Bijlage 1 - Delden, herziening Noordwal 72 Toelichting.pdf
Tekst van het document
28
ontwerp
Delden, herziening Noordwal 72
Functie
Milieucategorie
Richtafstand gemengd Daadwerkelijke gebied afstand
Molenstraat 14* Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen
2
10 m
7m
Molenstraat 24 Detailhandel
1
0m
6m
*Bij de invullingen van de bestemmingen in het bestemmingsplan wordt geen rekening gehouden met verkeerswegen. De enkelbestemming 'Centrum' die rust op de Molenstraat 14 heeft overlap met de Noorderhagen. De daadwerkelijke afstand is daarom gemeten vanaf de perceelgrens van de Molenstraat 14 tot aan de beoogde bebouwing van de het plangebied.
Op de Molenstraat 14 is de drukkerij 'Drukkerij Unaniem' gevestigd welke te identificeren is als een 'kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen'. Deze heeft een milieucategorie van 2 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter, waarbij het aspect 'geluid' maatgevend is. Deze overlapt het plangebied en de beoogde bebouwing en vormt in eerste instantie een belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Echter zijn er een aantal factoren waardoor onderlinge hinder uit te sluiten is: De ingang van de drukkerij is gelegen aan de Molenstraat, dus niet gelegen aan dezelfde weg als het plangebied (Noorderhagen) De drukkerij en het plangebied zijn bouwkundig gescheiden De drukkerij wordt in de huidige situatie omringd door meerdere woningen In hetzelfde pand van de drukkerij zijn woningen gesitueerd De afstand tussen het plangebied en de Molenstraat 24 is op basis van de geldende richtafstanden voldoende. Gelet op het bovengenoemde kan geconcludeerd worden dat het maatgevende aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. 4.5.3.2
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie, die vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Binnen het plangebied worden appartementen gerealiseerd. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit in de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Daarnaast leidt voorgenomen ontwikkeling niet tot extra hinder of belemmeringen van de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven.
4.5.4
Conclusie Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
ontwerp
29
Delden, herziening Noordwal 72
4.6
Ecologie
4.6.1
Algemeen De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels.
4.6.1.1
Soorten bescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.
4.6.1.2
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). Natuur Netwerk Nederland De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Overijssel uitgewerkt in de Omgevingsverordening Overijssel. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
30
ontwerp
Delden, herziening Noordwal 72
4.6.2
Situatie plangebied
4.6.2.1
Soorten bescherming Door Tuitert Natuuronderzoek is in 2021 verkennend en aanvullend natuuronderzoek uitgevoerd. De resultaten worden hieronder toegelicht. De rapportages zijn toegevoegd aan Bijlage 3 en Bijlage 4. Uit het verkennend natuuronderzoek blijkt dat de huidige bebouwing in het plangebied potentieel geschikt is als nestplaats voor huismus en als verblijfplaats voor vleermuizen. Aan de hand van aanvullend veldonderzoek is vastgesteld of deze soorten daadwerkelijk in het onderzoeksgebied verblijven. Hieruit blijkt dat de te slopen bebouwing niet fungeert als nestplaats voor de huismus. De te slopen bebouwing fungeert wel als zomer-, paar- en winterverblijfsplaats van een mannetje gewone dwergvleermuis. Daarom is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Voor vleermuizen worden regelmatig ontheffingen afgegeven, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Het tijdig voorzien in alternatieve nestplaatsen in de omgeving van het plangebied is een belangrijke randvoorwaarde. Hier is reeds invulling aan gegeven in het voorjaar van 2022. Het project kent ook een maatschappelijke belang. Het is dan ook aannemelijk dat de ontheffing Wet natuurbescherming afgegeven gaat worden. Tijdens de herontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedvogels in de begroeiing in het plangebied, waarvan het nest niet jaarrond is beschermd.
Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden en in gebruik zijnde nesten mogen tijdens het broedseizoen niet worden aangetast. Er dient gewerkt te worden buiten het broedseizoen of het werkgebied dient voorafgaand aan broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Het broedseizoen loopt globaal vanaf half maart tot begin augustus.
4.6.2.2
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Lonnekermeer op ca. 8 km afstand van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het plangebied. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Delden, de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden (> 8 km) en de beperkte impact van de ingreep (reguliere sloop- en bouwwerkzaamheden), kan een significante verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden oppervlakteverlies, optische verstoring, licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Emissie van stikstof kan echter over grotere afstand de natuur beïnvloeden. De omliggende Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige gebieden. Zowel tijdens de bouwfase als tijdens de gebruiksfase komen extra stikstofemissies vrij. Uit de Aerius-berekening, welke is bijgevoegd in Bijlage 5 blijkt dat de totale stikstofemissie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase (2022) niet leidt tot stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden (depositie is niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden.
Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Natuur Netwerk Nederland (NNN) De voorgenomen ingreep leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel ten aanzien van
ontwerp
31
Delden, herziening Noordwal 72
het Natuurnetwerk Nederland. Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” is niet aan de orde. 4.6.3
Conclusie Indien aangetoond wordt middels het aanvullende veldonderzoek dat in het plangebied vleermuizen en/of huismussen verblijven, dan is ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen ontwikkeling. Indien dit niet het geval is, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Archeologie en Cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1
Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden.
Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer; Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2.500 m2 of meer; Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5.000 m2 of meer; Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer. Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht.
4.7.1.2
Situatie plangebied Het plangebied is gelegen binnen een gebied met een hogere archeologische waarde (Waarde - Archeologie 1). Derhalve is door Laagland Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd. Dit rapport is toegevoegd in Bijlage 6. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek worden archeologische resten verwacht binnen het plangebied, waaronder een gedempte stadsgracht. Afhankelijk van de wijze waarop gefundeerd wordt is het mogelijk dat deze resten aangetast kunnen worden. Derhalve is er een vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
32
ontwerp
Delden, herziening Noordwal 72
Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bovengrond in het plangebied tot circa 1 m –mv verstoord is. Onder deze verstoring is de gedempte gracht aangetroffen, die een diepte van tenminste ruim 2,6 m min het huidige maaiveld bereikt. Een deel van de oude stadsgracht ligt onder de huidige bebouwing. De homogene vulling van de gracht wijst op een kort tijdsbestek waarin deze gedempt werd. Aan de westzijde is een oude ophoging aangetroffen. Er zijn geen dateerbare vondsten in deze ophooglaag aangetroffen, maar waarschijnlijk gaat het om een nieuwtijdse ophoging met stadsafval voor de moestuinen die destijds rondom de stad waren aangelegd. Onder de huidige bebouwing zijn resten van de vermoedelijk laatmiddeleeuwse stadsgracht te verwachten. Deze is deels verstoord door de (bestaande) putringfunderingen, maar aangenomen kan worden dat details omtrent onderhoud, uitbreidingen en eventuele faseringen in de demping nog zijn te achterhalen. Het selectieadvies luidt als volgt: Indien ontgravingen dieper dan 80 cm -mv plaatsvinden is (gravend) archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. De aard van het vervolgonderzoek kan pas worden bepaald als bekend is op welke wijze gefundeerd gaat worden. Het vervolgonderzoek bestaat dan hetzij uit een opgraving, hetzij uit een begeleiding onder protocol opgraven.
Mochten bij graafwerkzaamheden elders in het plangebied onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Om de aanwezige archeologische waarden te beschermen wordt een dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan. Archeologisch vervolgonderzoek is volgens de dubbelbestemming nodig als de werkzaamheden groter zijn dan 50m2 en dieper gaan dan 80cm. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1
Algemeen Ieder bestemmingsplan dient tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierbij dient tevens de historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze worden geborgd in het bestemmingsplan.
4.7.2.2
Situatie plangebied Door de gemeente Hof van Twente is het plangebied als beschermd stadsgezicht aangewezen. De bescherming van het beschermd stadsgezicht vindt plaats via het bestemmingsplan Delden Noord. De reden tot aanwijzing als beschermd stadsgezicht is met name de bewaard gebleven bijzondere structuur van het oude vestingstadje. Het stratenpatroon, rooilijnen en de daaruit voortvloeiende bijzondere hoeksituaties zijn veelal bewaard gebleven. Kenmerkend ook is het schaars aanwezige groen in de historische kern. Deze beperkt zich tot enkele soms monumentale bomen, met name op privéterrein. Doordat groen schaars is, zet de gemeente in op behoud van deze bomen. De regeling zoals deze in het bestemmingsplan Delden Noord is opgenomen ter bescherming van het beschermd stadsgezicht, is in dit bestemmingsplan overgenomen. De binnen het plangebied aanwezige bebouwing stamt uit 1968 (volgens de Basis Administratie Gebouwen) en kent geen cultuurhistorische waarde. Bovendien doorbreekt de bebouwing binnen het plangebied de kenmerkende rooilijn van de gevels, wat als onwenselijk wordt beschouwd.
