6e SON Kaderbrief 2026.pdf
Tekst van het document
Kaderbrief 2026 Ontwikkelingen voor de begroting 2026 en Meerjarenraming 2027-2029 van de Stadsbank Oost Nederland November 2024
Inhoudsopgave
Inleiding ........................................................................................................................ 3 Zorgen weg, waarde terug. De Stadsbank en haar dienstverlening ....................................... 3 Ontwikkelingen ............................................................................................................. 4 Richtlijnen ................................................................................................................... 10 Bijlage......................................................................................................................... 14
2
Zorgen weg, waarde terug
Inleiding In deze Kaderbrief schetsen we de ontwikkelingen en richtlijnen voor de Primitieve begroting 2026 en Meerjarenraming 2027-2029 van Stadsbank Oost Nederland (SON). Jaarlijks stellen we conform de spelregels in de Gemeenschappelijke Regeling en het BBV een primitieve begroting en (meerjaren)begroting op. Voor de start van de begroting leggen we een aantal ontwikkelingen en richtlijnen vast, waarmee Stadsbank en gemeenten rekening (moeten) houden bij het uitvoeren van de schuldhulpverlening.
Zorgen weg, waarde terug. De Stadsbank en haar dienstverlening De Stadsbank is een bank van en voor mensen. We zijn een regionale bank zonder winstoogmerk, dat is onze unieke kracht. We gaan voor maatschappelijke waarde en beperken daarmee maatschappelijke kosten.
Uitvoering van wettelijke taken De GR Stadsbank Oost Nederland is vanuit verlengd lokaal bestuur een expertise- en uitvoeringsorganisatie voor de schuldhulpverlening voor 21 gemeenten in Twente en de Achterhoek. De Stadsbank draagt bij aan het realiseren van gemeentelijke doelen en wettelijke taken (op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Wgs). Gemeenten zijn op basis van de Wgs verantwoordelijk voor de gehele keten van schuldhulpverlening waarvan de Stadsbank een deel verzorgt als financieel specialist. We hebben de bevoegdheid, de medewerkers en kennis om door te pakken voor een leven zonder geldzorgen. De beleidsverantwoordelijkheid ligt bij gemeenten.
Onderdeel van een integrale aanpak Met de decentralisaties in het sociaal domein is een meer integrale aanpak van sociale problematiek ingezet. De aanpak van schuldenproblematiek maakt hier onderdeel van uit. Vaak zijn schulden de oorzaak of het gevolg van sociale problematiek. Armoede en schulden zijn belangrijke speerpunten van Rijk en gemeenten, onlosmakelijk met elkaar verbonden en hangen vaak samen met problemen op allerlei domeinen als mentale en fysieke gezondheid, veiligheid en huisvesting.
Stadsbank Oost Nederland – Kaderbrief
3
Een toekomstbestendige dienstverlening In 2022 hebben we samen met onze gemeenten een gezamenlijke, vernieuwde ambitie voor schuldhulpverlening neergezet. Om samen mensen met schulden nog beter en sneller te helpen. Met de Stadsbank als klant- en resultaatgerichte expertise organisatie in optimale verbinding met en faciliterend naar gemeenten en hun regie op het sociaal domein. Samen met gemeenten vergroten we daarmee de impact van de dienstverlening van de Stadsbank in het gemeentelijk sociaal domein en sluiten we aan bij ontwikkelingen in schuldhulpverlening.
Bekostiging Het bekostigingsmodel van de Stadsbank bestaat uit een deel vaste kosten (bestaanskosten) en een deel variabele kosten (dienstverlening) en is gebaseerd op solidariteit, gemeenschappelijkheid en flexibiliteit. De bestaanskosten gaan over de instandhouding van de Stadsbank en zijn niet direct gerelateerd aan de omvang van de dienstverlening. Pas bij grote fluctuaties of keuzes in dienstverlening volgen de bestaanskosten de variabele kosten. De variabele kosten zijn de kosten van onze dienstverlening. Het gaat hierbij om de klantreis, kennismaking en intake, inkomensbeheer en het regelen van schulden. Voor beschermingsbewind gelden landelijk vastgestelde LOVCK tarieven.
