8. Bijlage 2 VNG over Wijziging Huisvestingswet 2014 (664793).pdf
Tekst van het document
Tenslotte zijn definities opgenomen van begrippen die meermaals gebruikt worden, maar waar een begripsomschrijving ontbrak. Artikel I, onderdelen B, F en K Met deze onderdelen wordt een paragraaf aan het hoofdstuk inzake de huisvestingsvergunning toegevoegd die het hoofdstuk onderverdeeld in een deel met algemene bepalingen over de huisvestingsvergunningsplicht en de urgentieverklaring en meer specifieke bepalingen met betrekking tot de verhuur van woonruimte en de verkoop van nieuw te bouwen woonruimte. In de artikelen 6a en a13c is daarbij het toepassingsbereik van de paragrafen die specifieke bepalingen over de verhuur van woonruimte en de verkoop van nieuw te bouwen woonruimte bevatten beschreven. Artikel I, onderdelen C en D In artikel 7, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 staat dat de gemeente naast een huisvestingsvergunning voor huurwoningen ook een huisvestingsvergunning kan vereisen voor betaalbare nieuwbouw koopwoningen. Deze onderdelen wijzigen de artikelen 2 en 3 van de Huisvestingsverordening en regelen ook voor deze woningen de vergunningplicht. Artikel I, onderdeel E In dit onderdeel wordt opgenomen dat de inschrijfduur van een huurder in het inschrijfsysteem van woningzoekenden niet vervalt wanneer deze een zelfstandige woning huurt in een gebouw waarvoor een tijdelijke omgevingsvergunning is verleend.
Het gaat hier om een omgevingsvergunning in de zin van artikel 5.36, tweede lid, van de Omgevingswet die voor maximaal vijftien jaar is verleend (of die nog verleend is op grond van artikel 2.23a, eerste lid, van
Bijlage 2/5 bij VNG-ledenbrief, april 2024 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
27/30
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Op basis van artikel 11c van de Huisvestingswet 2014 moet dit een plaats krijgen in de Huisvestingsverordening. Artikel I, onderdelen G en J De Huisvestingswet 2014 geeft de gemeente de mogelijkheid om extra voorrang te verlenen aan woningzoekenden met een lokale binding die werkzaam zijn in een vitaal beroep (artikel 14, derde lid, Huisvestingswet 2014). Met deze onderdelen wordt van die mogelijkheid gebruik gemaakt en daarbij is ook invulling gegeven aan wat er onder een vitaal beroep wordt verstaan. Verder is artikel 12, de bepaling inzake de rangorde van woningzoekenden, hierop aangepast. Daarnaast is in artikel 12 verduidelijkt dat als de aanvrager van een huisvestingsvergunning niet voldoet aan het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 of het bepaalde in de Huisvestingsverordening, de aanvraag geweigerd moet worden. Artikel I, onderdelen H t/m L Met deze onderdelen worden de regels omtrent de urgentieverklaring gewijzigd. De urgentieverklaring is de beschikking tot indeling in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 13 van de Huisvestingswet 2014. Houders van een urgentieverklaring werden voorheen aangemerkt als de woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.
In een aantal bepalingen is de terminologie aangepast aan de hand van de omschrijving die nu in de Huisvestingswet 2014 opgenomen is. Tevens is het nieuwe artikel a13a een geconsolideerde versie van de vervallen artikelen 10 en 11. In artikel a13b is het oude artikel 9, tweede lid, uitgebreider geregeld, waarbij de urgentiecategorieën mantelzorg en uitstroomvoorziening uit artikel 12, derde lid, expliciet zijn opgenomen. Artikel 13c is aan de hand van de wijzigingen redactioneel aangepast. Artikel I, onderdeel K Met dit onderdeel worden de bepalingen omtrent de voorrangsregels betreffende de verkoop van nieuwbouwwoningen, voor zover deze in artikel 2 als vergunningplichtig zijn aangewezen, aan de Huisvestingsverordening toegevoegd. Hierbij zijn bepalingen in de verordening opgenomen die vergelijkbaar zijn met voorrangsregels betreffende de verhuur van woonruimte. Artikel a13d is het equivalent van artikel 6; artikel a13e van artikel 7; artikel a13f van artikel 8; artikel a13g van artikel 9 en artikel a13h van artikel 12. Artikel I, onderdelen M en P In artikel 21, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 is een nieuwe vergunningsgrondslag opgenomen. Voor het omzetten of omgezet houden van een onzelfstandige in een zelfstandige woonruimte is op grond van de wet nu ook een vergunning vereist. Deze vergunningsplicht is ook aan de Huisvestingsverordening toegevoegd.
