CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Bestemmingsplan Markelo-Noord.pdf

Gemeenteraad 18 december 2024, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 19: Vaststelling bestemmingsplan Markelo Noord29.539 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' aangeduid met het gebiedstype 'Essenlandschap'. Afbeelding 4.5 is een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de 'Laag van het agrarische cultuurlandschap'. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven met de rode contour.

Afbeelding 4.5: Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel) Essenlandschap Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es. Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Eeuwenlange bemesting heeft geleidt tot een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Onder en in de es heeft zich op deze wijze een waardevol

28

vastgesteld

Markelo-Noord

archeologisch archief opgebouwd. Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap. Typerend zijn de losse hoeven rond de es en de esdorpen met hun karakteristieke boerderijen en herkenbaar dorpssilhouet met vaak de kerktoren als markant element Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de uitbreiding van de kern Markelo. Met de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met de bestaande landschapsstructuur en de reeds aanwezige stedenbouwkundig opzet van de woonwijk De Esch. Bestaande zichtlijnen vanuit de woonwijk De Esch worden doorgezet. Daarnaast is aan de randen van Markelo Noord ruimte voor groen om te zorgen voor een zachte overgang richting het buitengebied. Geconcludeerd wordt dat de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. De 'Stedelijke laag' Het plangebied is op basis van de gebiedskenmerkenkaart de 'Stedelijk laag' aangeduid met de gebiedstypen 'Historische centra, binnensteden', 'Verspeide bebouwing' en 'Woonwijken 1955 - nu'. In afbeelding 4.6 is het plangebied indicatief met rode contour omlijnd.

Afbeelding 4.6: Uitsnede Stedelijke laag Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) Historische centra, binnensteden De binnensteden en dorpskernen leggen de basis voor de identiteit van steden en dorpen. Behoud en gebruik van het aanwezige historisch erfgoed draagt bij aan versterking van de identiteit en de toeristische aantrekkingskracht. In de dorpskernen en binnensteden buiten de stedelijke netwerken is ruimt voor een multifunctioneel milieu gebaseerd op voorzieningen (winkels, cultuur etcetera). Verspreide bebouwing

vastgesteld

29

Markelo-Noord

De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze 'eenheid in handelen' ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broeken heideontginningen, veenlandschappen etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende 'gewone' burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan. Woonwijken 1955-nu De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra.

Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. Toetsing van het initiatief aan de 'Stedelijke laag' Met het realiseren van de woningen wordt rekening gehouden met omliggende functies en bestaande bebouwingsstructuren en woonwijk de Esch. Wat betreft bouwmogelijkheden wordt aangesloten bij de bebouwingskenmerken in de omgeving (zie ook paragraaf 3.1). Hiermee worden bouwkenmerken (o.a. goot-/bouwhoogte) afgestemd op de omgeving, zodat de woningen en de bijbehorende bouwwerk(en) qua bouwmassa en verschijningsvorm goed opgaan in het bebouwingskarakter van de omgeving. De invulling van het plangebied is in overeenstemming met de ter plekke geldende gebiedskenmerken van de 'Stedelijke laag'. 4.2.5

Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3

Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de gewenste ontwikkeling worden hieronder behandeld.

30

vastgesteld

Markelo-Noord

4.3.1

Structuurvisie Markelo

4.3.1.1

Algemeen Op 9 februari 2010 heeft de gemeenteraad van Hof van Twente de Structuurvisie Markelo vastgesteld. In de structuurvisie geeft de gemeente een samenhangend beeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in Markelo. De structuurvisie heeft betrekking op de bebouwde kom van Markelo en de direct aanliggende zone van het buitengebied, voor zover van belang voor de uitbreiding van functies van de kern. De tijdshorizon voor de structuurvisie is bepaald op circa 15 jaren (2025). Op de visiekaart staan de ambities afgebeeld, onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied op deze kaart en de bijhorende ambitie-onderdelen. De ambities worden in de structuurvisie categorisch toegelicht. In de volgende subparagraaf wordt het plan getoetst aan de ambities die gelden voor het plangebied overeenkomstig de visiekaart. In afbeelding 4.7 is een uitsnede van de visiekaart weergegeven. Het plangebied is hierop aangeduid met de blauwe omlijning.

