BIJLAG~3.PDF
Tekst van het document
Datum: Fase: Planid:
ontwerp NL.IMRO.1735.BGxZomerweg5-OP10
BESTEMMINGSPLAN
Buitengebied Hof van Twente, herziening Zomerweg 5 Ambt Delden
Buitengebied Hof van Twente, herziening Zomerweg 5 Ambt Delden
Buitengebied Hof van Twente, herziening Zomerweg 5 Ambt Delden
Inhoudsopgave
2
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Sloopvoucher Borculoseweg 53/55 Diepenheim
4
Bijlage 2
Sloopvoucher Twickelerweg 11 Ambt Delden
7
Bijlage 3
Ruimtelijk kwaliteitsplan
11
Bijlage 4
Verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek
34
Bijlage 5
AERIUS-berekening
160
Bijlage 6
Quickscan Flora & Fauna
190
Bijlage 7
Watertoets
223
Bijlage 8
Reactie Waterschap Vechtstromen
229
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Zomerweg 5 Ambt Delden
Bijlagen bij toelichting
ontwerp
3
Buitengebied Hof van Twente, herziening Zomerweg 5 Ambt Delden
Bijlage 1 Sloopvoucher Borculoseweg 53/55 Diepenheim
4
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Zomerweg 5 Ambt Delden
Bijlage 2 Sloopvoucher T wickelerweg 11 Ambt Delden
ontwerp
7
Verzenddatum
Uw brief van
Uw kenmerk
23 oktober 2023
Ons kenmerk
Bijlage(n)
594603
-3-
Behandeld door
Onderwerp
Sloopvoucher Twickelerweg 11 Ambt Delden
Beste
Aanleiding Op 13 oktober 2023 ontvingen wij de melding dat f een deel van zijn sloopvoucher Twickelerweg 11 Ambt Delden van 13 april 2023 aan u heeft verkocht. Wij kunnen hiermee instemmen en verlenen u hierbij een sloopvoucher met een oppervlakte van 243 m² voor de sloop van een aantal schuren op het perceel Twickelerweg 11 te Ambt Delden. Wij wijzen u er op dat deze meters in de gemeente Hof van Twente zijn aangemerkt als restmeters. In ons KGO-beleid staat waarvoor restmeters ingezet kunnen worden. De te slopen bebouwing staat in rood in de bijlage aangegeven. De oppervlaktes hebben wij vastgesteld aan de hand van de gegevens uit de BAG, de WOZ en de beschikbare bouw- en milieuvergunningen. Geldigheidsduur Deze voucher kan tot en met 30 juni 2030 worden ingezet bij een project binnen de gemeente Hof van Twente of bij een gemeente waarin het is toegestaan om sloopmeters vanuit de gemeente Hof van Twente in te zetten. Als het een andere gemeente betreft; dan raden wij u aan om daar te informeren of u de sloopmeters (in dit geval restmeters) kunt gebruiken voor de ontwikkeling die u wenst te realiseren. Voorwaarden bij inleveren: • De voucher wordt ingebracht met instemming van de eigenaar. • De voucherhouder of diens rechtsopvolger toont aan dat sloop heeft plaatsgevonden. GOOR de Höfte 7, 7471 DK
Postbus 54, 7470 AB
info@hofvantwente.nl
www.hofvantwente.nl
0547-85 85 85
Sloopvoucher Twickelerweg 11 Ambt Delden / Kenmerk 594603
-3-
Buitengebied Hof van Twente, herziening Zomerweg 5 Ambt Delden
Bijlage 3 Ruimtelijk kwaliteitsplan
ontwerp
11
R U I M T E L I J K K W A L I T E I T S P L A N R O O D VO O R R O O D •
Zomer weg 5 - Ambt Delden •
Tubbergen, 1 december 2023 - Definitief
Project: Rood voor rood
2
Afbeelding: Ontwikkeling zomerweg 5 - Ambt Delden (Bron: N+L)
Ruimtelijk kwaliteitsplan rood voor rood Project:
Rood voor rood
Locatie: Zomerweg 5 - Ambt Delden
Titel rapport
Ruimtelijk kwaliteitsplan - Zomerweg 5 - Ambt Delden
Opgesteld:
25 september 2023, Tubbergen
Gewijzigd:
1 december 2023
Status:
Definitief
Auteur:
N+L Landschapsontwerpers Auteur: BM Ontwerp: Ing. DA Gecontroleerd: Ing. NH Oldenzaalseweg 38 7651 KC Tubbergen 06-83337880 info@nl-landschap.nl www.nl-landschap.nl
3
4
1. Aanleiding
05
2. Huidige situatie
06
3. Beleid
08
4. Nieuwe situatie
18
5. Beeldkwaliteit
20
1. Aanleiding 1.1 Korte historie planlocatie Aan de Zomerweg 5 in Ambt Delden bevindt zich de planlocatie van de initiatiefnemer. Het gaat om een agrarisch bedrijf waar de werkzaamheden al langer gestaakt zijn. De planlocatie is gelegen in een nat beekdalgebied met verspreid liggende dekzandvlakten en -kopjes. Door de beekdalen liepen beken die zorgden voor afwatering van de hogere delen. Hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen werden gevormd door wind en water en na verloop van tijd veelal weer zijn geërodeerd. Onder meer door de modernisering van de landbouw.
1.2 Wens initiatiefnemer De wens van de initiatiefnemer is om de bestaande opstallen te slopen. De initiatiefnemer is voornemens om een nieuw bijgebouw te realiseren bij het bestaande woonhuis en een tweede woonhuis te bouwen met een bijpassende schuur. De benodigde sloopmeters komen van het eigen erf. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde beleid van minimaal 1.000 m2 sloopmeters voor het bouwen van een extra (compensatie)woning.
De kleine zandkopjes werden gebruikt als eenmansesjes die het karakteristiek van het kampenlandschap tot gevolg hadden zoals ten oosten en westen van het plangebied aanwezig is. Het plangebied zelf ligt in een broekontginning. Het erf is daar gevestigd op een hoger gelegen dekzandkopje. Vanaf de jaren ‘30 werden deze gebieden grootschalig ontgonnen als gevolg van verbeterde landbouw- en afwateringstechnieken. Het erf volgt nog later in de jaren ‘50. In de jaren ‘70 breidt het erf verder uit naar de omvang dat het nu nog steeds kent.
De gemeente Hof van Twente stelt voor de ontwikkeling een landschappelijke inpassing als belangrijke voorwaarde. In dit rapport wordt daarom de landschappelijke inpassing uiteengezet. Er wordt een beschrijving van het plangebied gegeven, het omliggende landschap en het vigerende beleid. Dat resulteert in een beschrijving van de nieuwe situatie die aan het gestelde beleid voldoet.
1.3 Landschappelijke inpassing
De omliggende kavels werden gedurende de jaren nog groter. Er is sprake van een rationeel open landschap. Beplanting komt voor in de vorm van zware bomenrijen met zomereiken langs de weg en veelal els tussen de percelen al dan niet gemengd.