Ontwikkelingen Landelijke ontwikkelingen in schuldhulpverlening De schuldhulpverlening verkeert in een transitie. Waar voorheen uniformiteit, wetgeving en regels veelal centraal stonden, zien we nu meer preventie, maatwerk, werken vanuit vertrouwen en het uitbouwen van de financiële redzaamheid van inwoners. In de afgelopen jaren hebben we positieve ontwikkelingen gezien zoals de halvering van de aflossingsperiode en een stevige inzet op saneringskredieten en schuldenrust.1
1
Deze ontwikkelingen hebben een negatieve financiële impact op de bedrijfsvoering van de Stadsbank (denk aan een
lagere bemiddelingsvergoeding, een kortere renteperiode). Dit wordt altijd opgevangen binnen de begroting en bedrijfsvoering van de Stadsbank.
4
Zorgen weg, waarde terug
Er is meer aandacht gekomen van Rijk en gemeenten voor armoede, de menselijke maat en de impact van schulden. Met het nieuwe regeerprogramma en de kabinetsvisie en -plannen om problematische schulden terug te dringen wordt dit voortgezet. Het Ministerie van SZW, VNG, Divosa en NVVK hebben bestuurlijke afspraken gemaakt over de zogenoemde basisdienstverlening. De basisdienstverlening stelt hogere eisen aan schuldhulpverlening om het bereik en de kwaliteit te verhogen en wordt dwingend ingezet. Met de basisdienstverlening komen structureel extra middelen richting gemeenten (totaal € 40.000.000 jaarlijks).
Financiële begeleiding In de afgelopen periode hebben we met gemeenten verkend hoe we financiële begeleiding kunnen vormgeven, aanvullend op de bestaande schuldhulpverlening van de Stadsbank. Het versterken van financiële kennis en vaardigheden is wezenlijk voor een duurzaam resultaat en sluit aan bij de ervaringen in de klantreis, de ingezette klant- en resultaatgerichte dienstverlening van de Stadsbank en de invoering van de basisdienstverlening. Financiële begeleiding is één van de kernelementen van de basisdienstverlening. In 2025 gaan we deze dienstverlening aanbieden en (door)ontwikkelen in een pilot met een aantal gemeenten ondersteund door de VNG. Als de uitkomsten van de pilot positief zijn, volgt een voorstel voor brede implementatie in de dienstverlening en bekostiging van de Stadsbank.
Gemeentelijke bezuinigingsopgave Van gemeenten en gemeenschappelijke regelingen wordt aan de ene kant verlangd dat ze steeds meer taken oppakken en aan steeds meer wettelijke verplichtingen voldoen. Aan de andere kant schroeft het Rijk het beschikbare budget voor gemeenten terug. Gemeenten moeten daardoor waarschijnlijk scherpe keuzes maken voor 2026. Het budget voor de Stadsbank maakt onderdeel uit van een breder gemeentelijk budget schuldhulpverlening (onder meer voor gemeentelijke uitvoeringslasten en omliggende voorzieningen). Gemiddeld is de gemeentelijke bijdrage voor de Stadsbank ca. 60% van het breder budget. In hun zienswijze op de begroting voor 2025 heeft een aantal gemeenteraden ons gevraagd mee te denken in gemeentelijke keuzes die in de uitvoering van schuldhulpverlening gemaakt kunnen worden. Hieronder gaan we in op deze vraag door de mogelijkheden en gevolgen te schetsen in niveau van uitvoering, vrije beleidsruimte en financiën en bedrijfsvoering, zoals ook aangegeven in reactie op de binnen gekomen zienswijzen.
Stadsbank Oost Nederland – Kaderbrief
5
Niveau van uitvoering Algemeen Met de Strategische Agenda is samen met gemeenten gekozen voor een kwaliteitsimpuls op dienstverlening (klantreis), organisatie en financiering. Dit biedt een goede basis voor de verdere invulling van de basisdienstverlening, zoals hierboven omschreven. Scenario’s voor bijsturing hebben in onze standaarddienstverlening direct impact op de klant. Dat gaat over schulden, maar werkt door in andere leefgebieden. Hulpvragers hebben vaak problematiek op meerdere leefgebieden.