Afbeelding 4.7: Uitsnede visiekaart (Bron: gemeente Hof van Twente) 4.3.1.2

Afronding noordwestelijk e dorpsrand Bij de afronding van de noordelijke dorpsrand is het uitgangspunt voor het afronden van het woongebied van belang. Het landschap (glooiende es) aan de noordwestzijde van het dorp is waardevol. Dit geldt vooral voor het middendeel en het noordelijke gedeelte. Het gebied nabij de Holterweg is tamelijk vlak en minder kwetsbaar. Het plangebied staat op die visiekaart aangewezen als toekomstig woongebied en zoeklocatie wonen langere termijn. In de structuurvisie wordt ook aangegeven dat het accent wordt gelegd op inbreidingslocaties. Dat het accent de laatste jaren op inbreidingslocaties lag is ook terug te zien bij de gerealiseerde projecten. Sinds het vaststellen van de structuurvisie op 9 februari 2010 zijn verschillende inbreidingslocaties ontwikkeld. Na realisatie van de bestaande wijk De Esch (fase 1 en 2) is heeft de gemeente in de

vastgesteld

31

Markelo-Noord

daarop volgende jaren verschillende inbreidingslocaties gerealiseerd. Denk hierbij aan Garage Smale, de Rijssenseweg 1, de Roosdomsweg 6-8, de Grotestraat 11 (Kistemaker) het Burgemeester Beaufortplein 5, het Burgemeester Beauforplein 6,10 en 11 (Countus), de voormalige bibliotheek, de Hemmelweg en de Grotestraat 34. Enkel de voormalige basisschool De Welp is op dit moment een mogelijke inbreidingslocatie. Deze wordt echter gebruikt voor tijdelijke huisvesting en zal door de omvang en ligging slechts zeer beperkt in de woningbehoefte kunnen voorzien. De conclusie is dat de beschikbare inbreidingslocaties samen niet voldoende mogelijkheden bieden om te voorzien in de woningbouwbehoefte, zeker niet als het gaat om grondgebonden woningen. Daarom is het nodig ook te kijken naar onbebouwde percelen, zowel in bestaand bebouwd gebied als daarbuiten. 4.3.1.3

Toetsing van het initiatief aan de Structuurvisie Markelo Voorliggend bestemmingsplan past binnen de uitgangspunten van de 'Structuurvisie Markelo'. Er is sprake van een (gedeeltelijke) uitwerking van de ambitie om de noordwestelijke dorpsrand van Markelo af te ronden. Voor het plangebied is een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan opgesteld om te voorzien in een zorgvuldige inpassing, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de in de structuurvisie aangegeven wenselijke landschappelijke inpassing. Daarom wordt geconcludeerd dat het voornemen in overeenstemming is met de Structuurvisie Markelo.

4.3.2

Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025

4.3.2.1

Algemeen In de gemeente Hof van Twente is het goed wonen, werken, recreëren en vertoeven. Een groene, landelijke gemeente met levendige kernen. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning. Dit betekent niet alleen dat de huidige woningvoorraad optimaal benut moet worden, maar ook dat er gericht woningen bijgebouwd moeten worden. Dit vraagt om flexibiliteit en maatwerk, waarbij ten allen tijden de landelijke kwaliteit van de gemeente wordt gewaarborgd. Deze woonvisie behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn: 1. Versnelling van de woningbouwproductie. 2. Meer betaalbare woningen realiseren. 3. Passende huisvesting realiseren voor jongeren en de ouder wordende bevolking en zorgen voor meer doorstroming op de woningmarkt. 4. Energieneutraal in 2035 en de bestaande woningvoorraad verder verduurzamen. 5. Leefbaarheid en vitaliteit waarborgen in de kernen en het buitengebied. 6. Bouwen aan een inclusieve samenleving: huisvesten van mensen met een zorgvraag en zorgen voor een evenwichtige huisvesting van huishoudens binnen de gemeente en instromers van buiten.

4.3.2.2

Kwantitatieve behoefte Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt in Hof van Twente. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woningmarkt in de Hof is krap. Zowel starters als gezinnen en ouderen ervaren moeite bij het vinden van een geschikte woningen. ‘Bouwen, bouwen, bouwen…. er is een tekort aan woningen, in alle kernen’ is een stelling die in alle georganiseerde woontafels door alle betrokkenen onderschreven werd. Er wordt een piek verwacht in de woningbehoefte in de jaren tot 2030, waarna de behoefteontwikkeling stabiliseert en licht afvlakt. In de koopsector is er momenteel door gebrek aan aanbod nauwelijks keuze. Hof van Twente heeft vanouds een grote voorraad grondgebonden koopwoningen. Door grote vraag van binnen en buiten de gemeente is de beschikbaarheid gering en stijgen de