5
2. Huidige situatie 2.1 Het landschap op de grens van dekzand en beekdal Het plangebied is net als grote delen van Overijssel gelegen in een gebied dat is opgebouwd uit dekzandvlakten afgewisseld met beekdalgebieden. De planlocatie ligt op een dekzandkop dat omgeven is door een beekdal. Er is in de omgeving sprake van minimale hoogteverschillen. Plotselinge hoogteverschillen zoals steilranden zijn binnen het plangebied niet terug te vinden. De hoogteverschillen zijn ontstaan in de laatste ijstijd waar zandruggen en beekdalen na verloop van tijd veelal zijn geërodeerd. De hogere plekken werden in gebruik genomen voor de landbouw, de lagere delen werden pas later nuttig. 2.3 Broekontginningslandschap omgeven door het oude hoevenlandschap 2.3.1 Broekontginningslandschap Het plangebied is in het broekontginningslandschap te vinden. De van oorsprong grote oppervlakte aan -voormalige – natte en droge heide- en woeste gronden waren oorspronkelijk nog functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap. Na de uitvinding van kunstmest en de technieken om beter te kunnen afwateren ging het hard met de landbouw. Door de nieuwe technieken kon men immers ook voorheen onbruikbare gronden omzetten in geschikte landbouwgronden. Aanvankelijk was dit een half open landschap dat min of meer individueel ontgonnen werd door kleine keuterboertjes.
Later werd de ontginning grootschaliger aangepakt. Het landschap heeft ten opzichten van het omliggend essen- en hoevenlandschap relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplexen of bomenrijen. De erven liggen als blokken (meestal) aan de weg geschakeld, een uitzondering daargelaten
6
als er sprake was van een hoger dekzandkopje verder van de weg. De wegen hebben kenmerkende rechtstanden. 2.3.2 Het oude hoevenlandschap Daarnaast is in de omgeving van de planlocatie het oude hoevenlandschap te vinden dat functioneel was verbonden aan het jonge heide- en broekontginningslandschap. Het oude hoevenlandschap is een kleinschalig landschap dat werd ontwikkeld naast de grote essen. In dit landschap vinden we een wat meer organische structuur die de vormen van het landschap volgt. De erfopzet is wat dynamischer, deze is ook terug te vinden bij de erven in de omgeving (bijvoorbeeld ten oosten) van de planlocatie. In het oude hoevenlandschap vind je veel variatie in de ruimtelijke opbouw met open essen, erven op de flank en natte laagtes met houtwallen. 2.4 Nieuwe elementen Het oorspronkelijke landschap is grootschaliger geworden, maar de verkaveling en beplanting is nog goed herkenbaar. De nieuwe beplantingen zullen een bijdrage moeten leveren aan de versterking van de oorspronkelijke structuren. Omdat de schaal van een erf beperkt is, is dat niet altijd aan te raden. Het landschap dient een open karakter te behouden met behoud en mogelijk herstel van bestaande structuren. Op het erf dient gekeken te worden naar een juiste inpassing.
Hoogtekaart planlocatie.(Bron: anh.arcgisonline.nl)
Planlocatie. (Bron: geo.overijssel.nl)
Planlocatie omstreeks 1900. (Bron: topotijdreis.nl)
Locatie plangebied, ten noorden van Goor. (Bron: geo.overijssel.nl)
7
3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere plannen. De belangrijkste is de Omgevingsvisie 2017 welke is vastgesteld op 12 april 2017. Nadien is deze visie meerdere keren geactualiseerd. De laatste actualisatie is betreft maart 2021. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden.
reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen, NNN-gebieden (natuurnetwerk Nederland) en de EHS zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.
Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven.
Ontwikkelingsperspectieven: In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het plangebied is aangemerkt als “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. Dat betekent dat diverse functies verweven moeten worden. Het belangrijkste land gebruik blijft melkveehouderij en akkerbouw, maar aan de andere kant is er ruimte voor landschap, natuur, milieubescherming, cultuurhistorie, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In elk geval staat de ambitie, “voortbouwen op kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen”, voorop. De voorgenomen ontwikkeling past bij de gestelde ambitie indien de kenmerken waar mogelijk behouden blijven.
Generieke beleidskeuzes: Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral
Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag
8
Ontwikkelingsperspectief, het plangebied is groen wat betekent “Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap”. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
9
van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag en de laag van de beleving zijn niet opgenomen; deze zijn niet relevant voor wat betreft de voorgenomen ontwikkeling. Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De locaties zijn gelegen op de overgang van dekzandkopjes naar beekdalen. Daardoor is er minimaal sprake van hoogteverschillen. In de jaren zijn hoogteverschillen geërodeerd door de wind, soms juist weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik, maar uiteindelijk weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. De hoogteverschillen zijn minimaal geworden. Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. De eerste nederzettingen in Nederland werden gesticht op de rand van de hogere stuwwallen en/of dekzandruggen naar de overgang met de lagere gronden.
De akkers op de hogere gronden werden intensief gebruikt en bemest met heideplaggen uit het voormalige potstal systeem. Rond de jaren ‘30 van de vorige eeuw werden ook de heidegebieden ontgonnen en bruikbaar gemaakt als landbouwgrond. Dit was 10
in die tijd mogelijk, omdat toen kunstmest werd uitgevonden dat de grond vruchtbaarder kon maken. Het plangebied is gelegen in een broekontginning en heeft ook de kenmerken van dit landschap overgenomen. Er is sprake van een rechtlijnige verkaveling en een half open tot open karakter. De begroeiing zie je vaak terug in de vorm van bomenrijen en kleine boscomplexen. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. De mate van herstel is afhankelijk van meerdere factoren. In beginsel moet ervoor gezorgd worden dat het bestaande behouden blijft en dat erven op een juiste manier ingepast zijn en blijven. De voorgenomen ontwikkeling past goed bij de gestelde ambities. 3.2 Structuurvisie landelijk gebied De gemeente Hof van Twente heeft een structuurvisie opgesteld omdat er behoefte was aan een integrale visie voor het buitengebied. Deze visie is op 6 juli 2010 vastgesteld. Uitgangspunt voor de visie voor het landelijk gebied vormt een aantal kernkwaliteiten waardoor het landelijk gebied van de Hof van Twente zo breed wordt gewaardeerd. Het doel van de structuurvisie is om de kernkwaliteiten te behouden en verder uit te kunnen bouwen. In de gemeente Hof van Twente is een grote mate van verwevenheid aan functies op gebiedsniveau.
Functies als landbouw, recreatie, wonen en natuur wisselen zich af en hebben schijnbaar willekeurig een plek gevonden in het kleinschalig landschap. Kernkwaliteiten zijn de sterke agrarische structuur, een grote mate van ondernemerschap, een breed scala aan landelijke woonmilieus, een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, een robuust ecologisch netwerk en een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur.
