CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

3 20230713 Toelichting instrumenten Wgr.pdf

Gemeenteraad 17 oktober 2023, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 14: Ontwerp wijziging gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Twente3.652 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Cooperación is de handelsnaam van Rob de Greef Bestuurlijk Organisatierecht B.V.

Memo Aan

Van

Omgevingsdiensten IJsselland

Rob de Greef en Maartje de Rond

Telefoon

085 – 076 1717

E-mail

secretariaat@cooperacion.nl

Website

www.cooperacion.nl

en Twente

Datum

Betreft

13 juli 2023

Instrumenten nieuwe Wgr

1. Aanleiding Op 1 juli 2022 is de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) in werking getreden.1 Met de wetswijziging is gepoogd de democratische legitimatie te versterken. Dit betekent in feite een versterking van de kaderstellende en controlerende rol van gemeenteraden, provinciale staten en algemene besturen van waterschappen.

De nieuwe wijzigingen in de Wgr kunnen we opdelen in drie categorieën: 1)

Wijzigingen die direct ingaan en waarvoor de GR niet aangepast hoeft te worden;

2)

Wijzigingen die direct ingaan, maar waarvoor het verstandig is om af te wegen welk maatwerk je in de regeling toepast, en

3)

Wijzigingen die niet direct ingaan, maar die de deelnemers de mogelijkheid geven tot afweging en die binnen twee jaar in de regeling aanpast moeten worden zodat duidelijk is of en hoe de instrumenten worden ingezet.

In dit memo gaan wij eerst in op het juridische kader van de wijzigingen die direct ingaan voor collegeregelingen (categorie 1 en 2). Vervolgens gaan we in op de wijzigingen die niet direct ingaan, maar waartoe deelnemers zelf de keuze hebben of en hoe ze de instrumenten inzetten. Tot slot zetten we in paragraaf 4 uiteen wat de praktische problematiek is rondom het inzetten van de geboden instrumenten.

2. Juridisch kader Wgr Onderstaand overzichtelijk in beeld welke wijzigingen direct ingaan en waarvoor het als deelnemers verstandig is om af te wegen of het nodig is dat maatwerk wordt toegepast: Zienswijzen bij treffen/wijzigen collegeregeling;

1 Wet van 15 december 2021, Stb. 2022, nr. 18. Zie voor inwerkingtreding KB 21 maart 2022, Stb. 2022, nr. 128.

2.1

-

Regionaal enquêterecht;

-

Bevoegdheden rekenkamer(commissie);

-

Actieve informatieplicht;

-

Begrotingscyclus, en

-

Raadsadviescommissies.

Zienswijze(n) bij treffen/wijzigen collegeregeling

De gemeenschappelijke regeling van beide omgevingsdiensten is een zogenaamde collegeregeling. De nieuwe Wgr schrijft voor dat voortaan bij het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling colleges van burgemeester en wethouders het ontwerp van de regeling eerst toezenden aan de gemeenteraden (art. 51 lid 5 jo. lid 2 Wgr).2 Na ontvangst van de ontwerpregeling krijgen gemeenteraden 8 weken de tijd om hun zienswijze(n) te geven over de ontwerpregeling (art. 51 lid 5 jo. lid 3 Wgr). Het is ook mogelijk dat de raad afziet van het geven van zienswijze(n) (art. 51 lid 5 jo. lid 3 Wgr). In een dergelijk geval moeten zij de colleges hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte stellen, zodat het besluitvormingstraject niet onnodig vertraagd wordt.

Toestemming Als de raad de procedure voor het geven van zienswijze(n) heeft doorlopen, gaat de bekende toestemmingsprocedure van start. Dit houdt in dat het college een voorlopig besluit neemt en vervolgens toestemming vraagt aan de raad voor het definitief wijzigen van de gemeenschappelijke regeling. De raad krijgt maximaal 13 weken de tijd om deze benodigde toestemming te verlenen. De termijn van 13 weken gaat lopen vanaf het moment van verzending door het college.

Als de raad heeft besloten over de toestemming, wordt dit besluit direct toegezonden aan het college. Is er toestemming verleend, dan kan het college overgaan tot definitieve besluitvorming en bekendmaking. Wel dient in kaart te worden gebracht welke colleges al zijn overgegaan tot definitieve besluitvorming, omdat in de regeling van de Omgevingsdienst Twente is bepaald dat een wijziging van de regeling – die uitsluitend betrekking heeft op aanpassing aan veranderende wettelijke bepalingen – tot stand kan komen bij een besluit met gewone meerderheid van de stemmen (art. 32 GR Omgevingsdienst Twente). In de regeling van de Omgevingsdienst IJsselland is bepaalt dat een besluit tot wijziging van de regeling alleen tot stand komt indien alle deelnemers daartoe hebben besloten (art. 34 GR Omgevingsdienst IJsselland).