32

vastgesteld

Markelo-Noord

gemiddelde koopprijzen fors. De vrije huursector is nog erg klein in de gemeente. Een deel van de behoefte aan geschikte ouderenwoningen zit in de vrije huursector. Tot en met 2030 is er in de gemeente Hof van Twente een woningbehoefte van ongeveer 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen. De woningbehoefte in Hof van Twente is gebaseerd op de huishoudensprognose Primos2020 en houdt daarnaast rekening met een aanvullende woningvraag. Specifiek in de kern Markelo is sprake van een programmaruimte van 85-90 nieuwe woningen in de periode van 2020-2030. 4.3.2.3

Kwalitatieve behoefte Momenteel bestaan de kernen en het buitengebied van Hof van Twente voornamelijk uit landelijke en dorpse woonmilieus. Deze wil de gemeente vitaal en sterk houden, maar ook nieuwe kwaliteiten toevoegen zoals bijvoorbeeld met Op Stoom in Goor. Dit is in lijn met de regionale ambities om meer verstedelijking en stedelijke vernieuwing in Twente te realiseren. Per locatie bepaalt de gemeente welk woonmilieu het meest passend is. Ruimtelijk wordt eerst ingezet op transformatie, inbreiding en verdichting en als laatste op uitbreiding. Zo wordt niet alleen het waardevolle groen behouden, maar wordt ook gezorgd voor verdichting. De gemeente wil passende huisvesting kunnen bieden voor alle doelgroepen in verschillende levens- fasen en met diverse woonwensen. Met een wachttijd van minder dan 12 maanden lijkt er in Hof van Twente geen sprake van een grote druk op de sociale huurmarkt. Wel staat betaalbaarheid in het koopsegment en de geliberaliseerde huur onder druk. Uit woontafels met jongeren blijkt dat zij moeite hebben om een betaalbare, geschikte starterwoning te vinden. De prijzen zijn hoog en het beschikbare aanbod is beperkt door gebrek aan doorstroming en weinig nieuwe (betaalbare) toevoegingen. Een andere uitdaging is de demografische verandering in de gemeente. In de komende tien jaar komen er circa 1.500 75-plussers bij.

Daarmee zal de zorgvraag groter worden evenals de wens van veel oudere huishoudens om zo lang mogelijk zelfstandig thuis te wonen. Er wordt daarom ingezet op het bouwen van betaalbare starters- en gezinswoningen, maar ook levensloopbestendige grondgebonden woningen voor senioren. In onderstaande opsomming is het woonprogramma voor de gemeente Hof van Twente voor de periode 2020-2030 weergegeven.

vastgesteld

33

Markelo-Noord

4.3.2.4

Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Allereerst wordt opgemerkt dat de voorgenomen ontwikkeling uit gaat van het realiseren van een gedifferentieerd woningbouwprogramma bestaande uit vrijstaande woningen, tweekappers en rijwoningen. Hiermee kunnen diverse doelgroepen worden bediend. Voorliggend bestemmingsplan biedt bovendien een zekere flexibiliteit waarbij het toegestane type woning niet op kavelniveau is vastgelegd. Hierdoor zijn verschuivingen in type woning mogelijk. Wat betreft de kwantitatieve behoefte wordt opgemerkt dat in de woonvisie is opgenomen dat specifiek in de kern Markelo sprake is van een programmaruimte van 85-90 nieuwe woningen in de periode van 2020-2030. Omdat het plan 106 woningen mogelijk maakt is door Stec Groep een behoefte onderzoek in de vorm van een laddertoets uitgevoerd. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 4.1.2.2. Geconcludeerd wordt dat het plan Markelo-Noord voorziet in een behoefte en niet binnen alternatieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied kan worden ontwikkeld. Additioneel geldt dat hier sprake is van een sleutelproject, nodig voor het realiseren van woningen voor de bovenlokale en bovenregionale behoefte. Nederland kent een groot tekort aan woningen. In 2022 is de Nationale Woon- en Bouwagenda gepubliceerd om oplossingen te bieden voor de wooncrisis.

De agenda kent drie kerndoelen: Beschikbaarheid: voldoende woningen voor iedereen. De bouw van 900.000 woningen tot en met 2030, met als streven twee derde betaalbaar. Betaalbaarheid: woonlasten sluiten beter aan bij het inkomen. Het aantal huishoudens dat te hoge woonlasten draagt ten opzichte van het inkomen neemt af. Kwaliteit: voldoende woningen voor aandachtsgroepen en ouderen, perspectief voor kwetsbare wijken en duurzame huisvesting bereikbaar voor iedereen. Voor het geven van uitvoering aan de doelen zijn zes programma's uitgewerkt. Eén van die programma's is het programma Woningbouw. Daarin neemt het Rijk de regie op de volkshuisvesting en de woningbouw. Het Rijk maakt prestatieafspraken met mede-overheden en corporaties en in de regio's worden woondeals worden afgesloten. Vanuit het programma Woningbouw zijn door provincie Overijssel op 13 oktober 2022 afspraken gemaakt met het Rijk over het toevoegen van ten minste 42.300 woningen tot en met 2030 in heel Overijssel. Op 21 december 2022 hebben de Twentse gemeenten en de provincie de Regionale Woondeal Twente getekend. Die woondeal bevat eveneens afspraken over het realiseren van woningen. Voor Twente gaat het om het toevoegen van ten minste 14.100 woningen. De opgave is voor de gezamenlijke gemeenten en nodig om te voorzien in de regionale en bovenregionale behoefte. Er is geen individuele onderverdeling gemaakt.