Links: natuurlijke laag. Het plangebied is omschreen als: “dekzandvlakte en -ruggen met omliggend beekdalen en natte laages ”. Rechts: laag van Cultuurlandschap. Plangebied is omschreven als: “Jong heide- en broekontginningslandschap.” (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
11
Het landschap is een van de pijlers onder de ontwikkeling van de Hof van Twente. Het zorgt voor een prettige leefomgeving en maakt het gebied aantrekkelijk. Om de verschillende landschapstypen herkenbaar te houden en het kleinschalige karakter van grote delen van het gebied te behouden is het belangrijk om blijvend te investeren in het landschap. In zijn algemeenheid wordt dit vooral bereikt door alle aanwezige erven en andere bebouwde terreinen een zorgvuldige landschappelijke inpassing te bevorderen. Naast de aandacht voor erven richt het beleid zich op behoud van de landschappelijke waarden in het veld. Het gaat bij het kampenlandschap om behoud van de herkenbaarheid en de kleinschaligheid. Een nadere omschrijving is opgenomen in het LOP. 3.3 Landschapsontwikkelingsplan De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een LOP op laten stellen. Het plan dient een samenhangende visie op landschapskwaliteit te bevatten en de bouwstenen en inrichtingsprincipes aan te geven voor landschapsontwikkeling. Opgaven voor het LOP zijn het beschrijven van de huidige en gewenste kwaliteit en structuur. Waar en in hoeverre is er ontwikkeling, bescherming, onderhoud en herstel nodig en haalbaar. Daarbij moet er ruimte worden geboden aan wonen, werken en recreëren. Daarnaast dient het LOP voorstellen te bevatten voor de afstemming van de dynamiek op het landschap.
Zodanig dat er sprake zal zijn van behoud, zorgvuldige inpassing en nieuwe ruimtelijke kwaliteit. Er zijn verschillende thema’s geformuleerd. Onder meer het werken aan de duurzame structuur van het landschap met aandacht voor de verschillende deelgebieden. Het behouden van de verweving in de waardevolle ensembles. 12
Werken aan de ontwikkeling van een nieuwe verweving in het agrarisch werklandschap en werken aan de samenhang tussen de kernen en het omliggende landschap, met aandacht voor verbetering van de randen en routes vanuit de kernen het landschap in. De planlocatie is omschreven als “broekontginning (klein- grootschalig)” en valt onder het thema “zorg voor het agrarisch werklandschap”. Over het agrarisch werklandschap geeft het LOP aan dat de landbouw een belangrijke functie is van het Twentse landschap. Door verschillende ontwikkelingen, zoals schaalvergroting en ruilverkaveling is een diffuus agrarisch werklandschap ontstaan. Kenmerken zijn de open landschapsgronden met verspreide erven met woonhuis, opstallen en erfbeplanting en verspreide landschapselementen als restanten van het oude landschapstype. In de beekdalen wordt naast behoud en herstel van landschapselementen actief gewerkt aan ontwikkeling van nieuwe elementen. Het broekontginningslandschap komt in een aantal gebieden voor. Hier geldt het behoud van de openheid en grootschaligheid waarbij bospercelen en wegbeplanting met es, populier of els de ruimte begrenzen. De erfinrichting in de broekontginning wordt bepaald door het woonhuis aan de voorkant met de opstallen daarachter. De bebouwing vormt een compact geheel met een geometrische indeling.
Het landschap is open en de beplanting is vooral te vinden in de vorm van een broekbosje, tuin of poel. Op het erf bestaat het sortiment veelal uit wilgen, elzen en essen. De erven liggen meestal aan rechte wegen, waarbij ze soms aan de weg liggen en soms op enige afstand van de weg. De verkaveling is blokvormig.
De gemeente zal op enkele aspecten letten bij de begeleiding c.q. beoordeling van plannen. Er moet sprake zijn van herstel van de relatie tussen erf en landschap door passende beplantingsvormen, erfindeling en begrenzing en sortimentskeuze. Daarnaast moet optimaal gebruik zijn gemaakt van de bekende oude indeling en inrichting. Deze indeling is in de nieuwe situatie nog duidelijk terug te zien, met de boerderij op de bestaande plek en daarachter de bijgebouwen en, in dit geval, de nieuw te bouwen compensatiewoning. Het geheel was een uitgerekt geheel, dat nu meer tot een harmonieus ensemble is teruggebracht. Door aanplant van nieuwe bomen zal het erf een duidelijk geheel vormen. Daarnaast moet het erf als passend worden ervaren bij het ontginningslandschap, dat wil zeggen: een strakke ordening van de bebouwing en beplanting en gesloten beplantingen op de erfgrenzen. In de nieuwe situatie is hier aan voldaan. In hoofdstuk 5 zal de nieuwe situatie verder worden uitgelegd, waarbij bovenstaande ook wordt meegenomen. In de tabel uit het LOP is een beknopte samenvatting weergegeven. Daarnaast is er een voorbeeld erf opgenomen. Zie daarvoor pagina 15. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan het gestelde beleid vanuit het LOP.
Uitsnede deelgebied LOP. Planlocatie is aangeduid als ‘broekontginningslandschap’. (Bron: www.hofvantwente.nl)
13
3.4 Welstandsnota De gemeente heeft een welstandsnota opgesteld om tot criteria te komen voor de welstandstoets. Iedereen weet hierdoor waar een bouwplan aan wordt getoetst en ook waarom. De voorgenomen ontwikkeling valt onder de westelijke ontginningen. Het landschap is er vlak, open en rationeel van opzet. De erven en bosjes liggen als eilanden in de ruimte en er bestaat hier geen relatie met de kampen meer. Een deel van de erven ligt aan de weg, andere erven liggen aan insteekwegen in de velden. Bij de meeste erven is het huis op de weg georiënteerd. Het beleid stelt dat de kenmerkende openheid behouden dient te blijven evenals het compacte groen waardoor erven zijn omgeven. Op de planlocatie is dit compacte groen ook terug te vinden en zal behouden blijven. De bebouwing moet voldoen aan bepaalde criteria. Deze zijn opgenomen op pagina 15. De positionering van de bebouwing voldoet aan de gedachte van het ontginningslandschap. De bebouwing moet voldoen aan de criteria vanuit de welstand. De hoofdwoning zal blijven behouden en zoveel mogelijk in zijn oude, karakteristieke staat worden terug gebracht. In de nieuwe situatie wordt de positionering deels mogelijk behouden, waarbij de hoofdwoning op de weg is georiënteerd, met daarachter de opstallen en de nieuwe woning. De nieuw te bouwen gebouwen voldoen ook aan het gestelde beleid.
De totale bebouwing is ten opzichte van de boerderij (het hoofdgebouw) ondergeschikt.
