CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

613176 bestemmingsplan Diepenheim, herziening Lindelaan 4.pdf

Gemeenteraad 5 maart 2024, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 8: Vaststellen bestemmingsplan Lindelaan 4, Diepenheim26.463 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

vastgesteld

31

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

5.4.2.1

Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de kaart zijn meerdere risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde inzichtelijk gemaakt.

5.4.2.2

Beoordeling Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

5.4.3

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en

32

vastgesteld

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als 'gemend gebied'. Bij 'gemengde gebieden' moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen k omen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.

Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Hoewel het plangebied in hoofdzaak is omgeven door woningen is op korte afstand bedrijvigheid aanwezig. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een verhoogde milieubelasting. Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype “gemengd gebied” en zijn kleinere richtafstanden te rechtvaardigen.

vastgesteld

33

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1

Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Ten aanzien van de beoogde woningen is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

5.5.3.3

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of nieuwe functies de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. In dit geval worden de woningen binnen het plangebied aangemerkt als nieuwe milieugevoelige functies. Aan de Goorseweg 33-33a en 35 is een autogarage met showroom aanwezig. Een dergelijk bedrijf is op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' aangemerkt als milieucategorie 2 bedrijf. Dit is tevens de maximaal toegestane categorie die het geldend bestemmingsplan "Diepenheim" ter plaatse toelaat. Voor milieucategorie 2 bedrijvigheid geldt een grootste richtafstand van 10 meter, uitgaand van een 'gemengd gebied'. Het plangebied ligt op circa 16 meter van het betreffende bedrijfsperceel. Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan de geldende grootste richtafstand en dat hiermee ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende milieubelastend functies niet (verder) belemmerd in de ontwikkelmogelijkheden. Temeer omdat bestaande woningen van derden dichter op de omliggende milieubelastende functies liggen en hiermee maatgevend zijn voor de ontwikkelmogelijkheden.

5.5.4

Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

34

vastgesteld

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

5.6

Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

5.6.1

Gebiedsbescherming

5.6.1.1

Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ.

5.6.1.1.1

Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Borkeld' ligt op circa 7,9 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden.

Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting. Naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek, en de daarbij behorende berekeningen, kan worden geconcludeerd dat voor de aanlegfase en de nieuwe gebruiksfase de grenswaarde van de stikstofdepositie op natuurgebieden van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Dit houdt in dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect stikstof voor de aanlegfase en de nieuwe gebruiksfase. Er is geen vergunning ten aanzien van de Wet natuurbescherming nodig.

vastgesteld

35

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

5.6.1.2

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

5.6.1.2.1

Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 110 meter afstand van het plangebied. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

5.6.2

Soortenbescherming

5.6.2.1

Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.

5.6.2.2

Situatie plangebied In dit geval is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten. Het plangebied is onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten in het plangebied. In het plangebied is bebouwing aanwezig in de vorm van een stationsgebouw. Zoals eerder beschreven zijn de opstallen opgetrokken uit bakstenen muren (met spouwmuren) en gedekt met gedeeltelijk dakpannen. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat de het pannendak is voorzien van dakbeschot. Het pannendak is vrij van holten, en heeft gemetselde nokvorsten. Het dak is toegankelijk via de dakgoot voor de huismus om onder de pannen te broeden. In potentie zou het dak dus een nest- of verblijfplaats kunnen zijn van de huismus. Het habitat in de omgeving (tuinen en erven) is ook geschikt voor de huismus door de aanwezigheid van (groenblijvende) struiken, straatgras, zandbaden en water. De ontwikkeling betreft echter niet het dak van het hoofdgebouw en heeft derhalve geen invloed op de nestplaatsen van de huismus. De gierzwaluw maakt ook gebruik van menselijke bebouwing als nestplaats.