Elke gemeente wordt geacht hieraan bij te dragen. Verder bevat de woondeal afspraken over de betaalbaarheid van de nieuw te bouwen woningen. Belangrijk aspect van de Regionale Woondeal Twente is het aanwijzen van sleutelprojecten. Dat zijn projecten met een significante impact op de betreffende stad of kern en essentieel voor het realiseren van de doelstelling uit de Regionale Woondeal, het bouwen van 14.100 woningen. Voorliggend plan is aangewezen als sleutelproject en daarmee noodzakelijk om de regionale doelstelling te halen en te kunnen voorzien in voldoende woningen voor de lokale, bovenlokale en bovenregionale behoefte.

34

vastgesteld

Markelo-Noord

Hoofdstuk 5

M ilieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid

5.1.1

Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

5.1.2

Situatie plangebied De beoogde woningen worden op basis van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh.

5.1.2.1

Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen geluidsgezoneerde bedrijventerreinen aanwezig. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op milieuhinder (o.a. geluid) als gevolg van individuele bedrijven. Op deze plaats wordt geconcludeerd dat het aspect industrielawaai geen belemmering vormt.

5.1.2.2

Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai is in het voorliggende geval niet van toepassing aangezien er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorweg aanwezig is.

5.1.2.3

Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel.

Aantal rijstroken

Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 m

250 m

3 of 4 rijstroken

350 m

400 m

5 of meer rijstroken

350 m

600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2);

vastgesteld

35

Markelo-Noord

wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Door BJZ.nu is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, waarvan de rapportage is bijgevoegd in Bijlage 4 bij de toelichting. Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszones van een deel van de Holterweg en Larenseweg. Er gelden voor de Holterweg achtereenvolgend drie verschillende snelheidslimieten: 80 km/uur, 50 km/uur en 30 km/uur. Voor de Larenseweg geldt een snelheidsregime van 50 km/uur. Naast voorgenoemde wegen liggen er ook enkele 30 km/uur wegen nabij het plangebied. Deze wegen kennen geen wettelijke geluidszone, maar in het kader van goede ruimtelijke ordening kunnen deze wegen worden meegenomen in het onderzoek. In dit geval liggen er uitsluitend erftoegangswegen in de nabije omgeving van het plangebied. Echter, door de verkeersintensiteit, is niet uit te sluiten dat er relevante geluidbelasting afkomstig is van deze wegen. In voorliggend onderzoek is de nieuwe ontsluitingsweg dan ook meegenomen in het onderzoek. Geluidsbelasting De geluidbelasting ten gevolge van de Holterweg bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 48 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de ambitiewaarde van 48 dB uit het gemeentelijk geluidbeleid, want deze weg kan beschouwd worden als een ontsluitingsweg, en aan voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB.

De geluidbelasting ten gevolge van de Larenseweg bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 36 dB. Met deze waarde wordt voldaan aan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid en aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB. De geluidbelasting ten gevolge van de Nieuwe Ontsluitingsweg bedraagt, inclusief reductie, hoogstens 51 dB. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de ambitiewaarde van 48 dB uit het gemeentelijk geluidbeleid en aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB. Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. De cumulatieve geluidbelasting, de geluidbelasting van alle wegen tezamen exclusief reductie, bedraagt hoogstens 56 dB. Hogere waarde Een hogere waarde als gevolg van wegverkeerslawaai afkomstig van de wegen is in voorliggend geval niet benodigd aangezien de wettelijke voorkeurswaarde niet wordt overschreden door de wegen met een wettelijke geluidszone. Omdat de ambitiewaarde van 48 dB echter wel wordt overschreden dient er echter wel onderzocht worden geluidsreducerende maatregelen toepasbaar zijn. Afwijken van de ambitiewaarde is alleen mogelijk als bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige of landschappelijke aard, een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd kan worden en wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid.