NVVK: Meetbare en merkbare waarde van financiële hulpverlening: een nieuw perspectief
Andersom geldt dat financiële hulpverlening inwoners op meer leefgebieden helpt dan alleen schulden. Door financiële hulpverlening krijgen inwoners perspectief en kunnen zij weer meedoen in de maatschappij. Neerwaarts bijsturen in de standaarddienstverlening is om twee hoofdredenen niet wenselijk: •
Dit leidt tot meer problematiek op andere leefgebieden en daarmee een uitzetting van kosten in andere domeinen;
•
Dit past niet binnen de nieuwe eisen die de basisdienstverlening stelt aan het niveau van uitvoering.
Lokale inbedding Afhankelijk van de lokale, gemeentelijke inbedding van schuldhulp is de dienstverlening aan de voorkant (de zogenoemde klantreis) van de Stadsbank verschillend vormgegeven. De klantreis kent drie samenwerkingsvormen (basis, hybride en ontzorging) waarbij de Stadsbank meer of
6
Zorgen weg, waarde terug
minder doet. Dit geeft gemeenten de mogelijkheid tot afschalen of opschalen. In de bijlage is weergegeven wat een afschaling betekent in relatie tot de kosten voor de Stadsbank.
Dit betekent echter dat bepaalde taken dan door de gemeente zelf moeten worden uitgevoerd, dienstverlening meer versnipperd raakt en het financiële effect wordt ingeperkt door extra gemeentelijke uitgaven. Dit geldt versterkt voor het afschalen van hybride naar basis in de samenwerking. De gemeente verricht dan zelf de intake en moet dit, naast de directe personele lasten, faciliteren op het gebied van kwaliteit, opleiding, kennis, kunde, training, werkplekken, laptops, applicaties, systemen en toegang tot tools. Een aantal gemeenten heeft dit ook onderzocht ten tijde van de oorspronkelijke keuze voor de best passende samenwerkingsvorm. De kosten van uitvoering door de gemeente zijn doorgaans structureel hoger dan uitvoering door de Stadsbank omdat schaalvoordelen verloren gaan.
Vrije beleidsruimte bij wettelijke taken Schuldhulpverlening is een wettelijke taak. De Stadsbank is een expertise- en uitvoeringsorganisatie en beleidskeuzes liggen bij gemeenten. De beleidsruimte bij wettelijke taken zit met name in de gemeentelijke vergoeding voor inwoners die een beroep doen op schuldhulpverlening en additionele dienstverlening.
Vergoedingen Gemeenten kunnen keuzes maken in beleid rondom het vergoeden van dienstverlening voor hun inwoners (het gaat dan veelal over budgetbeheer na afloop van een schuldregeling en beschermingsbewind). Dit betreft bijvoorbeeld het toepassen van vermogensgrenzen en drempelbedragen bijzondere bijstand. Dit ligt bij gemeenten en deze kosten zijn voor de Stadsbank niet inzichtelijk. Gemeenten kunnen ook keuzes maken in het vergoeden van een deel van de rente (bij sociale leningen). Dit gaat om het verschil tussen het reguliere rentetarief en een lager tarief op verzoek van gemeenten. Dit renteverschil vergoedt de gemeente. Als het gebruikelijke tarief wordt gehanteerd, levert dat de betreffende gemeenten een besparing op. De klant betaalt dan echter wel (weer) een hoger tarief. In de bijlage is weergegeven welke gemeenten een lager rentetarief financieren en de kosten die hiermee gemoeid zijn.
Stadsbank Oost Nederland – Kaderbrief
7
De Stadsbank verzorgt voor een aantal gemeenten dienstverlening op maat, de zogenoemde additionele dienstverlening. Voor meerdere gemeenten zijn dit: budgetzorg als bijzondere vorm van budgetbeheer voor een groot aantal gemeenten, inloopspreekuren en maatwerk op locatie (gemeenten Lochem, Montferland, Oldenzaal, Oude IJsselstreek en Twenterand) en het financieel ontzorgen van inburgeraars (gemeenten Dinkelland, Enschede, Hellendoorn, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten en Tubbergen). Zie de bijlage voor een overzicht van de dienstverlening en de kosten hiervan. Daarnaast wordt voor een enkele gemeente vroegsignalering verzorgd (gemeente Oldenzaal), specifieke inzet op jongeren en schulden (gemeente Enschede en Oldenzaal) en inzet in de wijkketens (Enschede).