14
3.5 Grond voor gebruik ‘ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst!’ De gemeente Hof van Twente staat voor een enorme opgave als het gaat om het behouden van de kwaliteit van het landelijk gebied. De gemeente behoort tot één van de negen gemeenten waar in totaal meer dan 300.000 m2 aan agrarische bebouwing vrijkomt. Deze vrijkomende erven bieden dus volop kansen voor nieuwe functies op die erven. De provincie heeft in de vorm van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) een instrument vastgelegd waarmee meer mogelijkheden geboden kunnen worden voor uitbreidingen en ontwikkelingen in het buitengebied onder de voorwaarde dat er tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Gemeenten hebben daarbij de mogelijkheid om een beleidskader te ontwikkelen hoe een evenwicht wordt bereikt tussen de ontwikkeling van bebouwing en de investering in de ruimtelijke kwaliteit die daar tegenover moet staan. De gemeente gaat uit van de volgende principes: 1. Elke ontwikkeling dient beoordeeld te worden vanuit het aspect ruimtelijke kwaliteit. 2. Bij grootschalige ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van bestaand) wordt naast een investering in de ontwikkeling zelf tegelijkertijd geïnvesteerd in de omgevingskwaliteit. 3. De ontwikkelingsruimte die men krijgt dient in evenwicht te zijn met investeringen (prestaties) in de ruimtelijke kwaliteit. 4.
De principes van ruimtelijke kwaliteit gelden voor elk planproces en dienen bij elk initiatief/ontwerp/opgave te worden toegepast.
Criteria bebouwing broekontginningslandschap (Bron: Welstandsnota Hof van Twente)
Boven: Beknopt overzicht erven in het broekontginningslandschap. (Bron: LOP Haaksbergen en Hof van Twente) Onder: Beknopt voorbeeld weergave erven in het broekontginningslandschap. (Bron: LOP Haaksbergen en Hof van Twente)
15
3.6 Rood voor rood De laatste jaren beëindigen steeds meer agrariërs hun bedrijfsactiviteiten. Om de sloop van voormalige bedrijfsgebouwen te bevorderen is het Rood voor Rood beleid opgesteld, met als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. De regeling gaat uit van de sloop van een minimum oppervlakte van 1.000 m2 aan gebouwen, waarvoor ter compensatie een nieuwe woning kan worden gerealiseerd. De compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend op de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven woning. In de nieuwe situatie zal hieraan worden voldaan. De sloopmeters aan de Zomerweg 5 worden op het eigen erf verkregen (1.423 m2), het gaat om alle schuren als op afbeelding op pagina 17 weergegeven. De hoeveelheid sloopmeters op het eigen erf zijn dusdanig dat een compensatiewoning op het eigen erf logisch is. De compensatiewoning wordt binnen de huidige bebouwingscontouren gebouwd waardoor er sprake is van een compact erf samen met de (woon) boerderij. De huidige (woon)boerderij blijft behouden.
16
Huidig erf. (Bron: google.com/maps)
17
4. Nieuwe situatie 4.1 Ligging planlocatie in het landschap De planlocatie is gelegen op een dekzandkop in het beekdalgebied in de broekontginning. Er was sprake van natte omstandigheden die pas begaanbaar werden na het uitvinden van watertechnieken. De omgeving van het plangebied werd daarom pas in de jaren ‘30 ontgonnen en bewoning was pas aan de orde in de jaren ‘50. Het landschap is half open tot open met bomenrijen en (elzen)singels met een rationele in een toch relatief kleinschalige verkaveling. Deze openheid van het landschap zal behouden moeten blijven. 4.2 Nieuwe situatie In de huidige situatie is er aan de Zomerweg 5 sprake van een (woon)boerderij met een meerdere opstallen met een orthogonale opzet. Alle opstallen worden in de nieuwe situatie gesloopt (K op tekening). De nieuwe woning (D op tekening) en het bijbehorende bijgebouw (C) komen in eenzelfde opzet te staan als de voormalige agrarische opstallen. De positie is zorgvuldig gekozen om twee bestaande walnoten (M op tekening) te kunnen handhaven. De walnoten zijn praktisch de enige houtopstand op het erf van landschappelijke betekenis. Nabij de te behouden (woon)boerderij wordt eveneens een nieuw bijgebouw opgericht (B op tekening). Ook voor dit gebouw wordt gekozen voor een orthogonale opzet.
De onderlinge afstand van de bestaande (woon)boerderij met bijbehorend bijgebouw en de nieuwe woning met bijgebouw zorgen voor een acceptabele compacte erfopzet.
18
Ter inpassing van het erf worden bomen aangeplant (I en J op tekening) en enkele fruitbomen (H op tekening). Daarnaast geven enkele fragmenten nieuwe hagen wat structuur aan het vernieuwde erf. De soort is beukenhaag of meidoorn. De haag mag niet doorlopend zijn; dat sluit het erf te veel af voor haar omgeving. Maatregelen: - Bouwen nieuwe woning en bijgebouwen volgens gebiedskenmerken; - Behoud bestaande beplanting (M); - Aanplant nieuwe (fruit)bomen (I, J en H); - Aanplant beukenhaag of meidoorn (G). Met voorgenoemd plan wordt voldaan aan het beleid van de gemeente Hof van Twente en de provincie Overijssel.
J G
K
A:
Best aand woonhuis.
B:
Nieuw te bouwen bijgebouw, de opper vlakte bedraagt (150 m2).
C:
Nieuw te bouwen kapschuur, de opper vlakte bedraagt (150 m2).
D:
Nieuw te bouwen woonhuis.
E:
Tuin/gazon.
F:
Erfverharding .
G:
Nieuw aan te planten hagen. Aanplant met beukenhaag (Fagus sylvatica) of meidoorn (Crat aegus monogyna) in de maat 80-10 0 (hoogte in centimeters) met 5 stuks per meter. Tot ale lengte bedraagt 85 meter, tot aal aantal 425 stuks.
G D
G
E L
H:
H
M
I
Nieuw aan te planten fruitbomen in de de maat 10-12 (st amomtrek in centimeters) en elk voor zien van t wee boompalen. Totaal 4 stuks, aan te planten met appel, peer, of kers.
F
B C
N
I:
Nieuw aan te planten bomen in de maat 12-14 (st amomtrek in centimeters) en elk voor zien van twee boompalen. Tot aal 2 stuks.
K
Soort: linde of eik.
F J:
O
L
Nieuw aan te planten beeldbepalende boom in de maat 14-16 (st amomtrek in centimeters), soort koningslinde. Aanplanten met
A
2 boompalen.
E K:
Te slopen opst allen (gele omlijning).
L:
Best aande houtopst anden.
M:
Te behouden walnoot bomen.
N:
Bouwvlak.
O:
Belangrijke groenstructuur.
Fragment uit 1920 (topotijdreis.nl)
Nieuwe situatie, niet op schaal. (Bron: N+L Landschapsontwerpers) Project:
Rood voor Rood
Getekend:
DA
St atus:
DO
Adres:
Zomer weg 5
Datum:
12-09-2023
Aant al pag .:
1
Woonplaats:
Ambt-Delden
Gecontroleerd:
NH
Formaat:
A3
Schaal:
1:10 0 0
Noord:
Tekening is noordgericht
nl-landschap.nl
19
5. Beeldkwaliteit De nieuwe woning aan de Zomerweg zal ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Voor de architectuur wordt gekozen voor een ontwerp met een rieten kap in combinatie met moderne accenten van glas, hout en/of steen. De woning kent in de basis een rechthoekige plattegrond.