Maatregelen reductie geluidbelasting Om de geluidbelasting te reduceren kan gebruik worden gemaakt van bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen, zoals in het vervolg van deze paragraaf beschreven. Bronmaatregelen Het geluid van een voertuig wordt veroorzaakt door het motorgeluid en het geluid van de banden. Vooral vrachtwagens zijn de afgelopen jaren veel stiller geworden. In het rekenmodel is hier al rekening mee gehouden. Daarnaast is de verwachting dat voertuigen in de toekomst nog stiller worden. Hier wordt rekening mee gehouden door de in paragraaf 2.4 beschreven aftrek toe te passen. De initiatiefnemer van het

36

vastgesteld

Markelo-Noord

bouwplan waar voorliggend onderzoek voor wordt uitgevoerd heeft geen invloed op het reduceren van het geluid van voertuigen. Daarnaast heeft de initiatiefnemer ook geen invloed op de samenstelling van het verkeer, de verkeersintensiteit en het snelheidsregime. Een aanpassing van het wegdektype kan zorgen voor een reductie van het bandengeluid van voertuigen. Het huidige wegdek van de Ontsluitingsweg betreft elementverharding in keperverband. Wanneer dit deel van het wegdek wordt vervangen door DGD-B kan de geluidbelasting met circa 7-10 dB verder afnemen en dit zorgt voor een geluidbelasting lager dan de voorkeursgrenswaarde. Overdrachtsmaatregelen Een grotere afstand tussen de gevel en de weg zorgt voor een lagere geluidsbelasting op de gevel. Om een lagere geluidsbelasting van 2 dB te realiseren moet de afstand tussen de gevel en de weg met 50% worden vergroot. In dit project is het niet mogelijk om met hetzelfde woonprogramma een betere geluidbelasting te creëren. Daarnaast kan er een geluidsscherm geplaatst worden tussen de bron en het geluidgevoelig object. Het plaatsen van een geluidsscherm is vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt echter onwenselijk. Daarnaast brengt het plaatsen van een geluidscherm hoge kosten met zich mee en zal het de geluidbelasting ter plaatse van de bovenste bouwlaag niet verminderen.

Overdrachtsmaatregelen zijn dan ook niet doelmatig. Gevelmaatregelen Als een hogere geluidsbelasting wordt toegestaan dient het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd te worden. Artikel 110 lid g van de Wgh bepaalt dat de aftrek bij het vaststellen van de noodzakelijk geluidwering 0 dB bedraagt. De cumulatieve geluidsbelasting exclusief aftrek bedraagt hoogstens 59 dB. Er is dan ook een gevelwering van minimaal 56-23 = 26 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Met het plaatsen van HR++ glas kan een geluidwering van 28 dB worden bewerkstelligt. Ten tijde van de vergunningaanvraag moet aangetoond worden of met de getroffen maatregelen wordt voldaan aan dit binnenniveau van 33 dB. In bijlage 4 is op de uitsnede aangegeven welke gevels niet voldoen aan de binnenwaarde van 33 dB (alle gevels met een geluidbelasting boven de 53 dB). De benodigde gevelwering is eenvoudig te berekenen per gevel namelijk: Geluidbelasting in dB – maximale binnenwaarde (33 dB) = benodigde gevelwering in dB. Conclusie maatregelen De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoend ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en met een gevelwering van minstens 23 dB wordt het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd.

De gemeente kan daarmee de ontheffing verlenen voor de te realiseren woningen voor de geluidbelasting afkomstig van de nieuwe ontsluitingsweg. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen aangaande het aspect wegverkeerslawaai. 5.1.3

Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

vastgesteld

37

Markelo-Noord

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de NEN-richtlijnen. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van het plangebied een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij wordt opgemerkt dat ter plaatse van het woonperceel aan de Holterweg 26 geen bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Omdat hier de gronden reeds zijn voorzien van een woonbestemming wordt het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van voorliggend bestemmingsplan niet noodzakelijk geacht. Hierna zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze toelichting.

5.2.2

Situatie plangebied In de vaste bodem zijn geen of slechts licht verhoogde gehalten aangetoond, die geen aanleiding geven voor nader bodemonderzoek. Het grondwater is licht tot matig verontreinigd met barium, cadmium, nikkel en zink. Omdat het matig verhoogde barium-gehalte wordt beschouwd als een plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarde is nader grondwateronderzoek niet noodzakelijk. In de mengmonsters van de fijne fractie van zowel grond als puin is geen asbest aangetoond of het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Het asfalt binnen het onderzoeksgebied is niet teerhoudend. Geadviseerd wordt het opgeslagen asbestverdacht materiaal bij inspectiegat C7 en de asbest-verdachte nokstuk bij inspectiegat B3.4 (zie Bijlage 5) af te voeren naar een erkend acceptant. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