Daarnaast is de grondslag voor de vergunningplicht uit onderdeel d, conform de gewijzigde Huisvestingswet 2014, gewijzigd in onderdeel e en gespecifieerd tot zelfstandige woonruimte in plaats van woonruimte. Artikel I, onderdeel N Met dit onderdeel wordt de werking van de vergunning in tijd beperkt. Artikel 21, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 geeft de gemeente de mogelijkheid deze beperking op te nemen in de Huisvestingsverordening. Dit rekening houdend met de terugverdientijd van de vergunning.
Bijlage 2/5 bij VNG-ledenbrief, april 2024 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
28/30
Artikel I, onderdelen O en Q Met de wijziging van de Huisvestingswet 2014 is het ook mogelijk om maatregelen te nemen om de woonruimtevoorraad te beheren in verband met het belang van het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving. Op basis van dit belang kan burgemeester en wethouders ook een vergunningplicht invoeren en daarmee ook een vergunning weigeren. Artikel I, onderdeel R In artikel 23c, vijfde lid, van de Huisvestingswet is een samenloopbepaling opgenomen met betrekking tot de aanvraag van een vergunning van voor het onttrekken van de woonruimte aan de bestemming en een vergunning voor toeristisch verhuur. Met dit onderdeel wordt dit verduidelijkt in de Huisvestingsverordening en dient het college van burgemeester en wethouders een aanvraag van een vergunning voor toeristisch verhuur mede aan te merken als een aanvraag voor het onttrekken van de woonruimte aan de bestemming, voor zover deze vergunning ook voor de toeristische verhuur vereist is. Artikel I, onderdeel S Met dit onderdeel worden de bepalingen in hoofdstuk 3b over opkoopbescherming redactioneel gewijzigd. Bij het begrip ‘verhuurvergunning opkoopbescherming’ vervalt de aanduiding “verhuur” en wordt daarmee als ‘vergunning opkoopbescherming’ aangemerkt.
Deze wijziging vindt plaats in verband met de terminologische verwarring die kan ontstaan met de verhuurvergunning die wordt verleend op basis van de Wet goed verhuurderschap. Artikel I, onderdelen T en V Met deze onderdelen wordt de definitie van wettelijke verleningsgrond in de Huisvestingsverordening opgenomen. Daarmee verwijst de Huisvestingsverordening naar de verleningsgronden uit artikel 41, derde lid, van de Huisvestingswet 2014. Op basis van deze gronden moet een vergunning opkoopbescherming in ieder geval verleend worden. Daarnaast geeft artikel 21n, tweede lid, invulling aan hetgeen in artikel 41, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014 is bepaald. In artikel 41, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014 is verduidelijkt dat een vergunning opkoopbescherming wordt afgegeven voor een bepaalde verhuuractiviteit. Indien een andere activiteit dan vergunde huur plaatsvindt, moet een nieuwe vergunning worden aangevraagd. Nu de wettelijke verleningsgronden zijn gekoppeld aan het gebruik door een bepaald persoon, is in artikel 21n, tweede lid, van de Huisvestingsverordening bepaald dat die persoon in de vergunning wordt genoemd en dat de vergunning vervalt zodra deze persoon niet degene is die in de beschermde woonruimte verblijft.
Artikel I, onderdelen U, V en W In artikel 41 van de Huisvestingswet 2014 is een grondslag opgenomen om voor het in gebruik geven of nemen van goedkope en middeldure koopwoningen een vergunning te verplichten. Dit is met deze onderdelen ook aan de Huisvestingsverordening toegevoegd. Voorts is in artikel 41, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, verduidelijkt dat ook woningen die op het moment van eigendomsoverdracht minder dan zes maanden in gebruik waren gegeven onder de opkoopbescherming vallen.
Bijlage 2/5 bij VNG-ledenbrief, april 2024 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
29/30
Daarnaast is in artikel 41, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 verduidelijkt dat de opkoopbescherming bedoeld is voor bestaande bouw, waarmee woonruimte die nog nooit eerder bewoond is geweest hier niet onder valt. Deze onderdelen brengen dat ook in de Huisvestingsverordening tot uitdrukking. Artikel I, onderdeel X Met dit onderdeel zijn de bedragen aangepast aan de hand van de wijzigingen van de bedragen van de categorieën in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht 2024. 1 Deze bedragen zijn geïndexeerd en gelden dus pas voor feiten die na 31 december 2023 zijn begaan. Voor feiten van vóór die datum gelden de oude maximale boetebedragen. Tevens is de Huisvestingsverordening met dit onderdeel zo gewijzigd dat digitale platforms ook beboet kunnen worden voor het niet gevolg geven aan een aanwijzing van de gemeente om een advertentie waarvoor een verhuurverbod geldt te verwijderen.
Besluit van 4 december 2023 tot wijziging van de bedragen van de categorieën, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht 2024. 1
Bijlage 2/5 bij VNG-ledenbrief, april 2024 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
30/30