20
Referenties. (Bron: bureau authentiek)
21
l a n d s c h a p s o n t w e r p e r s
Oldenzaalseweg 38 • 7651 KC Tubbergen • info@nl-landschaps.nl • www.nl-landschap.nl
Buitengebied Hof van Twente, herziening Zomerweg 5 Ambt Delden
Bijlage 4 Verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek
34
ontwerp
RAPPORT VERKENNEND EN NADER (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Zomerweg 5 - Ambt Delden
Opdrachtgever
Locatie: Zomerweg 5 7495 SN Ambt Delden September 2023 (versie 2)
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 Bankgegevens: KvK: 06068751 ABN AMRO: BTW-nr: NL 8019.25.125.B01 NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend en Nader (asbest)Bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN5707 Zomerweg 5 - Ambt Delden
Opdrachtgever: De heer M. Leferink Oude Deventerweg 11 7451 CM Holten Locatie: Zomerweg 5 7495 SN Ambt Delden Projectcode: 23001616 Rapportagedatum: 6 september 2023 (versie 2) Auteur: ing. J. Lammers Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
3 3 3 5
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
6 6 7 7 9 10
4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
11 11 11 15 16 16 17
5
Nader asbestonderzoek Asbestanalyses Veldwerkzaamheden Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
18 18 18 20 21
6
Aanvullend asbestonderzoek Onderzoeksstrategie Asbestanalyses Veldwerkzaamheden Resultaten van de asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
22 22 22 23 24 24
7
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
26
8
Literatuur en bronvermelding
30
Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Bijlagen I Regionale ligging locatie Ontgravingstekening evaluatierapport asbestsanering, Arcadis, december 2009 Boorplan verkennend asbestonderzoek Kruse Milieu BV, september 2012 Boorplan verkennend asbestonderzoek Kruse Milieu BV, september 2020 Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse Milieu BV, maart 2023 Boorplan nader asbestbodemonderzoek Kruse Milieu BV, juni 2023 Boorplan aanvullend asbestbodemonderzoek Kruse Milieu BV, september 2023 II Boorstaten en legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses en toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses verkennend onderzoek V Resultaten asbestanalyses nader en aanvullend onderzoek VI Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 23001616
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van de heer op een terreindeel aan de Zomerweg 5 in Ambt Delden door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. In versie 2 van het rapport is het aanvullend asbestbodemonderzoek opgenomen, dat in overleg met het projectbureau BAS (Bodem Asbest Sanering) is uitgevoerd. Versie 2 van het rapport vervangt versie 1 van 22 juni 2023. Het aanvullend asbestonderzoek is weergegeven in hoofdstuk 6. De aanleiding van dit onderzoek is de geplande herontwikkeling. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat er een voormalige tanklocatie en twee druppelzones op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Deze worden beschouwd als verdachte deellocaties. De bovengrond ter plekke van het voormalige erf wordt beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest.
Verder wordt de bovengrond ter plekke van het weiland en de ondergrond en het grondwater op de gehele onderzoekslocatie beschouwd als onverdacht voor chemische componenten. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem. Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een verdachte (deel)locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern(en) ook daadwerkelijk op de vermoede plaatsen aanwezig zijn en in hoeverre de verontreinigende stoffen in de grond en het freatisch grondwater respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden overschrijden.
De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte (deel)locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in februari, mei en augustus 2023 conform BRL SIKB2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever. De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Pagina 1 van 30
In dit rapport worden de resultaten besproken van het veld- en het laboratoriumonderzoek. De gemeten gehalten in de grond worden vergeleken met de achtergrondwaarden (AW2000) en de interventiewaarden om vast te stellen of er al dan niet verontreinigingen aanwezig zijn. De in het grondwater gemeten gehalten worden vergeleken met de streef- en interventiewaarden. Tevens worden de resultaten met betrekking tot asbest vergeleken met de wetgeving inzake asbest in bodem en puin, welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen.
Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Pagina 2 van 30
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie
Algemeen De onderzoekslocatie is gelegen aan de Zomerweg 5, op circa 1.6 kilometer ten noordoosten van de bebouwde kom van Goor. Het centrale punt binnen het te onderzoeken terrein heeft de coördinaten x = 238.577 en y = 475.907. Het terrein is kadastraal bekend als: gemeente AmbtDelden, sectie G, nummer 2649 (ged.). De Zomerweg bevindt zich ten zuidoosten en de Barloseweg ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Bebouwing en verharding Op het centrale deel van de onderzoekslocatie is voormalig agrarisch erf aanwezig. De gebouwen zijn grotendeels voorzien van betonvloeren deels met (mest)kelders. Het onbebouwde terreindeel is op het erf deels verhard met klinkers. Rondom het erf is een weiland aanwezig. Onderzoekslocatie De daken van de twee schuren op het noordwestelijke deel van de onderzoekslocatie zijn voorzien van asbestverdachte golfplaten. Er is sprake van een druppelzone wanneer hemelwater via asbestverdachte dakplaten afwatert op onverhard terrein. De druppelzone bevindt zich aan de west en aan de oostzijde van de schuren (zie boorplan). Deze druppelzones worden als verdachte deellocaties beschouwd (deellocaties B en C). Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemmingsplanwijziging, de geplande herontwikkeling en dient inzicht te geven in de milieukundige kwaliteit van de bodem.
Het erf op de onderzoekslocatie is deels bebouwd, deels verhard en omvat 4500 m². De tuin en het weiland zijn onbebouwd en onverhard en omvat circa 5500 m². In bijlage I zijn de regionale ligging van de locatie weergegeven en zijn de volgende boorplannen opgenomen: - Ontgravingstekening evaluatierapport asbestsanering, Arcadis, december 2009; - Boorplan verkennend asbestonderzoek Kruse Milieu BV, september 2012; - Boorplan verkennend asbestonderzoek Kruse Milieu BV, september 2020; - Boorplan verkennend (asbest)bodemonderzoek Kruse, maart 2023; - Boorplan nader asbestbodemonderzoek Kruse Milieu BV, juni 2023. Vooronderzoek In het vooronderzoek komt naast informatie uit het huidige gebruik het vroegere gebruik van het terrein aan de orde evenals de vraag of er in het verleden reeds bodemonderzoeken zijn verricht op het terrein. Het vroegere gebruik van het terrein is van belang, omdat bronnen van verontreiniging aanwezig geweest kunnen zijn. De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in tabel 1. De volgende informatie is verzameld: - De onderzoekslocatie heeft momenteel de agrarische bestemming. De bebouwing dateert oorspronkelijk van 1950, 1960, 1980 en 2022 (bron: BAG-viewer). De schuren dateren van 1980. Voordien was het terrein in gebruik voor agrarische doeleinden. - In een kapschuur heeft een 1200 liter bovengrondse dieseltank gestaan (deellocatie A).