ontwerp
33
Delden, herziening Noordwal 72
4.7.3
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat archeologische waarden in het plangebied mogelijk verstoord kunnen worden door de beoogde ontwikeling. De wijze van uitvoering (fundering) is nog niet bekend. Indien ontgravingen dieper dan 80 cm -mv plaatsvinden over een oppervlak groter dan 50m2 dan is vervolgonderzoek benodigd. Om de bescherming van de archeologische waarden te waarborgen wordt een dubbelbestemming opgenomen op de plankaart en in de planregels. De bebouwing binnen het plangebied kent geen cultuurhistorische waarde en vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Water
4.8.1
Algemeen In onder andere de Europese Kaderrichtlijn water, de vierde Nota Waterhuishouding en de adviezen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is het beleid met betrekking tot het water(beheer) vastgelegd. Het beleid is gericht op het duurzaam behandelen van water. Dit betekent onder andere het waarborgen van voldoende veiligheid en het beperken van de kans op hinder vanwege water. Dit staat ook in verhouding tot ontwikkelingen als de verandering van het klimaat en het stijgen van de zeespiegel. De relatie tussen water en ruimtelijke ordening wordt steeds belangrijker. In de nota 'Anders omgaan met water' is bepaald dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding uitdrukkelijk moeten worden overwogen. Hiervoor wordt in ruimtelijke plannen een digitale watertoets doorlopen. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.
4.8.2
Waterbeleid Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan het aspect 'water'. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Europese Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwater bescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Waterschapsbeleid Het Waterschap Vechtstromen heeft een programma opgesteld voor de periode 2022-2027. In dit waterbeheerprogramma wordt kenbaar gemaakt hoe het Waterschap Vechtstromen de doelstellingen voor haar beheergebied wil gaan realiseren. De opgaven zijn blijven werken aan voldoende, schoon en veilig water, omgaan met klimaatverandering door toe te werken naar een klimaatrobuust watersysteem, voldoen aan de eisen voor goede waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en werken aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. Gemeentelijk beleid: Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: inzameling en transport van stedelijk afvalwater. het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. grondwater(maatregelen).
Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits “vasthouden --> bergen --> afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht
34
ontwerp
Delden, herziening Noordwal 72
wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving. De trits “schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel.
Bij de grondwaterzorgplicht hebben perceeleigenaren een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van grondwaterproblemen. Als de grondwaterstand echter te zeer wordt bepaald door factoren buiten het perceel van de grondeigenaar dan zal de gemeente, in samenspraak met waterbeheerder en provincie, maatregelen treffen om structurele grondwaterproblemen te voorkomen of te beperken. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen.
De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan. Informatie over de status van een KRW-lichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde “factsheets”, wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen. 4.8.3
Waterparagraaf Via de digitale watertoets is de watertoets uitgevoerd. De uitkomst van de digitale watertoets geeft aan dat er sprake is van de 'normale procedure'. Algemeen De plannen betreffen de herinrichting van een locatie in het centrum van Delden. Voor zover mogelijk is rekening gehouden met het ordenende principe van water. Concreet is dit in onderhavig geval niet mogelijk in de locatiekeuze, maar wel in de inrichting van het plangebied. Afwenteling van water op de omgeving wordt daardoor voorkomen. Afvalwater
ontwerp
35
Delden, herziening Noordwal 72
Het afvalwater (het zwarte afvalwater van toilet, het grijze afvalwater van keuken, wasmachine en douche en het eventuele bedrijfsafvalwater) wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van riolering. Het rioolstelsel in Delden is overwegend een gemengd stelsel, dat wil zeggen een rioolstelsel waarmee afvalwater en overtollig hemelwater wordt afgevoerd. Hemelwater Er geldt een bergingsopgave van 10 mm / m². Het plangebied is in de bestaande situatie al grotendeels verhard en bevat circa 278 m2 aan groen oppervlak. In de toekomstige situatie zal 297m2 aan waterdoorlatende verharding worden aangebracht in het binnengebied om berging binnen het plangebied te bevorderen en afvloeing van hemelwater naar de omgeving en het gemengd rioolstelsel te voorkomen. Verdere oplossingsrichtingen om de bergingsopgave te realiseren betreffen het toepassen van infiltratiekratten en groene daken. Grondwater Problemen met (te hoge) grondwaterstanden worden niet verwacht. De grondwaterstand staat dieper dan een meter minus maaiveld. Oppervlaktewater Er is geen sprake van herinrichting van het oppervlaktewatersysteem. 4.8.4
Conclusie Uit de watertoets blijkt dat invloed van het plan op de waterhuishouding gering is. De normale procedure is doorlopen. Bij de verdere planuitwerking dient er invulling te worden gegeven aan de uitgangspunten van het waterschap. Vanuit planologisch oogpunt vormt het aspect 'water' geen belemmering voor beoogde ontwikkeling. Waterschap Vechtstromen heeft reeds ingestemd met de waterparagraaf.