Het beperken of niet langer verrichten van additionele dienstverlening is mogelijk maar de verwachting is dat dit tot meer problematiek op andere leefgebieden leidt c.q. tot meerkosten in de organisatie van de gemeente of in het omliggend veld.
Publieke uitvoering beschermingsbewind Beschermingsbewind is een bijzondere vorm van inkomensbeheer dat de Stadsbank verzorgt met een genormeerde omvang van 1100 klanten. Beschermingsbewind is het behartigen van de financiële belangen van mensen die dat door een beperking (tijdelijk) zelf niet kunnen of die problematische schulden hebben. De rechter stelt beschermingsbewind in en houdt toezicht op de uitvoering. Beschermingsbewind wordt ook aangeboden door de markt. Het is strikt genomen geen wettelijke taak die publieke uitvoering vereist. Vanwege de verbinding met schuldhulpverlening, toegankelijkheid voor de meest kwetsbare doelgroep en de mogelijkheid van publieke sturing is in het verleden expliciet gekozen voor publieke uitvoering door de Stadsbank. Bewind is onderdeel van de gemeenschappelijke basis zoals vastgelegd in de GR.
Voor bewindvoering gelden landelijke, vaste tarieven. Deze stegen met name de afgelopen jaren onvoldoende mee met de stijgende kosten en de complexiteit van de dienstverlening. Dit zet het bereik en het niveau van dienstverlening in Nederland onder druk. 40% van de bewindvoeringsorganisaties is gestopt met nieuwe schuldenbewinden en heeft de dienstverlening versoberd. Vanwege haar doelstelling en publieke taak doet de Stadsbank dit niet en wordt dit vooralsnog opgevangen binnen onze totale begroting. Op landelijk niveau pleiten de brancheorganisaties voor het verhogen van de tarieven en is onderzoek aangekondigd naar de toekomst van schuldenbewind. In elk geval tot daar meer
8
Zorgen weg, waarde terug
duidelijkheid over is, is het onwenselijk om de publieke uitvoering van bewind te wijzigen. De toegang is dan onvoldoende geborgd en versnippering van dienstverlening ontstaat. Overigens wordt wel samengewerkt met de markt in specifieke klantsituaties en voor inwoners met een bewindvoerder anders dan de Stadsbank, waarvoor wij schulden regelen.
Bedrijfsvoering De Stadsbank voert haar huidige taken zo effectief en efficiënt mogelijk uit. Met het bestaande financiële kader varen we scherp aan de wind. Desondanks gaan we in 2025 onderzoeken of en welke besparing hierop nog mogelijk en verantwoord is en of hiermee een kostenbesparing of een kwaliteitsverbetering gerealiseerd kan worden. Om enige indicatie te geven van de mogelijke omvang (waarbij zowel percentage als bedrag nadrukkelijk indicatief zijn): 5% van de loonsom bedrijfsvoering en overhead is € 300.000.
Weerstandsratio Met de nota Reserves en voorzieningen 2024 zoals vastgesteld door het Algemeen Bestuur in november 2023 zijn de vernieuwde afspraken vastgelegd over de benodigde weerstandscapaciteit. Hierbij zijn door de invoering van het nieuwe bekostigingsmodel ook bepaalde risico’s verlaagd.
De Algemene Reserve vervult voor de Stadsbank de functie van beschikbare weerstandscapaciteit (bufferfunctie) en de financierings- en bestedingsfunctie voor incidentele uitgaven. De weerstandsratio (verhouding tussen het aanwezige en benodigde weerstandsvermogen) dient minimaal de kwalificatie “voldoende” (ratio tussen 1,0-1,4) te hebben, waarbij een tijdelijke beweging van twee jaar onder de ondergrens kwalificatie “matig” (ratio tussen 0,8-1,0) acceptabel is, mits er daarna zicht op herstel is richting “voldoende’. Aan de andere kant is een kwalificatie “ruim voldoende” (ratio tussen de 1,4-2,0) voor een periode van twee jaar acceptabel, mits de ratio daarna weer terugvalt naar kwalificatie “voldoende”.