Voor zover bekend is er op de onderzoekslocatie nooit sprake geweest van opslag in tanks van chemicaliën of brandstoffen, zoals huisbrandolie of diesel. - Voor zover bekend is de onderzoekslocatie verder nooit gebruikt voor werkzaamheden of (bedrijfs)activiteiten, die verontreinigend kunnen zijn. - Voor zover bekend is de onderzoekslocatie verder in het verleden niet opgehoogd en hebben er geen dempingen van lager gelegen delen of sloten plaatsgevonden. - Op de daken van de schuren zijn asbestverdachte golfplaten aanwezig. Er is sprake van drie druppelzones (deellocatie B, C en D). En er is asbestpulp aanwezig onder het beton van de meest noordoostelijk gelegen schuur (bron: VBO Kruse Milieu BV, september 2012). Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Pagina 3 van 30
- Ten noordoosten van de veeschuren (momenteel weiland) heeft een asbestsanering plaatsgevonden in het kader van de saneringsregeling asbestwegen 2e fase. Evaluatieverslag sanering Zomerweg 5 te Ambt Delden, locatiecode G090 (OV-nummer OV173500412, Arcadis, project 110301/OF9/001444 d.d. 22 december 2009 Uit de resultaten bleek het volgende: Er zijn geen restverontreinigingen achtergebleven in gehalten hoger dan de interventiewaarde. In wand M005 is een gewogen asbestgehalte aangetoond van 79 mg/kg d.s.. - De bovengrond ter plekke van het voormalige erf wordt beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest. - Volgens de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente (Witteveen+Bos, maart 2018) vallen de boven- en ondergrond in functieklasse AW2000. Volgens de Nota bodembeheer Regio Twente (Twents beleid veur oale groond) wordt geen correctie toegepast voor minerale olie tot maximaal 100 mg/kg d.s.. - Er hebben eerder bodemonderzoeken op de huidige onderzoekslocatie plaatsgevonden. Deze worden hieronder nader toegelicht. Verkennend asbestonderzoek, Zomerweg 5 te Ambt Delden, Kruse Milieu BV, projectcode 12033690 d.d. 13 september 2012 De aanleiding van het onderzoek was het eerder aangetroffen asbestpulp in een verharding onder de betonvloer van de varkensschuur op het noordoostelijke deel van de huidige onderzoekslocatie.
Uit de resultaten bleek het volgende: Het mengmonster van de fijne fractie (inspectiegaten 1 t/m 4) is niet asbesthoudend; Het mengmonster van de fijne fractie van de geroerde grondlaag onder de pulpverharding (inspectiegaten 11 t/m 14) is sterk asbesthoudend; Het mengmonster van de fijne fractie van de ongeroerde bodem (inspectiegaten 11 t/m 14) is niet asbesthoudend; Het materiaalverzamelmonster van de pulplaag is asbesthoudend. Voor zover bekend heeft sanering van de asbesthoudende pulplaag niet plaatsgevonden. Nader asbestonderzoek, Zomerweg 5 te Ambt Delden, Kruse Milieu BV, projectcode 20053690 d.d. 22 september 2020 De aanleiding van het nader onderzoek was de bouw van een nieuwe schuur direct ten noordwesten van de woning ter plekke van de varkensschuur met asbesthoudende pulp in de verharding onder de betonvloer op de huidige onderzoekszoekslocatie. Uit het rapport blijkt dat er visueel geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen en dat de zandlaag onder de verhardingslaag van de schuur geen asbest is aangetoond.
Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Pagina 4 van 30
Tabel 1: Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Bron
Specificatie
Opdrachtgever
Huidig en voormalig gebruik
Relevante informatie Ja
Milieuhygiënische en historische bodeminformatie, milieuvergunningen, Gemeente Hof van Twente eerdere bodemonderzoeken en evaluatierapport sanering asbestwegen
Ja
Omgevingsrapportage
https://overijssel.omgevingsrapportage.nl/
Ja
Archief Kruse Milieu BV
Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken
Ja
Google Maps
https://www.google.nl/maps
Ja
Topotijdreis
https://www.topotijdreis.nl/
Ja
BAG-viewer
https://bagviewer.kadaster.nl/
Ja
Perceelloep
https://perceelloep.nl/
Ja
Ruimtelijke plannen
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/viewer/
Ja
Grondwatertools
https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/
Ja
DINO-loket
https://www.dinoloket.nl/
Ja
AHN-viewer
https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/
Ja
Bodemkwaliteitskaart
Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente, Witteveen+Bos, d.d. 23 maart 2018 Twente Bodemkwaliteitskaart PFAS, Tauw bv, d.d. 28 mei 2020
Ja
Bodemsamenstelling en geohydrologie Op basis van literatuurstudie is de onderstaande regionale geohydrologische situatie afgeleid: - het maaiveld bevindt zich ongeveer 11 meter boven NAP; - de deklaag bestaat uit kwartair zand, een door de wind afgezet dekzandpakket; - tot circa 24 meter diepte is matig fijn tot grof zand aanwezig van de formaties Boxtel, Drente en Oosterhout. Het doorlatend vermogen bedraagt circa 5 - 250 m² /dag; - met daaronder de ondoorlatende kleibasis van de formaties van Breda, Rupel en van Dongen; - de grondwaterspiegel bevindt zich circa 1.5 meter onder het maaiveld. Het freatische grondwater stroomt in zuidoostelijke richting met een gering verhang; - de onderzoekslocatie ligt niet in of nabij een grondwaterbeschermingsgebied of grondwaterwingebied; - op circa 600 meter ten noordwesten van de onderzoekslocatie stroomt de Boven Regge en op circa 2.3 kilometer ten oosten stroomt het Twentekanaal (Zijkanaal naar Almelo); - op circa 3 kilometer ten zuidwesten van de onderzoekslocatie liggen de grondwaterbeschermingsgebieden Goor en Herikerberg; - de invloed van de genoemde oppervlaktewateren en de grondwaterbeschermingsgebieden op het freatische grondwater is bij ons bureau niet bekend.
Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Pagina 5 van 30
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie
De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. In de normen NEN5740 en NEN5707 zijn voor onverdachte en verdachte locaties richtlijnen gegeven voor een systematisch veldonderzoek, de bemonsteringsstrategie en uit te voeren analyses. De gekozen onderzoeksstrategie is voldoende intensief voor het verkrijgen van inzicht in de bodemkwaliteit ten behoeve van de omgevingsvergunning, bestemmingsplanwijziging of eigendomsoverdracht. Bovengrond voormalig erf (4500 m2) De onderzoeksstrategie is gebaseerd op zowel de NEN5740 als NEN5707 (verdacht, heterogeen verdeeld, VED-HE). Er worden op een terreindeel met een oppervlakte van circa 4500 m² in totaal 17 inspectiegaten gegraven met een lengte en een breedte van minimaal 0.3 meter. Er wordt doorgeboord tot op de ondergrond (ongeroerde bodem) met een maximum diepte van 2.0 meter minus maaiveld.
Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De gaten worden handmatig met een schop gegraven. De inspectiegaten worden over het te onderzoeken terreindeel verdeeld. De inspectiegaten worden gecodeerd als gaten 25 tot en met 37. Bovengrond tuin en weiland (5500 m² weiland) De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de NEN5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL). Er worden op een terreindeel met een oppervlakte van circa 5500 m² in totaal 16 boringen tot 0.5 m-mv verricht. Het opgegraven materiaal wordt uitgezeefd over 20 mm en visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest. De boringen worden gecodeerd als boring 45 tot en met 56. Ondergrond en grondwater gehele terrein (10000 m2) De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de NEN5740 (niet-lijnvormige locatie, ONV-NL). Er dienen op een terreindeel met een oppervlakte van circa 10000 m² in totaal 6 boringen tot 2.0 m-mv of tot de grondwaterspiegel te worden verricht. De boringen worden gecodeerd als 41 tot en met 44. Er worden 2 diepe boringen afgewerkt met een peilbuis (PB 21 ter plekke van het erf en PB 41 ter plekke van het weiland).
Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank (circa 15 m2) De locatie van de bovengrondse dieseltank wordt beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van minerale olie in de grond en van minerale olie en vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen in het grondwater. De hypothese “verdacht” uit NEN5740 wordt gebruikt. Ter plaatse van de dieseltank worden 3 boringen verricht tot 1.0 meter minus maaiveld. Voor het meten van het grondwaterpeil en het nemen van grondwatermonsters wordt één diepe boring overeenkomstig NEN5766 afgewerkt tot peilbuis (PB A1). Deellocaties B, C en D: Druppelzones (circa 35 m2 en 15 m2) De druppelzones worden beschouwd als verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. De hypothese “verdachte locatie" uit NEN5707 wordt voor de druppelzones gebruikt. De onderzoeksstrategie op deze deellocaties is gebaseerd op de NEN5707, paragraaf 6.4.4: verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern (VEP). Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Pagina 6 van 30
Bij een druppelzone van 10 - 100 m2 dienen 3 inspectiegaten gegraven te worden. De inspectiegaten hebben een lengte en breedte van minimaal 0.3 x 0.3 meter. Alleen de toplaag (0 tot 0.1 m-mv) wordt bemonsterd. De inspectiegaten worden gecodeerd als B1, B2, B3, C1, C2 en C3. Bij percentages bodemvreemd materiaal van meer dan 50% is er geen sprake van bodem. Eventuele funderingslagen (asfalt- en puingranulaat) vallen buiten de scope van dit onderzoek. Het opgeboorde materiaal wordt wel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. In geval er sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal/puin is norm NEN5897+C2 van toepassing: “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” NNI Delft, december 2017. Bij het verkennend bodemonderzoek worden de volgende uitgangspunten in acht genomen: - in door mensen bewoonde gebieden kunnen door jarenlang gebruik van de grond verhoogde gehalten aan PAK en/of zware metalen voorkomen. Deze worden over het algemeen aangeduid als lokale achtergrondwaarden. Deze gehalten zijn vaak gerelateerd aan het voorkomen van puin- en/of kooldeeltjes in de bodem; - in humeuze of veenhoudende bodems worden regelmatig verhoogde gehalten minerale olie waargenomen.
Deze gehalten worden veroorzaakt door humuszuren en overig organisch materiaal, dat van nature aanwezig is en door een florisilbehandeling niet geheel wordt verwijderd. Tijdens chemische analyses worden deze verbindingen gedetecteerd als de zware fractie van minerale olie (C27 tot C40). Bij veenbodems betreft het gehalten van 50 tot 100 mg/kg droge stof; bij humeuze bodemlagen gaat het om bijdrages van 10 tot 50 mg/kg droge stof. Deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden; - in het grondwater kunnen van nature verhoogde gehalten aan zware metalen en fenolen voorkomen. Deze worden doorgaans aangeduid als natuurlijke achtergrondwaarden. Een voorbeeld wordt gevormd door (sterk) verhoogde arseengehalten in gebieden, die zeer ijzerrijk zijn. Door kwel kunnen bij hoge grondwaterstanden eveneens verhoogde gehalten aan arseen in de grond ontstaan. Ook deze gehalten kunnen worden beschouwd als natuurlijke achtergrondwaarden. Veldwerkzaamheden Bij de boringen en monsternemingen is gewerkt volgens de geldende NEN- en NPR-voorschriften, alsmede conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Van elk inspectiegat en iedere boring wordt de samenstelling van de bodem beschreven volgens NEN5104.
Het opgeboorde materiaal wordt tevens beoordeeld door zintuiglijke waarneming op verontreinigingskenmerken zoals afwijkende geur en/of kleur. Analyses De chemische analyses worden uitgevoerd door AL-West te Deventer, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor analyses conform de AS3000-protocollen. De asbestmonsters worden onderzocht door Eurofins ACMAA in Deurningen, een door de Raad voor Accreditatie erkend laboratorium voor vezelonderzoek. Voor het uitvoeren van deze analyses worden in dit verkennend onderzoek 13 grond(meng)monsters (waarvan 5 mengmonsters van de fijne fractie) samengesteld en er worden 3 grondwatermonsters genomen. De samenstelling van de mengmonsters vindt plaats op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de bodemopbouw en/of posities van de boringen. De samenstelling van de mengmonsters staat vermeld in paragraaf 4.2 in tabel 4.
Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Pagina 7 van 30
De monsters worden volgens de voorschriften uit NEN5740 en NEN5707 onderzocht. In tabel 2 is weergegeven welke chemische analyses worden uitgevoerd. Tabel 2: Analysepakket per (meng) monster. Monster
Analysepakket Bovengrond voormalig erf (4500 m2)
Bovengrond (2x)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof
Bovengrond (3x)
Asbest en droge stof Bovengrond tuin en weiland (5500 m2) Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof
Bovengrond (2x)
Ondergrond en grondwater gehele terrein (10000 m2) Ondergrond (3x) (1x erf en 2x weiland)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, PCB, PAK (10), organische stof, lutum en droge stof
Grondwater (2x) (1x erf en 1x weiland)
Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Mo, Ni, Pb en Zn), minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, styreen en gechloreerde koolwaterstoffen (oplosmiddelen standaardpakket), zuurgraad (pH), elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting
Deellocatie A - Voormalige bovengrondse dieseltank (circa 15 m2) Bovengrond (A - BG)
Minerale olie, organische stof en droge stof
Grondwater (PB A1)
Minerale olie, vluchtige aromaten (BTEX), naftaleen, pH, EC en troebelheid.
Deellocaties B, C en D: Druppelzones(circa 35 m2 en 15 m2) Bovengrond (3x)
Asbest
Algemene opmerkingen - Op de grondmengmonsters wordt standaard een florisilbehandeling uitgevoerd om verstoring van de analyse op minerale olie door natuurlijke humuszuren tegen te gaan. - De zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en troebelheidsmeting, van het grondwater worden in het veld gemeten. Filtratie van het grondwater voor de metalenanalyse vindt eveneens in het veld plaats.
Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Pagina 8 van 30
Toetsing chemische analyses De resultaten van de chemische analyses uit het bodemonderzoek worden beoordeeld aan de hand van de gecorrigeerde achtergrond-, streef- en interventiewaarden voor verontreinigingen in de bodem uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en tabel 1 van bijlage B, Regeling bodemkwaliteit van het ministerie van I&M. De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit (Staatsblad, 22 november 2012). De interventiewaarden voor grond en grondwater zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering. De toetsing aan de eisen in de Wet Bodembescherming en de Circulaire Bodemsanering is beoogd om te beoordelen of er sprake is van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu.