Deze 90dagenvogel broedt veelal onder dakpannen. Een aantal voorwaarden stelt de gierzwaluw aan zijn nestplaats (kolonie) zijn: een potentiële nestplaats is vrijwel nooit onder de 3 meter te vinden in verband met het aan- en afvliegen en doorgaans ook niet in de onmiddellijke omgeving van bomen. Gierzwaluwen hebben invliegopeningen nodig van ca 55 x 20 mm. Het is niet aannemelijk dat de gierzwaluw broedt in de aanwezige opstallen omdat de voorwaarden niet aanwezig zijn die een gierzwaluw aan zijn verblijfplaats stelt. Het dak is voor de gierzwaluw via de, voor de gierzwaluw belemmerende, dakgoot niet toegankelijk. Van de vogels uit categorie 5 kunnen in de omgeving worden verwacht: vink (Fringillidae), pimpelmees (Cyanistes caeruleus), koolmees (Parus major), ekster (Pica

36

vastgesteld

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

pica) kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus), en spreeuw (Sturnus vulgaris). Wat betreft de spreeuw kan er buiten het broedseizoen worden geveld omdat dit soort een soort is dat makkelijk uitwijkt naar alternatieve verblijfplaatsen (doorgaansgebouwen). Hiernaast kunnen binnen het plangebied zangvogels aanwezig zijn die in tuinen en landelijk gebied broeden zoals de merel (Turdus merula), heggenmus (Prunella modularis) en winterkoning (Troglodytes troglodytes) en overige vogels die broeden in gebouwen onder bijvoorbeeld dakpannen, zoals de kauw (Coloeus monedula). Sporen van uilen, zoals braakballen en meststrepen zijn niet gevonden. In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Spechten of holtebroeders zullen niet verstoord worden. Weliswaar dat de begroeiing nabij de planlocatie geschikt is als nestgelegenheid voor algemene soorten, kan vastgesteld worden dat in de bomen nabij de planlocatie geen jaarrond beschermde nesten zijn waargenomen. Er geen sporen aangetroffen van uilen of roofvogels die duiden op het gebruik van de opstallen als verblijfplaatsen en het omliggende terrein als foerageergebied (o.a. braakballen, prooiresten, geplukte vogels, zitplaatsen met uitwerpselen/krijtsporen). Het voorkomen van vogels zoals genoemd in de verdragen van Bonn en Bern kan niet worden uitgesloten.

Deze soorten vallen zowel onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn als het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Voor deze soorten geldt dat ze niet opzettelijk mogen worden verstoord, ongeacht hun staat van instandhouding. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen. Nesten, horsten en holten zijn niet aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat te aanzien van soortenbescherming geen nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.6.3

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1

Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.

vastgesteld

37

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2

Situatie plangebied De gemeente Hof van Twente heeft archeologiebeleid vastgelegd in een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hof van Twente opgenomen. Hierin is het plangebied indicatief aangegeven met een blauwe omlijning. Zoals te zien geldt ter plaatse van het plangebied een lage archeologische verwachting. Gelet op het beieldsadvies wat hoort bij een lage archeologisch verwachting, wordt in het kader van voorgenomen ontwikkeling geen archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Dit omdat de in het beleidsadvies opgenomen grens niet wordt overschreden. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Afbeelding 5.3: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: gemeente Hof van Twente)