Overwogen kan worden om vanaf het begrotingsjaar 2026 de bovengrens van de weerstandsratio te verlagen binnen de kwalificatie “voldoende” (tussen 1,0-1,4), met een minimaal aan te houden weerstandsratio van 1,0 (= ondergrens). Door de bovengrens structureel te verlagen kan in het begrotingsjaar 2026 incidenteel ruimte worden gecreëerd om middelen terug te laten vloeien naar de deelnemende gemeenten. Dit betekent dat bij incidentele tegenvallers de ondergrens met
Stadsbank Oost Nederland – Kaderbrief
9
kwalificatie ‘matig’ (tussen 0,8-1,0) sneller bereikt wordt. Dit brengt voor gemeenten meer mogelijke fluctuaties in de bijdrage met zich mee.
Richtlijnen Jaarlijks doen de deelnemende gemeenten in de Gemeenschappelijke Regeling SON een voorstel voor de mee te nemen loon- en prijsontwikkeling in de primitieve begroting en meerjarenraming. Dit wordt verwerkt in de Primitieve begroting 2026 en Meerjarenraming 2027-2029 (hierna te noemen: Richtlijnen). SON hanteert hierbij de gebruikelijke systematiek, die ook de afgelopen jaren is gevolgd, rekening houdend met het door het Algemeen Bestuur vastgestelde bekostigingsmodel. De Richtlijnen gaan met name over de uniformiteit in de loon- en prijsmutaties voor de gemeenschappelijke regelingen. Voor de loon- en prijsmutaties gelden de prijs netto materiële overheidsconsumptie (imoc) en de loonvoet sector overheid van de Macro Economische Verkenning (MEV), opgesteld door van het Centraal Plan Bureau (CPB). Deze cijfers worden hieronder nader toegelicht. BASIS VOOR HET OPSTELLEN VAN DE BEGROTING 2026-2029 De primaire diensten betreffen directe kosten die worden doorberekend als kostprijs per dienst. De materiele kosten en ondersteunde diensten worden als indirecte kosten middels de jaarlijkse bestaansbijdrage (bestaanskosten) voldaan. In het bekostigingsmodel is de totale bijdrage van de gemeenten in feite een optelsom van een bijdrage in de bestaanskosten (vaste kosten) en een bijdrage per dienstafname of beschikbaarheid (variabel deel).
De klantreis wordt op basis van de gemeentelijke pakketkeuze en bijbehorende personele inzet (gewenste beschikbaarheid) berekend. Additionele afspraken worden opgenomen in de begroting 2026-2029 als er afspraken zijn gemaakt voor deze periode. Het bekostigingsmodel, de Primaire begroting 2025, de Jaarrekening 2024 en de Richtlijnen vormen gezamenlijk de leidraad voor de begroting 2026-2029.
10
Zorgen weg, waarde terug
LOON- EN PRIJSMUTATIES Loonmutaties De vastgestelde cao voor gemeenten (werkgeversorganisatie VNG) en gemeenschappelijke regelingen (werkgeversorganisatie WSGO) met een looptijd van 1 januari 2024 - 31 maart 2025 is van toepassing. Er is nog geen principeakkoord voor de rest van 2025 en 2026. Uitgangspunt voor de opstelling van de Primitieve begroting 2026 is de actuele salarisstaat inclusief sociale lasten op basis van personele formatie tegen actuele loonkosten op 31-12-2024, geëxtrapoleerd op jaarbasis. Bij de opstelling van de Primitieve begroting 2026 (in de periode februari - maart 2025) kunnen we een betrouwbare inschatting maken hoe het salarishuis er op 3112-2024 uit ziet.