2 Onder college van burgemeester en wethouders resp. (gemeente)raden wordt in dit memo mede verstaan het

college van gedupeerde staten resp. provinciale staten.

www.cooperación.nl

Pagina 2 van 11

De gewijzigde gemeenschappelijke regeling treedt pas in werking nadat het besluit van het college bekend is gemaakt (art. 3:40 Awb). Dit moet via publicatie in het daartoe uitgegeven publicatieblad (art. 3:42 Awb jo. art. 6 Bekendmakingswet). Nadat alle colleges besloten hebben, moet de gemeenschappelijke regeling zelf (of althans het wijzigingsbesluit) bekendgemaakt worden in het Provinciaalblad van de plaats van vestiging, zie art. 44 GR Omgevingsdienst IJsselland en art. 42 GR Omgevingsdienst Twente.

Wat betekent deze wetswijziging voor de praktijk? Deze procedure voor het treffen, dan wel wijzigen, geldt vanaf het moment dat de wet gewijzigd is. In de praktijk betekent dit dat elke gemeenschappelijke regeling conform de wetswijziging moet handelen en elke regeling conform de wet aangepast moet worden.

Voor de nieuwe zienswijzeprocedure geldt dat het college de ontwerpregeling voor zienswijze(n) toezendt aan de raad. Deze procedure wijkt af van de bekende zienswijzeprocedure op de ontwerpbegroting. Daar zendt het dagelijks bestuur de ontwerpbegroting toe aan de gemeenteraad voor zienswijze(n). Gebruikelijk is dat de raad zijn college vraagt om een conceptzienswijze voor te bereiden. In de nieuwe procedure ten aanzien van het treffen, dan wel wijzigen van de gemeenschappelijke regeling is het niet logisch dat het college de zienswijze procedure voorbereidt. Immers, het college gaat dan over zijn eigen voorstel adviseren, terwijl aangenomen mag worden dat het college al instemt met de ontwerpregeling.

2.2

Regionaal enquêterecht

Voorheen kon een onderzoekscommissie alleen onderzoek doen naar het handelen van de eigen wethouder of burgemeester ( resp. gedeputeerde) in het bestuur van het samenwerkingsverband. Tegenwoordig is het mogelijk dat de bij het samenwerkingsverband betrokken gemeenteraden unaniem beslissen tot het instellen van een regionale onderzoekscommissie. Formeel is het instellingsbesluit zelf een gemeenschappelijke regeling, waarbij de onderzoekscommissie formeel als gemeenschappelijk orgaan wordt geduid.

Wat betekent dit voor de praktijk? Stel dat in de toekomst de samenwerking tussen de omgevingsdiensten en de deelnemers stroef verloopt en de gemeenteraden grote problemen ervaren, dan kunnen zij middels het instellen van een regionale onderzoekscommissie zelfstandig onderzoek doen naar het gevoerde bestuur van de omgevingsdiensten. Het bestuur is dan verplicht medewerking te verlenen. Voor de invoering van deze

www.cooperación.nl

Pagina 3 van 11

instrumenten is geen wijziging van de gemeenschappelijke regeling noodzakelijk. Het instrument volgt al uit de wet.3

Voor een uitgebreide toelichting, zie ook de VNG handreiking ‘Verbeterde democratische legitimatie bij gemeenschappelijke regelingen’.

2.3

Bevoegdheden rekenkamer(commissie)

De nieuwe wet biedt niet veel veranderingen. Voorheen kon een gemeentelijke rekenkamer al onderzoek doen bij de omgevingsdiensten naar de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het gemeente bestuur gevoerde bestuur. Strikt genomen mocht de rekenkamer geen onderzoek doen naar de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van het door de omgevingsdiensten gevoerde bestuur als zodanig. Met de wetswijzing is dit voortaan ook formeel geregeld.

