hebben plaatsgevonden. Asbestanalyses maken geen deel uit van verkennend bodemonderzoek in het kader van de NEN-5740+A1. Tevens wordt opgemerkt dat de zintuiglijke beoordeling op asbest en de locatie-inspectie niet opgevat dient te worden als een onderzoek uitgevoerd op basis van NEN-5707+C2 (asbestonderzoek in grond) en/of NEN-5897+C2 (monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat). Alleen een asbestonderzoek volgens NEN-5707+C2 / NEN-5897+C2 geeft meer zekerheid over de aanwezigheid van asbest in de bodem resp. puin. De chemische samenstelling van eventueel aanwezig verhardingsmateriaal is niet in dit onderzoek onderzocht.

augustus ’23

14

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

4

CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK

In dit hoofdstuk worden de uitvoering, het toetsingskader en de resultaten van de chemische analyses besproken. Vervolgens worden de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek geïnterpreteerd Het chemisch onderzoek van grond is uitgevoerd door het NEN-EN-ISO 17025 geaccrediteerde milieulaboratorium van SGS. Alle analyses zijn geanalyseerd volgens het accreditatieschema AS3000 “laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor SGS is geaccrediteerd en erkend door het ministerie van I&W. De conservering van grondmonsters is uitgevoerd conform SIKB protocol 3001 “conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters”. 4.1

Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek

grond Teneinde in het kader van het verkennend bodemonderzoek een indruk te krijgen van de algemene kwaliteit van de grond zijn de grondmonsters, welke tijdens het veldonderzoek zijn genomen, in het laboratorium met elkaar gemengd tot grondmengmonsters. In onderstaande tabel 11 wordt de samenstelling van de grondmengmonsters, de monsternamediepte en de uitgevoerde analyses weergegeven. tabel 11: analyseschema Monstercode grond

boringnummer(s)

diepte (m-mv)

zintuiglijke waarnemingen

analysepakket

MM1

1+2+4 t/m 9+16

0.0-0.5

-

NEN-grond(*)+AS3000

MM2

3+10 t/m 16

0.0-0.5

-

NEN-grond(*)+AS3000

MM3

1+2

0.5-2.0

-

NEN-grond(*)+AS3000

MM4

3+4

0.5-2.0

-

NEN-grond(*)+AS3000

verklaring van de gebruikte afkortingen en codes:(1) * NEN-grond = Standaard Pakket Grond omvat AS3000 voorbehandeling, 9 zware metalen, PAK (10-VROM), minerale olie (GC), PBC’s, droge stof, organische stof en lutum; Zware metalen = barium (Ba)/cadmium (Cd)/Cobalt(Co)/koper (Cu)/lood (Pb)/nikkel (Ni)/zink (Zn)/Molybdeen (Mo)/kwik(Hg); PCB = Polychloorbifenylen; PAK = Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen; VOH = Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen. Bromoform = Tribroommethaan

augustus ’23

15

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Hogedijk 8 te Markelo

4.2

Toetsingscriteria

Om de kwaliteit van de bodem en de mate van verontreiniging te kunnen beoordelen, zijn de analyseresultaten van grondmonsters getoetst aan de geldende toetsingswaarden; 1) de achtergrondwaarde (AW-2000) zoals opgenomen in bijlage B van “de Regeling Bodemkwaliteit” 2) de interventiewaarde zoals opgenomen in tabel 1 van “de Circulaire Bodemsanering”, De toetsing van de meetresultaten is uitgevoerd middels BoToVa, de Bodem Toets Validatie Service van de overheid voor grond, grondwater en waterbodem, waarbij de toetsmodules T12 en T13 zijn gehanteerd. BoTova gaat uit van het wettelijk kader dat per 1 juli 2013 van kracht is. In de BoToVa toetsing worden de meetwaarden gecorrigeerd/teruggerekend voor de “standaard bodem” (humus=10% en lutum=25%). Generiek toetsingskader Voor de beoordeling van de analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters wordt gebruik gemaakt van de achtergrondwaarden grond zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit, de streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering. Achtergrondwaarde (AW-2000): De achtergrondwaarde (AW-2000) geeft de kwaliteit weer die 'van nature' voorkomt in de bodem van natuur- en landbouwgronden waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.

De achtergrondwaarden zijn opgenomen in het Besluit Bodemkwaliteit en zijn gebaseerd op het onderzoek ‘Achtergrondwaarden 2000’. Hierin zijn gehalten vastgesteld van een groot aantal stoffen in bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland. De achtergrondwaarde (AW-2000) geeft het niveau aan waarbij sprake is van duurzame bodemkwaliteit. Bij overschrijding van de achtergrondwaarde is er sprake van bodemverontreiniging. Tussenwaarde/bodemindex-waarde >0.5: De gemiddelde waarde van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde (S+I)/2, hierna te noemen 'tussenwaarde'(T), wordt gehanteerd om aan te geven dat bij overschrijding de kans aanwezig is dat er sprake is van een ernstige verontreiniging, ofwel dat nader onderzoek noodzakelijk is. De tussenwaarde heeft geen wettelijke status maar is een indicatieniveau voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek. De tussenwaarde geeft het concentratieniveau aan waarboven onder bepaalde omstandigheden risico’s voor mens en milieu aan de orde kunnen zijn. De tussenwaarde is zodoende een indicatiewaarde voor nader onderzoek. Bij overschrijding van de T-waarde of bodemindex waarde (>0,5) dient aanvullend/nader bodemonderzoek in overweging genomen te worden. Een nader onderzoek wordt uitgevoerd indien er een vermoeden bestaat dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging.

Interventiewaarde: De interventiewaarde (I) geeft aan dat bij overschrijding van deze waarde de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant en dier ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Is er sprake van een ernstige bodemverontreiniging en wordt de interventiewaarde in meer dan 25 m3 grond of 100 m3 grondwater (bodemvolume) overschreden, dan kan er noodzaak zijn tot sanering. De saneringsurgentie wordt bepaald door blootstellingsrisico's van mens, dier en plant en de verspreidingsrisico's van de betreffende stoffen (actuele risico’s). De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico's voor de volksgezondheid en het milieu (onderzoek RIVM). Bij de beoordeling van bodemverontreiniging aan de hand van de genoemde toetsingswaarden spelen nog een aantal aspecten een rol. Rekening dient te worden gehouden met het feit dat de mobiliteit van stoffen in de bodem en daardoor de verspreiding van stoffen afhankelijk is van diverse bodemkenmerken. Daarnaast speelt de bestemming en het gebruik van de locatie in de huidige situatie alsmede de toekomstige situatie, een grote rol bij de beoordeling van de risico's voor het milieu.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4075/documents/57813