Van januari 2025 tot april 2025 is er geen loonkostentoename (op basis van de huidige cao). Daarna staan de onderhandelingen voor een nieuwe cao weer open. Bij de berekeningen voor de kaders 2025 vanaf dat moment zijn de Cmev-cijfers van toepassing. We negeren de eerste 3 maanden en nemen voor het hele jaar 2025 de Cmev-index voor 2025. Die geeft immers een toename voor een geheel jaar weer. Voor 2026 t/m 2028 gaan we uit van de “Verzamelde-bijlagen-Mev202517september”. Dit CBS-bestand geeft cijfers t/m 2028. Voor het jaar 2029 hanteren we de index van 2028. Salarisstaat Jaar
% Verhoging
2025 2026 Totaal
4,70% 2,10% 6,80%
Aangezien de actuele loonkosten op 31-12-2024 als uitgangspunt voor de berekening worden genomen, is nog geen rekening gehouden met de verhoging van 5,3%, zoals opgenomen in de begroting 2025. Daarom nemen we ten opzichte van de salarisstaat van 31-12-2024 voor 2025 volledig 4,7% mee en passen hierop geen correctie toe. Voor 2026 geldt een index van 2,10% , samen wordt dit 6,8%. De loonindex voor 2027 bedraagt 4,9%, voor 2028 4,3% en voor 2029 4,3%.
Toekenning van periodieken wordt als uitgangspunt meegenomen als ze zeker zijn. Formatieontwikkelingen worden afzonderlijk zichtbaar gemaakt in de Kaderbrief en Primitieve begroting
Stadsbank Oost Nederland – Kaderbrief
11
2026. Voor vacatures worden de salariskosten van het maximum van de functieschaal gehanteerd min twee periodieken.
Indien van toepassing en in te schatten wordt er een neerwaartse correctie op de loonkosten opgenomen voor vacatures die naar alle waarschijnlijkheid nog niet ingevuld kunnen worden (als gevolg van de krapte op de arbeidsmarkt of uitstel van de start van taken of projecten). Hierbij wordt niet naar de afzonderlijke vacatures gekeken, maar naar het totaal van vacatures in relatie tot de ervaring van niet kunnen invullen in de laatste 2 jaren.
Prijsmutaties Voor de prijsmutaties nemen we de prijsontwikkeling zoals het CPB deze per september 2024 volgens bij de macro-economische verkenningen (MEV) onder “Prijs materiële overheidsconsumptie” (Imoc) publiceert als uitgangspunt. Het CBS stelt deze werkelijke inflatoire effecten achteraf nog bij. Deze bijstelling hebben we nog niet in onze prijsontwikkeling verwerkt als we uitgaan van het prijspeil van de vorige begroting. Daarom worden de correcties over deze 3 jaren alsnog meegenomen voor de bepaling van de totale prijsontwikkeling voor het begrotingsjaar 2026. Dit leidt tot een prijsstijging ten opzichte van de begroting 2025 van 4,9%.
Jaar
% al verwerkt
% MEV-2025
2026 wordt
2023 2024 2025 2026 Inflatiecorrectie 2026
4,80% 3,50% 2,00%
5,80% 4,50% 2,70% 2,20%
1,00% 1,00% 0,70% 2,20% 4,90%
Voor de meerjarenraming 2027-2029 gaan we uit van een jaarlijkse prijsstijging van 2,2%, waarbij we de prijsontwikkeling volgens de MEV 2025 doortrekken.
INDEXERING TARIEVEN EN BESTAANSKOSTEN OP BASIS VAN DE LOON- EN PRIJSMUTATIES De tarieven zijn berekend volgens het vastgestelde bekostigingsmodel op basis van de beschrijving van de standaard dienstverlening en bijbehorende werkprocessen. De klantreis wordt op basis van de gemeentelijke pakketkeuze en bijbehorende personele inzet (gewenste beschikbaarheid) berekend. De kosten van de standaarddienstverlening en de klantreis bestaan volledig uit een personeelscomponent die dan geïndexeerd wordt conform de ontwikkelingen loonmutaties.
12
Zorgen weg, waarde terug
De bestaanskosten betreffen zowel een loon- als een materiële component. De indexering voor het jaar 2026 en voor de periode 2027-2029 wordt in de onderstaande tabel weergegeven ten opzichte van de begroting 2025. Indexering bestaanskosten Loonkostencomponent Materiële kosten Indexering
Aandeel
2026
2027
2028
2029
45% 55% 100%
2,1% 4,9% 3,6%
4,9% 2,2% 3,4%
4,3% 2,2% 3,1%
4,3% 2,2% 3,1%
VERVANGINGSINVESTERINGEN De vrijval als gevolg van de kapitaaluitgaven die in de begroting zijn afgeschreven, wordt in de basis als dekking ingezet voor toekomstige vervangingsinvesteringen. De vervangingsinvesteringen op installaties en gebouwen vinden plaats conform het Meerjarig Onderhoudsbeheersplan.