2.4

Actieve informatieplicht

De actieve informatieplicht van het college richting de gemeenteraad kennen we al jaren. Het verplicht het college de raad actief te informeren over alles wat in het samenwerkingsverband gebeurt (voor zover het van belang is voor de gemeenteraad). De nieuwe Wgr heeft nu de actieve informatieplicht voor het bestuur van het samenwerkingsverband geïntroduceerd. Het is aan het algemeen bestuur, dagelijks bestuur of de voorzitter van de omgevingsdienst(en) om actief informatie te delen. Wel kunnen er in de gemeenschappelijke regeling kaders worden meegegeven over welke informatie in ieder geval actief gedeeld moet worden. De actieve informatieplicht volgt dan ook rechtstreeks uit de wet, maar de nadere afspraken en kaders is het maatwerk waarover de samenwerkingspartners in de regeling afspraken kunnen maken.

2.5

Begrotingscyclus

De nieuwe Wgr gaat uit van een ander planning- en control-cyclus, met name de begrotingscyclus. Gemeenschappelijke regelingen die een eigen begroting en jaarrekening hebben kenden al de procedure waarin raden de mogelijkheid werd geboden zienswijzen te geven op de ontwerpbegroting. Voortaan geldt een nieuwe termijn voor deze zienswijzeprocedure.

Moest voorheen de kadernota voor 15 april van dat boekjaar verzonden zijn aan de gemeenteraad, voortaan is dat 30 april. De datum voor verzending is dus circa twee weken ruimer. Deze datum is een uiterste termijn. Dat betekent dat de kadernota uiterlijk 30 april verzonden moet zijn. In de regeling kunnen deelnemers afspreken dat ze kiezen voor een eerdere datum dan 30 april. De raad neemt de

3 Artikel 155g en 155h Gemeentewet.

www.cooperación.nl

Pagina 4 van 11

kadernota voor kennisgeving aan. Het is mogelijk om in de regeling ervoor te kiezen de kadernota ook aan zienswijzen te onderwerpen. Dat is geen verplichting, maar lokaal maatwerk dat deelnemers kunnen toepassen.

Nadat de kadernota voor kennisgeving aan de raden is verzonden start het proces van de begrotingscyclus. Bij de omgevingsdiensten is het dagelijks bestuur verplicht om de ontwerpbegroting toe te zenden aan de gemeenteraden. Terugrekenend verstuurd het dagelijks bestuur de stukken minstens 12 weken voordat het algemeen bestuur een besluit neemt over de ontwerpbegroting. Voorheen was de termijn 8 weken. Daarnaast moet het dagelijks bestuur voortaan verplicht reageren op de door de raden ingediende zienswijzen. Dit betekent dat het dagelijks bestuur schriftelijk en gemotiveerd aan de gemeenteraden laat weten wat er met de zienswijze(n) is gebeurt en waarom er wel/niet een aanpassing heeft plaatsgevonden. Dit gebeurt voordat het algemeen bestuur overgaat tot definitieve vaststelling (art. 59 lid 6 jo. lid 4 Wgr).

Wat betekent deze wetswijzing voor een begrotingswijziging? Indien in de praktijk één van de omgevingsdiensten een begrotingswijziging wil indienen, zal de procedure voor een begrotingswijziging grotendeels hetzelfde zijn als die voor de reguliere begroting, tenzij in de gemeenschappelijke regeling is bepaald dat het voor bepaalde categorieën van wijzigingen de procedure van zienswijzen niet doorlopen hoeft te worden (art. 59 lid 6 Wgr). De regelingen van beide omgevingsdiensten kennen een dergelijke beperking, zie art. 28 lid 5 GR Twente en art. 32 lid 7 GR IJsselland. De beperkingen houden in dat een begrotingswijziging niet de zienswijzeprocedure hoeft te doorlopen als de wijziging niet leidt tot een verhoging van de door de deelnemers verschuldigde bedrag(en) aan de omgevingsdienst. Indien de begrotingswijziging wel tot een verhoging van de verschuldigde bedragen leidt, dan gelden dezelfde regels en termijnen als bij een reguliere begrotingswijziging (zie bovenstaand).

2.6

Raadsadviescommissie

Voor het instellen van een raadsadviescommissie is het niet noodzakelijk de gemeenschappelijke regeling te wijzigen, nu artikel 24a van de Wgr de instelling altijd mogelijk maakt. Gemeenteraden kunnen in afstemming het algemeen bestuur verzoeken een regionale adviescommissie in te stellen. De leden van de adviescommissie worden door en vanuit de raden gekozen. Het doel van een dergelijke raadsadviescommissie is om gemeenteraden met elkaar te laten overleggen, bijvoorbeeld over gezamenlijke zienswijzen. Het is uitdrukkelijk niet bedoelt om de rol van de raden over te nemen of om tot besluitvorming te komen.