5.2.3

Conclusie Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, de gronden zijn geschikt voor het beoogde gebruik.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

38

vastgesteld

Markelo-Noord

5.3.1.1

Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 m2 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 m2 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2

Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen extra gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2

Situatie plangebied In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, wordt geconcludeerd dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de woningen niet worden aangemerkt als gevoelige bestemmingen in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3

Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

vastgesteld

39

Markelo-Noord

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); de Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

5.4.2.1

Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de kaart zijn meerdere risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde inzichtelijk gemaakt. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De ligging van het plangebied is middels een blauwe contour indicatief aangegeven.

40

vastgesteld

Markelo-Noord

Afbeelding 5.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving) 5.4.2.2

Beoordeling Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

5.4.3

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

vastgesteld

41

Markelo-Noord

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

5.5.2

Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied kan in het kader van de gebiedstypen in tweeën worden gedeeld. In onderstaande afbeelding is met de rode contour weergegeven welk deel van het

42

vastgesteld

Markelo-Noord

plangebied wordt beschouwd als 'gemengd gebied'. Het overige deel van het plangebied wordt beschouwd als 'rustige woonwijk'.

Afbeelding 5.2: Gebiedstypen plangebied (Bron: Rho Adviseurs - bewerkt BJZ.nu) Ter plaatse van het deel van het plangebied dat is aangewezen als 'gemengd gebied' zijn diverse functies aanwezig of toegestaan in de omgeving. Tevens is binnen dit deel van het plangebied sprake van een menging van functies (horeca, recreatie en wonen). Ter plaatse van het deel van het plangebied dat is aangewezen als 'rustige woonwijk' is geen sprake van een menging van functies. Naast de aanwezige en beoogde woonfuncties zijn geen andere functies aanwezig of is ruim voldoende afstand aangehouden tot bestaande ter plaatse aanwezige milieubelastende functies. In onderstaande tabel zijn de richtafstanden van zowel het omgevingstype 'rustige woonwijk' als het 'gemengd gebied' weergegeven.

vastgesteld

43

Markelo-Noord

5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1

Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van woningen. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake Daarnaast heeft dit bestemmingsplan deels betrekking op gronden met de bestemmingen 'Horeca' een 'Recreatie'. Ten aanzien van de bestemming 'Horeca' wordt opgemerkt dat het gaat om een bestaand bestemmingsvlak met bouwvlak. Zowel het bestemmingsvlak als het bouwvlak komen als gevolg van voorgenomen ontwikkeling niet dichter op reeds bestaande woningen in de omgeving te liggen. Van (verdere) aantasting van het woonen leefklimaat is dan ook geen sprake. Ook ten aanzien van de bestemming 'Recreatie' wordt opgemerkt dat het gaat om een bestaand bestemmingsvlak en bouwvlak. Het bestemmingsvlak komt niet dichter op reeds bestaande woningen in de omgeving te liggen. Wel wordt het bouwvlak in het voorliggende bestemmingsplan verlegd.

Hierbij is rekening gehouden met de aan te houden richtafstanden die gelden voor een 'gemengd gebied'. Ter plaatse zijn recreatiebungalows toegestaan. Op basis van de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering" kan dit het best worden vergeleken met functie 'Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)'. Dit betreft een milieucategorie 3.1 functie met een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Ten aanzien van alle bestaande en toekomstige woningen wordt voldaan aan voorgenoemde richtafstand. Uitsluitend ten aanzien van de bedrijfswoning aan de Holterweg 18 (gelegen binnen de horecabestemming) wordt niet voldaan aan voorgenoemde richtafstand. Echter is eigenaar van voorgenoemde bedrijfswoning tevens eigenaar en exploitant van de gronden met de recreatiebestemming. Gelet op het vorenstaande is het niet noodzakelijk de richtafstand van 30 meter in acht te nemen. Van (verdere) aantasting van het woon- en leefklimaat is dan ook geen sprake.