4.9
Verkeer en parkeren De ontwikkeling van woningen zorgt ervoor dat de parkeer- en verkeerssituatie verandert. Door Goudappel is een verkeersonderzoek uitgevoerd naar de woningbouwontwikkeling aan de Noordwal 72 te Delden.
4.9.1
Parkeren Uit het verkeerskundig onderzoek, dat is toegevoegd in Bijlage 7, blijkt dat de parkeerbehoefte van het plan 15 parkeerplaatsen betreft. Binnen het plangebied worden 12 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit betekent dat er een restopgave is van 3 parkeerplaatsen. Ter plaatse van de te realiseren inrit aan de Noorderhagen vervallen echter nog 2 bestaande parkeerplaatsen. In totaal dienen dus 5 parkeerplaatsen elders gerealiseerd te worden. Op het parkeerterrein bij Stadshagen, gelegen op een loopafstand van circa 150 meter van de ontwikkellocatie, is het mogelijk het benodigde aantal parkeerplaatsen dat niet op eigen terrein gerealiseerd kan worden, alsnog te realiseren. Dit worden vrij toegankelijke openbare parkeerplaatsen zonder aanvullende voorzieningen. Deze extra parkeerplaatsen worden in overleg met de VVE Stadshagen ingepast. Het gaat in totaal om 5 parkeerplaatsen.
36
ontwerp
Delden, herziening Noordwal 72
4.9.2
Verkeersgeneratie Nieuwe functies of een wijziging van bestaande functies leiden tot een ander verkeersbeeld. Iedere functie heeft een bepaalde verkeersgeneratie (het aantal motorvoertuigbewegingen van en naar een functie) die is opgebouwd uit aankomend en vertrekkend verkeer. Het gemeentelijk beleid heeft geen eigen kencijfers of normen met betrekking tot verkeersgeneratie. De extra verkeersgeneratie als gevolg van ontwikkelingen is berekend aan de hand van de meest recente CROW-kencijfers. Hierbij wordt een verdere verfijning naar inkomende en uitgaande verkeersbewegingen tijdens de verkeerskundig maatgevende ochtend- en avondspits gemaakt. Uit het onderzoek van Goudappl blijkt dat de ontwikkeling aan de Noordwal 72 circa 69 motorvoertuigen per werkdagetmaal genereert. Aan de hand van de verkeersgeneratieberekeningen en de verdeling naar richtingen en spitsperioden is het verkeerseffect van de ontwikkeling voor de spitsperioden bepaald. Hieruit blijkt dat via de Noorderhagen in de plansituatie in de ochtendspits circa 10 motorvoertuigbewegingen in het drukste uur tijdens de ochtendspits van en naar de ontwikkellocatie rijden. Tijdens het drukste uur in de avondspits zijn dit er circa 11. Verkeerskundig zijn deze verkeersintensiteiten beperkt. Gemiddeld rijdt hiermee op het drukste spitsuur op een werkdag één auto per 6 minuten extra via de Noorderhagen.
Uit de beoordeling van Goudappel blijkt dat de Noorderhagen in de huidige vormgeving over voldoende capaciteit beschikt om het verkeer in de toekomstige situatie inclusief verkeersgeneratie van de ontwikkelingen op een acceptabele wijze af te wikkelen. De toekomstige verkeersintensiteit blijft ruim onder de maximaal wenselijke verkeersintensiteit op basis van de huidige vormgeving conform Duurzaam Veilig.
4.10
Kabels en leidingen
4.10.1
Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen. Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden
4.10.2
Situatie plangebied Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig welke behouden en beschermd dienen te worden.
4.10.3
Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Besluit milieueffectenrapportage
4.11.1
Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er
ontwerp
37
Delden, herziening Noordwal 72
ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst).
Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.11.2
Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling komt als activiteit voor in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden in kolom 2 worden niet overschreden, maar het te nemen besluit (het bestemmingsplan) komt voor in zowel kolom 3 als 4. Het bestemmingsplan is te beschouwen als een 'besluit' in de zin van het Besluit m.e.r.. Op basis van het vorengaande wordt geconcludeerd dat een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zal blijken of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag (gemeente Hof van Twente) om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De beoordeling dient te worden uitgevoerd op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema's: de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
4.11.3
Vormvrije m.e.r. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. is opgenomen in Bijlage 8. Hieruit blijkt dat het voornemen om woningbouw te realiseren binnen het plangebied in beperkte mate tot effecten leidt voor het milieu en de omgeving. Voor alle onderzochte aspecten geldt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Wanneer er geen 'belangrijke nadelige gevolgen' zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van deze m.e.r.-beoordeling, kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert.
38
ontwerp
Delden, herziening Noordwal 72
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische vormgeving
Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels:
ontwerp
39
Delden, herziening Noordwal 72
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook
40
ontwerp
Delden, herziening Noordwal 72
al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Enkelbestemmingen Wonen / Woongebied - 1 Het plangebied wordt volledig gebruikt ten dienste van de functie 'wonen' en is daarom conform de bestemmingssystematiek van Hof van Twente bestemd tot 'Woongebied 1'. Dergelijk bestemde gronden zijn aangewezen voor wonen (waaronder ook het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep valt en een bed & breakfastvoorziening), groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater, verkeers- en verblijfsdoeleinden, parkeervoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. De bouwregels bepalen dat het gebouw binnen een bouwvlak moet worden gebouwd. Diverse maatvoering zoals bouw- en goothoogte, maar ook het aantal woningen is middels aanduidingen vastgelegd op de verbeelding. Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologische verwachting 1 Gebieden met een zeer hoge verwachtingswaarde voor archeologische vondsten hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' gekregen.
Deze gebieden worden beschermd door middel van een verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoek bij bouwaanvragen en omgevingsvergunningenstelsel van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Archeologisch onderzoek is, in dit geval, noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 80 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 50 m2. Waarde - Beschermd Stadgezicht Om de te behouden waarden juridisch te beschermen, is deze dubbelbestemming voor heel het gebied van het aangewezen beschermd stadsgezicht opgenomen. De regels voor dit gebied gelden bovenop de regels van de verschillende bestemmingen. Deze regels verwijzen onder andere naar aanduidingen in de verbeelding. Bij verbouwingen of nieuwbouw waarvoor een omgevingsvergunning nodig is moet aan deze regels en de bij de regels horende bijlage worden getoetst. In de bestemmingsomschrijving is de waarde die met de dubbelbestemming beschermd worden aangegeven. Dit is een korte omschrijving van het in de bijlagen opgenomen beschreven stadsgezicht. Het vormt de basis voor de bestemmingsplantoets bij het afgeven van een omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen. De regels daarvoor zijn opgenomen in bouwregels, nadere eisen en zogenaamde aanlegregels (uitvoeren van werken).
Ten aanzien van bepaalde onderdelen van het bouwen, zoals bouwen in de in de verbeelding aangeduide gevellijn, of ten aanzien van specifieke bebouwing (met de aanduidingen in de verbeelding van beeldbepalend of structuurbepalend pand) zijn bijzondere eisen opgenomen. Daarnaast zijn eisen gesteld met betrekking tot grotere oppervlakten verharding. Dit laatste is met
ontwerp
41
Delden, herziening Noordwal 72
name opgenomen om het groene karakter van tuin en erven grenzend aan het openbaar gebied te behouden.
42
ontwerp
Delden, herziening Noordwal 72
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Ontwikkelings- en procedurekosten komen voor rekening van de aanvrager. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiervoor is/wordt een anterieure overeenkomst met de gemeente Hof van Twente gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Omdat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met nationale en provinciale belangen wordt een vooroverleg met het Rijk en de provincie Overijssel niet noodzakelijk geacht. Het waterschap Vechtstromen wordt geïnformeerd middels de digitale watertoets. Zienswijzen Gezien de relatief geringe planologische betekenis wordt afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerp bestemmingsplan. Na overleg met de initiatiefnemer en de gemeente Hof van Twente is direct een ontwerp van dit bestemmingsplan, overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening, ter inzage gelegd. Eén ieder wordt, door middel van deze ter inzage legging, in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijze over het plan in te dienen.
ontwerp
43
Opdrachtgever Gemeente Hof van Twente Projectleider Plannaam Delden, herziening Noordwal 72 Opgesteld door Adres Gemeente Hof van Twente De Höfte 7 7471DK Goor www.hofvantwente.nl