Uit de wet volgt dat een raadsadviescommissie formeel niet voor meer dan één samenwerkingsverband – in dit geval de Omgevingsdienst – kan werken. Is dit wel de wens, dan kan er

www.cooperación.nl

Pagina 5 van 11

gebruik gemaakt worden van zogenaamde agendacommissies die wel meerdere samenwerkingsverbanden bestrijken. De Wgr verzet zich daar niet tegen, alleen is dan geen sprake van een adviescommissie in de zin van artikel 24 Wgr.

Verschillende raadsadviescommissies brengt als risico met zich dat leden van gemeenteraden overvraagd kunnen worden. Immers, in de praktijk is slechts beperkte tijd beschikbaar voor leden om deel te nemen aan extra vergaderingen. Bovendien is het voor de Omgevingsdienst in de praktijk niet altijd werkzaam als ze voor elk besluit eerst een raadsadviescommissie om advies moeten vragen.

De inzet van raadsadviescommissie vergt een politieke keuze. Strikt genomen hoeft de regeling er niet op aangepast te worden, vandaar dat het onder een wijziging valt die per direct ingaat. Uit de regionale raadsbijeenkomst die op 11 januari jl. plaatsvond, volgen verschillende meningen. Het gros van de aanwezigen kwam na het gesprek tot de conclusie dat ze als raad gezamenlijk moeten afstemmen of ze een raadsadviescommissie willen instellen en bij welk samenwerkingsverband, omdat het niet realistisch zou zijn om voor elk samenwerkingsverband een raadsadviescommissie in te stellen. Bij de afweging houden ze rekening met de taken die het samenwerkingsverband uitvoert en de bevoegdheden daaromtrent. Zijn het beleidsrijke taken die uitgevoerd worden, dan is de behoefte aan controle en sturing groter, dan wanneer het om de uitvoering van beleidsarme taken gaat.

3. Inzet instrumenten die een afweging vergen Onderstaand overzichtelijk in beeld welke instrumenten de deelnemers kunnen inzetten en die een afweging vergen. waarvoor het ook verstandig is om af te wegen of het nodig is dat maatwerk wordt toegepast: Verplichte opneming van een uitgebreidere uittredingsregeling;

3.1

-

Zienswijzen op andere besluiten dan ontwerpbegroting;

-

Betrokkenheid ingezetenen bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid, en

-

Verplichte afspraken rondom evaluatie.

Uittreding

De Wgr schreef altijd al voor dat in de regeling afspraken gemaakt moesten worden omtrent uittreding, maar nooit werd voorgeschreven hoe deelnemers de gevolgen van uittreding moesten bepalen. Om die reden werden in veel regelingen geen afspraken gemaakt of slechts procesafspraken en is er altijd veel onduidelijkheid als een deelnemer besluit tot uittreding.

www.cooperación.nl

Pagina 6 van 11

Met de recente wetswijziging heeft de wetgever verduidelijkt wat verstaan moet worden onder het ‘regelen van de gevolgen van uittreding’. Voortaan moet in elke regeling onderstaande aspecten geregeld zijn: De voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden; -

De gevolgen voor het vermogen van het samenwerkingsverband, en

-

De gevolgen voor het vermogen van de deelnemende gemeenten (zowel de uittrreder als ook de overblijvende gemeenten).

Bij voorwaarden voor uittreding kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opzegtermijn of een verbod om de eerste jaren na toetreding tot de regeling uit te treden. Daarnaast vormt ook het besluitvormingsproces onderdeel van de voorwaarden voor uittreding. Bij de vermogensrechtelijke gevolgen gaat het enerzijds om de financiële gevolgen die gepaard gaan met uittreding en anderzijds om de overname van lopende overeenkomsten (denk aan huurcontracten, arbeidscontracten etc). In de regeling moet bepaald hoe deelnemers hiermee omgaan én hoe de uittreedkosten berekend worden.

Uittreding bij de beide omgevingsdiensten is – ondanks dat ze beiden zogenaamde verplichte samenwerkingsverbanden zijn – wel mogelijk. Het verplichte samenwerkingsverband is in het leven geroepen op grond van artikel 5.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten en colleges van burgemeester en wethouders van een bepaalde regio een gemeenschappelijke regeling moeten treffen. In artikel 5.3 lid 2 Wabo is de koppeling met de veiligheidsregio geregeld. Hieruit volgt dat de omvang en samenstelling van een omgevingsdienst verplicht is en samenvalt met de veiligheidsregio. Bij ministeriële regeling kan hiervan worden afgeweken. Dit betekent dat een eventuele volledige uittreding van één van de deelnemers alleen mogelijk is bij gelijktijdige toetreding tot een andere omgevingsdienst, waarbij feitelijk toestemming van de minister nodig is, nu de minister dan de Regeling omgevingsrecht moet aanpassen.