Hierbij worden de volgende waarden onderscheiden: achtergrondwaarde (AW) voor grond: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van de grond; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; streefwaarde (S) voor grondwater: het niveau waarbij sprake is van een duurzame kwaliteit van het grondwater; bij overschrijding wordt gesproken van een lichte verontreiniging; interventiewaarde bodem (I): het niveau waarbij de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier ernstig verminderd zijn of ernstig bedreigd worden; bij overschrijding wordt gesproken van een sterke verontreiniging; tussenwaarde (T): Gelijk aan het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde, dus (A+I)/2 (grond) of (S+I)/2 (grondwater). Wanneer bij een verkennend onderzoek een component met concentratie boven deze waarde wordt gevonden is in principe een nader onderzoek nodig. Bij de toetsing van de analyseresultaten aan de landelijke achtergrondwaarden en de Interventiewaarden worden deze eerst omgerekend naar een gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Bij de toetsing van de grondresultaten wordt daarbij gebruik gemaakt van de gemeten percentages lutum en organische stof in de grond(meng)monsters. De analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters zijn volgens BoToVa getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden.
Het toetsingsresultaat is overeenkomstig BoToVa als volgt aangeduid: concentratie kleiner of gelijk aan AW of S; * concentratie groter dan AW of S en kleiner of gelijk aan T; ** concentratie groter dan T en kleiner of gelijk aan I. *** concentratie groter dan I. Een locatie wordt als verontreinigd beschouwd als de GSSD groter is dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. Voor een aantal stoffen kan de rapportagegrens bepalend zijn voor de achtergrondwaarde of streefwaarde. De locatie wordt niet verontreinigd verklaard als geen van de onderzochte stoffen in de bodem aanwezig is met een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde of streefwaarde. De resultaten van de eventuele PFAS-analyses worden getoetst aan de achtergrondwaarden in de landbodem genoemd in het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie december 2021) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, alsmede aan de 20 juli 2021 (aangepaste) door het RIVM afgeleide INEV’s (Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen) voor de stoffen PFOS, PFOA en GenX in grond en grondwater.
Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Pagina 9 van 30
Toetsing asbestanalyses De resultaten van de asbestanalyses worden getoetst aan de wetgeving inzake asbest in bodem en puin welke door de ministeries van SZW en I&M is vastgesteld. In het beleid is voor asbest een restconcentratienorm en een interventiewaarde opgenomen. De restconcentratienorm beschrijft de concentratie asbest, waaronder hergebruik nog is toegestaan. De interventiewaarde beschrijft de concentratie asbest in bodem, waarboven in principe gesaneerd dient te worden. Voor asbest is de restconcentratienorm gelijk aan de interventiewaarde en deze waarde bedraagt 100 mg/kg gewogen asbest. De gewogen concentratie asbest is gelijk aan de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met 10 maal de concentratie amfiboolasbest. Voor puinverhardingen dient de asbestconcentratie te worden getoetst aan de normen uit het Besluit Asbestwegen Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS). Hierin wordt tevens een restconcentratie van 100 mg/kg gewogen asbest genoemd. Bij boringen <0.35 meter diameter: indien in het opgeboorde materiaal uit minimaal één boring binnen een (deel)locatie asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek verplicht. Indien in de boringen binnen een (deel)locatie geen asbest wordt aangetroffen, dan is aanvullend asbestonderzoek niet verplicht. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht.
De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Bij een nader asbestonderzoek wordt getoetst aan de interventiewaarde. Alleen indien in het verkennend bodemonderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als het nader asbestonderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk. Indien overschrijding van de restconcentratienorm plaatsvindt, dan dienen werkzaamheden met de betreffende bodem/puinverharding plaats te vinden onder asbestcondities. Bij asbestconcentraties lager dan de restconcentratienorm zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk bij be- en verwerking van de grond of puinverharding.
Kruse Milieu BV
Project: 23001616
Pagina 10 van 30
4
Resultaten Algemeen
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de veldwerkzaamheden en de analyseresultaten. De uitgevoerde veldwerkzaamheden en waarnemingen, de samenstelling van de mengmonsters en de grondwatergegevens worden beschreven in paragraaf 4.2. De resultaten van de chemische analyses worden weergegeven in paragraaf 4.3 en in paragraaf 4.4 worden de resultaten besproken. De resultaten van de asbestanalyses worden weergegeven in paragraaf 4.5 en besproken in paragraaf 4.6. Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn in februari 2023 uitgevoerd door Deze veldwerkers zijn conform BRL SIKB2000 gecertificeerd en erkend (certificaatnummer K44441/09) en geassisteerd door Erf Op 3 februari 2023 zijn, na maaiveldinspectie, in totaal 17 inspectiegaten tot maximaal 1.0 m-mv gegraven (handmatig met een schop: inspectiegaten 21 tot en met 38), waarvan 4 gaten zijn verdiept tot maximaal 2.0 m-mv (gat 21 tot en met 24). Eén diepe boring is afgewerkt met een peilbuis (PB 21). Weiland Er zijn op 3 februari 2023 in totaal 16 boringen verricht (gecodeerd als 41 tot en met 56), waarvan 4 boringen zijn verdiept tot circa 2.0 m-mv. Eén diepe boring is afgewerkt met een peilbuis (PB 41). Er zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen.
Deellocatie A: Voormalige bovengrondse dieseltank Er zijn op 3 februari 2023 in totaal 3 boringen tot maximaal 1.2 meter m-mv verricht, waarvan één boring is doorgezet tot 3.20 m-mv en is afgewerkt met een peilbuis (PB A1). Er is zintuiglijk geen minerale olie waargenomen in de grond of in het grondwater (geen oliegeur, geen olie/water-reactie). Deellocaties B, C en D: Druppelzones Op 3 februari 2023 zijn in totaal 9 inspectiegaten tot 0.5 m-mv in de druppelzones gegraven. Druppelzone D is tijdens het veldwerk aangetroffen en is aanvullend onderzocht Opgemerkt dient te worden dat het maaiveld, vanwege de aanwezigheid van de klinkers, asfalt, beton, zanddepot, opgeslagen puin op klinkerverharding, gras, bomen en struiken niet goed geïnspecteerd kon worden. Er is sprake van een indicatieve maaiveldinspectie. Eventuele kleine asbestverdachte fragmenten kunnen hierdoor niet zijn opgemerkt. De weersomstandigheden tijdens de inspectie waren goed (goed zicht, weinig neerslag). Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. De situering van de monsterpunten is weergegeven op de situatieschets van bijlage I. Tijdens de boorwerkzaamheden is de bodemopbouw beschreven en is de grond zintuiglijk beoordeeld op eventuele aanwezigheid van verontreinigingen. De boorbeschrijvingen zijn weergegeven in bijlage II.
De bodemopbouw bestaat globaal uit matig fijn, zwak siltig zand met plaatselijk sterk zandige leemlagen in de bovengrond. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn plaatselijk bodemvreemde materialen aangetroffen. Deze zijn in tabel 3 weergegeven. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen in de bodem. Kruse Milieu BV