38

vastgesteld

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1

Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

5.7.2.2

Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijksmonumenten. Wel betreft het stationsgebouw aan de Lindelaan 4 een gemeentelijk monument. Met voorgenomen ontwikkeling wordt het stationsgebouw getransformeerd naar een locatie voor drie woningen. Het uitgangspunt is dat de monumentale waarde van het stationsgebouw behouden blijft. Dit houdt onder andere in dat de uitwendige vorm van het gebouw en de karakteristieke elementen behouden blijven. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is, vanwege de monumentale status van het stationsgebouw, advies ingewonnen bij de erfgoedcommissie. De Erfgoedcommissie heeft het (voorlopige) (bouw)plan doorgenomen en kan zich op hoofdlijn vinden in het bouwplan. De inpassing van de woningen in het stationsgebouw en het bijgebouw is op een verantwoorde manier gedaan. De Erfgoedcommissie adviseert het volgende: op dit moment is voldoende inzichtelijk gemaakt dat het splitsen van het pand in drie woningen voldoende rekening is (of kan worden) gehouden met de monumentale waarde van het complex. De commissie ziet hiermee voldoende aanknopingspunten om het plan verder uit te werken. Daarnaast is de commissie zich bewust dat bijvoorbeeld de constructieve en brandveiligheidseisen en de installatietechnische en duurzaamheidswensen vermoedelijk nog een effect hebben op de monumentwaarden.

Op dit moment is de impact van deze aspecten nog niet inzichtelijk. Als voorwaarde bij de nadere uitwerking ter voorbereiding op de uiteindelijke omgevingsvergunningsaanvraag zal onder andere een ingrepen-document opgesteld moeten worden. Hierin kan aangegeven worden op welke onderdelen er door het treffen van bijvoorbeeld bouwkundige of constructieve maatregelen, ingrepen gedaan moeten worden aan monumentale onderdelen. Daarnaast geeft de commissie mee dat er bij de uiteindelijke aanvraag veel aandacht gevraagd worden voor de detaillering. Daarnaast hebben wij het bouwplan doorgestuurd naar de stadsbouwmeester. De stadsbouwmeester zal het bouwplan hierbij toetsen aan de redelijke eisen van welstand. Wij zullen informeren over de uitkomsten van dit overleg. Met inachtneming van het advies van de Erfgoedcommissie wordt geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

5.7.3

Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

vastgesteld

39

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1

Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Borkeld' ligt op circa 7,9 kilometer afstand van het plangebied. Zoals in paragraaf 5.6.1.1 en Bijlage 3 (stikstofonderzoek) van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

40

vastgesteld

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

5.8.2.2

Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemming waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake kan zijn van een m.e.r.-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling van vijf woningen op de locatie aan de Lindelaan 4 in Diepenheim sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a.

ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van vijf grondgebonden woningen binnen de bebouwde kom van de kern Diepenheim. Op de schaal van Diepenheim is hiermee qua aard en omvang sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Daarbij neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling niet onevenredig toe en voegt de ontwikkeling zich goed in de omgeving waar voornamelijk sprake is van een woonfunctie. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..

5.8.3

Conclusie Voorliggend plan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

vastgesteld

41

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

Hoofdstuk 6 6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

Wateraspecten

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet.

6.1.3

Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

6.1.4

Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het Waterschap heeft de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staan de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat; de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

42

vastgesteld

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

6.1.5

Waterplan Hof van Twente Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten: Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort. Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.

Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2.2

Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'korte procedure' van toepassing is. Dit houdt in dat direct door kan worden gegaan met planvorming. Het volledige watertoetsresultaat is opgenomen als Bijlage 5 bij deze plantoelichting. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. Het plan ziet niet toe op een toename van het verhardvloeroppervlak. Het regenwater zal worden afgekoppeld en wordt geïnfiltreerd in de bodem. De tuinen en parkeerplaatsen bieden hier voldoende ruimte/mogelijkheden voor. Huishoudelijk afvalwater wordt van het perceel afgevoerd via het gemeentelijk rioleringssysteem.

vastgesteld

43

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

Het aspect water vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

44

vastgesteld

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planopzet

Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

7.2

Opbouw van de regels

7.2.1

Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Dit bestemmingplan is opgesteld conform de normen van de SVBP 2012 (Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012). De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.

7.2.2

Inleidende regels

7.2.2.1

Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

7.2.2.2

Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt de digitale verbeelding.

vastgesteld

45

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

7.2.3

Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in onder andere: Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd. Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd.