3.2

Zienswijzen

De nieuwe Wgr schrijft voor dat voortaan uit de regeling moet volgen welke afweging deelnemers hebben gemaakt omtrent besluiten die het samenwerkingsverband neemt te onderwerpen aan zienswijzen. Dat betekent dat ook als de deelnemers ervoor kiezen om geen gebruik te maken van de zienswijzenprocedure, dit in de regeling geregeld moet worden.

De omgevingsdiensten zijn beiden uitvoeringsorganisaties. Zij nemen geen besluiten over verordende bevoegdheden. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid hiervoor bij elke individuele deelnemer blijft liggen. Om die reden is er voor gekozen om besluiten, anders dan wanneer dit wettelijk verplicht al geldt (denk aan ontwerpbegroting en wijziging gemeenschappelijke regeling) niet aan zienswijzen te

www.cooperación.nl

Pagina 7 van 11

onderwerpen. Bij het opnemen van dergelijke bepalingen is het van belang dat concrete definities gebruikt worden, zodat bij het toepassen van de bepaling geen discussie kan ontstaan over wat partijen verstaan onder de definitie (denk bv. aan bewoordingen als ‘strategische besluiten, majeure besluiten, koersbesluiten’ etc.). Dergelijke definities zijn multi-interpretabel.

Echter, ook bij de omgevingsdiensten kan het voorkomen dat er grote koerswijzigingen plaatsvinden. In die gevallen wordt er wel aan beleidsvoorbereiding gedaan. In dergelijke gevallen kan het algemeen bestuur alsnog beslissing om de raden en provinciale staten om zienswijzen te vragen. Daarnaast is als bepaling opgenomen dat het algemeen bestuur dit moet doen wanneer tenminste vier raden hier gezamenlijk om verzoeken. In beide gevallen mag het algemeen bestuur niet beslissen dan voordat de raden en provinciale staten in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijzen naar voren te brengen. Het dagelijks bestuur is verplicht schriftelijk en gemotiveerd op de zienswijzen van de raden te reageren en daarbij aan te geven welke conclusie aan de zienswijze wordt verbonden. Het dagelijks bestuur moet deze reactie aan de raden zenden vóórdat het algemeen bestuur tot besluitvorming overgaat. Op die manier kunnen de raden, indien gewenst, hun opvattingen nog meegeven aan hun leden in het algemeen bestuur.

3.3

Participatie

Omdat participatie in bestuurlijk en politiek Nederland steeds belangrijker wordt gevonden, is bij de wijziging van de Wgr hier rekening mee gehouden. Voortaan moet in de regeling bepaald worden hoe ingezetenen én belanghebbenden betrokken worden bij eventuele voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Het uitgangspunt is dat de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd wordt. In de regeling moet geregeld zijn welke besluitvorming voor participatie in aanmerking komt.

Het algemeen bestuur van een omgevingsdienst neemt nagenoeg geen formele besluiten, waardoor er geen besluiten zijn die verplicht aan een participatietraject worden onderworpen, anders dan wanneer dit wettelijk verplicht natuurlijk al geldt. Het staat inwoners en belanghebbenden natuurlijk altijd vrij om via de gemeenteraden of andere gemeentelijke kanalen in te spreken.

Ook hier is als bepaling opgenomen dat als het gaat om ingrijpende besluiten, dan kan het algemeen bestuur alsnog beslissen een participatietraject in te zetten. Het bestuur van de omgevingsdienst regelt daarbij zelf de procedure van dit traject, waarbij in elk geval ingezetenen en belanghebbenden bij het besluit in de gelegenheid moeten worden gesteld inspraak te leveren. Er moet dus een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de te betrekken partijen en ingezetenen, zodat deze representatief is voor de gehele groep van belanghebbenden dan wel inwoners. Daarnaast moet een zorgvuldige

www.cooperación.nl

Pagina 8 van 11

keuze worden gemaakt tussen het doel van de participatie: is dat louter tijdig informeren, input ophalen, delibereren/beraadslagen enz.