5.5.3.3

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In dit geval worden de woningen binnen het plangebied aangemerkt als nieuwe milieugevoelige functies. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich gronden waar milieubelastende functies zijn toegestaan. Hieronder wordt nader ingegaan op deze functies. Opgemerkt wordt dat voor veehouderijen, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur geldt. Bij veehouderijen zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige

44

vastgesteld

Markelo-Noord

veebedrijven bepalend. In deze paragraaf zullen de richtafstanden bij veehouderijen voor wat betreft het aspect geur buiten beschouwing blijven, maar worden wel de overige milieuaspecten behandeld. In paragraaf 5.6 wordt nader ingegaan op het aspect geur. Adres

Functie

Milieucategorie Grootste Planologische richtafstand afstand

Holterweg 2-2a en 2b

Bedrijvigheid

2

10 m **

3m

Holterweg 4

Dienstverlening

1

0 m **

18 m

Bolinkweg 2

Grondgebonden veehouderij

3.2

10 m (stof en 0 m geluid) **

Noordachtereschweg 3-103

Maatschappelijk

2

10 m **

35 m

Noordachtereschweg 2, 4, 6, 10, 10a

Bedrijvigheid

2

10 m **

35 m

Noordachtereschweg 6a

Aannemersbedrijf met 3.1 werkplaats, b.o. <1.000 m2

30 m **

50 m

3.1

30 m **

70 m

Noordachtereschweg 8D

Vervaardiging en 3.2 reparatie van producten van metaal mechanische oppervlaktebehandeling (slijpen, polijsten)

50 m **

75 m

Noordachtereschweg 10

Aannemersbedrijf met werkplaats, b.o. > 1.000 m2

30 m **

35 m

Noordachtereschweg 8 Timmerwerkfabriek

3.1

* Rustige woonwijk ** Gemengd gebied Zoals uit voorgaande tabel blijkt wordt niet in alle gevallen aan de geldende richtafstanden voldaan.Ten aanzien van de gevallen waar wel aan de richtafstanden wordt voldaan wordt geconcludeerd dat geen sprake is van onevenredige aantasting van de ontwikkelingsmogelijkheden en dat de beoogde woningen hier geen (onevenredige) hinder van ondervinden. Hierna wordt nader in gegaan op de functies waar niet wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Holterweg 2-2a en 2b Aan de Holterweg 2-2a en 2b is bedrijvigheid aanwezig en toegestaan tot en met milieucategorie 2. De bedrijfsbestemming en de beoogde woonbestemming liggen hier nagenoeg tegen elkaar. Wanneer de afstand wordt gemeten tussen het bouwvlak behorend bij de bedrijfsbestemming en de locatie van de beoogde woningen (deel bouwvlak met maximum goot- en bouwhoogte van 6 en 10 meter) bedraagt de afstand ten minste 10 meter. Bovendien zijn functies in milieucategorie 1 of 2 weinig milieubelastend en kunnen over het algemeen goed plaatsvinden in een woonomgeving. Gelet op het vorenstaande wordt als gevolg van voorgenomen ontwikkeling de bedrijfsvoering aan de Holterweg 2-2a en 2b niet onevenredig belemmerd. Daarnaast wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de aangrenzende beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

vastgesteld

45

Markelo-Noord

Bolinkweg 2 Aan de Bolinkweg 2 is planologisch gezien een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Het bouwvlak grenst aan het woonperceel aan de Holterweg 26, daar waar op basis van voorliggend bestemmingsplan twee extra woningen mogelijk worden gemaakt. De feitelijke bedrijfsgebouwen en stallen liggen op een afstand van circa 33 meter van het woonperceel aan de Holterweg 26. Aangezien hier reeds een woning aanwezig is, is de bestaande woning maatgevend voor de ontwikkelmogelijkheden van het agrarisch bedrijfsperceel aan de Bolinkweg 2. Het woonperceel aan de Holterweg 26 wordt in het voorliggende bestemmingsplan niet vergroot en de beoogde woningen kunnen in geen geval dichter op het agrarisch bedrijfsperceel gerealiseerd worden dan de bestaande woning. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het agrarisch bedrijfsperceel aan de Bolinkweg 2 niet onevenredig wordt belemmerd. Daarnaast is ter plaatse van de beoogde woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.5.4

Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.6

Geur

5.6.1

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen.

Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

5.6.2

Situatie plangebied Met voorliggend bestemmingsplan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. In de nabijheid van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijfspercelen aanwezig waar veehouderijen aanwezig of toegestaan zijn.

46

vastgesteld

Markelo-Noord

Het plangebied ligt grotendeels binnen de bebouwde kom. Uitsluitend het woonperceel aan de Holterweg 26 maakt onderdeel uit van het buitengebied. In onderstaande tabel zijn de in nabijheid van het plangebied aanwezige agrarische bedrijfspercelen opgenomen. Per agrarisch bedrijfsperceel is de afstand tot het plangebied weergegeven. Hierin is onderscheid gemaakt tussen het woonperceel aan de Holterweg 26 en de overige beoogde woningen in Markelo Noord. Dit omdat het woonperceel Holterweg 26 onderdeel uitmaakt van het buitengebied en de rest van het plangebied binnen de bebouwde kom ligt, waarvoor andere afstanden/normen gelden. Uit is gegaan van de maximale planologische mogelijkheden van de betreffende agrarische bedrijfspercelen. De afstanden zijn gemeten tussen de grens van het bouwvlak van het agrarisch bedrijfsperceel en het dichtstbij gelegen beoogde geurgevoelige object. Agrarisch bedrijfsperceel