7.2.4

Algemene regels Anti-dubbeltelregel (Artikel 4): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels (Artikel 5): in de algemene bouwregels is opgenomen dat de bestaande maatvoering van gebouwen in afwijking van de regels geldt als minimale of maximale maatvoering; Algemene gebruiksregels (Artikel 6): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming; Algemene afwijkingsregels (Artikel 7): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Overige regels (Artikel 8): in dit artikel zijn regels in verband met parkeren opgenomen.

7.2.5

Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouwen gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Qua systematiek is aangesloten bij de bestemmingsplan "Diepenheim" (vastgesteld op

46

vastgesteld

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

10 mei 2016). Artikel 3 Woongebied Ter plaatse van de beoogde woningen en de bijbehorende gronden is de bestemming 'Woongebied' toegekend. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor het wonen. De gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak. De maximale goot- en bouwhoogte zijn aangeduid op de verbeelding door middel van maatvoeringsaanduidingen. Het maximale bebouwingspercentage van het erf is aangegeven door middel van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)'. Verder dient ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' de uitwendige hoofdvorm behouden blijven.

vastgesteld

47

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

Hoofdstuk 8

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Hof van Twente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

48

vastgesteld

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

Hoofdstuk 9

Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2

Provincie Overijssel Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en er sprake is van een ontwikkeling dat in overeenstemming is met het provinciaal beleid, wordt vooroverleg met de provincie Overijssel niet noodzakelijk geacht.

9.1.3

Waterschap Vechtstromen Het waterschap is geïnformeerd door middel van de digitale watertoets. Verwezen wordt naar de waterparagraaf zoals opgenomen in subparagraaf 6.2.2 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘water’ geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

9.2

Inspraak Initiatiefnemer heeft bij de aankoop van het pand zijn plan gepresenteerd aan de Diepenheimse Schutterij, zij hebben hier unaniem mee ingestemd. Vervolgens heeft er op 12 juli 2023 een inloopavond omtrent de voorgenomen ontwikkeling plaatsgevonden. Hierbij zijn direct omwonenden en overige belanghebbenden uitgenodigd. De aanwezigen zijn enthousiast over de beoogde ontwikkeling. Rondom de ter inzage legging van het bestemmingsplan zal daarnaast het plan worden gepresenteerd aan de Stadsraad van Diepenheim.

9.3

Zienswijzen Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen.

vastgesteld

49

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

50

vastgesteld

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

Bijlagen toelichting

vastgesteld

51

Diepenheim, herziening Lindelaan 4

Bijlage 1 Bodemonderzoek

52

vastgesteld

Oostzeestraat 2, 7411 MD Deventer

Verkennend bodemonderzoek Lindelaan 4 te Diepenheim Diepenheim, sectie B, nr. 3081

Opdrachtgever De Diepenheimse Schutterij De heer N. Haan Lindelaan 4 7478 BH DIEPENHEIM Projectnummer

Autorisatie

BO722DI02

Redactie: dhr. G.J. Pijpker

Bodemportaal B.V.

paraaf

Datum

status

15 augustus 2022

Definitief

BO722DI01 Lindelaan 4 te Diepenheim

INHOUDSOPGAVE: 1

INLEIDING

3

1.1

Voorwaarden en uitgangspunten

3

1.2

Indeling rapportage

3

2

VOORONDERZOEK

4

2.1

Algemeen

4

2.2

Bekende gegevens

4

2.3

Conclusies vooronderzoek en onderzoekshypothese

5

3

UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN

7

3.1

Algemeen

7

3.2

Veldwerkzaamheden

7

3.3

Chemisch-analytisch onderzoek

8

3.4

Toetsingskader

8

4

RESULTATEN

10

4.1

Zintuiglijke waarnemingen

10

4.2

Analyseresultaten grond standaard parameters

10

4.3

Analyseresultaten asbest in grond

11

4.5

Analyseresultaten grondwater

11

4.6

Toetsing hypothese

12

5

CONCLUSIES EN ADVIES

13

BIJLAGEN: 1.