Het dagelijks bestuur informeert de colleges van burgemeester en wethouders over het voornemen tot het volgen van een eigen participatietraject. De colleges én het dagelijks bestuur maken op de in de organisaties gebruikelijke wijze bekend dat er een eigen participatietraject wordt gevolgd. Aanvullende communicatie (via kranten, huis-aan-huisbladen, website e.d.) kan natuurlijk ook altijd worden ingezet.

3.4

Evaluatie

Veel regelingen kennen al een bepaling omtrent een periodieke evaluatie. De wet schrijft voor dat voortaan de regeling voorschrijft dat er afspraken zijn gemaakt omtrent evaluatie. Die afspraak kan ook zijn dat er niet geëvalueerd wordt, dit moet dan wel expliciet uit de regeling volgen.

Bij beide omgevingsdiensten is ervoor gekozen om de bepaling breed te formuleren. Dit betekent dat de keuze voor evaluatie bij het algemeen bestuur blijf liggen. Deze wens volgde eveneens uit de verschillende sessies op zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau. Overgaan tot een evaluatie is goed en belangrijk, maar wel wanneer het nodig is en niet omdat het periodiek staat voorgeschreven.

Indien een gemeenteraad (of provinciale staten) van één van de deelnemers behoefte heeft aan evaluatie, dan staat het de raad ook vrij om een rekenkameronderzoek uit te voeren. Daarnaast staat het de raad ook vrij om zelf een externe in te huren. Deze instrumenten kan de raad - los van deze evaluatiebepaling - zelf inzetten.

4. Praktische problematiek wijziging GR De inzet van de instrumenten en de afweging van hoe je deze instrumenten voor elk samenwerkingsverband inzet is een vanzelfsprekendheid en vraagt om maatwerk. Ons inziens moeten de deelnemers afwegen hoe groot hun belangen zijn en wat hun wens is bij de balans tussen grip en afstand ten aanzien van de Omgevingsdienst(en). Als ze instrumenten inzetten om de sturing vanuit de gemeente(n) resp. provincie te vergroten, moeten ze de volgende afwegingen langslopen: 1) welk doel willen ze bereiken, 2) kan dit doel bereikt worden met het in te zetten instrument en 3) is het instrument ook het meest geëigende instrument?

Bij het maken van deze afwegingen kan het helpen om de drie I’s langs te lopen. We hebben het dan over Informatie, Inspanning en Invloed. De invulling van deze drie I’s kan via twee gedachtenlijnen: 1) de afweging voor een hoog risicolevel met een grote mate van grip of 2) de afweging voor weinig grip

www.cooperación.nl

Pagina 9 van 11

en dus ook een laag risicolevel. Het is verstandig om de drie I’s zo in te vullen dat ze zich op een passende wijze tot elkaar verhouden.

Informatie: afweging gemeenteraad voor het ontvangen van maatwerk informatie op hoofdlijnen of informatie op detailniveau (beleid vs. organisatie). Inspanning: afweging gemeenteraad om veel of weinig tijd te besteden aan de omgevingsdienst. Met andere woorden; een actieve rol ten aanzien van de omgevingsdienst of een meer reactieve rol. Bij het maken van deze afweging speelt de mate van vertrouwen een belangrijke rol. Een voorbeeld van hoe je dit praktisch kan invullen is een werkwijze waarbij de wethouder op afstand staat in relatie tot de gemeenteraad, maar de gemeenteraad aan de voorzijde van een proces betrokken wordt via raadsrapporteurs of een raadscommissie. Invloed: afweging gemeenteraad welke instrumenten zij inzet die veel sturing kunnen geven aan de Omgevingsdienst(en) of de keuze om terughoudend wettelijke en lokale kaderstellende/controlerende instrumenten inzet.

Informatie

Inspanning

Invloed

De drie i’s van de gemeente t.a.v. verbonden partijen: informatie, inspanning en invloed

De raad dient bij de afweging van de inzet van instrumenten de effectiviteit en efficiënte van de taakuitvoering door de omgevingsdienst in acht te nemen. Het is belangrijk dat de effectiviteit en efficiëntie van de taakuitvoering in balans blijft, omdat anders de doelstellingen van de samenwerking en de omgevingsdienst(en) hoogstwaarschijnlijk niet meer onverkort bereikt worden.

www.cooperación.nl

Pagina 10 van 11

Sturing & Controle (= democratische sturing)

Effectieve & efficiënte taakuitvoering (= doelmatige en doeltreffende uitvoering)

Afwegingskader inzet instrumentarium grip omgevingsdienst(en): democratische sturing versus doelmatige en doeltreffende taakuitvoering

www.cooperación.nl

Pagina 11 van 11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/3975/documents/55644