Type veehouderij

Afstand tot woonperceel Holterweg 26

Afstand tot beoogde woningen rest plangebied

Bolinkweg 2

Rundveehouderij

0m

65 m

Bolinkweg 3

Rundveehouderij

125 m

200 m

Bolinkweg 7

Rundveehouderij

240 m

250 m

Larenseweg 1

Rundveehouderij

80 m

130 m

Langeweg 2

Varkenshouderij

190 m

250 m

Langeweg 1

Rundveehouderij

230 m

260 m

Dijkerhoekweg 5

Rundveehouderij

210 m

310 m

Ten aanzien van de omliggende rundveehouderijen wordt in nagenoeg alle gevallen voldaan aan de vaste afstand van 50 meter en 100 meter. Uitsluitend ten aanzien van het agrarisch bedrijfsperceel aan de Bolinkweg 2 wordt niet voldaan aan de vaste afstanden indien wordt gemeten tussen het agrarisch bouwvlak en de beoogde geurgevoelige objecten. Echter wordt opgemerkt dat de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten op een grotere afstand plaatsvinden. De meest nabij gelegen stal ligt op circa 33 meter en 110 meter van respectievelijk het woonperceel Holterweg 26 en dichtstbijzijnde nieuwe geurgevoelige objecten in Markelo Noord. Gelet op het feit dat aan de Holterweg 26 reeds een geurgevoelig object aanwezig is, is het redelijkerwijs niet te verwachten dat het agrarisch bedrijfsperceel in de toekomst verder kan uitbreiden in de richting van het plangebied. Het woonperceel aan de Holterweg 26 ligt deels binnen de geurcirkels. Daarom wordt in voorliggend bestemmingsplan een aanduiding opgenomen waarbinnen geen nieuwe geurgevoelige objecten zijn toegestaan. Hiermee worden de bestaande ontwikkelingsmogelijkheden behorend bij het agrarisch bedrijfsperceel aan de Bolinkweg 2 in stand gehouden. Bovendien is ter plaatse van de beoogde geurgevoelige objecten op het perceel Holterweg 26 sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor de overige beoogde geurgevoelige objecten in Markelo Noord wordt voldaan aan de vaste afstand van 100 meter. Verder is aan de Langeweg 2 een varkenshouderij aanwezig/toegestaan. Voor dergelijke veehouderijen gelden geen vaste afstanden maar aan te houden odour normen. Gelet op de onderlinge afstand(en) en het feit dat bestaande geurgevoelige objecten van derden dichter op het betreffende agrarisch bedrijfsperceel liggen, wordt geconcludeerd dat het betreffende agrarisch bedrijfsperceel niet onevenredig wordt belemmerd in de ontwikkelmogelijkheden als gevolg van voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is ook ten gevolge van dit agrarisch bedrijfsperceel een aanvaardbaar woonen leefklimaat te verwachten ter plaatse van de beoogde geurgevoelige objecten die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

vastgesteld

47

Markelo-Noord

5.6.3

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7

Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1

Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ.

5.7.1.1.1

Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Borkeld' ligt op circa 2,5 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden.

Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 6 bij deze toelichting. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat voor de toekomstige gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Voor de aanlegfase zijn wel stikstofdeposities gemeten. In geval van voorgenomen ontwikkeling is hiertoe gebruik gemaakt van het intern salderen. Hierbij wordt de bestaande op te heffen situatie (bemesting van de gronden) vergeleken met de aanlegfase en de toekomstige gebruiksfase. Geconcludeerd wordt dat er voor zowel de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van een meetbare toename van de stikstofdeposities. Daarmee is de

48

vastgesteld

Markelo-Noord

voorgenomen ontwikkeling, ten aanzien van stikstof, niet vergunningsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. 5.7.1.2

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

5.7.1.2.1

Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 840 meter afstand van het plangebied. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

5.7.2

Soortenbescherming

5.7.2.1

Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.

5.7.2.2

Situatie plangebied In dit geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.

Indien de werktuigenberging en het schuurtje gesloopt worden en de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde

vastgesteld

49

Markelo-Noord

grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze functie is voor de voorkomende soorten niet beschermd en aantasting leidt niet tot wettelijke consequenties. 5.7.3

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1

Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4168/documents/57795