Regionale ligging onderzoekslocatie

2.

Overzicht locatie met situering monsternamepunten

3.

Boorprofielen en peilbuisgegevens

4.

Analysecertificaten

5.

Toetsing analyseresultaten

6.

Resultaten historisch onderzoek

7.

Topografische kaarten (diverse jaartallen)

8.

Bodemopbouw dinoloket

Project

: Lindelaan 4 te Diepenheim

Projectnummer

: BO722DI01 2 van 14

1

INLEIDING In opdracht van De Diepenheimse Schutterij is door Bodemportaal B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Lindelaan 4 te Diepenheim. De aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek is de voorgenomen verkoop van het perceel. Het onderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse, teneinde vast te kunnen stellen of deze al dan niet een belemmering vormt voor de voorgenomen transactie.

1.1

Voorwaarden en uitgangspunten Bij een verkennend bodemonderzoek dienen de volgende normen te worden gevolgd. -

Voorafgaand aan het bodemonderzoek dient een vooronderzoek conform de richtlijnen in de Nederlandse Eind Norm (NEN) 5725 (2017): “Bodem, leidraad voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek” te worden verricht.

-

Het verkennend bodemonderzoek dient te voldoen aan de richtlijnen in de Nederlandse Eind Norm (NEN) 5740+A1 2016: “Bodem, onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek”.

Volledigheidshalve merken wij op dat Bodemportaal B.V. een onafhankelijk opererend adviesbureau is, welke op generlei wijze is verbonden met de opdrachtgever voor het onderzoek of de eigenaar van de onderzoekslocatie.

1.2

Indeling rapportage In het onderhavige rapport wordt eerst ingegaan op de locatiegegevens en het vooronderzoek. Vervolgens komen de veldwerkgegevens, het laboratoriumonderzoek en de analyseresultaten aan bod. De rapportage wordt afgesloten met een bespreking van de analyseresultaten en de bijbehorende conclusies en aanbevelingen.

Project

: Lindelaan 4 te Diepenheim

Projectnummer

: BO722DI01 3 van 14

2

VOORONDERZOEK

2.1

Algemeen Het vooronderzoek is gebaseerd op de NEN 5725:2017. Onderstaand zijn de typen vooronderzoek opgenomen: Onderzoeksaspecten

1. Locatiegegevens

Aanleidingen tot vooronderzoek

Eigendomssituatie

A

B

O

O

C

D

E

F

G

✓

Hoogteligging 2. Bodemopbouw en

Bodemopbouw

✓

✓

geohydrologie

Antropogene lagen in de bodem

✓

✓

Geohydrologie

✓

✓

3. Verwachting t.a.v. de

Geval van ernstige bodemverontreiniging?

✓

bodemkwaliteit

Kwaliteit o.b.v. BKK

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

O

✓

✓

✓

✓

✓

O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken

✓

✓

✓

✓

✓

✓

4. Gebruik en beïnvloeding

Voormalig

✓

O

✓

✓

✓

✓

van de locatie, verdachte

Huidig

✓

✓

✓

✓

situatie, activiteiten, ongewoon Toekomst voorval

Asbestverdacht?

✓ ✓

✓

O ✓

✓

✓

✓

✓

5. Terreinverkenning A. bodemonderzoek, par. 6.2.1 B. nul‐ en eindsituatieonderzoek, par. 6.2.2 C. bodemkwaliteitsklasse (Bbk), par. 6.2.3 D. partijkeuring, par. 6.2.4 E. opstellen/ actualiseren bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.5 F. gebruik bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.6 G. inschatten van arbeidshygiënische risico’s, par. 6.2.7

✓ Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd O Optioneel

In het kader van het vooronderzoek (standaard vooronderzoek A) is beperkt informatie uit de volgende bronnen ingewonnen:

2.2

-

informatie van de opdrachtgever;

-

informatie van het kadaster;

-

informatie vanuit het bodemloket (www.bodemloket.nl);

-

Informatie vanuit de gemeente Hof van Twente;

-

Informatie vanuit de Omgevingsrapportage Provincie Overijssel;

-

topografische kaarten (www.topotijdreis.nl);

-

interpreteren van geohydrologische kaarten;

-

een locatie-inspectie (voorafgaand aan veldwerk).