Stadsbank Oost Nederland – Kaderbrief
13
Bijlage Onderstaande bedragen zijn indicatief en een momentopname. Deze zijn berekend op basis van de omvang in de primitieve begroting 2025 (samenwerking gemeente en Stadsbank in de klantreis), huidige stand van zaken (vrije beleidsruimte bij wettelijke taken) of ingeschat (inclusief indexering) voor 2026. Samenwerking gemeente en Stadsbank in de klantreis Gemeente
Almelo Berkelland Borne Bronckhorst Dinkelland Enschede Haaksbergen Hellendoorn Hengelo Hof v. Twente Lochem Losser Montferland Oldenzaal Oost Gelre O. IJsselstreek Rijssen-Holten Tubbergen Twenterand Wierden Winterswijk Totaal
14
Huidige samenwerking
Hybride Hybride Hybride Hybride Hybride Ontzorging Hybride Hybride Basis Ontzorging Hybride Hybride Hybride Ontzorging Hybride Basis Basis Hybride Hybride Hybride Hybride
Pakketkeuze 1 niveau lager dan klantreis Basis Basis Basis Basis Basis Hybride Basis Basis Basis Hybride Basis Basis Basis Hybride Basis Basis Basis Basis Basis Basis Basis
Bijdrage pakketkeuze
Bijdrage bij afschalen -1
Verschil
(naar basis of hybride)
175.605 35.121 14.048 21.073 14.048 484.670 14.048 21.073 26.895 56.194 28.097 21.073 42.145 35.121 21.073 20.170 13.447 14.048 21.073 14.048 42.145 1.135.212
33.617 13.447 13.447 13.447 13.447 280.968 13.447 13.447 26.895 42.145 13.447 13.447 13.447 21.073 13.447 20.170 13.447 13.447 13.447 13.447 13.447 626.569
-141.987 -21.674 -601 -7.626 -601 -203.702 -601 -7.626 0 -14.048 -14.650 -7.626 -28.698 -14.048 -7.626 0 0 -601 -7.626 -601 -28.698 -508.643
Zorgen weg, waarde terug
Vrije beleidsruimte bij wettelijke taken Te betalen vergoeding gemeenten renteverschil sociale lening (saldo per 30-09-2024) Gemeente
Bedrag
Almelo Berkelland Bronckhorst Haaksbergen Hellendoorn Lochem Oost Gelre Oude IJsselstreek Rijssen-Holten Tubbergen Totaal
19.469,54 16.605,58 4.488,04 6.974,44 445,74 0 8.600,04 9.448,35 6.594,08 0 72.625,81
Additionele dienstverlening/budgetzorg Gemeente
Berkelland Borne Bronckhorst Dinkelland Enschede Haaksbergen Hellendoorn Hof van Twente Losser Montferland Oldenzaal Oost Gelre Oude IJsselstreek Rijssen-Holten Tubbergen Twenterand Winterswijk
Stadsbank Oost Nederland – Kaderbrief
Besparing indien dienstverlening niet wordt afgenomen 15.675 5.871 12.725 16.051 172.367 6.652 3.528 10.180 12.928 14.692 13.708 18.220 16.659 1.764 6.652 14.894 28.505
Besparing indien regulier BBR wordt vergoed 10.361 4.542 9.404 12.065 119.230 5.323 2.200 7.523 8.942 10.042 9.723 12.242 10.681 1.100 5.323 9.581 18.542
15
Additionele dienstverlening / dienstverlening op locatie Gemeente
Dienstverlening op locatie
Lochem Montferland Oldenzaal Oude IJsselstreek Twenterand
15.149 4.393 11.362 11.362 89.073
Additionele dienstverlening / financieel ontzorgen Gemeente
Financieel ontzorgen
Dinkelland Hellendoorn Losser Oldenzaal Rijssen – Holten Tubbergen
40.786 54.420 35.309 20.393 25.870 32.629
16
Zorgen weg, waarde terug