Bekende gegevens Het te onderzoeken terreindeel heeft een oppervlakte van 1.121 m2 en is kadastraal bekend als: Diepenheim, sectie B, nr. 3081. De coördinaten zijn: x: 235.124 en y: 468.753. De regionale ligging van het perceel is weergegeven in bijlage 1.

Project

: Lindelaan 4 te Diepenheim

Projectnummer

: BO722DI01 4 van 14

Het onderzoeksperceel is gelegen aan de Lindelaan 4 te Diepenheim. Op het perceel is het voormalig stationsgebouw van station Diepenheim gelegen. Dit gebouw dateert van april 1910. In 1935 werd het station gesloten. Uit informatie vanuit het Omgevingsloket van de Provincie Overijssel en vanuit de gemeente Hof van Twente is geen informatie omtrent eerder bodemonderzoek of milieuverdachte activiteiten op het perceel naar voren gekomen. Omdat het perceel een voormalig stationsgebouw betreft wordt het voormalige spoortracé als extra aandachtspunt beschouwd. Vanuit het gebruik van asbesthoudende remvoeringen bij de oudere treinen, wordt geadviseerd om de bovengrond van dit terreindeel aanvullend op asbest te onderzoeken. In 2020 heeft bureau Antares bodemonderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de westelijk gelegen Graaf Hendrik van Dalestraat en de Rutger Jan Schimmelpennickstraat verricht. Hierbij zijn sterk verhoogde gehalten asbest in een strook grond aan de overzijde van de Lindelaan aangetoond. Aangezien dit de openbare ruimte betreft en asbest als een immobiele stof kan worden beschouwd, zijn de resultaten van dit onderzoek geen aanleiding om het onderzoeksperceel in zijn geheel als asbestverdacht te beschouwen. Een tekening van de locatie waar met het bodemonderzoek van Antares asbest is aangetroffen, is opgenomen als bijlage 6.

Vanuit topotijdreis (www.topotijdreis.nl) is de eerste duidelijke kaart van het perceel van 1850 beschikbaar. De kaarten van 1890 en 1926 laten nog een agrarisch perceel en omgeving zien. In de kaart van 1927 worden het station en de spoorlijn voor het eerst genoemd. In de kaart van 1955 is de spoorlijn niet als zodanig meer zichtbaar. De kaarten vanuit de periode 1988 t/m 1997 laten steeds meer woonbebouwing op het voormalige spoortracé en in de omgeving van het perceel zien. De situatie op de kaarten van 1997 t/m heden zijn vrijwel niet gewijzigd. Voor de topografische kaarten (diverse jaartallen) wordt verwezen naar bijlage 7. Vanuit het dinoloket wordt de bodemlaag van 0,0 tot 1,0 m-mv als zwak humeuze leem beschreven. Hieronder bevindt zich tot 10 m-mv een zandpakket van diverse gradaties, gevolgd door een laag klei die tot 14,0 m-mv is aangetoond. De bodemlaag van 14,0 tot 20,0 m-mv bestaat vervolgens weer uit zand van diverse gradaties, gevolgd door een laag grind of sterk grindig zand die tot een diepte van 24,0 m-mv wordt aangetroffen. De onderliggende bodemlaag die tot de onderzijde van de boring op 31,0 mmv wordt aangetroffen, bestaat vervolgens uit zand van diverse gradaties. Voor het bodemprofiel wordt verwezen naar bijlage 8. De regionale grondwaterstromingsrichting is globaal gezien westelijk, richting de Regge.

2.3

Conclusies vooronderzoek en onderzoekshypothese Het onderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 ‘Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Op basis van de beschikbare informatie is hierbij de onderzoeksstrategie voor een ‘onverdachte locatie (ONV-NL) gehanteerd. Ter plaatse van het voormalige spoortracé wordt de hypothese ‘verdachte van de aanwezigheid van asbest in de grond’ gehanteerd. Van dit terreindeel zal de bovengrond indicatief op asbest worden onderzocht.

Project

: Lindelaan 4 te Diepenheim

Projectnummer

: BO722DI01 5 van 14

NB: Bij de interpretatie van het totaal aan onderzoeksgegevens dient, gezien de gehanteerde strategie (gebaseerd op de Nederlandse Norm NEN 5740), die is gericht op een indicatieve beoordeling van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening gehouden te worden met een zeker restrisico. Tevens wordt erop gewezen, dat onderhavig onderzoek een momentopname is.

Project

: Lindelaan 4 te Diepenheim

Projectnummer

: BO722DI01 6 van 14

3

UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN

3.1

Algemeen De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Est Invent B.V. en uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018. De beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 beschrijft de uitvoering van het veldwerk volgens de geldende NEN- en NPR normen. Voor het verrichten van de veldwerkzaamheden ten behoeve van het bodemonderzoek is Est Invent B.V. in het bezit van een procescertificaat (certificaatnummer: NC-SIK-20333). Est Invent B.V. is een onafhankelijk opererend adviesbureau dat op geen enkele wijze verbonden is met de opdrachtgever c.q. eigenaar van de onderzoekslocatie. De chemische analyses zijn uitgevoerd door het de door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium van Al-West te Deventer. Het onderzoeksprogramma is in tabel 3.1 opgesomd. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma Locatie

Bodemlaag

Te verrichten onderzoek *

Aantal

Analysepakket

analyses Lindelaan 4 te

Bovengrond

6 x boring tot 0,5 m-mv

1

standaardpakket bovengrond

Diepenheim

Ondergrond

1 x boring tot 2,0 m-mv

1

standaardpakket ondergrond

Grondwater

1 x boring met peilbuis

1

standaardpakket grondwater

(1.121 m2) Toelichting op tabel: Standaardpakket grond: Standaardpakket grondwater:

*

3.2

metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink), PAK (VROM 10), minerale olie, PCB’s; metalen, vluchtige aromaten (BTEXN en styreen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen (18 verbindingen), minerale olie. Ter plaatse van de voormalige spoorlijn zijn drie boorgaten gecombineerd als inspectiegaten van 30x30x50 cm uitgevoerd. Het materiaal vanuit deze boorgaten is in het veld tot één mengmonster samengesteld. Dit mengmonster is geanalyseerd op asbest in grond (NEN 5898).

Veldwerkzaamheden Het veldwerk is uitgevoerd op 29 juli 2022 (verrichten grondboringen en plaatsen peilbuis). Het veldwerk is uitgevoerd de heer P. van der Poel van Est Invent B.V.. Het grondwater uit de geplaatste peilbuis is op 9 augustus 2022, eveneens door de heer P. van der Poel van Est Invent B.V. bemonsterd. De locaties van de boringen en de peilbuis staan weergegeven in bijlage 2. Het opgeboorde materiaal is beoordeeld op textuur, kleur en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. De gegevens van de monsterpunten zijn verwerkt tot boorprofielen, die zijn opgenomen als bijlage 3. De globale bodemopbouw en de relevante zintuiglijke waarnemingen zijn beschreven in paragraaf 4.1. Voor het vaststellen van een eventueel aanwezige olieverontreiniging is gebruik gemaakt van de olieop-water-test. De grootte en de kleurschakering van de oliefilm op het werkwater geven een indicatie van de mate van verontreiniging. Voor het laboratoriumonderzoek zijn van de bovengrond (0,0-0,5 mmv) uit iedere boring grondmonsters genomen. Uit de boringen tot 2,0 m-mv is per iedere halve meter een grondmonster genomen. Bodemlagen met afwijkende kenmerken (textuur, kleur, aanwezigheid bodemvreemd materiaal, etc) zijn apart bemonsterd.

Project

: Lindelaan 4 te Diepenheim

Projectnummer

: BO722DI01 7 van 14

Tijdens het uitvoeren van het veldwerk aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van (bijmengingen met) puin in de grond. Op basis van de NEN 5707 en jurisprudentie (Raad van State, uitspraaknummer 201508764/1/A1, november 2016) dient vanwege de aanwezigheid van puin, de grond te worden beschouwd als verdacht op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. Tenzij op basis van beschikbare informatie (bijvoorbeeld het type puin of de datum van aanbrengen van het puin) onderbouwd kan worden dat de bodem niet verdacht is op de aanwezigheid van asbest, dient bij het aantreffen van asbest een verkennend onderzoek asbest in grond conform NEN 5707 te worden uitgevoerd. Middels dit onderzoek kan worden bepaald of de verdenking op de aanwezigheid van asbest in de grond terecht is. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het perceel geen bijmengingen met asbestverdacht bodemvreemd materiaal aangetroffen. Ter plaatse van het terreindeel waar in het verleden de spoorbaan heeft gelopen is visueel eveneens geen asbest waargenomen.

3.3

Chemisch-analytisch onderzoek De samenstelling van de analysepakketten is als volgt: Standaardpakket grond: -

zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink;

-

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK);

-

PCB’s (Polychloorbifenyl);

-

minerale olie (GC).

Standaardpakket grondwater: -

zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink;

-

vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXN);

-

vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen;

-

minerale olie (GC).

Asbest:

3.4

NEN 5898

Toetsingskader De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Wet Bodembescherming. Het toetsingskader bestaat uit achtergrond- (voor grond) en streefwaarden (voor grondwater) alsmede interventiewaarden. Het gemiddelde van achtergrondwaarde (voor grond) of streefwaarde (voor grondwater) en de interventiewaarde wordt als tussenwaarde aangeduid. Een beschrijving van de waarden is hieronder weergegeven: Achtergrondwaarden (AW) (alleen voor grond) De achtergrondwaarden geven de milieuhygiënische kwaliteit voor bodem, waarop geen locatiespecifieke bodembelasting is opgetreden. De achtergrondwaarden geven derhalve de gemiddelde gehalten van de parameters in gebieden, waarin geen antropogene beïnvloeding van de bodem heeft plaatsgevonden.

Project

: Lindelaan 4 te Diepenheim

Projectnummer

: BO722DI01 8 van 14

Streefwaarden (S) (alleen voor grondwater) De streefwaarden geven het uiteindelijk te bereiken kwaliteitsniveau voor de bodem aan. De streefwaarden hebben betrekking op de in de natuur voorkomende achtergrondconcentraties, of detectiegrenzen bij stoffen die niet in natuurlijke milieus voorkomen. Ook is er een risicobenadering in de streefwaarden geïntegreerd. Tussenwaarden (T) De tussenwaarde ofwel het criterium voor nader onderzoek (gemiddelde van achtergrond- en interventiewaarde) is vastgesteld om aan te geven dat een nader onderzoek nodig is. Voor stoffen waarvoor geen achtergrondwaarde is vastgesteld, dient ½ (interventiewaarde) gehanteerd te worden. Interventiewaarden (I) De interventiewaarden geven het concentratieniveau voor verontreinigende stoffen aan waarboven sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Indien de interventiewaarde voor grond een bodemvolume van 25 m³ of voor grondwater een bodemvolume van 100 m³ overschrijdt, is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voor asbest geldt dit omvangscriterium niet en is er al sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, als de interventiewaarde in enig bodemvolume wordt overschreden. In bijzondere situaties kan ook bij concentraties beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4037/documents/56221